59. 1 Thessalonika

59. 1 Thessalonika · uit de ‘Synopsis’ deel 7 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Inleiding

In de brieven aan de Thessalonikers vinden we de toestand en de hoop van de christen als zodanig in deze wereld. Vooral in de eerste brief zien we dit in al zijn frisheid, want in de tweede was het al nodig die frisheid te beschermen tegen de verraderlijke aanvallen van de vijand. Dit zijn de éérste brieven die Paulus geschreven heeft, als we de Galatenbrief – waarvan de datum onzeker is – tenminste buiten beschouwing laten. Pas toen hij al lang bezig was met het werk en het al vergevorderd was, ging de apostel erover waken door middel van zijn brieven. En zoals we al gezien hebben, hebben deze brieven een verschillend karakter, in overeenstemming met de toestand van de gemeenten en in overeenstemming met Gods wijsheid, die op die manier in de Schriften vastlegde wat voor alle eeuwen nodig zou zijn.

De gelovigen in Thessalonika waren pas bekeerd en hadden veel te lijden van de vervolging van de wereld, waarvan Paulus zelf eerder ook het voorwerp geweest was op instigatie van de joden in die plaats. De apostel verblijdde zich in het werk van Gods genade daar en in de geestelijke toestand van zijn geliefde kinderen in het geloof. Overal werd daarvan getuigd, zelfs door de wereld. Als de apostel zo uitspreekt wat er in zijn hart leeft, wordt hij door de Heilige Geest gebruikt om het karakter uiteen te zetten van de toestand van de christen op aarde en van de hoop die het bestaan van de gelovige verlicht en hem bestraalt op zijn weg door de woestijn. De toestand van de Thessalonikers, die een bron van vreugde voor de apostel vormde, geeft dus aanleiding tot een uiteenzetting over de aard van het leven van de christen met al zijn motieven en zijn vreugden – en dat in verbinding met het getuigenis van God en met de hoop die onze kracht is om het uit te dragen.

Het is bekend dat deze beide brieven ons vooral de leer van de wederkomst van Christus voorstellen. Dat gaat altijd samen met het werk van de Geest, dat onze harten met Christus verbindt in het frisse begin van een nieuw leven. Maar we vinden de komst van de Heer hier niet alleen als een formele leerstelling. Ze wordt in verbinding gebracht met alle geestelijke relaties waarin we ons bevinden; ze komt tot uitdrukking in alle omstandigheden van het leven van de christen. We zijn bekeerd om Hem uit de hemelen te verwachten (1:10). De blijdschap van de gelovigen in de vruchten van hun werk wordt gezien bij Zijn komst (2:19). Bij de komst van Christus wordt de heiligheid in al haar waarde gezien, omdat de maatstaf ervan dan geopenbaard wordt (3:13). Het is onze troost als gelovigen sterven (4:13-18). Het is het onverwachte oordeel over de wereld (5:1-3). Tot op de komst van Christus bewaart God de Zijnen heilig en onberispelijk (5:23). Bij de behandeling van de afzonderlijke hoofdstukken zullen we nader op deze punten ingaan, die we nu alleen maar aanstippen. In het algemeen zullen we zien dat de persoonlijke relaties van de gelovige en de verwachting van Zijn verschijning in deze eerste brief in elk opzicht een opmerkelijke en levendige frisheid hebben. De Heer staat hier voor de aandacht – Hij is het voorwerp van het hart – en Hij wekt gevoelens van liefde op in de ziel, die een overvloed van vruchten van de Geest bewerken.

Alleen in deze twee brieven wordt er van een gemeente gezegd, dat ze “in God [de] Vader” is, dat ze dus in die relatie geplaatst is en haar morele bestaan, haar bestaanswijze, daaraan ontleent. Het leven van de gemeente ontplooide zich in de gemeenschap die uit die relatie voortvloeide. De Geest van zoonschap is daarvan het kenmerk. De Thessalonikers kenden de Vader met de liefde van kleine kinderen. Zo zegt de apostel Johannes van de kleine kinderen in Christus, dat hij aan hen schrijft omdat zij de Vader kennen.

Het gaat hier om het leren kennen van de positie van vrijheid waarin Christus ons geplaatst heeft, een positie van vrijheid voor God en gemeenschap met Hem. Wat is dat een kostbare plaats! We staan als kinderen voor Hem die ons als een Vader liefheeft, in het besef van al de vrijheid en de tedere liefde van die relatie met Hem. We staan in overeenstemming met Goddelijke volmaaktheid voor Zijn aangezicht. Want het is hier niet Christus’ menselijke ervaring die voorzag in de noden waarin Hij die ervaring verwierf (hoe kostbaar die neerbuigende genade ook is). Het is onze invoering in het volle genot van het licht en van de Goddelijke gevoelens die God als Vader openbaart. Het is onze gemeenschap, teer en vertrouwelijk maar zuiver, met Hem Wiens liefde de bron van alle zegen is. En omdat de Thessalonikers pas uit het heidendom bekeerd waren, doelt de apostel hier ongetwijfeld ook op hun kennis van de ene ware God en Vader in tegenstelling tot hun vroegere afgoden.

Hoofdstuk 1

De apostel geeft eerst uitdrukking aan zijn gevoelens ten aanzien van de gelovigen, zoals hij dat meestal doet in zijn brieven. Als de Thessalonikers hem voor de aandacht komen, spreekt hij niet over gaven zoals bij de Korinthiërs, en evenmin over de verheven positie van de Heer en al de Zijnen zoals bij de Efeziërs en zelfs bij de Kolossers (waarbij hij eraan toevoegt wat op grond van hun toestand nodig was). Hij spreekt ook niet over broederlijke liefde en gemeenschap zoals de Filippiërs die in hun verbondenheid met hemzelf betoond hadden, of over een geloof dat onafhankelijk van zijn werk ontstaan was en waardoor hij verkwikt hoopte te worden en dat hij hoopte te versterken door middel van zijn overvloedige gaven, zoals hij schrijft aan de Romeinen die hij nog niet gezien had.

Het gaat hier om het leven van de christen zelf in zijn eerste frisse indrukken, in zijn innerlijke eigenschappen – om het leven zoals het zich door de kracht van de Heilige Geest op aarde openbaarde, het leven van God hier beneden in de gelovigen. Daaraan denkt de apostel met zoveel dankbaarheid en blijdschap in zijn gebeden. De volgende drie grote beginselen liggen aan dit leven ten grondslag: geloof, hoop en liefde. Tegen de Korinthiërs zegt de apostel, dat deze drie ook steeds de grondslag van dit leven blijven (1 Korinthe 13:13). Welnu, deze drie beginselen vormden ook de sterke en Goddelijke motieven van het leven van de Thessalonikers.

Dit leven was geen zaak van gewoonte, maar de uiterlijke werkzaamheid ervan vloeide voort uit een rechtstreekse verbinding met de bron ervan. Deze werkzaamheid werd bezield en in stand gehouden door Goddelijk leven, en door het oog steeds gericht te houden op het voorwerp van het geloof. Er was werk en arbeid en volharding (vers 3). In Efeze was dat ook zo volgens Openbaring 2, maar in Thessalonika was het een werk van het geloof en een arbeid van de liefde en een volharding van de hoop. Het werk werd in geloof en uit liefde gedaan, en de volharding werd gevoed door de hoop. We hebben er al aan gedacht dat geloof, hoop en liefde de bronnen, de drijfveren van het christendom in deze wereld zijn. In Efeze bleven het werk, de arbeid en de volharding wel aanwezig, maar ze werden niet langer gekenmerkt door deze drie grote en krachtige beginselen. De gewoonte bleef, maar de gemeenschap ontbrak. Ze hadden hun eerste liefde verlaten.

Zoals 1 Thessalonika dus uitdrukking geeft aan de levende kracht waarin de gemeente geplant is, toont Efeze in Openbaring 2 het verlaten van die eerste toestand. Laat ons werk altijd een werk van geloof zijn, dat zijn kracht en zelfs zijn bestaan ontleent aan de gemeenschap met onze God en Vader. Laat het elk moment de vrucht zijn van de verwerkelijking van de dingen die men niet ziet, van het leven dat in de onwankelbare zekerheid van het Woord leeft. En laat het zo het stempel dragen van de genade en de waarheid die door Jezus Christus geworden is, en een getuigenis daarvan vormen! Laat onze arbeid de vrucht van de liefde zijn, zodat we onze dienst niet slechts als een plicht vervullen (hoewel het dat is, als we weten dat de taak voor ons ligt). En laat de volharding die we nodig hebben om door deze woestijn te trekken niet de noodzaak zijn die we voelen omdat de weg voor ons ligt, maar een volharding die gedragen wordt door de hoop die we hebben omdat we door het geloof op Jezus zien en Hem verwachten!

Deze beginselen – geloof, hoop en liefde – vormen ons hele karakter als christenen 1. Maar de vorming daarvan kan en mag niet plaatsvinden buiten de Voorwerpen, waarop ons oog steeds gericht moet zijn. En de Heilige Geest stelt ze hier dan ook voor, in hun tweevoudig karakter. Het hart rust door het geloof in Jezus en het verwacht Hem. Het vertrouwt op Hem en het wandelt met Hem. Hij heeft hier beneden gewandeld en Hij vertegenwoordigt ons in de hemel; Hij waakt over ons als de goede Herder; Hij heeft de Zijnen lief; Hij voedt en koestert hen. Zo is ons geloof en onze hoop steeds op Hem gericht.

Maar het geweten is vóór onze God en Vader. Niet in een geest van vreesachtigheid, want er bestaat geen onzekerheid over onze verhouding tot Hem als kinderen van een Vader die ons volmaakt liefheeft. Maar we zijn voor Gods aangezicht en het licht van God heerst in ons geweten. We wandelen in het besef dat Zijn oog op ons is, weliswaar in liefde, maar het is op ons. En het licht maakt alles openbaar; het oordeelt alles wat het heerlijke en kalme bewustzijn van Gods tegenwoordigheid en onze gemeenschap met Jezus, ons vertrouwen in Hem en de vertrouwelijke omgang van onze ziel met de Heer zou kunnen verzwakken.

Deze twee beginselen zijn van grote betekenis voor een blijvende vrede en voor de groei van onze zielen; anders kwijnt de ziel weg. Het ene geeft ons vertrouwen, het andere bewaart ons met een goed geweten in het licht. Zonder het laatste verliest het geloof (om niet nog meer te noemen) alle levendigheid. Zonder het eerste wordt het geweten wettisch en verliezen we onze geestelijke kracht, moed en inzicht. Ons hart rust in Jezus en ons geweten is in Gods licht (vers 3b).

De apostel herinnert de Thessalonikers ook aan het middel dat God gebruikt had om dit bij hen te bewerken, namelijk het evangelie, het woord, dat in kracht en in volle zekerheid tot hun zielen gekomen was door de Heilige Geest. Het woord had kracht in hun hart; het was als het woord van God tot hen gekomen; en de Geest openbaarde Zichzelf daarin en werkte het bewustzijn van Zijn tegenwoordigheid. Het gevolg hiervan was de volle zekerheid van de waarheid in al haar kracht en al haar realiteit. Het leven van de apostel, zijn hele gedrag, was een bevestiging van het getuigenis dat hij uitdroeg; het was er onlosmakelijk mee verbonden. Het karakter van de vruchten van het werk kwam dan ook overeen (zoals altijd) met dat van de arbeider zelf. Het christendom van de Thessalonikers leek op dat van Paulus zelf. Het kwam overeen met de wandel van de Heer Zelf, die Paulus van zo nabij volgde. Het was “onder veel verdrukking”, want de vijand kon zo’n duidelijk getuigenis niet verdragen. En God verleende deze genade aan dit getuigenis, en dat “met blijdschap van [de] Heilige Geest” (verzen 5,6).

Zo vormden de Thessalonikers een blij getuigenis van de kracht van Gods Geest. Als de Geest in het hart werkt, wordt alles een getuigenis voor anderen. Zij zien dat de christenen een kracht bezitten die hun onbekend is, motieven die zij nooit gehad hebben, een blijdschap die ze wel kunnen bespotten maar die ze zelf niet bezitten, een gedrag dat indruk op hen maakt en dat ze bewonderen hoewel ze het niet navolgen, en een geduld dat de machteloosheid van de vijand aan het licht brengt in zijn strijd tegen een kracht die alles verdraagt en een blijdschap die ondanks al zijn inspanningen toch standhoudt. Wat kan men beginnen met mensen die zich laten doden en hun blijdschap dan niet verliezen, die dan zelfs nog gelukkiger worden? Mensen die boven de gewone motieven verheven zijn als ze met rust gelaten worden, en die volmaakt gelukkig zijn als ze verdrukt worden, die door martelingen niet overwonnen kunnen worden maar daarin alleen een aanleiding zien om een krachtiger getuigenis af te leggen? Als ze met rust gelaten worden, is hun hele leven een getuigenis; hun dood, zelfs de marteldood, is een nog treffender getuigenis.

Zo is het bij de christenen, waar het christendom in zijn ware kracht gevonden wordt en in zijn normale toestand naar Gods gedachten. De kracht van het woord, van het evangelie, en van de tegenwoordigheid van de Geest wordt dan zichtbaar in een wereld die van God vervreemd is. Zo was het met de Thessalonikers, zodat zelfs de wereld ervan sprak en tegen wil en dank een extra getuigenis van de kracht van het evangelie verbreidde. Ze waren een voorbeeld voor de gelovigen in andere plaatsen en een onderwerp van discussie voor de wereld, die niet ophield over dit nieuwe en vreemde verschijnsel te spreken.

Hier waren mensen die alles opgegeven hadden wat macht had over het menselijk hart, alles waaraan het onderworpen was, en die nu de ene ware en levende God aanbaden, van Wie zelfs het natuurlijke geweten getuigde. De goden van de heidenen waren de goden van de lusten, niet van het geweten. En dit gaf de positie van christenen en hun godsdienst een bijzondere realiteit en actualiteit. Zij dienden de levende en waarachtige God en verwachtten Zijn Zoon uit de hemelen. Dit waren inderdaad gelukkige christenen. Hun wandel en hun hele leven maakte dat zelfs de wereld een getuigenis van de waarheid verbreidde. Wat ze beleden was zo bijzonder en hun leven was zo volkomen daarmee in overeenstemming, dat de apostel zelfs niet over zijn prediking en zijn aanwezigheid onder hen hoefde te spreken. De wereld deed dat al voor hem en voor hen.

Nu enkele woorden over de aard van dit getuigenis, dat eenvoudig maar toch van grote betekenis is en diepe morele beginselen bevat. Het vormt de grondslag van het hele leven van de christen en ook van al zijn gevoelens, zoals 1 Thessalonika die uiteenzet. Daarnaast bevat deze brief alleen een bijzondere openbaring over de omstandigheden van de komst van Christus om de Zijnen tot Zich te nemen, en over het verschil tussen die gebeurtenis en de dag van de Heer om de wereld te oordelen, hoewel dat laatste op de komst van Christus voor de Zijnen zal volgen. Dat wat de apostel hier noemt als het getuigenis dat van de trouwe wandel van de Thessalonikers uitging, bevat drie hoofdgedachten:

  1. ze hadden hun afgoden vaarwel gezegd om de levende en waarachtige God te dienen,
  2. ze verwachtten Zijn Zoon, die Hij uit de doden had opgewekt, uit de hemelen,
  3. en de Zoon beschermde hen voor de toorn die geopenbaard zou worden.

Het christendom wordt gekenmerkt door een geweldig feit. Het is eenvoudig maar het heeft een geweldige betekenis: het geeft ons namelijk een duidelijk Voorwerp en dat is niets minder dan God Zelf. De menselijke natuur is misschien wel in staat om de dwaasheid van de afgodendienst in te zien en afgoden en gesneden beelden te verachten, maar verder kan ze niet gaan. We kunnen niet uitgaan boven wat we zelf zijn; iets dat buiten ons bereik ligt kunnen we niet aan onszelf openbaren. Een van de meest bekende personen uit de antieke wereld zegt ons, dat alles wel goed zou gaan als de mensen hun natuur maar zouden volgen (dat ze er niet boven uit konden komen is duidelijk). En als de mens niet gevallen was, zou hij nog gelijk hebben ook. Maar als men de mens ertoe moet oproepen zijn natuur te volgen, dan bewijst dat al dat hij gevallen is en dat hij zichzelf verlaagd heeft beneden het normale niveau van die natuur. Zijn wandel is er inderdaad niet mee in overeenstemming, want alles is in wanorde geraakt. De mens is het slachtoffer van zijn eigenwil en van zijn lusten. Hij heeft God de rug toegekeerd en daardoor heeft hij de kracht en het middelpunt verloren die hem aantrokken en die hem en alles in zijn natuur op de juiste plaats hielden. Hij heeft geen macht over zichzelf en kan zichzelf niet leiden; want buiten God is er niets dan eigenwil die de mens bestuurt. Er zijn veel voorwerpen die aanleiding geven tot de werking van de begeerten en de wil van de mens, maar de gevallen mens heeft geen voorwerp dat een middelpunt voor hem vormt en dat hem een vaste en duurzame morele positie in verbinding daarmee geeft, zodat zijn karakter het kenmerk daarvan draagt. Toch heeft de mens een moreel middelpunt nodig dat in staat is om hem als een moreel wezen te vormen, doordat het aantrekkingskracht op hem uitoefent en zijn gevoelens in beslag neemt, zodat hijzelf de weerspiegeling daarvan is. Anders is zijn eigenwil werkzaam en dan is hij de speelbal van zijn lusten en – als noodzakelijk gevolg daarvan – de slaaf van elk voorwerp waarop zijn wil zich richt. De mens is een schepsel en een moreel wezen, dat niet zonder voorwerp kan leven. Alleen God is algenoegzaam in Zichzelf.

Het evenwicht dat er was in de toestand waarin de mens geen kennis van goed en kwaad had, is verdwenen. De mens wandelt niet meer in overeenstemming met zijn oorspronkelijke natuur, waarin hij niets verlangde buiten zijn normale toestand, buiten wat hij bezat. Toen had hij geen eigenwil; hij had een wil die niets begeerde buiten wat hij bezat, maar die zich dankbaar verblijdde in alles wat al passend gemaakt was voor zijn natuur. Hij dankte God voor alles en verheugde zich in de zegen die hem omringde, vooral het gezelschap van iemand zoals hijzelf, een hulp die zijn eigen natuur had en die voldeed aan zijn hart. Maar nu heeft de mens een eigenwil. Hij heeft het paradijs verloren, de sfeer waarin hij gelukkig was, en hij vindt geen rust. Hij is steeds op zoek naar iets meer. Dit streven van de menselijke wil schildert hem een toneel voor dat hij niet kan realiseren. Het ontbreekt hem aan inzicht en aan kracht om aan zijn verlangens te voldoen. De mens en alles wat hij heeft is niet meer genoegzaam om hem gelukkig te maken.

Maar de mens kan niet zonder een voorwerp leven waarop hij zich richt. Welnu, dit voorwerp zal óf boven óf beneden hem staan. Als het beneden hem staat, dan verlaagt hij zichzelf tot een niveau dat lager is dan hijzelf. En dit is inderdaad wat er gebeurd is: de mens leeft niet meer volgens zijn natuur. Zijn gedrag is tegennatuurlijk, zoals de apostel in het begin van de Romeinenbrief in al zijn gruwelijke realiteit beschrijft. Maar als de mens een voorwerp heeft dat boven hem maar beneden God staat, dan heeft hij nog niets wat zijn natuur kan besturen en hem de juiste morele plaats geeft. Zo’n voorwerp dat God buitensluit kan geen goed wezen zijn. Het is een afgod die de ware God buitensluit en de mens in zijn hoogste relatie verlaagt. Dit heeft ook plaatsgevonden en het is de ergste verlaging die er is. En omdat deze slechte wezens niet meer dan schepselen zijn, kunnen ze de mens alleen maar besturen door dat wat bestaat en hem beïnvloedt: het zijn de goden van zijn lusten. Ze verlagen de gedachte van de Godheid en ze verlagen het praktische leven van de mens tot slavernij aan zijn lusten, die nooit bevredigd worden en die allerlei kwaad bedenken als ze oververzadigd raken. Dat was de hopeloze toestand van de mens in het heidendom.

De mens en zeker de mens die de kennis van goed en kwaad bezit, moet God als zijn Voorwerp hebben, en wel als een Voorwerp dat zijn hart met vreugde kan vervullen en dat hij kan liefhebben; anders is hij verloren. Het evangelie, het christendom, heeft hem dit gegeven. God die alle dingen vervult, die de bron en het middelpunt van alle zegen en al het goede is, die volkomen liefde is en die alle macht heeft, die alles weet en overziet omdat alles (behalve het verlaten van Hem) de vrucht van Zijn wil en gedachten is, heeft Zichzelf in Christus geopenbaard. Hij heeft Zich aan de mens geopenbaard opdat zijn hart met Hem bezig zou zijn en Hem met een volkomen vertrouwen in Zijn goedheid zou kennen, Zijn tegenwoordigheid zou genieten en Zijn karakter zou weerspiegelen.

Als gevolg van de zonde en de ellende van de mens hebben we nu een oneindig grotere openbaring van Wie God is, van de volmaaktheid van Zijn natuur, van Zijn liefde, wijsheid en kracht. Maar we houden ons nu alleen bezig met het feit dat Hij Zichzelf aan de mens gegeven heeft als diens Voorwerp. Hoewel de ellende van de mens alleen maar aanleiding heeft gegeven tot een veel bewonderenswaardiger openbaring van God, kon God Zich slechts bekend maken omdat Hij Zelf een waardig Voorwerp had om Zijn plannen te vervullen en Zijn liefde te betonen. En dit Voorwerp was Zijn eigen Zoon en Diens heerlijkheid. Niemand anders kon die plaats innemen, geen enkel wezen van een lager karakter, hoewel zo iemand het voorwerp van Gods genade kan zijn waardoor Hij Zichzelf aan hem verheerlijkt. Er is een duidelijk wederzijds verband tussen de aard van het voorwerp en de gevoelens die men ervoor heeft. En zo heeft God Zijn soevereine en onmetelijke genade geopenbaard ten aanzien van de meest ellendige, onwaardige en behoeftige schepselen, terwijl Hij al de majesteit van Zijn wezen en al de voortreffelijkheid van Zijn natuur geopenbaard heeft in verbinding met een Voorwerp waarin Hij al Zijn welbehagen kon vinden en al de heerlijkheid van Zijn natuur kon tentoonspreiden.

Maar de wonderbare waarheid van Gods eeuwige raadsbesluiten is, dat dit voorwerp van het welbehagen van God de Vader als Mens Zijn plaats heeft ingenomen in deze heerlijke openbaring waardoor God Zichzelf aan Zijn schepselen bekend maakt. God heeft de mens tot deze kennis van Hemzelf voorbestemd en voorbereid. Het hart dat door de Geest geleerd is, kent God zoals Hij Zichzelf in Zijn oneindige genade in Christus geopenbaard heeft. Het kent de liefde die zich van de troon van God tot de ellende van de zondaar heeft neergebogen. Het weet dat het in Christus het voorwerp is van de liefde die God voor het Voorwerp van Zijn eeuwige welbehagen heeft, voor de Zoon die het waardige Voorwerp daarvan is. Het kent en het geniet die liefde, en de mededelingen (Johannes 17:7-8) die het bewijs daarvan zijn, en tenslotte de heerlijkheid die het openlijke bewijs daarvan zal zijn voor de ogen van het heelal. Dit laatste deel van de onuitsprekelijke zegen die ons geschonken is, is het onderwerp van de mededelingen van Christus in Johannes 14, 16 en vooral 17 2.

Zodra een zondaar bekeerd is en het evangelie gelooft en (ter completering van zijn toestand) verzegeld is met de Heilige Geest op grond van het volbrachte verlossingswerk van onze gezegende Heer, is hij in deze positie geplaatst. Hij is in deze relaties met God gebracht, wat zijn levensbeginsel betreft. Misschien is hij nog maar een kind, maar de Vader die hij kent en de liefde die hij geniet en de Heiland waarop zijn oog gericht is blijven eeuwig dezelfden; ze zijn dezelfden waarin hij zich zal verblijden als hij zal kennen zoals hijzelf gekend is. Hij is een christen; hij is van de afgoden bekeerd om God te dienen en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten.

We kunnen nog opmerken dat het hier in 1 Thessalonika niet gaat om de kracht die bekeert, en evenmin om de bron van het leven; daarvan is duidelijk sprake in andere gedeelten. Maar hier is het onderwerp: het karakter van het leven zoals het zich openbaart. Welnu, dit is afhankelijk van de voorwerpen die het heeft. Het leven ontplooit zich in verbinding met de voorwerpen die het heeft en het wordt daardoor gekenmerkt; de bron waaruit het voortkomt stelt het in staat het te bezitten en te genieten. Maar een schepsel heeft geen innerlijk leven dat onafhankelijk van een voorwerp is; dat is een voorrecht dat alleen God bezit. Dat toont aan hoe dwaas het is om te spreken over een onderwerpelijk leven, zonder dat dat een duidelijk voorwerpelijk karakter zou bezitten; want deze onderwerpelijke staat is afhankelijk van het voorwerp waarmee iemand zich bezighoudt. Alleen God Zelf is de bron van Zijn eigen gedachten, zonder dat Hij daarbij een voorwerp nodig heeft. Hij wordt erdoor gekenmerkt dat Hij is en dat Hij algenoegzaam is in Zichzelf, omdat Hij volmaakt is en het middelpunt en de bron van alles is. Hij kan voorwerpen voor Zichzelf scheppen, als Hij die om Zich wenst. Kortom, hoewel we een leven van God ontvangen hebben dat in staat is Hem te kennen, kan ons morele karakter niet in ons gevormd worden zonder een voorwerp waaraan we het ontlenen.

Welnu, God heeft Zichzelf aan ons gegeven als ons Voorwerp en heeft Zichzelf in Christus geopenbaard. Als we ons bezighouden met God in Zichzelf (aangenomen dat Hij Zichzelf zo geopenbaard had), dan is dat een te groot onderwerp. Het is inderdaad een oneindige vreugde; maar hoewel het het hoogste voorrecht van een schepsel is God te mogen kennen, mist het toch iets in dat wat eenvoudig oneindig is. Aan de ene kant is het nodig, opdat we zelf de juiste plaats innemen en God de plaats geven die Hem toekomt; en aan de andere kant geeft het ons een wonderbaar hoge positie. Het moet zo zijn en het is het voorrecht dat ons geschonken is; een voorrecht van een onschatbare intimiteit, want we zijn kinderen en we blijven in God en God in ons. Maar dit besef van God alleen legt toch een bepaald gewicht op het hart. Zo lezen we in 2 Korinthe 4:17 over “een uitermate uitnemend, eeuwig gewicht van heerlijkheid” (gewicht en heerlijkheid zijn in het Hebreeuws hetzelfde woord). En zo moet het ook zijn, want als we aan Hem als God denken moet Zijn majesteit en Zijn gezag over het geweten gehandhaafd blijven.

Maar God heeft het hart zo gevormd, dat het behoefte heeft aan iets dat – zonder dat dit zijn gevoelens verlaagt – het karakter van vriendschap en gezelschap draagt; waartoe het tenminste toegang heeft in dat karakter. En dat is nu juist wat we in Christus, onze dierbare Heiland, bezitten! Hij is een Voorwerp dat heel dicht bij ons is. Hij schaamt Zich niet ons broeders te noemen. Hij heeft ons vrienden genoemd; alles wat Hij van Zijn Vader gehoord heeft, heeft Hij ons bekend gemaakt. Wendt Hij onze blik dan van God af? Integendeel, in Hem heeft God Zichzelf juist geopenbaard, in Hem kunnen zelfs de engelen God zien. Omdat Hij Zelf in de schoot van de Vader is, openbaart Hij ons Zijn God en Vader in die heerlijke relatie en zoals Hij Hem Zelf kent. En niet alleen dat, maar Hij is in de Vader en de Vader in Hem, zodat ieder die Hem gezien heeft de Vader gezien heeft. Hij wendt onze blik dus niet van God af, maar openbaart Hem juist aan ons. Hij heeft Hem al geopenbaard in genade en we wachten nu op de openbaring van de heerlijkheid in Hem. Maar ook op aarde hebben de engelen al Gods welbehagen in de mens geprezen, vanaf het moment van Zijn geboorte, want het Voorwerp van Zijn eeuwige welbehagen was Mens geworden. En nu heeft Hij het werk volbracht op grond waarvan ook anderen, zondaars, met Hem in deze gunst van God kunnen delen. Wij die vroeger vijanden waren, zijn met God verzoend door de dood van Zijn Zoon.

Zo heeft God ons met Zichzelf verzoend. Zo kennen we Hem door het geloof en hebben we ons “van de afgoden tot God bekeerd om de levende en waarachtige God te dienen en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten”. De levende en waarachtige God is het Voorwerp van onze blijde dienst. En Zijn Zoon, die we kennen en die ons kent, die ons daar wil hebben waar Hijzelf is, is het Voorwerp van onze verwachting. Hij is voor eeuwig de verheerlijkte Mens en de Eerstgeborene onder vele broeders, die Zijn eigen heerlijkheid met ons zal delen. We verwachten Hem uit de hemel, want daar is onze hoop en de plaats van onze vreugde.

Zo hebben we de oneindigheid van een God van liefde en de nabijheid en de heerlijkheid van Hem, die meelijden heeft met al onze zwakheden en die, hoewel Hij Zelf zonder zonde was, al onze zonden op Zich genomen heeft. Wat een heerlijk deel is ons geschonken! Maar er is nog een andere kant van de waarheid: wij zijn verantwoordelijke schepselen en God kan – ondanks Zijn grote liefde en geduld – het kwaad en de verwerping van Zijn gezag niet toelaten. Anders zou alles verwarring en ellende zijn en zou God Zelf Zijn plaats verliezen. Daarom is er een oordeel; er is een komende toorn. Wij waren verantwoordelijk en wij hadden gefaald. Hoe is het dan mogelijk God en de Zoon te kennen op de wijze zoals ik daarover gesproken heb? Hier krijgen we de toepassing van de derde waarheid die de apostel naar voren brengt: “…die ons redt van de komende toorn”. Het werk van Christus heeft ons volmaakt beveiligd voor deze toorn. Op het kruis heeft Hij onze plaats ingenomen, om de zonde voor ons teniet te doen door de offerande van Zichzelf.

Dit zijn dus de drie grote grondslagen van het leven van de christen: we dienen de levende en waarachtige God en hebben de afgoden, in ons of om ons heen, vaarwel gezegd (1). We verwachten Jezus om ons in te voeren in de heerlijkheid; want de kennis van de ware God doet ons beseffen wat deze wereld is, en we kennen Jezus (2). Wat onze zonden en ons geweten betreft, zijn we volmaakt gereinigd; we vrezen niets (3). Het leven en de wandel van de Thessalonikers was een getuigenis van deze waarheden.

Hoofdstuk 2

Als de apostel deze grote beginselen uiteengezet heeft, opent hij zijn hart en beroept hij zich op heel zijn wandel onder hen om te bewijzen dat hij in dezelfde geest gewandeld had die henzelf kenmerkte en waarin hij zich verblijdde. Het was niet zo, dat hij anderen vermaande om er zelf voordeel van te trekken en gebruik te maken van hun liefde. Het was niet zo, dat hij hen bemoedigde om de verdrukking te verdragen zonder zelf de moed te hebben die te ondergaan. Want hoewel hij in Filippi slecht behandeld en beledigd was, had hij vrijmoedigheid in God gehad om zijn aanvallen op het rijk van de duisternis te hernieuwen in Thessalonika, en dat met grote kracht. Hij had geen vleiende woorden gebruikt om hen te winnen, maar hij had hun de waarheid voorgesteld omdat hij zelf Gods dienstknecht was. Hij had met zijn eigen handen gewerkt, opdat hij hun niet tot last zou zijn. Alles was in het licht van God en door de kracht van de Heilige Geest en in een geest van toewijding gedaan. En hij wenste dat zij evenals hij zouden wandelen, zoals zij wisten dat hij onder hen gewandeld had, zo heilig, rechtvaardig en onberispelijk; zoals hij hen ook met alle liefde en tederheid vermaand had om God waardig te wandelen, die hen geroepen had tot Zijn eigen koninkrijk en heerlijkheid.

In deze uitdrukking in vers 12 zien we opnieuw de nauwe band van de christen, in zijn persoonlijke karakter, met God. Hij heeft deel aan Gods eigen koninkrijk en heerlijkheid en zijn gedrag moet met die positie overeenstemmen. Hier is het zijn eigen positie in verbinding met God, terwijl we in hoofdstuk 1 zijn verbinding met God en met de Heer Jezus zagen.

Daarna spreekt de apostel over het middel waardoor de christen deze nieuwe gedachtenwereld verwierf: dat was dat Gód gesproken had om Zichzelf en Zijn raadsbesluiten te openbaren. En God had het evangelie aan Paulus toevertrouwd (vers 4) en deze had gesproken vanuit Gods tegenwoordigheid en in het besef van zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van Hem. En de Thessalonikers hadden van hun kant het woord ook niet als het woord van Paulus aangenomen, maar als het woord van God Zelf dat door de mond van Paulus tot hen kwam.

Het is een belangrijk maar ook een ernstig feit in verbinding met de openbaring van de kracht van God hier op aarde, dat de resultaten van het werk altijd overeenstemmen met het karakter en de diepte van dat werk zelf. Hoewel het het werk van God is, zijn de vruchten van het werk van Zijn dienstknechten in overeenstemming met de aard daarvan. Zo ontstaan de banden die de genade bewerkt en is er gemeenschap en wederzijds begrip. Het werk openbaart de werker. De arbeider verblijdt zich in dat wat hij beoogd had voor de zielen die de vrucht van zijn werk zijn, en zij waarderen op hun beurt de wandel en het werk van de arbeider en zij erkennen de kracht van de genade in hem die het middel was om hen in deze positie te brengen. Zowel de werker als zij die het resultaat van zijn werk zijn, kennen God en verblijden zich in de gemeenschap van Zijn genade. Paulus had een bijzondere gemeenschap met God, zowel persoonlijk als in zijn werk. Als gevolg daarvan hadden de Thessalonikers het woord met dezelfde kracht aangenomen en hadden ze evenals de apostel gemeenschap met God overeenkomstig die kracht en die intimiteit.

Terloops zien we hier dat de joden geen deel hadden aan deze gemeenschap met God en dat het overblijfsel van dat volk aangenomen was en te lijden had van de vijandschap van de massa. Zo was het ook met de uitverkorenen uit de volken. Zij wekten op hun beurt de vijandschap van hun eigen landgenoten op door het getuigenis dat er van hun wandel uitging tegen de overste van deze wereld en door hun belijdenis van een hemelse Christus – een Christus die door de wereld verworpen was (verzen 14-15).

De godsdienst van de joden bestond alleen nog maar uit afgunst op anderen. Het alleenrecht op het bezit van godsdienstige voorrechten was een heel kostbare zaak, toen ze het in gemeenschap met God konden genieten als een bewijs van Zijn gunst. Maar toen God in de volheid van Zijn soevereine genade verkoos om anderen te zegenen die nergens recht op hadden, vormden de aanspraken van de joden alleen maar een bron van haat. Door deze pretenties loochenden ze de rechten van God, die hen vroeger als een volk verkozen had. Ze loochenden Zijn genade, die Hij aan zondaars openbaarde en die de bron van betere zegeningen voor henzelf geweest zou zijn. Maar ondertussen heeft hun weigering om in te gaan het terrein van onze hoop en van onze vreugde van de aarde verplaatst naar de hemel. Daar is de Heer nu en daar kennen we Hem en zal Hij blijven totdat Hij komt om Zijn rechten op de aarde op te eisen. Maar voordat Hij die opeist, zal Hij ons tot Zich nemen.

Ondertussen is het Woord van God de bron van ons vertrouwen, de openbaring van heerlijkheid, waarheid en liefde. Het is machtig in hen die geloven. De joden zijn terzijde gesteld. Door hun verzet tegen de genade voor de volken namen ze de plaats in van vijandschap tegen Gód, die Zich in Zijn genade openbaarde. De toorn was over hen gekomen tot het einde. De toorn was nog niet uitgeoefend, maar zij hadden zichzelf in die positie geplaatst. Ze hadden niet alleen de wet gebroken. Ze hadden de profeten gedood die in genade tot hen gezonden werden, en ze hadden ook de Christus, Jezus de Heer, gedood. Alleen soevereine genade kon nu nog uitkomst geven. Maar deze genade verwierpen ze, omdat God daardoor ook Zijn goedheid aan de volken betoonde en de volken betere zegeningen schonk dan die zij verbeurd hadden. Daarom was de toorn voorgoed over hen als volk gekomen. Christenen waren nu in het bezit van betere voorrechten in plaats van de joden.

Het is hier niet de plaats om de wegen uiteen te zetten die God in de toekomst met het overblijfsel van dit volk zal gaan. De apostel spreekt hier over het volk, om aan te tonen dat alleen christenen een werkelijke relatie met God hadden, zij die het Woord hadden aangenomen. Alleen het aannemen van het Woord door het geloof, en niets anders, bracht zielen werkelijk in verbinding met God. Erfelijke voorrechten bleken alleen maar tot verzet te leiden tegen Gods genade en soevereiniteit, en daarmee tegen het karakter en de rechten van God Zelf; want God is soeverein en Hij is liefde. Het Woord openbaart de genade en het wordt gehoorzaamd door het te geloven. En zo in verbinding met God gebracht, wandelt de christen in gemeenschap met Hem en in Zijn wegen en verwacht hij de Zoon in Wie God Zichzelf aan mensen geopenbaard heeft. Dit is het gevolg van het Woord dat de christen door het geloof heeft aangenomen; het is een werkzaam levensbeginsel en een licht van God voor de weg.

De apostel dankte God dat het met de Thessalonikers zo was. En als hij dit punt duidelijk gemaakt heeft, spreekt hij opnieuw over de blijdschap van zijn gemeenschap met hen in de positieve zegen die de openbaring van God in hun harten door het Woord hun geschonken had. Hij zou hen graag willen zien om deze gemeenschap in de persoonlijke omgang met hen te genieten. Maar zolang men alleen door het Woord de kennis van God verkreeg, dus door het geloof, zolang de Heer afwezig was, was er nog iets anders dat uit dit feit voortvloeide. Namelijk dat deze blijdschap gepaard ging met strijd, een strijd die de blijdschap schijnbaar onderbrak maar die ze in werkelijkheid heerlijker maakte en het hemelse karakter ervan bewaarde. Hierdoor werd de Heer Zelf, van Wie ze niet gescheiden konden worden, het middelpunt, het gemeenschappelijke punt dat de harten samenbond. En het versterkte ook het besef dat ze in de woestijn waren en dat ze een toneel en een tijd verwachtten waarin het kwaad en de macht van de vijand niet meer aanwezig zouden zijn, maar waar Christus alles zou zijn. Wat een blijde hoop, heilige vreugde en sterke band van het hart met Christus! Als Hij alles zal zijn, zal onze blijdschap volkomen zijn en zullen alle heiligen die blijdschap bezitten. Paulus had de Thessalonikers graag weer willen zien. Een en andermaal had hij tot hen willen komen, maar satan had het verhinderd. Maar de tijd zou komen dat zijn blijdschap zowel over hen als zijn werk onder hen volkomen zou zijn, als hij hen in het volle bezit van de heerlijkheid zou zien bij de komst van Christus.

Toen de apostel zelf in Thessalonika was, was zijn leven als christen een volle openbaring van liefde en heiligheid. Hij was vol liefde in hun midden geweest, zoals een moeder haar kinderen koestert. Hij was bereid hun niet alleen het evangelie mee te delen, maar zelfs zijn eigen leven; zo lief had hij hen. Hij was tegelijkertijd ook heilig en onberispelijk in heel zijn gedrag geweest. Wat een bron van leven en liefde zien we hier door Gods kracht opspringen, die zich niet bekommerde om alle gevolgen behalve de zegen van de uitverkorenen en de eer van God! Dit is waarachtig christelijk leven. Het hart dat niet vol vragen is door ongeloof maar dat sterk is in het geloof, vertrouwt op God om Hem te kunnen dienen. De liefde kan dan vrij uitstromen. Ze denkt niet aan zichzelf, maar ze is vol zorg voor het welzijn van anderen. En welke banden worden hierdoor gelegd! Vervolging kan het werk alleen maar verhaasten, omdat de arbeider dan gedwongen wordt ergens anders heen te gaan op het moment dat hij misschien in de verleiding zou komen om van de vruchten van zijn werk te genieten in gezelschap van hen die door hem gezegend waren (vergelijk 1 Thessalonika 2:2). Hoewel de apostel nu afwezig was, was zijn hart nog steeds met hen verbonden. Hij dacht aan hen die hij liefhad; hij bad voor hen; hij dankte God voor de genade die hen bewezen was en hij dacht met blijdschap aan het zekere deel dat ze als Gods uitverkorenen in de heerlijkheid zouden bezitten (1 Thessalonika 1:3-4; 2:13).

Er bleef dus een sterke band met hen bestaan. En nu de weg tot persoonlijke gemeenschap door satans listen (onder Gods toelating) versperd was, gingen zijn gedachten uit naar het moment waarop de verlangens die de liefde in zijn hart bewerkte volkomen bevredigd zouden worden. Als Christus zou komen, zou Hij door Zijn macht alle hindernissen uit de weg ruimen en Gods raadsbesluiten ten aanzien van de heiligen vervullen. Dan zou Zijn liefde al haar heerlijke vruchten in hen dragen en zouden Paulus en zijn geliefde kinderen in het geloof zich samen verblijden over alles wat de genade en de kracht van de Geest in hen bewerkt had. Naar dat uur zag Paulus uit, nu de wens van zijn hart om hen te zien voorlopig niet in vervulling kon gaan. En hij spreekt over dit verlangen naar de komst van Christus, omdat zijn eigen hart daar al vol van was. De kracht van de Geest, die in overeenstemming met de waarheid werkt, richt het hart altijd op dat uur. Deze kracht drijft ons ertoe vol liefde werkzaam te zijn temidden van deze wereld, hoewel dat de vijandschap van de wereld oproept. De duisternis van deze wereld, hetzij van de kant van de mens of van de vorst van de duisternis, verzet zich altijd tegen het licht. Maar dit herinnert ons steeds aan die komende dag van het licht, waarop de nieuwe mens zich ongestoord door het kwaad zal verblijden in het goede en in de gemeenschap met hen die de voorwerpen van Gods liefde zijn, maar bovenal in de nabijheid van zijn verheerlijkte Heiland, die hem heeft liefgehad en die nu nog (om zijn geloof te oefenen) voor hem verborgen is.

Zo richt Christus, die de bron en het voorwerp van al deze gevoelens is, die ze sterkt en voedt en altijd aantrekt door Zijn volmaaktheden en door Zijn liefde, onze gedachten steeds op Zijn Persoon. Temidden van de zorgen en smarten van het christelijke leven gaat ons hart uit naar de dag waarop we bij Hem zullen zijn, naar de dag van Zijn komst waarop ons hart zich ongestoord zal kunnen bezighouden met alles dat ons met Hem verbindt. We zien hier in deze brief dat deze gedachte aan Zijn tegenwoordigheid overheerst, als de frisse blijdschap over de verlossing het hart vervult. We zijn bekeerd om Hem te verwachten (hoofdstuk 1). We zullen de gemeenschap van de heiligen en de vrucht van onze arbeid genieten als Hij terugkomt (hoofdstuk 2). Onze gedachten over de heiligheid worden bepaald door de kracht en de maatstaf van die dag (hoofdstuk 3). Hij verdrijft de angst die het hart anders zou vervullen bij het sterven van de gelovigen (hoofdstuk 4). Voor die dag worden we bewaard (hoofdstuk 5). De komst van de Heer, de tegenwoordigheid van Jezus, vervult dus het hart van de gelovige, als het leven in zijn frisheid opbloeit. Een blijde hoop vult het hart en de vervulling daarvan – op de plaats waar al onze wensen vervuld zullen worden – staat ons helder voor ogen.

Om naar het eind van hoofdstuk 2 terug te keren: de band die satan probeerde te verbreken door het genot ervan te verhinderen, werd nu juist versterkt doordat hij in verbinding gebracht werd met de komst van de Heer. Hoewel satan de gelegenheid kreeg een dam tegen de stroom van de Geest op te werpen, bleven zijn wateren vloeien. Ze konden niet tegengehouden worden, hoewel de natuurlijke bedding ervan verlegd werd. De golven ervan stroomden over de dam, maakten heel de omgeving vruchtbaar en vloeiden naar de zee, die de volheid van die wateren bevatte en die de bron voedde waaruit ze ontsprongen.

We moeten hier opmerken, dat de bijzondere vruchten van ons werk niet teloorgaan. We vinden ze terug bij de komst van Christus. Onze hoogste persoonlijke vreugde is de Heer Zelf te zien en Hem gelijk te zijn; dat is het deel van alle gelovigen. Maar er zijn ook bijzondere vruchten in verbinding met het werk van de Geest in en door ons. De geestelijke kracht van de apostel had een aantal zielen in Thessalonika tot God gebracht en tot de verwachting van Jezus, en tot een nauwe verbondenheid in de waarheid met hemzelf. Deze kracht zou bij de komst van Christus bekroond worden, doordat al deze gelovigen in de heerlijkheid zouden zijn als de vrucht van zijn werk. Zo zou God het werk van de apostel bekronen en een treffend getuigenis van de waarde ervan geven door de tegenwoordigheid van al deze gelovigen in de heerlijkheid. En de liefde die in Paulus’ hart gewerkt had, zou bevredigd worden als hij de voorwerpen ervan in de heerlijkheid en in de tegenwoordigheid van Jezus zou zien. Zij zouden zijn heerlijkheid en blijdschap zijn. Die gedachte maakte de band die hen verenigde nog sterker en vertroostte de apostel in zijn moeitevolle arbeid.

Hoofdstuk 3

De gedwongen afwezigheid van de apostel als de voornaamste arbeider deed geen afbreuk aan de band tussen hem en de discipelen en legde juist andere banden, die tot opbouwing en versterking van de gemeente zouden zijn door de samenbindende kracht die elk gewricht verleende. Dit houdt verband met de omstandigheden waarvan het boek Handelingen ons de voornaamste bijzonderheden meedeelt; want alle dingen staan Gods macht en wijsheid ten dienste.

Door de vervolging die er ontstond op instigatie van de joden kon de apostel maar kort in Thessalonika blijven en moest hij die stad verlaten en naar Berea gaan. Maar zelfs daar lieten de joden uit Thessalonika hem niet met rust; ze volgden hem en probeerden ook in Berea de scharen in opschudding te brengen, zodat de broeders daar Paulus in veiligheid moesten brengen. Zij die Paulus begeleidden, brachten hem tot Athene toe, terwijl Silas en Timotheüs nog in Berea bleven maar al gauw daarna opdracht kregen om tot hem te komen. Ondertussen woedde er een hevige vervolging tegen de christenen in Thessalonika, een belangrijke stad waarin de joden kennelijk een grote invloed uitoefenden op de heidense bevolking – een invloed die verzwakt werd door de groei van het christendom dat de joden in hun verblinding verwierpen.

Toen de apostel door Silas en Timotheüs op de hoogte gebracht werd van deze dingen, maakte hij zich bezorgd over het gevaar dat deze pas bekeerde gelovigen liepen. Hij vreesde dat ze in hun geloof geschokt zouden worden door de grote moeilijkheden die op hun weg kwamen, terwijl ze nog maar zo jong in het geloof waren. Zijn liefde gunde hem geen rust voordat hij zichzelf met hen in verbinding gesteld had; en al vanuit Athene had hij Timotheüs gezonden om naar hun toestand te vragen en hun harten te versterken door hen eraan te herinneren, dat hij van tevoren gezegd had dat deze dingen gebeuren zouden. Tijdens de afwezigheid van Timotheüs verliet Paulus Athene en ging naar Korinthe, waar hij weer vertroost werd door de goede berichten die Timotheüs meebracht en zijn werk met hernieuwde moed en kracht hervatte (zie Handelingen 18:5).

Na de komst van Timotheüs schreef Paulus deze brief. Timotheüs had hem verteld van de goede toestand van de gelovigen in Thessalonika, dat ze standvastig waren in het geloof, dat ze een groot verlangen hadden om de apostel te zien en dat ze eensgezind in liefde wandelden. Door deze berichten werd de geest van de apostel verkwikt temidden van alle droefheid en tegenstand die hij ondervond, kortom temidden van de verdrukkingen van het evangelie. Hij zelf wordt gesterkt; want zoals het geloof van de arbeider zelf het middel is waardoor zielen gezegend worden en in het algemeen het uiterlijke karakter van het werk bepaald wordt, is het geloof van de christenen die de vrucht van zijn werk zijn en die daaraan beantwoorden omgekeerd ook een bron van troost en kracht voor de arbeider; evenals hun gebeden een belangrijk middel tot zegen voor hem zijn.

Zo vindt de liefde voedsel en vreugde in het geestelijk welzijn van anderen, en het geloof steun en sterkte. En men voelt dat dit werk van God is. “Want nu leven wij”, zegt de apostel, “als u vaststaat in [de] Heer”. En hij voegt eraan toe: “Want welke dank kunnen wij God voor u vergelden, wegens al de blijdschap, waarmee wij ons om u verblijden voor onze God?” (verzen 8-9). Wat een mooi en ontroerend beeld is dit van het gevolg van de werking van Gods Geest, die zielen verlost van het verderf van de wereld en de meest zuivere gevoelens in hun harten werkt, de grootste zelfverloochening terwille van anderen en de grootste vreugde in hun geluk. Dit is werkelijk een Goddelijke vreugde, die voor het aangezicht van God Zelf gekend en gewaardeerd werd door het geestelijk gezinde hart, dat het middel in de hand van deze God van liefde was geweest om dit geluk te bewerken.

Wat een heerlijke band is de band van de Geest! Zo vergeet men alle egoïsme; het verdwijnt bij de blijdschap van zulke gevoelens van liefde. En deze liefde die de apostel vervulde, nam niet af maar nam juist toe door de betoning ervan en door de voldoening die ze vond in het geluk van anderen. Daarom verlangde hij des te meer om hen te zien, nu de Thessalonikers zo gesterkt waren in het geloof. Niet om hen te versterken maar om verder te bouwen op dat wat zo al bevestigd was, en zijn geestelijke onderwijs te voltooien en te volmaken wat nog aan hun geloof ontbrak. Maar hij was maar een dienstknecht en geen meester (God laat ons dat voelen), en hij was volkomen van God afhankelijk wat betrof zijn werk en de opbouwing van anderen. In feite duurde het jaren voordat hij de Thessalonikers weer zag. Hij bleef lang in Korinthe, waar de Heer veel volk had. Hij bezocht Jeruzalem en daarna heel Klein-Azië, waar hij al eerder gewerkt had. Toen ging hij naar Efeze, waar hij bijna drie jaar bleef; en daarna ontmoette hij pas weer de Thessalonikers, toen hij via Macedonië naar Korinthe reisde waar hij niet wilde komen voordat de orde onder de gelovigen daar hersteld was.

Op een treffende manier brengt hij zijn verlangen en zijn onderwerping aan de wil van God tot uitdrukking: “Maar onze God en Vader Zelf…moge onze weg tot u banen” (vers 11). Het is geen vaag verlangen dat bij hem leeft. Hij spreekt over God, die de bron van al deze heilige gevoelens is, als zijn Vader. God neemt ten opzichte van ons de plaats van Vader in en Hij bestuurt alle dingen en heeft daarbij het welzijn van Zijn kinderen op het oog, in overeenstemming met Zijn volmaakte wijsheid die zowel alle dingen als Zijn kinderen omvat. Maar er is nog een andere overweging, die hiermee beslist niet in strijd is (want God is één), maar die een ander en minder persoonlijk karakter draagt. De apostel voegt eraan toe: “…en onze Heer Jezus <Christus>”. Want Christus is Zoon over Gods huis, en naast de persoonlijke gevoelens van blijdschap en zegen moet er ook gedacht worden aan de groei en het welzijn van de hele gemeente.

Er is ongetwijfeld een wisselwerking tussen deze twee zijden van het christendom. Als de Geest vrij en ongehinderd kan werken, is er harmonie tussen de persoonlijke gevoelens en het welzijn van de hele gemeente. Als er aan het ene iets ontbreekt, gebruikt God dat om het andere krachtig te stimuleren. Als de gemeente in haar geheel zwak is en faalt, wordt het persoonlijk geloof op een bijzondere manier geoefend en meer rechtstreeks op God Zelf gericht. Er was geen Elia of Elisa tijdens de regering van Salomo. Aan de andere kant is de waakzame zorg voor de gemeente door hen die God daartoe geroepen heeft de ware kracht van de geestelijke eenheid van het geheel; ze versterkt het leven en doet de geestelijke gevoelens van haar sluimerende leden weer ontwaken. Maar het zijn twee verschillende dingen. Daarom spreekt de apostel niet alleen over “onze God en Vader”, maar ook over “onze Heer Jezus Christus”, die Zoon over Zijn huis is volgens Hebreeën 3, zoals we al opgemerkt hebben. Wat een zegen is het, dat onze weg bepaald wordt door de liefde van een Vader, die God Zelf is en die handelt in overeenstemming met de gevoelens die door de Vadernaam tot uitdrukking gebracht worden; en dat het welzijn van de gemeente afhangt van het bestuur van een Heer als Jezus, die haar met een volmaakte liefde liefheeft. Hoewel Hij een plaats van vernedering op aarde heeft ingenomen, is Hij de God die alle dingen geschapen heeft en heeft Hij nu ook als Mens alle macht in hemel en op aarde. De gelovigen zijn de voorwerpen van Zijn niet aflatende, trouwe zorg, die de uiteindelijke vereniging van de gemeente met Hemzelf in de heerlijkheid op het oog heeft in overeenstemming met Gods raadsbesluiten 3.

Dit was dus de eerste wens van de apostel en dit waren de Personen aan Wie hij deze wens voorlegde. Ondertussen moest hij zijn geliefde Thessalonikers overlaten aan de rechtstreekse zorgen van de Heer Zelf, van Wie hij afhankelijk was (vergelijk Handelingen 20:32). Nadat hij eerst gezegd heeft: “Maar onze God en Vader Zelf en onze Heer Jezus <Christus> moge onze weg tot u banen”, voegt hij er dan ook aan toe: “U moge de Heer doen toenemen en overvloedig zijn in de liefde tot elkaar en tot allen” (vers 12). En hij kon hun zijn eigen liefde voor hen als het voorbeeld voorhouden van de liefde die zij voor anderen moesten voelen.

Deze kracht van de liefde bewaart het hart in Gods tegenwoordigheid, zodat het daar zijn vreugde vindt en vurig wenst dat alle heiligen met gepaste harten in het licht van Zijn tegenwoordigheid zullen zijn. Want God is liefde en de werking van de liefde in het hart van de gelovige, die voortvloeit uit de tegenwoordigheid en de werking van de Geest, is in feite het gevolg van Gods tegenwoordigheid; en ze maakt ons tegelijkertijd bewust van Zijn tegenwoordigheid en bewaart ons hart daardoor in Zijn nabijheid en in praktische gemeenschap met Hem. De liefde moet misschien lijden en daardoor haar kracht bewijzen, maar we spreken nu over de spontane werking van de liefde ten opzichte van de voorwerpen die God haar voorhoudt.

De liefde is dus de openbaring van de Goddelijke natuur in ons en het middel dat onze harten in gemeenschap met God Zelf bewaart; en zo is ze de band van de volmaaktheid en het ware middel tot heiligheid. Ze bewaart het hart ver van het vlees en van de gedachten van het vlees in het zuivere licht van Gods tegenwoordigheid. Daarom bidt de apostel, terwijl hij wacht op een gelegenheid om hun meer licht te geven, dat de Heer de liefde in hen zou vermeerderen om hun hart te versterken om onberispelijk te zijn in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst van onze Heer Jezus met al Zijn heiligen (vers 13).

Hier vinden we opnieuw de twee grote beginselen waarover ik aan het eind van hoofdstuk 1 gesproken heb: God in de volmaaktheid van Zijn natuur en de Heer Jezus in de intimiteit van Zijn verbinding met ons; God echter als Vader en Jezus als Heer. We zijn voor het aangezicht van God; en Jezus komt met Zijn heiligen; Hij heeft ze tot volmaaktheid gebracht, ze zijn met Hem en daarom voor God gekend in de relatie van Vader.

Het is opmerkelijk dat deze brief steeds op deze hoop wijst. Het was een werkelijke, actuele verwachting. De Thessalonikers waren bekeerd om God te dienen en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten (1:10). En zo wordt er steeds gewezen op dat wonderbare ogenblik van Zijn wederkomst; alles wordt daarmee in verbinding gebracht. Aan het eind van hoofdstuk 2 zien we, dat we de vrucht van ons werk dan volledig zullen genieten. We zullen het loon van de liefde ontvangen, doordat onze blijdschap over allen die we hebben liefgehad dan volkomen zal zijn. Aan het eind van hoofdstuk 3 wordt de komst van Christus in verbinding gebracht met onze heiligheid. Wat heiligheid is, zal gezien worden als we voor Gods aangezicht zullen zijn en de heiligen met hun Hoofd verenigd zullen zijn – en bovendien met Hem in heerlijkheid geopenbaard 4.

Het toneel dat de voltooiing van het werk zal zijn, wordt hier in al z’n morele kracht voorgesteld. We zijn voor God, in Zijn tegenwoordigheid, waar het ware karakter van de heiligheid gezien wordt. We zijn daar om volmaakte gemeenschap met God in het licht te hebben, op de plaats waar de verbinding van de heiligheid met Zijn natuur en met de openbaring van Hemzelf duidelijk zichtbaar is; zoals deze openbaring ook verband houdt met de tentoonspreiding van de nieuwe natuur in ons, die ons in verbinding brengt met Hem. “Onberispelijk in heiligheid”, zegt de apostel, en dat “voor God”. En God is licht! Wat een geweldige kracht en blijdschap ligt er ook voor deze tijd in die gedachte, om nu al steeds voor Hem openbaar te zijn. Maar alleen de liefde, zoals we die in Hem kennen, kan dit bewerken.

Maar we mogen eraan toevoegen, dat Hij ook onze Vader is. Het is een werkelijke relatie, die we kennen en die een eigen, bijzonder karakter draagt: het is een relatie van liefde. Het is niet iets dat verworven moet worden en waartoe de heiligheid het middel zou zijn. De heiligheid is het kenmerk van onze relatie met God, omdat we Zijn natuur ontvangen hebben als Zijn kinderen, en ze is de openbaring van de volmaaktheid van die natuur in Hem in liefde. De liefde zelf heeft ons die natuur gegeven en ons in die betrekking geplaatst; praktische heiligheid is de werking van die natuur in overeenstemming met God, door de gemeenschap die we met Hem in Zijn tegenwoordigheid hebben overeenkomstig de liefde die we zo kennen, namelijk God Zélf zoals Hij Zich ten opzichte van ons geopenbaard heeft.

Maar het hart is daar niet alleen. Er is gemeenschap met de heiligen in die vreugde en die volmaaktheid, maar bovenal met Jezus Zelf. Hij zal komen, Hij zal tegenwoordig zijn; en niet alleen Hij die het Hoofd is, maar alle heiligen zullen daar ook met Hem zijn. Dat zal de vervulling van Gods wegen zijn ten aanzien van hen die Hij aan Jezus gegeven had. We zullen Hem zien in Zijn heerlijkheid – de heerlijkheid die Hij draagt in verbinding met Zijn komst voor ons. En we zullen al de heiligen zien waarin Hij bewonderd zal worden; we zullen ze zien in de volmaaktheid die we nu al voor hen wensen.

Let er ook op, hoe de liefde ons uittilt boven de moeilijkheden en de vervolging en de vrees die de vijand probeert te veroorzaken. Doordat we ons met God bezighouden en ons in Hem verblijden, voelen we de last van de verdrukking niet. Gods kracht vervult ons hart. Onze wandel is bewust gericht op de eeuwige heerlijkheid die we bij Hem zullen bezitten, zodat de verdrukking als licht en kortstondig ervaren wordt. En dat niet alleen; we lijden voor de Naam van Christus en ondervinden Zijn blijdschap in het lijden, Zijn gemeenschap, als we die naar waarde weten te schatten. En alles wordt getooid met de heerlijkheid en het heil die ons aan het eind geschonken worden, “bij de komst van onze Heer Jezus met al Zijn heiligen”.

Bij het lezen van deze verzen moet het ons wel opvallen, dat de komst van de Heer hier op een bijzonder rechtstreekse en levendige wijze in verband gebracht wordt met het praktische leven, zodat het licht van die dag ons voortdurend bestraalt. Door de werking van de liefde moesten de gelovigen bevestigd worden in heiligheid voor God bij de komst van Christus. Elke dag weer opnieuw zagen ze uit naar die dag als de voltooiing en het enige doel van het gewone leven van elke dag hier beneden. Hoe bracht dit de ziel in Gods tegenwoordigheid!

Bovendien – en ik heb daar gedeeltelijk al op gewezen – leefden ze in een bewuste relatie met God die aanleiding gaf tot dit vertrouwen. Hij was hun Vader; zo mogen wij Hem ook kennen. En de relatie van de gelovigen met Jezus werd ook gekend. Ze waren “Zijn heiligen”; ze zouden allemaal met Hem komen; ze hadden deel aan Zijn heerlijkheid. Er is geen enkele onduidelijkheid in deze uitspraak. Jezus, de Heer, komend met al Zijn heiligen – hierbij kunnen we aan geen enkele andere gebeurtenis denken dan aan Zijn wederkomst in heerlijkheid. Dan zal Hij ook verheerlijkt worden in Zijn heiligen, die al eerder met Hem verenigd zullen zijn om voor altijd met Hem te zijn. Het zal de dag zijn van hun en van Zijn openbaring.

Hoofdstuk 4

Dan spreekt de apostel over de gevaren die de Thessalonikers bedreigden als gevolg van hun vroegere gewoonten, die de mensen die hen omringden nog steeds hadden, maar die volkomen in strijd waren met de heilige en hemelse vreugde waarover hij gesproken had. Hij had hun al getoond hoe ze moesten wandelen en God behagen; op die manier had hij zelf onder hen gewandeld (2:10). Op grond van zijn eigen wandel kon hij hen zo nadrukkelijk vermanen om evenzo te wandelen; dat is juist wat kracht bijzet aan een vermaning en aan alle woorden van een dienstknecht van de Heer. En zo wenste hij ook, dat ze zouden toenemen in de liefde overeenkomstig de liefde die hijzelf voor hen had. (vergelijk Handelingen 26:29).

Maar hij gaat vooral in op het onderwerp van de reinheid, want de heidense moraal was zo slecht dat zedeloosheid zelfs niet als zonde beschouwd werd. Het lijkt ons misschien vreemd, dat een dergelijke vermaning nodig was voor zulke levendige gelovigen als de Thessalonikers. Maar dan houden we niet genoeg rekening met de kracht van de gewoonten die men van jongsaf kent en die als het ware een deel van onze natuur en van onze wijze van denken gaan vormen, en met de invloed van deze gewoonten op de beide naturen van de gelovige, hoewel het toelaten of het verzorgen van de ene natuur de werking van de andere al gauw tenietdoet.

Maar de motieven die hier genoemd worden, tonen ons op wat voor een volkomen nieuwe grondslag het christendom ons plaatst wat betreft de meest elementaire moraal. Het lichaam was als een vat dat men gebruikte voor welke taak men maar wilde. Maar zij moesten dit vat bezitten, in plaats van zich mee te laten slepen door de begeerte van het vlees; want zij kenden God. Zij moesten hun broeders niet bedriegen in deze dingen (“in die zaak”, vers 6, is in het Grieks een verhullende uitdrukking voor “deze dingen”), want de Heer was een wreker van dat alles. God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar in heiliging. We hebben met Hém te maken. Als iemand zijn broeder verachtte, doordat hij misbruik maakte van diens zwakheid om inbreuk op diens rechten te maken in dit opzicht, verachtte hij niet een mens maar Gód, die het niet vergeten zou, en die ons ook Zijn Heilige Geest gegeven heeft. Als iemand zo handelde, verachtte hij dus ook de Geest, zowel in hemzelf als in de broeder waarin Hij eveneens woonde. De broeder die men op die manier onrecht aandeed, was niet alleen de man van een vrouw, maar de woonplaats van de Heilige Geest; als zodanig moest men hem respecteren. Op welke hoge grondslagen plaatst het christendom de mens, en dat in verbinding met zulke belangrijke gevoelens!

Wat de broederliefde betrof – de nieuwe drijfveer van hun leven – was het niet nodig hen te vermanen. Want ze waren door God Zelf onderwezen om elkaar lief te hebben, zodat ze in dit opzicht voor allen een voorbeeld waren. Alleen moesten ze daarin nog meer toenemen en zich beijveren om rustig te wandelen en met hun eigen handen te werken, zodat ze niemand iets schuldig zouden zijn en de Heer ook in dit opzicht verheerlijkt zou worden. Dat waren de vermaningen van de apostel.

Wat nu volgt (verzen 13-18), is een volkomen nieuwe openbaring ter bemoediging en vertroosting van de gelovigen. We hebben al gezien, dat de Thessalonikers de Heer voortdurend verwachtten. Zijn komst was nabij; dat was een levende hoop voor hen in verbinding met hun dagelijks leven. Ze zagen steeds uit naar Zijn komst om hen tot Zich te nemen, want ze waren bekeerd om Hem uit de hemel te verwachten. Nu scheen het hun toe, door gebrek aan onderwijs, dat de gelovigen die kort geleden gestorven waren niet met hen opgenomen zouden worden. De apostel geeft hierover opheldering en hierbij maakt hij onderscheid tussen de komst van Christus om de Zijnen op te nemen en Zijn dag, die een dag van oordeel voor de wereld zou zijn. Er was geen reden om bedroefd te zijn zoals de anderen die geen hoop hadden, wat betrof degenen die door Jezus ontslapen waren 5. En het argument dat hij hiervoor aanvoert, bewijst opnieuw hoe nauw hun hele geestelijke leven verweven was met de verwachting van Christus’ persoonlijke wederkomst om hen in te voeren in de hemelse heerlijkheid. Want hij troost de overlevenden niet met de gedachte, dat zij eenmaal in de hemel verenigd zullen worden met degenen die gestorven zijn. Ze worden bevestigd in de gedachte, dat ze de Heer tijdens hun leven moesten verwachten om hen te veranderen naar Zijn heerlijk beeld (vergelijk 2 Korinthe 5 en 1 Korinthe 15). En er was een bijzondere openbaring nodig om hen duidelijk te maken, dat degenen die voor die tijd gestorven waren toch deel zouden hebben aan die gebeurtenis. Hun deel zou op dat van Christus Zelf lijken. Hij is gestorven en weer opgestaan; zo zou het ook met hen gaan. En als Hij in heerlijkheid zou terugkomen, zou God hen – evenals de anderen, namelijk de levenden – met Hem brengen (vers 14).

Daarop geeft de apostel een wat meer gedetailleerde verklaring van de komst van de Heer in de vorm van een uitdrukkelijke openbaring, die laat zien hoe ze met Hem verenigd zouden worden om met Hem in heerlijkheid te kunnen verschijnen. De levenden hebben niet de voorrang boven de in Jezus ontslapenen. De Heer Zelf zal komen als het Hoofd van Zijn hemelse leger, dat voor een tijd verstrooid was, om het tot Zich te vergaderen. Hij geeft het bevel; de stem van de aartsengel geeft het door en de bazuin van God weerklinkt. De doden in Christus zullen eerst opstaan, dat wil zeggen voordat de levenden ten hemel varen. Dan zullen wij, de levenden, die overblijven, met hen gaan en samen met hen in de wolken opgenomen worden om de Heer te ontmoeten in de lucht. Zó zullen we altijd met de Heer zijn. Zó voer de Heer Zelf ten hemel. Dat is een belangrijke bijzonderheid hier; want in alle dingen moeten we aan Hem gelijk worden. Hetzij we veranderd worden, hetzij we opgewekt worden uit de doden, we zullen allen in de wolken ten hemel varen. Zó voer Hij ten hemel, en zó zullen wij altijd met Hem zijn.

In dit deel van deze passage, waarin de apostel de bijzonderheden van onze vereniging met de Heer in de lucht uiteenzet, zegt hij niets over het neerdalen van de Heer op aarde. Het gaat hier om onze hemelvaart – zoals Hij ten hemel voer – om met Hem te zijn (opdat we allen samen terug zullen komen, met Hem teruggebracht zullen worden). En wat ons betreft, gaat hij ook niet verder dan onze bijeenvergadering om voor altijd met Hem te zijn. We vinden hier niets over oordeel of over openbaring, maar alleen het feit van onze hemelse vereniging met Hem, doordat we de aarde op precies dezelfde wijze als Hij verlaten. Dat is een bijzonder kostbare waarheid. Er is alleen dit verschil: Hij had het volle recht om Zelf op te varen, maar wij worden allen opgenomen. Zijn stem roept de doden en zij rijzen uit het graf, de levenden worden veranderd, en dan worden allen samen in wolken opgenomen de Heer tegemoet in de lucht. Het is een plechtige daad van Gods macht, die het leven van de gelovigen en het werk van God bezegelt en die hen invoert in de heerlijkheid van Christus als Zijn hemelse metgezellen. Wat een heerlijk voorrecht! Wat een kostbare genade!

Als we dit uit het oog verliezen, verdwijnt het ware karakter van onze vreugde en van onze hoop. Natuurlijk zijn er andere gevolgen, die voortvloeien uit Zijn openbaring. Maar dit is ons deel, onze hoop. We verlaten de aarde zoals Hij, en we zullen voor altijd met Hem zijn. Met deze woorden moeten we elkaar vertroosten als gelovigen sterven, in Jezus ontslapen. Ze zullen met Hem terugkomen als Hij geopenbaard zal worden; maar wat hun eigen deel betreft, zullen ze de aarde verlaten zoals Hij – hetzij opgewekt uit de doden, hetzij veranderd om voor altijd met Hem te zijn. Al het andere heeft betrekking op Zijn regering over de aarde. Dat is zeker een belangrijk onderwerp, een deel van Zijn heerlijkheid; en wij zullen ook met Hem heersen. Maar dat is niet ons eigen bijzondere deel, namelijk met Hem te zijn, Hem gelijk te zijn en zelfs (als de tijd zal komen) op dezelfde wijze als Hij heen te gaan uit deze wereld die zowel Hem als ons verworpen heeft en die geoordeeld zal worden.

Ik herhaal dus nog eens: als we dit uit het oog verliezen, verliezen we ons wezenlijke deel. Alles is begrepen in de woorden: “…zó zullen wij altijd met [de] Heer zijn”. De apostel zet hier uiteen hoe dit zal plaatsvinden (vergelijk ook 2 Korinthe 5). We hebben al gewezen op het feit, dat deze verzen een aparte nieuwe openbaring vormen; maar hier blijkt ook de grote betekenis van dit feit. Het leven van de christen is zo verbonden met de dag, met de kracht van het leven van het licht waarin Christus leeft; en omgekeerd is Christus die al in de heerlijkheid is, zo werkelijk het leven van de gelovige, dat deze geen andere verwachting heeft dan hierin in te gaan door deze kracht van Christus die hem veranderen zal (zie 2 Korinthe 5:4). Er was alleen een nieuwe en aanvullende openbaring nodig om te verklaren, dat de gestorven gelovigen daar ook deel aan zouden hebben; op dat punt hadden de Thessalonikers nog geen inzicht. Dezelfde kracht zou zowel de gestorven lichamen van de ontslapenen opwekken als de sterfelijke lichamen van de levenden veranderen, en allen zouden samen worden opgenomen. Maar de overwinning over de dood was al behaald en Christus was al in de kracht van de opstanding het leven van de gelovige. Daarom was het eigenlijk vanzelfsprekend en in overeenstemming met die kracht, dat de gelovige zonder te sterven zou ingaan in de volheid van het leven met Christus.

Dit was zo’n vanzelfsprekende gedachte voor het geloof, dat er een uitdrukkelijke en zoals ik gezegd heb aanvullende openbaring nodig was, om te verklaren hoe de doden daar ook deel aan zouden hebben. Voor ons is dit nu geen moeilijkheid. Wij gaan juist mank aan de andere kant van deze waarheid, die het deel is van een veel levendiger geloof, dat zich veel meer bewust is van de kracht van het leven van Christus en van Zijn overwinning over de dood. Ongetwijfeld hadden de Thessalonikers moeten bedenken, dat Christus ook gestorven en weer opgestaan was. Ze hadden niet moeten toelaten dat de rijke vreugde over hun eigen deel in Christus hun zekerheid over het deel van de in Hem ontslapenen deed vervagen. Maar we zien – en God liet het toe opdat we het zouden zien – hoe het leven dat zij bezaten, verbonden was met de positie van het Hoofd dat over de dood getriomfeerd had. De apostel doet ook niets af van dit geloof en van deze hoop. Hij voegt er alleen aan toe, opdat zij door die gedachte vertroost zouden worden, dat de overwinning van Christus hetzelfde resultaat zou hebben voor de ontslapenen als voor de levenden. God zou zowel de ontslapenen als de levenden met Jezus in heerlijkheid terugbrengen, nadat ze samen opgenomen waren om voor altijd met de Heer te zijn; dat was hun gemeenschappelijk deel.

Aan ons geeft God ook deze waarheid, deze openbaring van Zijn macht. Hij heeft het toegelaten dat duizenden ontslapen zijn, omdat Hij – geloofd zij Zijn Naam! – duizenden anderen had die Hij wilde roepen. Maar het leven van Christus heeft niets van zijn kracht verloren, en de waarheid niets van haar zekerheid. Wij als levenden verwachten Hem, omdat Hij ons leven is. En als we misschien sterven voordat Hij komt om ons weg te halen, zullen we Hem zien in de opstanding; en de tijd is nabij.

Let er ook op dat deze openbaring een andere richting gaf aan de hoop van de Thessalonikers, omdat ze zeer nauwkeurig onderscheid maakt tussen onze opname van de aarde om met de Heer verenigd te worden in de lucht, en onze terugkeer naar de aarde met Hem. En niet alleen dat; maar ze laat ook zien dat het eerste de hoofdzaak is voor de gelovigen, terwijl ze het tweede tegelijkertijd bevestigt en verheldert. Ik vraag me af, of de Thessalonikers niet meer inzicht hadden in deze terugkeer met Christus dan in de opname van alle gelovigen van de aarde om met Hem verenigd te worden. Want bij hun bekering waren ze er al toe gebracht, om Jezus uit de hemel te verwachten. Vanaf het eerste begin was dit het grote en belangrijke beginsel dat in hun hart leefde. De Persoon van Christus was het Voorwerp van de verwachting van hun hart, en daardoor waren ze gescheiden van de wereld. Misschien hadden ze de een of andere vage gedachte over hun verschijning met Hem in heerlijkheid, maar wisten ze niet hoe dit tot stand gebracht zou worden. Ze moesten elk moment bereid zijn voor Zijn komst, en Hij en zij zouden samen verheerlijkt worden voor de ogen van het heelal. Dat wisten ze; het was een beknopte voorstelling van de waarheid.

Nu is er meer dan één punt waarop de apostel hier in verbinding met deze algemene waarheid ingaat. In de eerste plaats zouden ze met Christus zijn bij Zijn komst. (vers 14). Ik denk dat dit de blijde voorstelling is van een waarheid die ze al kenden, waarbij één van de kostbare bijzonderheden ervan wat nader omschreven wordt. Aan het eind van hoofdstuk 3 wordt deze waarheid al duidelijk genoemd (hoewel zij daar nog een onduidelijke voorstelling van hadden, omdat ze dachten dat de doden in Christus ervan beroofd zouden zijn): al de heiligen zouden met Jezus komen (3:13). Dit is een punt van wezenlijk belang wat betreft het karakter van onze verbinding met Hem. Ze verwachtten dus Jezus, en ze wisten dat de heiligen samen met Jezus zouden zijn ten tijde van Zijn komst, dat alle heiligen met Hem zouden komen. Dit gaf vaste vorm aan hun gedachten over een punt waarvan ze al min of meer op de hoogte waren.

In de tweede plaats volgt er dan een nieuwe openbaring naar aanleiding van hun foutieve gedachten over de ontslapenen. Ze dachten dat de gelovigen die bereid waren, met Christus verheerlijkt zouden worden als Hij terugkeerde naar deze wereld. Maar de doden – waren zij bereid? Zij waren er niet bij en hoe zouden zij dan deel kunnen hebben aan de heerlijke openbaring van Christus op aarde? Want ik twijfel er niet aan, dat de volgende gedachte bij de Thessalonikers leefde: Jezus zou naar deze wereld terugkomen, en zij die Hem verwachtten zouden deelhebben aan Zijn heerlijke openbaring op de aarde. Welnu, de apostel verklaart dat de gestorven gelovigen in dezelfde positie waren als Jezus die gestorven was. God had Hem niet in het graf gelaten en Hij zou hen daar evenmin laten. God zou hen ook met Hem brengen, als Hij in heerlijkheid naar deze aarde zou terugkomen. Maar dat was niet alles; de komst van Christus in heerlijkheid naar deze aarde was niet de hoofdzaak. De doden in Christus zouden opstaan en dan samen met de levenden de Heer tegemoet gaan in de lucht, vóór Zijn openbaring, vóórdat ze met Hem in heerlijkheid zouden terugkomen op aarde; en zó zouden ze altijd met de Heer zijn. Dat was de hoofdzaak, het eigenlijke deel van de christen, namelijk om eeuwig met Christus en in de hemel te zijn. Het deel van de gelovigen was daarboven, het was Christus Zelf, hoewel ze met Hem in heerlijkheid zouden verschijnen; voor deze wereld zou dat dan het oordeel zijn.

We moeten hier ook opmerken dat de verzen 15-18 een tussenzin vormen en dat hoofdstuk 5:1 aansluit op hoofdstuk 4:14. Hoofdstuk 5 laat ons dan zien wat Hij zal doen als Hij de heiligen met Zich brengt overeenkomstig hoofdstuk 4:14. In dit belangrijke gedeelte zien we dus, hoe de christen leeft in de verwachting van de komst van de Heer. Deze verwachting is verbonden met zijn dagelijkse leven en is de voltooiing daarvan. En de dood is dus alleen iets bijkomstigs, dat inderdaad kan plaatsvinden maar dat de christen niet berooft van zijn deel als zijn Meester terugkomt. De eigenlijke verwachting van de christen staat volkomen los van alles wat volgt op de openbaring van Christus en wat verband houdt met de regering over deze wereld.

De Heer komt persoonlijk om ons tot Zich te nemen; Hij laat ons niet door iemand anders halen. Met volledig gezag over de dood – die Hij overwonnen heeft – en met de bazuin van God, roept Hij de Zijnen bijeen uit het graf. Samen met de levenden, die veranderd worden, gaan ze Hem dan tegemoet in de lucht. Ons weggaan uit deze wereld lijkt precies op dat van Hem: we verlaten deze wereld, waartoe we niet behoren, om naar de hemel te gaan. Als we eenmaal daar zijn, zijn we in bezit van ons deel. We zijn Hem gelijk en we zullen altijd met Hem zijn. Maar Hij zal de Zijnen met Zich meebrengen, als Hij zal verschijnen.

Dit is dus onze ware troost als een gelovige sterft; en hierdoor wordt ook niets afgedaan van de dagelijkse verwachting van de Heer uit de hemel. Integendeel, deze verwachting wordt juist versterkt door deze zienswijze. De gestorven gelovige verloor niets van zijn rechten doordat hij gestorven was – in Jezus ontslapen was. Hij zou de eerste zijn aan wie de Heer aandacht zou schenken, als Hij kwam om de Zijnen bijeen te roepen. Niettemin is de aarde de plaats vanwaar ze zouden vertrekken om Hem te ontmoeten. De doden zouden worden opgewekt – dat was het eerste – opdat zij bereid zouden zijn om met de anderen mee te gaan; en dan zouden allen samen deze aarde verlaten om met Christus te zijn in de hemel. Deze zienswijze is van het allerhoogste belang voor een goed begrip van het ware karakter van dat ogenblik, waarop al onze verwachtingen vervuld zullen worden.

Hoofdstuk 5

De verwachting van de wederkomst van de Heer krijgt dus een heel ander karakter voor een gelovige dan de vage verwachting van een periode van heerlijkheid. In hoofdstuk 5 spreekt de apostel hier ook over, maar nu om onderscheid te maken tussen de positie van de gelovigen en die van de zorgeloze en ongelovige bewoners van de aarde. De christen die waakzaam is en door de Heer onderwezen is, leeft stééds in de verwachting van zijn Meester. Inderdaad zijn er tijden en gelegenheden, maar het is niet nodig met hem daarover te spreken. Hij weet heel goed dat de dag van de Heer zal komen, en wel als een dief in de nacht, maar niet voor hem. Want hij is van de dag; hij heeft deel aan de heerlijkheid die verschijnen zal om de ongelovige wereld te oordelen. De gelovige is een kind van het licht; en dit licht dat het oordeel voor de ongelovigen betekent, is de uitdrukking van Gods heerlijkheid, die het kwaad niet kan verdragen en die het van de aarde zal verbannen als ze zal verschijnen. Hij maakt deel uit van de dag, die de bozen zal oordelen en het kwaad van de aardbodem zal wegdoen. Christus is de Zon der gerechtigheid, en de gelovigen zullen stralen als de zon in het koninkrijk van hun Vader.

De wereld zal zeggen: “Vrede en veiligheid”. Met alle verzekerdheid zal ze geloven in de voortduur van haar welvaart en het succes van haar plannen, en de dag van de Heer zal haar plotseling overvallen (vergelijk 2 Petrus 3:3). De Heer heeft dit Zelf ook vaak verklaard (Mattheüs 24:36-44; Markus 13:33-36; Lukas 12:40 en volgende verzen; 17:26 en volgende verzen; 21:35 en volgende verzen). Het is ook heel ernstig om te zien, dat de belijdende kerk die niet gekenmerkt wordt door het verderf van Thyatira en die zegt dat ze leeft en in de waarheid staat, toch net zo als de wereld behandeld zal worden als ze zich niet bekeert (Openbaring 3:3).

Misschien verwondert het ons dat de Heer van zo’n tijd zegt, dat de mensen het hart zal bezwijken van vrees en verwachting van de dingen die over het aardrijk zullen komen (Lukas 21:26). Maar we zien dat deze beide beginselen, zowel veiligheid als vrees, al aanwezig zijn. Vooruitgang, succes, het lange bestaan van een nieuwe ontwikkeling van de menselijke natuur – dat is de taal van hen die de spot drijven met de komst van de Heer. Maar toch, hoeveel angst voor de toekomst gaat daarachter schuil! Ik gebruik het woord “beginselen”, omdat ik niet geloof dat het ogenblik waarover de Heer spreekt al gekomen is. Maar de komende gebeurtenissen werpen hun schaduwen al vooruit. Gelukkig zijn zij die tot een andere wereld behoren!

Vanaf vers 6 past de apostel dit verschil van positie, namelijk dat wij tot de dag behoren en dat die ons dus niet als een dief kan overvallen, toe op het karakter en de wandel van de christen. Omdat hij een kind van het licht is, moet hij ook als zodanig wandelen. Hij leeft in het licht van de dag, hoewel alles nacht en duisternis om hem heen is. Overdag slaapt men niet. Want zij die slapen, slapen ’s nachts en zij die dronken zijn, zijn ’s nachts dronken; dat zijn de werken van de duisternis. Maar de christen is een kind van de dag en daarom moet hij waakzaam en nuchter zijn en zich kleden met alles wat de volmaaktheid vormt van die bestaanswijze die bij zijn positie hoort, namelijk met geloof, hoop en liefde, beginselen die hem moed en vertrouwen geven om voorwaarts te gaan. Hij heeft het borstharnas van het geloof en de liefde en zo kan hij recht op de vijand af gaan. Hij heeft de hoop van dit heerlijk heil, dat hem de volledige verlossing zal brengen, als helm; zodat hij het hoofd onbevreesd kan opheffen temidden van het gevaar.

We zien dat de apostel hier herinnert aan de drie grote beginselen van 1 Korinthe 13, om de moed en de standvastigheid van de christen te karakteriseren, terwijl hij in 1 Thessalonika 1 liet zien dat ze de drijfveer van de dagelijkse wandel vormden. Geloof en liefde brengen ons in verbinding met God, zoals Hij in Jezus geopenbaard is. Dit is de grondslag van onze gemeenschap met Hem, zodat we met vertrouwen in Hem de weg gaan en gesterkt worden door Zijn tegenwoordigheid. Door het geloof is Hij het heerlijke Voorwerp waarop ons oog gericht is. Door de liefde woont Hij in ons en zijn we ons ervan bewust Wie Hij is. En de hoop richt ons oog in het bijzonder op Christus, die komt om ons in te voeren in de vreugde van de heerlijkheid bij Hemzelf.

Daarom zegt de apostel dan ook in vers 9: “Want God heeft ons niet bestemd tot toorn”. Want door het geloof kennen we de liefde van God en weten we wat Hij wil, wat Zijn gedachten zijn ten aanzien van ons. God heeft ons niet bestemd tot toorn, “maar tot [het] verkrijgen van [de] behoudenis”. Dat is onze hoop, de behoudenis, waarover hij hier spreekt als de uiteindelijke verlossing “door onze Heer Jezus Christus”. En begrijpelijkerwijs voegt hij eraan toe: “…Die voor ons is gestorven, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen (hetzij we gestorven zijn voor Zijn komst of dan nog in leven zijn), samen met Hem leven”. De dood berooft ons niet van deze verlossing en de heerlijkheid, want Jezus is gestorven. De dood is het middel geworden om ons deze dingen te verwerven. En als we sterven, zullen we eveneens met Hem leven. Hij stierf vóór ons, in onze plaats, opdat wij – wat er ook mag gebeuren – mét Hem zouden leven. Alles wat dit verhinderde is uit de weg geruimd; de dood heeft zijn kracht verloren. En hij heeft niet alleen zijn kracht verloren, maar hij is zelfs de garantie geworden voor het ongestoorde genot van het volle leven met Christus in de heerlijkheid. Met deze heerlijke waarheden, waardoor God in al onze noden en behoeften voorziet, kunnen we elkaar dus niet alleen vertroosten maar ook opbouwen (vers 11). Hiermee eindigt de speciale openbaring, die begint bij hoofdstuk 4:13, met betrekking tot hen die ontslapen voor de komst van de Heer Jezus.

Ik wil hier graag de aandacht vestigen op de manier waarop de apostel in de verschillende hoofdstukken van deze brief spreekt over de komst van de Heer. We hebben al opgemerkt dat de Geest de gemeente hier niet voorstelt als het lichaam van Christus, maar dat het onderwerp het leven is, dus het leven van elke afzonderlijke gelovige, wat zeker een heel belangrijk punt is. In hoofdstuk 1 wordt de verwachting van de Heer op een algemene manier voorgesteld als het kenmerk van de christen. De Thessalonikers waren bekeerd om de levende en waarachtige God te dienen, en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten (vers 10). Hier wordt het Voorwerp Zelf voorgesteld, de Persoon van de Heer. Gods eigen Zoon zal komen en heel het verlangen van het hart in vervulling doen gaan. Dit is noch Zijn koninkrijk, noch het oordeel, noch zelfs de rust. Het is de Zoon van God Zelf, Jezus, opgestaan uit de doden, die ons redt van de komende toorn; want de toorn komt. Elke gelovige verwacht dus voor zichzelf de Zoon van God, en hij verwacht Hem uit de hemel.

In hoofdstuk 2 gaat het om onze band met de gelovigen, om onze vreugde over hen bij de komst van Christus (verzen 19-20). In hoofdstuk 3 is de verantwoordelijkheid meer het onderwerp, verantwoordelijkheid in vrijheid en blijdschap, maar toch een positie voor God in verbinding met de wandel en het leven van de christen hier beneden. De verschijning van de Heer is de maatstaf van onze heiligheid en de tijd wanneer ze getoetst zal worden (vers 13). Het getuigenis dat God aangaande dit leven aflegt, door het z’n eigenlijke plaats te geven, vindt plaats bij de openbaring van Christus met al Zijn heiligen. Het gaat hier niet om Zijn komst vóór ons, maar om Zijn komst mét ons. Er is steeds dit verschil tussen deze beide gebeurtenissen: wat op onze verantwoordelijkheid als gelovigen en als gemeente betrekking heeft, staat altijd in verbinding met de verschijning van de Heer; maar als het om onze blijdschap gaat, houdt dat verband met Zijn komst om ons tot Zich te nemen. Tot hiertoe hebben we dus de algemene verwachting van de Heer in eigen Persoon, Gods Zoon uit de hemel; de bevrediging van de liefde ten opzichte van anderen bij Zijn komst; en de volle waarde en de volle openbaring van de heiligheid. In hoofdstuk 4 gaat het niet om de verbinding van het leven met de volle openbaring daarvan doordat we werkelijk met Christus zijn, maar om de overwinning over de dood (die geen hinderpaal hiervoor is); en verder ook om de versterking en de bevestiging van de verwachting van ons gemeenschappelijk heengaan van deze aarde, gelijk aan dat van Jezus Zelf, om voor altijd met Hem te zijn.

De vermaningen waarmee deze brief besloten wordt zijn kort, want de machtige werking van het leven van God in deze geliefde discipelen maakte dat ze die maar betrekkelijk weinig nodig hadden. Maar vermaning is altijd nuttig. Er was niets onder hen wat te berispen viel – wat een gelukkige toestand! Ze waren misschien niet voldoende onderwezen om veel inzicht in de leer te hebben (de apostel hoopte hen weer te bezoeken met dat doel), maar er was voldoende leven. Hun persoonlijke betrekking tot God was voldoende waar en reëel om hen op die grondslag op te bouwen. Aan degene die heeft, zal meer gegeven worden. De apostel kon zich met hen verblijden en hun hoop versterken, en enkele bijzonderheden daaraan toevoegen als een openbaring van God, die van nut geweest is voor de gemeente in alle tijden.

In de brief aan de Filippiërs zien we hoe het leven in de Geest boven alle omstandigheden staat, als gevolg van de lange ondervinding van Gods goedheid en trouw. Zo toonde het zijn opmerkelijke kracht toen de hulp van de gelovigen in gebreke bleef en de apostel in nood was en zijn leven gevaar liep na vier jaar gevangenschap door een wrede tiran. Dan laat hij zijn zaak beslissen door de belangen van de gemeente. Dan kan hij verklaren dat we ons altijd in de Heer moeten verblijden; en dat Christus alles voor hem is, dat te leven voor hem Christus is en te sterven gewin. Dan vermag hij alles door Hem die hem kracht geeft. Dat zijn dingen die hij geleerd heeft. Maar in deze brief aan de Thessalonikers zien we de frisheid van het leven dichtbij de bron ervan, de kracht van het nieuwe leven in de ziel van de gelovige, met al de schoonheid en zuiverheid en kracht van het eerste groen dat tevoorschijn komt door de stralen van de zon die over hem is opgegaan en die de levenssappen omhoog doet stijgen. Het gaat hier om de eerste openbaringen van het leven, die niet verzwakt waren door besmetting met de wereld of door een minder heldere blik op de onzichtbare dingen.

De apostel wenste dat de gelovigen hen die onder hen arbeidden en hen leiding gaven en hen vermaanden, zouden erkennen en hen zeer hoog zouden achten terwille van hun werk. Want het werk van God trekt altijd de aandacht van iemand die door de Heilige Geest geleid wordt, zodat hij het ziet en erkent. Dat is de grondslag van deze vermaning. Het gaat hier niet om ambten, zo die er al waren, maar om het werk dat het hart aantrok en waarmee het zich verbonden voelde. Zulke personen moesten erkend worden; een geestelijke gezindheid erkende hun arbeid als het werk van God. Liefde, toewijding, het voorzien in de behoeften van de zielen, geduldig met hen bezig zijn in opdracht van God – met dat alles konden de gelovigen instemmen en ze konden God danken voor de zorg die Hij aan Zijn kinderen besteedde. God werkte zowel in de arbeider als in de harten van de gelovigen. We mogen God danken, dat dit een beginsel is dat nog steeds bestaat en dat nog niets van zijn kracht verloren heeft!

Dezelfde Geest werkte onderlinge vrede; dat was een grote genade. De liefde erkende niet alleen het werk van God in de arbeider, maar achtte de ander ook als in de tegenwoordigheid van God, zodat de eigen wil niet werkzaam was. Welnu, deze verloochening van de eigen wil en dit praktische bewustzijn van de werking en de tegenwoordigheid van God geeft kracht om de ongeregelden terecht te wijzen, de kleinmoedigen te vertroosten, de zwakken te ondersteunen en met allen geduld te hebben. De apostel vermaant de gelovigen hier om dit te doen. Gemeenschap met God is hierbij onze kracht, en Zijn Woord onze gids. In geen geval moest men kwaad met kwaad vergelden, maar altijd naar het goede jagen voor elkaar en voor allen. Dit hele gedrag is afhankelijk van gemeenschap met God, van Zijn tegenwoordigheid, die ons boven het kwaad doet staan. Hij staat erboven in liefde, en wij kunnen dat ook als we met Hem wandelen (verzen 12-15).

Dit waren de richtlijnen van de apostel voor hun wandel met anderen. Wat hun persoonlijke toestand betrof, moesten ze gekenmerkt worden door blijdschap, gebed en dankzegging in alle dingen. Ten aanzien van de openbare werking van de Geest in hun midden waren de vermaningen van de apostel voor deze eenvoudige en gelukkige christenen even kort. Ze moesten de werking van de Geest in hun midden niet belemmeren (want dat is de betekenis van de Geest niet uitblussen); en ook niet verachten wat Hij hun te zeggen had, zelfs al wilde Hij daarvoor misschien de mond van de meest eenvoudigen gebruiken. Omdat ze geestelijk waren, konden ze alle dingen beoordelen. Daarom moesten ze niet alles aannemen wat naar voren kwam, zelfs al was dat in naam van de Geest, maar alle dingen beproeven en het goede behouden. Want wie door het geloof de waarheid van het Woord heeft aangenomen, twijfelt niet; hij weet wat hij van God geleerd heeft. Wat het kwaad betrof, moesten ze zich onthouden van alle vormen ervan. Dat waren de korte vermaningen van de apostel voor deze christenen, die zijn hart inderdaad verblijdden. En deze mededelingen geven werkelijk een mooi beeld van de christelijke wandel, een levendige schildering ervan (verzen 16-22).

Aan het eind van zijn brief draagt hij hen op aan de God van de vrede, opdat ze onberispelijk bewaard zouden blijven tot de komst van de Heer Jezus. Het is ook begrijpelijk, na een dergelijke brief, dat zijn hart zich richt tot de God van de vrede. Want we genieten vrede in de tegenwoordigheid van God, niet alleen vrede voor het geweten maar vrede voor het hart.

In het voorafgaande gedeelte vonden we de werkzaamheid van de liefde in het hart, dat wil zeggen de tegenwoordigheid en de werkzaamheid van God in ons, die tegelijkertijd gezien worden als deelhebbers aan de Goddelijke natuur, als de bron van die heiligheid die in alle volmaaktheid voor Gods aangezicht geopenbaard zal worden bij de komst van Jezus met al Zijn heiligen (3:12-13). Hier wendt de apostel zich voor de voltooiing van dit werk tot de God van de vrede. In hoofdstuk 3 was het de werking van een Goddelijk beginsel in ons, een beginsel verbonden met de tegenwoordigheid van God en onze gemeenschap met Hem. Hier is het de volmaakte rust van het hart waarin de heiligheid tot ontplooiing komt.

Als er geen vrede in het hart is, komt dat door de werking van de begeerte en de wil; en dat wordt nog versterkt door het gevoel van machteloosheid om ze te bevredigen of zelfs maar te behagen. Maar in God is een volkomen vrede. Hij kan werkzaam zijn in liefde, Hij kan Zichzelf verheerlijken door te scheppen wat Hij wil, Hij kan het oordeel brengen over het kwaad om het van voor Zijn aangezicht te verwijderen. Maar in dat alles rust Hij in Zichzelf en weet Hij van het begin wat het einde zal zijn, zowel van goed als van kwaad. En als Hij het hart vervult, geeft Hij ons deze vrede. In onszelf vinden we geen vrede. We vinden geen vrede voor ons hart in de werking van onze begeerte, al of niet gericht op een bepaald voorwerp, en ook niet in de verscheurende en verwoestende kracht van onze eigen wil. We vinden alleen rust in God; geen rust die vermoeidheid inhoudt, maar rust voor ons hart. Want we hebben alles wat we wensen en wat onze verlangens zelfs vormt en volkomen bevredigt, omdat we een Voorwerp hebben dat het geweten rust geeft, in de zekerheid dat we het Allerhoogste Goed genieten en de wil van de hoogste en enige Autoriteit gehoorzamen (en die wil is liefde ten opzichte van ons). Zo geeft Hij ons rust, vrede.

Het is opmerkelijk, dat God nooit de God van de vreugde genoemd wordt. Zeker geeft Hij ons vreugde, en hebben we ons te verblijden. Maar vreugde houdt iets van verrassing in, iets onverwachts, iets buitengewoons, in elk geval in tegenstelling tot en als gevolg van het kwaad. Maar dit element van tegenstelling en verstoring ontbreekt aan de vrede die we bezitten en die ons volkomen voldoening schenkt. Vrede is dieper en echter dan vreugde. Het is meer de bevrediging van een natuur in dat wat er volkomen mee in overeenstemming is en waarin het zich ontplooit, zonder dat er enige tegenstelling nodig is ter vergroting van de bevrediging van een hart dat niet alles heeft wat het verlangt of kan bevatten.

God rust dus in Zichzelf, zoals we al gezegd hebben, en is deze vrede voor Zichzelf. Hij geeft ons deze volkomen vrede; Hij is die Zelf voor ons. Want als het geweten volmaakt is door het werk van Christus, die vrede gemaakt heeft en ons met God verzoend heeft, vindt de nieuwe natuur en dus ook het hart volmaakte bevrediging in God. De wil zwijgt en heeft bovendien ook niets meer te wensen. Maar God voldoet niet alleen aan de verlangens die we hebben. Hij is de Bron van nieuwe wensen voor de nieuwe mens door de openbaring van Zichzelf in liefde 6, Hij is zowel de Bron van de nieuwe natuur als het oneindige Voorwerp ervan; en dat in liefde. Dat is Zijn bijzondere deel, en dat gaat verder dan de schepping. Het is de verzoening, die meer is dan de schepping, omdat ze meer een openbaring van liefde is (en dus van God, God is liefde). Zo kennen we God en zo heeft Hij Zich in Christus werkelijk geopenbaard. In de engelen verheerlijkt Hij Zichzelf in de schepping; en zij overtreffen ons in kracht. Maar in de gelovigen verheerlijkt Hij Zichzelf in de verzoening, om hen tot de eerstelingen van Zijn nieuwe schepping te maken, als Hij alle dingen in hemel en op aarde door Christus verzoend zal hebben. Daarom staat er geschreven: “Gelukkig de vredestichters, want zij zullen zonen van God worden genoemd” (Mattheüs 5:9). Zij bezitten Zijn natuur en openbaren Zijn karakter.

Welnu, de heiligheid komt tot openbaring in deze relaties met God in vrede. Of beter gezegd: Gód brengt de heiligheid tot openbaring in deze relaties met ons in vrede, in Zijn gemeenschap. Zo werkt Hij heiligheid, onze innerlijke gelijkvormigheid in liefde en inzicht – en dus ook in uiterlijk gedrag – aan Hem en aan Zijn wil: “Moge nu de God van de vrede Zelf u geheel en al heiligen” (vers 23). Laat er dus niets in ons zijn, dat zich niet openstelt voor deze zegenrijke invloed van de vrede die we in gemeenschap met God genieten! Laat er geen macht of kracht in ons zijn, die iets anders erkent buiten Hemzelf! Laat Hij in alle dingen alles voor ons zijn, zodat Hij alleen in onze harten regeert!

Hij heeft ons op deze volmaakte plaats van zegen gebracht in Christus en door Diens werk. Er is niets tussen ons en God dan de werking van Zijn liefde, het genot van ons geluk en de aanbidding van onze harten. Wij zijn voor Hem het bewijs, het getuigenis, de vrucht van het feit dat alles volbracht is wat Hij hoogst kostbaar acht, wat Hem volmaakt verheerlijkt heeft en waarin Hij Zijn welgevallen vindt. Wij zijn de bewijzen van de heerlijkheid van Christus en van Zijn werk, de vruchten van de verlossing die Hij volbracht heeft en de voorwerpen van de voldoening die God vindt in de betoning van Zijn liefde. God in genade is de God van de vrede voor ons, want hierin vindt de Goddelijke gerechtigheid haar voldoening en de liefde haar volmaakte uitoefening.

Nu bidt de apostel, dat Hij in dit karakter van de God van de vrede in ons zal werken om alles in overeenstemming te doen zijn met Hemzelf als de God die Zich zo geopenbaard heeft. Alleen hier vinden we deze uiteenzetting van wat de mens is: “…geest en ziel en lichaam”. Het doel hiervan is zeker niet metafysisch. Het geeft aan wie de mens in al de delen van zijn wezen is: het lichaam is het vat, het werktuig waardoor hij tot uitdrukking brengt wie hij is; de ziel is de zetel van zijn natuurlijke gevoelens en de hogere werkingen van zijn geest plaatsen hem boven de dieren en brengen hem in een bewuste verbinding met God. Moge het zo zijn, dat God ons in elk van deze delen motiveert en leidt!

In het algemeen maakt de Schrift geen onderscheid tussen ziel en geest, omdat de ziel van de mens totaal anders gevormd werd dan die van de dieren. Want de mens werd een levende ziel, doordat God de adem (geest) van het leven in zijn neusgaten blies (Genesis 2:7).

Als het dus over de mens gaat, dan houdt het gebruik van het woord ziel ook het bezit van de geest in. En als er sprake is van de geest, dan is dat om speciaal het verheven karakter van zijn ziel aan te geven. Een dier heeft ook natuurlijke gevoelens, een levende ziel. Het hecht zich aan anderen en kent degenen die goed voor hem zijn; het is trouw aan zijn meester, heeft hem lief en zal zelfs zijn leven voor hem geven. Maar het heeft geen geest waardoor het in verbinding met God kan treden – en waardoor de mens helaas in opstand tegen Hem gekomen is – en heerschappij kan hebben over andere schepselen.

Het is dus de wil van de Geest, dat de mens die met God verzoend is in elk deel van zijn wezen toegewijd is aan God die hem in verbinding met Zichzelf gebracht heeft door de openbaring van Zijn liefde en het werk van Zijn genade. Niets in de mens mag een voorwerp hebben dat beneden de Goddelijke natuur staat waarvan hij deelgenoot geworden is. Zo zal hij onberispelijk bewaard worden tot de komst van Christus.

Laten we hierbij opmerken, dat een trouwe vervulling van onze plichten in al de verschillende relaties waarin God ons geplaatst heeft beslist niet beneden de nieuwe natuur in ons is. Integendeel, het is juist nodig om al deze relaties te plaatsen in het licht van God, van Zijn gezag en van de kennis die daaruit voortvloeit. Daarom wordt er tot de mannen gezegd, dat ze “met verstand” of inzicht bij hun vrouwen moeten wonen (1 Petrus 3:7). Dat wil zeggen, niet alleen met menselijke en natuurlijke gevoelens, die in eigen kracht hun waarde zelfs niet kunnen behouden omdat de mens gevallen is, maar als in Gods tegenwoordigheid en in het bewustzijn van Zijn wil. Het is mogelijk dat God ons roept, in verbinding met het buitengewone werk van Zijn genade, om ons volledig aan dat werk toe te wijden. Maar anders moeten we de wil van God volbrengen in de relaties waarin Hij ons geplaatst heeft en in die relaties Goddelijk inzicht en gehoorzaamheid aan God tentoonspreiden. Uiteindelijk heeft God ons tot dit leven van heiligheid met Hemzelf geroepen. Hij is getrouw; Hij zal het ook doen (vers 24). Moge Hij ons de kracht geven om ons aan Hem vast te klemmen, opdat we het verwerkelijken!

De komst van Christus en de verwachting daarvan komt hier weer opnieuw naar voren als een wezenlijk onderdeel van het christelijk leven: “…en moge geheel uw geest en ziel en lichaam onberispelijk worden bewaard bij de komst van onze Heer Jezus Christus”. Het leven dat zich openbaarde in gehoorzaamheid en heiligheid ontmoet de Heer bij Zijn komst. De dood komt niet ter sprake. Het leven dat we in Hem gevonden hebben, zal volmaakt gezien worden als Hij verschijnt. De mens die in elk deel van zijn wezen door dit leven beheerst wordt, blijkt volkomen onberispelijk te zijn als Jezus komt. De dood is overwonnen (nog niet tenietgedaan); een nieuw leven is ons deel. Dit leven en de mens die daaruit leeft, zal in de heerlijkheid zijn met zijn Hoofd en Bron. Dan zal de zwakheid verdwijnen die met zijn huidige toestand verbonden is. Het sterfelijke zal door het leven verslonden worden. Dat is alles; de dood kan ons niet deren. Wij zijn van Christus en Hij is ons leven. We verwachten Hem, opdat we met Hem zullen zijn en opdat Hij alle dingen tot volmaaktheid zal brengen in de heerlijkheid.

Laten we hier ook in het kort onderzoeken wat dit gedeelte ons leert aangaande de heiliging. De heiliging heeft inderdaad te maken met een natuur, maar ze is verbonden met een Voorwerp. De praktische verwerkelijking ervan is afhankelijk van de werking van een Ander, namelijk van God Zelf. En ze is gegrond op een volmaakt werk van verzoening met God, dat al volbracht is. Aangezien ze gegrond is op een volbrachte verzoening, waaraan we deel krijgen door het ontvangen van een nieuwe natuur, ziet de Schrift de gelovigen al als volmaakt geheiligd in Christus. Praktisch wordt dit ten uitvoer gebracht door de werking van de Heilige Geest, die ons deze nieuwe natuur schenkt en ons daardoor als wedergeborenen volkomen scheidt van de wereld. Het is belangrijk om deze waarheid vast te houden en heel duidelijk en beslist op dit standpunt te staan. Anders maakt men de praktische heiliging al gauw los van het bezit van de nieuwe natuur. Dan is de heiliging niet meer dan de verbetering van de natuurlijke mens en wordt ze een volkomen wettische zaak, een terugkeer – na de verzoening – tot twijfel en onzekerheid. Want hoewel men gerechtvaardigd is, ziet men zichzelf niet als geschikt voor de hemel. Men maakt dit afhankelijk van groei, zodat de rechtvaardiging geen vrede met God geeft. Maar de Schrift zegt: “Daarbij danken wij de Vader, Die ons bekwaam hééft gemaakt om deel te hebben aan de erfenis van de heiligen in het licht” (Kolosse 1:12). Zeker is er groei, maar die wordt in de Schrift niet verbonden met het bekwaam gemaakt zijn voor de hemel. De misdadiger aan het kruis was geschikt voor het paradijs en ging daarheen. Door zulke zienswijzen wordt het werk van de verzoening, dat wil zeggen ons begrip daarvan door het geloof, verzwakt en zelfs tenietgedaan.

We zijn dus geheiligd – zó spreekt de Schrift er heel vaak over – door God de Vader, door het bloed en het offer van Christus en door de Geest. Dat wil zeggen, we zijn persoonlijk en voor eeuwig voor God apart gesteld. In dit licht gezien volgt de rechtvaardiging in het Woord op de heiliging, als een zaak waaraan we door de heiliging deel krijgen (1 Korinthe 6:11). De Heilige Geest vindt ons als zondaars in de wereld en stelt ons apart om deel te hebben aan al de gevolgen van het werk van Christus naar de raadsbesluiten van de Vader. Ongetwijfeld worden we apart gesteld door het meedelen van een nieuw leven, maar deze afzondering stelt ons in het bezit van alles wat Christus voor ons verworven heeft.

Ik herhaal dat het heel belangrijk is om deze waarheid vast te houden, zowel tot eer van God als tot onze eigen vrede. Maar in deze brief spreekt de Geest van God niet vanuit dit oogpunt over de heiliging. Het onderwerp is hier de praktische verwerkelijking van de groei van dit leven van afzondering van de wereld en van het kwaad. Hij spreekt over de Goddelijke groei van de innerlijke mens, waardoor de heiliging een werkelijke en bewuste toestand van de ziel wordt, een toestand van praktische gemeenschap met God, die in overeenstemming is met die natuur en met de openbaring van God waarmee die verbonden is.

In dit opzicht vinden we inderdaad een levensbeginsel dat in ons werkt, wat men een onderwerpelijke staat noemt. Maar het is onmogelijk om die werking in ons los te maken van een Voorwerp (anders zou de mens God zijn), en dus evenmin van een voortdurend werk van God in ons dat ons in gemeenschap houdt met dat Voorwerp, dat God Zelf is. Daarom vindt de heiliging dan ook plaats door middel van de waarheid, door het Woord, hetzij bij het begin om het nieuwe leven mee te delen, hetzij bij elke stap van heel onze weg: “Heilig hen door de waarheid; Uw Woord is [de] waarheid” (Johannes 17:17). De mens heeft zichzelf verlaagd, zoals we weten. Hij is slaaf geworden van de lusten van het dierlijke deel van zijn wezen. Maar hoe? Door van God af te wijken! Welnu, God heiligt de mens niet buiten de kennis van Hemzelf, zodat hij nog op een afstand van Hem blijft. Hij geeft hem een nieuwe natuur die in staat is Hem te kennen en Hij geeft deze natuur een Voorwerp, namelijk Hemzelf; zonder dit Voorwerp kan ze zelfs niet bestaan. Zó heiligt God de mens. Hij maakt de mens niet onafhankelijk, zoals hij dat oorspronkelijk wenste. De nieuwe mens is de afhankelijke mens; daaruit blijkt juist zijn volmaaktheid. Jezus Christus bracht dit in Zijn leven tot uitdrukking als ons Voorbeeld. De nieuwe mens is een mens met afhankelijke gevoelens, die alleen gelukkig is als hij afhankelijk is. Hij is afhankelijk van liefde, maar toch gehoorzaam zoals een afhankelijk wezen dat behoort te zijn.

Zij die geheiligd zijn bezitten dus een natuur, die heilig is in haar verlangens en gevoelens. Het is de Goddelijke natuur in hen, het leven van Christus. Maar zij blijven mensen; zij hebben God geopenbaard in Christus als Voorwerp. De heiliging vindt plaats in gemeenschap met God en in gevoelens die uit Christus voortkomen en van Hem afhankelijk zijn. Maar de nieuwe natuur kan geen voorwerp aan zichzelf openbaren, en nog veel minder zelf een voorwerp kiezen dat God terzijde stelt. Het is een natuur die van God afhankelijk is en van Zijn Zelfopenbaring. Gods liefde is in onze harten uitgestort door de Heilige Geest, die ons gegeven is (Romeinen 5:5). Deze Geest neemt uit wat van Christus is en verkondigt het ons (Johannes 16:15). Zo groeien we in de kennis van God en worden we door Zijn Geest met kracht gesterkt naar de innerlijke mens, opdat we met alle heiligen zouden begrijpen wat de breedte en lengte en diepte en hoogte is en de liefde van Christus zouden kennen, die de kennis te boven gaat, opdat we vervuld worden tot de gehele volheid van God (Efeze 3:16-19). Zo worden wij allen die met onbedekt aangezicht de heerlijkheid van de Heer aanschouwen, naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid veranderd als door de Heer, de Geest (2 Korinthe 3:18). Christus heiligt Zichzelf voor ons, opdat ook wij geheiligd mogen zijn door de waarheid (Johannes 17:19).

Uit deze gedeelten, waaraan we nog vele andere zouden kunnen toevoegen, blijkt dat we afhankelijk zijn van een Voorwerp en van de kracht van een Ander. De liefde is in ons werkzaam om in deze behoefte te voorzien. Onze afzondering voor God is volkomen; want ze vindt plaats door middel van een natuur die uitsluitend van Hem afkomstig is, en in volstrekte gehoorzaamheid aan Hem; want we zijn niet langer van onszelf, maar voor een prijs gekocht en geheiligd door het bloed van Christus naar de wil van God, die ons voor Zichzelf wil bezitten. Deze afzondering plaatst ons dus in een betrekking tot God en de verwerkelijking daarvan door een groeiende kennis van God, die het Voorwerp van onze nieuwe natuur is, is onze praktische heiliging. Dit wordt in ons bewerkt door de kracht van de Heilige Geest, die in ons de Getuige is van de liefde van God. Hij verbindt het hart met God, door Hem steeds meer aan ons te openbaren en tegelijkertijd de heerlijkheid van Christus voor te stellen en al de Goddelijke eigenschappen die in Hem in menselijke natuur aan het licht kwamen, en zo onze uit God geboren natuur te vormen. Daarom is de werkzaamheid van de liefde in ons het middel tot heiliging, zoals we dat aan het eind van hoofdstuk 3 gezien hebben. Het is de werking van de nieuwe natuur, de Goddelijke natuur in ons, en dat verbonden met de tegenwoordigheid van God; want wie in de liefde blijft, blijft in God. En in dit hoofdstuk draagt de apostel de gelovigen aan God Zelf op, opdat Hij dit in hen zal werken; terwijl de hele brief ons steeds weer wijst op de heerlijke Voorwerpen van ons geloof om dit te bewerken.

We willen hier de aandacht van de lezer nog eens nader vestigen op deze Voorwerpen, namelijk God Zelf en de komst van Christus; dus aan de ene kant gemeenschap met God en aan de andere kant de verwachting van Christus. Het is heel duidelijk dat gemeenschap met God de praktische toestand van de hoogste heiliging is. En als we weten dat we Jezus zullen zien zoals Hij nu is en dat we Hem gelijk zullen zijn, reinigen we onszelf zoals Hij rein is. Door onze gemeenschap met de God van de vrede worden we volkomen geheiligd. Als God praktisch alles voor ons is, zijn we volkomen heilig. Ik spreek nu niet over enige verandering van het vlees, want dat kan zich niet aan God onderwerpen noch Hem behagen. Maar de gedachte aan God en aan Christus en Zijn komst bewaart ons praktisch – in elke bijzonderheid, en bewust – onberispelijk. Het is God Zelf die ons zo bewaart en die in ons werkt, om onze harten te vervullen en ons voortdurend geestelijk te doen groeien.

Maar aan dit punt moeten we nog enkele woorden wijden. Omdat het christelijke leven van de Thessalonikers zo fris was, was het meer voorwerpelijk, zodat deze Voorwerpen – God de Vader en de Heer Jezus – op de voorgrond stonden en heel duidelijk gekend werden. In hoofdstuk 2 spreekt de apostel alleen over de Heer Jezus, als het gaat om de gemeenschap van de liefde met de gelovigen als zijn heerlijkheid en kroon. De nadruk valt hier meer op de beloning, hoewel het een beloning is waarin de liefde heerst. Jezus Zelf putte kracht temidden van het lijden uit de vreugde die vóór Hem lag, een vreugde die dus Zijn persoonlijke deel was. Zo wachtte de apostel eveneens, wat betrof zijn arbeid en moeite, met Christus op de vrucht ervan. Maar behalve dit persoonlijke geval van de apostel vinden we in deze brief God Zelf en Jezus als ons Voorwerp, en de vreugde van de gemeenschap met God (en wel in de relatie van Vader) en met Christus in Wiens positie en heerlijkheid we door genade delen. Zo vinden we alleen in de beide brieven aan de Thessalonikers de uitdrukking “de gemeente in God [de] Vader en [de] Heer Jezus Christus”. Misschien houdt dit ook verband met hun recente bekering van de afgoden tot de éne ware God, de Vader, en de Heer Jezus Christus. Maar het toont duidelijk de sfeer van hun gemeenschap, die gegrond was op de relatie waarin ze stonden tot God als Vader en Jezus als Heer (zie ook 1:3,9,10; 3:13; 4:15-16; 5:23). Hoe krachtiger en levendiger het christelijk geloof is, des te voorwerpelijker zal het zijn. Het betekent eenvoudig dat God en de Heer Jezus een grotere plaats in onze gedachten hebben en dat we meer in Hen rusten. Deze brief aan de Thessalonikers is het deel van de Schrift dat ons op dit punt onderwijst, en het is het middel dat heel wat dwalingen van het hart oordeelt en dat ons geloof een grotere eenvoud geeft.

De apostel eindigt zijn brief met het verzoek om de voorbede van de broeders, terwijl hij hen groet met de vrijmoedigheid van de liefde en hen bezweert om zijn brief aan al de heilige broeders te laten voorlezen. Zijn hart vergat niemand van hen; hij wilde met allen verbonden zijn in overeenstemming met deze geestelijke liefde en deze persoonlijke band. Als apostel ten opzichte van allen wilde hij dat ze hen die onder hen arbeidden zouden erkennen, maar daarnaast bewaarde hij zijn persoonlijke verbinding met hen. Enerzijds omsloot zijn hart al Gods geopenbaarde raadsbesluiten, maar anderzijds verloor het zelfs niet de geringste van Zijn heiligen uit het oog.

Tenslotte moeten we nog op een interessante bijzonderheid wijzen, namelijk de wijze waarop de apostel zijn betoog opbouwt. In het eerste hoofdstuk begint hij zijn onderwijs met de waarheden die kostbaar voor hun hart waren, hoewel hun begrip ervan nog wat vaag was en ze er inderdaad foute gedachten over hadden. Met het heldere inzicht dat hijzelf erin had, gebruikt hij deze waarheden voor zijn praktische onderwijzingen en past ze toe op de relaties die ze kenden en ervaarden, opdat ze de positieve waarheid goed zouden kennen en hun zielen daarop gefundeerd zouden zijn, vóórdat hij ingaat op hun fout en de vergissingen die ze gemaakt hadden. Ze verwachtten Gods Zoon uit de hemelen (1:10). Dat was een waarheid die ze al duidelijk kenden en met hun hart bezaten. Maar ze zouden ook in Gods tegenwoordigheid zijn als Jezus kwam met al Zijn heiligen (3:13). Dit verhelderde een heel belangrijk punt, zonder de dwaling rechtstreeks aan te roeren. Het corrigeerde hen met betrekking tot de praktische toepassing van de waarheid op wat het hart al bezat. Ze begrepen wat het was om voor het aangezicht van God de Vader te zijn; dat ging veel verder en was veel intiemer dan een openbaring van aardse en beperkte heerlijkheid. Maar verder zouden ze daar zijn als Jezus kwam met al Zijn heiligen; dat was een duidelijke waarheid die het hart aansprak op grond van het eenvoudige feit dat Jezus niet maar met enkelen van Zijn gemeente kon komen.

Het hart begreep deze waarheid zonder moeite. Maar hierdoor kreeg het inzicht in wat de hele waarheid duidelijk maakte en werd het daarop opgebouwd, en dat met het oog op de verhouding van de Thessalonikers tot Christus en hen die Hem toebehoorden. Want de vreugdevolle verwachting van de apostel dat hij hen allen zou ontmoeten bij de komst van Jezus, dus niet alleen de levenden maar ook zij die gestorven waren, plaatste de ziel op een volkomen andere grondslag dan het vooruitzicht hier beneden gezegend te worden door de komst van Jezus. Zo kregen ze inzicht in de werkelijke draagwijdte van de waarheid die ze al bezaten en werden ze daarin bevestigd en versterkt door deze nadere uitwerking ervan, die aansloot bij de hoogste gevoelens en de innigste geestelijke kennis die ze op grond van hun gemeenschap met God hadden. En zo hadden ze een vast fundament ter weerlegging van een dwaling, die niet in overeenstemming was met wat ze nu op z’n juiste waarde wisten te schatten omdat het deel van hun geestelijk bezit vormde. Een bijzondere openbaring maakte alles duidelijk wat de details betrof. Deze handelwijze van de apostel is erg leerzaam.

EINDE 1e BRIEF AAN THESSALONIKA

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 7.7

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 Ze komen vaker voor in de brieven van Paulus dan men wel denkt, zoals ook in 1 Thessalonika 5:8 en Kolosse 1:4, 5. In 2 Thessalonika 1:3 vinden we wel geloof en liefde, maar hier moet hij hun gedachten over de hoop tot klaarheid brengen.

2 Vergelijk Spreuken 8:30-31 (“Mijn bron van blijdschap vond Ik bij de mensenkinderen”) en Lukas 2:14 (“in mensen een welbehagen”). Het is mooi om te zien hoe de engelen dit welbehagen zonder enige jaloersheid prijzen. De liefde die zich in genade naar beneden richt beantwoordt aan de ellende en de onwaardigheid van haar voorwerp; als ze zich als de liefde van de ziel naar boven richt beantwoordt ze aan haar waardigheid. Zie Efeze 5:2 waar we beide in Christus zien en waar het eigen ik volledig is opgegeven. Hij zocht niet Zichzelf, maar gaf Zichzelf. De wet neemt het eigen ik als maatstaf ten aanzien van de naaste, en gaat ervan uit dat hij op dezelfde grondslag staat; hier is er geen liefde die zich naar beneden richt.

3 Het is goed om te bedenken dat Christus wel Zoon is over Gods huis, maar dat Hij als Heer niet de Heer van de gemeente maar van de afzonderlijke gelovigen is. Bovendien is Hij in meer algemene zin ook Heer van alle mensen. Maar Zijn handelen ten opzichte van de afzonderlijke gelovigen dient tot het welzijn van de hele gemeente.

4 Het is heel treffend, hoe de heiligheid hier in één adem genoemd wordt met onze openbaring in heerlijkheid: de sluier wordt pas opgelicht als de heerlijkheid gekomen is. Zelfs Christus werd verklaard als Gods Zoon in kracht, naar de Geest van heiligheid, door de opstanding (Romeinen 1:4). En wij, die met onbedekt aangezicht de heerlijkheid van de Heer aanschouwen, worden naar hetzelfde beeld veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid (2 Korinthe 3:18). Zo ook hier. Wij zouden gezegd hebben: we moeten in liefde wandelen, opdat we onberispelijk in heiligheid zijn. Maar nee, de sluier wordt hier opgelicht bij de verschijning van onze Heer Jezus Christus met al Zijn heiligen. In Efeze 5 reinigt Hij ons door het Woord, opdat Hij ons als een verheerlijkt lichaam zonder vlek voor Zich zou stellen.

5 Men heeft wel gedacht, dat de apostel hier spreekt over degenen die als martelaar voor Zijn Naam gestorven waren. Misschien is dat inderdaad zo geweest, als gevolg van de vervolging; maar “door Jezus” zou dan wel een bijzondere manier zijn om dat tot uitdrukking te brengen. Want het Griekse dia (door) met een genitief wordt gebruikt voor een staat van zaken, een toestand waarin we ons bevinden, die ons kenmerkt. Omdat ze in Christus waren, was hun heengaan slechts ontslapen, geen sterven. Ze hadden deze positie door middel van Jezus, niet terwille van Zijn Naam. (Vergelijk echter 2 Korinthe 4:14.)

6 Daarom kan het hemelse genot van God ons ook nooit vermoeien. Integendeel, want Hij die het oneindige Voorwerp van ons genot is, is tegelijkertijd de oneindige Bron en Kracht ervan. Maar wij genieten als ontvangende schepselen.