24. Hooglied

24. Hooglied · uit de ‘Synopsis’ deel 3 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Inleiding

Dit boek laat ons de joden, of beter gezegd het overblijfsel zien, vanuit een heel ander gezichtspunt. Het beschrijft ons de genegenheid die de Koning in hun hart kan wekken in de laatste dagen en waardoor hij hen tot zich trekt. Maar hoe sterk die genegenheid ook mag zijn, ze is toch niet geopenbaard naar een positie zoals die, waarin de eigenlijke christelijke genegenheid wordt geboren. In dit opzicht is er een groot onderscheid. Want de genegenheid die we hier vinden, heeft niet de diepe rust en lieflijkheid, die voortvloeit uit een al gevestigde, gekende en gewaardeerde betrekking; een genegenheid, waarvan de band is gelegd en erkend, en die rekent op de volle en blijvende erkenning van die betrekking, en waarvan elke partner geniet als een zekerheid in het hart van de ander. De begeerte van iemand die liefheeft en die de genegenheid zoekt van het geliefde voorwerp, is niet de zoete, volkomen en gevestigde genegenheid van de vrouw, met wie door het huwelijk al een onverbreekbare band werd gevormd. In het eerste geval bestaat de verbinding alleen in het verlangen, het gevolg van de toestand van het hart. In het laatste geval is de toestand van het hart een gevolg van de verbinding. Nu, hoewel de bruiloft van het Lam nog niet gekomen is, is toch op grond van de ons gegeven openbaring en de voltooiing van onze verlossing, dit laatste karakter van genegenheid datgene wat de Gemeente eigen is. God zij daarvoor verheerlijkt en geprezen! Wij weten in wie wij geloofd hebben. Maar de kracht en de energie van het verlangen worden steeds gehandhaafd, omdat de heerlijkheid en de bruiloft van het Lam nog steeds in de toekomst liggen. Wat een bevoorrechte positie heeft toch de Gemeente! Enerzijds het volkomen vertrouwen van de verhouding, en anderzijds het vurige verwachten van de bruid van het Lam, naar Hem Wiens liefde intussen wordt gekend. Een verwachting, die verbonden is met de heerlijkheid waarin Hij zal komen, om haar tot Zich te halen, zodat ze eeuwig met Hem kan zijn.

Dat is niet de positie van de gelovige jood. Het belangrijkste voor hem is te weten, dat zijn Geliefde hem toebehoort. En dat is de vraag hier. Natuurlijk is het waar dat hier een beginsel wordt gevonden dat beiden gemeen hebben. Christus heeft de Gemeente lief en heeft ook Zijn aardse volk lief. Hij heeft de ziel lief die Hij tot Zich trekt. En zo is hier een zedelijke toepassing voor onszelf die zeer kostbaar is. Toch is het belangrijk, dat we de dingen onderscheiden, en niet toepassen op de Gemeente wat voor Israël is. Want dan zal onze liefde niet het juiste karakter hebben, en zullen we tekortschieten in wat Christus toekomt.
Het Hooglied laat ons dus op een bijzondere wijze zien hoe de relatie tussen Christus en het overblijfsel opnieuw wordt gevestigd, opdat door de oefeningen van het hart, die in hun positie noodzakelijk zijn, zij bevestigd zouden worden in de verzekering van Zijn liefde en in het bewustzijn dat alles genade is; een genade die nooit kan falen. In die tijd zal Christus ten volle gekend worden in Zijn karakter als Salomo. Zijn hart wordt als de wagen van Zijn vrijwillig volk, dat Hem wegdraagt (Amminadib) (6:12).

Hoofdstuk 8:1 geeft ons een vers dat kan dienen om de toestand van het hart te begrijpen, die in dit boek tot uitdrukking komt: “Och, was U mij als een broer … Als ik U op straat vond, zou ik U kussen!” En hoewel de Geest van God aan het hart van het overblijfsel de verzekering wil geven van de liefde van de Verlosser, zien we toch dat de begeerte van het hart om de Geliefde te bezitten, niet gestild is totdat het Hem bezit. Het hart geeft zichzelf de verzekering overeenkomstig de werking van de Geest van de profetie. Want in feite is Christus voor het overblijfsel en het overblijfsel is voor Hem. Dit is de grondslag van alles. Maar het hart heeft nodig dat het telkens weer daarvan wordt verzekerd, zoals we dat in andere gedeelten telkens weer terugvinden.
Nadat we zo de algemene gedachte van het boek gezien hebben, zullen we nu op enkele hoofdgedachten wijzen, die in de verschillende hoofdstukken van het boek worden gezien en die een zedelijke betekenis hebben die van het hoogste belang voor ons is.

Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1 geeft, op de meest duidelijke en eenvoudige wijze, de verzekering van het volle genot van de zegen. Maar hoewel de genegenheid er is, wordt alles meer gekenmerkt door verlangen dan door vrede. Daarna vinden we de oefeningen van het hart, die leiden tot het volle begrijpen van de genegenheid van de Beminde. Er is vooruitgang in dit inzicht, ondanks de fouten en traagheid van het hart. Dit laatste geeft zelfs een nieuwe waarde aan de genegenheid die werkzaam is. Deze wijze van onderricht vinden we ook in de Psalmen, waar de eerste verzen steeds het uitgangspunt laten zien en het resultaat waar men terechtkomt, door de omstandigheden die dan later worden beschreven. Buiten de vrede die de liefde in een gekende verhouding kenmerkt, is er nog een ander teken van genegenheid, die beoefend wordt als de betrekking niet formeel gevestigd is. Het hart houdt zich dan bezig met de hoedanigheden (kenmerken) van de Beminde. Maar als men het begeerde bezit, houdt men zich bezig met het voorwerp zelf. Zonder twijfel vormen de eigenschappen ervan een bron van vreugde. Maar terwijl de positie het genot en de vreugde daarvan geeft, denkt men toch aan de persoon waarmee ze verbonden zijn. De genade, de goedheid en elke andere hoedanigheid mogen het hart aantrekken en bezighouden, maar als de verbinding bestaat, is het de persoon aan wie dit alles toebehoort, waaraan men denkt.

De geliefde spreekt hier veel van de deugden van haar Geliefde; zij houdt ervan daarover voor zichzelf en tot anderen te spreken. Maar, zult u zeggen, de Bruidegom doet dat nog meer hoewel Hij de betrekking kent waarin Hij tot haar staat. Dat is waar, maar juist omdat zij nog niet met Hem verbonden is, is Hij blij haar te verzekeren hoeveel waarde zij heeft in Zijn ogen. Daarom spreekt Hij daarover steeds tot haarzelf. Dit behoort tenslotte ook bij de positie van man en vrouw en des te meer waar het hier om Christus Zelf gaat. In zekere zin heeft Christus genoeg aan Zichzelf. Hij heeft geen behoefte om anderen te zeggen wat er in Zijn hart is. Zijn liefde is een liefde van genade. Maar het is oneindig kostbaar voor ons, omdat we in onze eigen onwaardigheid zouden kunnen twijfelen aan de mogelijkheid van Zijn liefde, juist omdat ze zo onschatbaar is. Hoe aangrijpend en kostbaar, als we zien hoe Hij er telkens opnieuw uitdrukking aan geeft hoeveel waarde Zijn beminde heeft voor Zijn hart. Haar schoonheid is volmaakt in Zijn ogen. Al haar deugden zijn Hem bekend. Een blik van haar ogen heeft Hem het hart genomen. Zijn duif, Zijn volmaakte is de enige voor Hem en in haar is geen gebrek. Er is volmaakte genade in dit verzekerende getuigenis van de Bruidegom. Het is het belangrijkste onderwerp van Zijn woorden. Maar het is ook juist wat haar hart nodig heeft.

Er zijn veel meer schakeringen in de oefeningen van haar hart. Er zijn zelfs gebreken en moeiten die het gevolg zijn van haar fouten. En toch is er in haar zekerheid, een zichtbare vooruitgang. Het Hooglied begint met de verklaring van de bruid, dat haar hart Zijn getuigenis nodig heeft. Ze erkent dat ze zwart is door de zengende stralen van de zon van de beproeving. Ze zoekt een schuilplaats in de tegenwoordigheid van haar Beminde, die Zijn kudde op de middag rust geeft. Hem alleen wil ze toebehoren. Ze vreest te dolen onder de herders van Israël. Maar als de Geest van de Heer haar herinnert aan de vroegere getuigenissen van de wet en de Profeten, is haar hart niet stil, en het hart van de Geliefde houdt niet op haar te verzekeren hoeveel waarde ze in Zijn ogen heeft. De toepassing van dit alles op het overblijfsel in de laatste dagen is overduidelijk. De rest van dit hoofdstuk bevat getuigenissen van genegenheid, die de gedachten weergeven die de leer van dit boek vormen.

Hoofdstuk 2

De eerste zes verzen (behalve vers 2) zijn, naar het mij lijkt, de stem van de bruid. Men heeft het wel eens anders uitgelegd, maar (naar ik denk) verkeerd. We moeten hier zien, dat Christus de appelboom is. Dat zal ons ook later van dienst zijn. Bovendien spreekt de bruid over zichzelf. In theorie verstaat ze haar positie maar hoewel ze hoofdzakelijk over zichzelf spreekt, is er toch ware genegenheid.

De Bruidegom wil niet dat zij wordt gestoord,1 als zij met vol vertrouwen in zijn liefde rust. Zijn eigen stem, de enige waarnaar ze nu luistert, zal haar wekken. Hijzelf zegt haar, dat ze moet opstaan, dat de winter, de tijd van treuren en droefheid, is voorbijgegaan. Hij verlangt ook haar stem te horen. En zo is het hart van de bruid verzekerd, dat haar Beminde haar toebehoort.

Hoe treffend geeft dit alles het ontwaken weer van goddelijke genegenheid en vertrouwen in het overblijfsel, dat zo lange tijd heeft geleerd wat het is als Jahweh Zijn aangezicht voor hen verbergt. En hoe volkomen de onuitblusbare liefde van Hem, Die weende over Jeruzalem, op de gezegendste wijze werkzaam is om dit vertrouwen op te wekken en het hart van Zijn verootmoedigd volk rust te geven! Dit tafereel lijkt mij bijzonder mooi. Het is geen onderricht wat betreft de omstandigheden, en ook zijn het geen dingen die in verbinding staan met hun verantwoordelijkheid. Het is alleen genade – de eigen verhouding van Christus (Jahweh) met Israël.

Hoofdstuk 3

Hier zien we de Bruid in een andere houding, een andere toestand van hart. Ze is alleen en in duisternis. Ze zoekt haar geliefde maar vindt Hem niet. Er is hier liefde, maar geen vreugde. Ze vraagt de wachters in Jeruzalem, die door de stad gaan. En zodra ze van hen is weggegaan, vindt ze Hem. En weer wenst Hij, dat ze in Zijn liefde rust. Maar dit alles is alleen profetisch en als een getuigenis gegeven. Als troost voor hen die Hem nog niet hebben gevonden, doordat Hij laat zien wat Hij voor hen wil zijn. Vervolgens laat de Geest der profetie zien, hoe de Bruidegom met Zijn bruid uit de woestijn komt, waar Hij (zoals Mozes met Israël) in de geest met haar is geweest. Dit hoofdstuk bevestigt de juistheid van de toepassing op Israël. In haar eenzame toestand zoekt ze de Messias. En nadat ze zich heeft laten inlichten door hen die wachters zijn, vindt ze al snel Hem die haar ziel liefheeft en brengt Hem in het midden van Israël. Want voor Israël was de Zoon geboren (evenals voor Naomi. Zie ook Openbaring 12), hoewel in een nieuwe verhouding. Daar handhaaft Hij haar rust en daar (de andere kant van het beeld) komt de ware Salomo op uit de woestijn, nu gekroond op de dag van Zijn bruiloft en in de dag van de vreugde van Zijn hart, door dat Israël dat Hem vroeger had verworpen.

Hoofdstuk 4

Hier getuigt Hij van alles wat ze in Zijn ogen is, hoewel ze in de woningen van de leeuwen is geweest. Daarvandaan roept Hij haar; geheel schoon en zonder gebrek in Zijn ogen. Zijn hart vindt in haar al Zijn lust. Wat een fijne zedelijke volmaaktheid van gedachten en gevoelens, dat de bruid nooit spreekt van de volmaaktheden van de Bruidegom tegen Hemzelf, alsof ze Hem haar goedkeuring wilde geven. Ze spreekt veel over Hem tegen anderen, om aan haar eigen gevoelens uitdrukking te geven. Maar niet tegen Hem. Hij daarentegen spreekt helemaal vrij en ongebonden over haar tegen haarzelf om haar te verzekeren dat Hij in haar al Zijn lust vindt. Als wij denken aan Christus en onze verhouding met Hem, is dit op lieflijke wijze toepasselijk.

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 5 toont ons een andere ervaring. Er was vertrouwelijkheid gegroeid door het getuigenis van liefde van de Bruidegom. Maar nu toont het geruste hart, dat zeker is van Zijn liefde, haar traagheid. Helaas, wat zijn onze harten! Zodra we getroost zijn door het getuigenis van de liefde van de Heer, keren we weer naar onszelf terug. Het gevoelige en rechtvaardige hart van de Bruidegom handelt naar het woord van de bruid. Hij trekt zich terug van iemand die niet naar Zijn stem luistert. Ze staat op om haar eigen dwaasheid in te zien en de rechtvaardige fijngevoeligheid van Hem die zij aan de deur heeft laten staan, hoewel Hij tot haar sprak. Hoe vaak helaas doen wij hetzelfde met betrekking tot de stem van Zijn Geest en de openbaring van Zijn liefde! Wat een ontzettende schade berokkenen we dan onszelf, maar door genade: wat is het een les voor ons! De bruid wordt gekastijd door hen die waken voor de vrede van Jeruzalem. Wat heeft ze ook in de nacht op de straten te doen? De Bruidegom had haar in haar huis gezocht! En nu stelt juist haar liefde haar aan de berisping bloot, omdat de kracht ervan haar in een positie brengt, die toont hoe ze de Bruidegom had verwaarloosd. Als we ons niet bevinden in het vredige genot van de liefde van Christus op de plaats waar Hij ons in genade ontmoet, dan zal juist de kracht van onze liefde en onze zelfveroordeling ons ertoe brengen, om deze liefde uit te stallen waar het (in zekere zin) niet behoort, en ons tevens in verbinding brengen met hen die onze positie oordelen. Het was een rechtvaardige tucht, die de wachter uitoefende over een vrouw die buiten haar huis rondliep, wat ook de oorzaak daarvan mocht zijn geweest. Met betuigingen van liefde voor de Bruidegom thuis, en de liefde van haar hart heeft de wachter niets te maken. Er mag liefde zijn; maar hij mag zich alleen bezighouden met de orde en een passende wandel. Toch was haar genegenheid oprecht en bracht haar tot het vurig getuigenis van alles wat haar Geliefde voor haar was. Het was een getuigenis dat voor anderen bestemd was, die het moesten begrijpen. Dus niet aan de wachters maar aan haar eigen metgezellen. Maar als de traagheid haar heeft belet om Hem in Zijn opzoekende liefde te ontvangen, nu keert haar hart, terechtgewezen door de wachter, terug tot haar Geliefde, en zingt zijn hoogste lof, omdat ze, onderwezen door God, weet waar ze Hem vinden kan.

Hoofdstuk 6

En deze ervaring doet haar, door genade, een andere kant van haar verhouding begrijpen, en brengt haar tot een werkelijke vooruitgang in het verstaan van de genade en van de toestand van haar hart. Het is niet langer de begeerte, die het voorwerp van genegenheid voor zichzelf wil bezitten; maar het is het bewustzijn dat ze Hem toebehoort. “Ik ben Zijn.” En dat is een zeer belangrijke vooruitgang. De ziel die verlossing zoekt, en haar nieuw opgewekte verlangens wil bevredigen, roept uit, vanaf het ogenblik dat ze ervan verzekerd is: “Mijn Geliefde is mijn.” Maar als ze een diepere ervaring van zichzelf heeft opgedaan, erkent ze dat ze Hem toebehoort. Dus met betrekking tot onszelf is het niet: “We hebben Hem gevonden van Wie de profeten geschreven hebben”, maar: “Wij zijn niet van onszelf, want we zijn voor een prijs gekocht.” Op deze wijze Christus toe te behoren, niet langer denkend aan onszelf: dat is de blijdschap van de ziel. We hebben dan niet het bewustzijn verloren dat we de Verlosser bezitten, maar de andere gedachte, Hem toe te behoren, heeft de eerste plaats ingenomen.

En dan getuigt de Bruidegom weer van de kostbaarheid van de bruid in Zijn ogen. Maar ook hier is er een onderscheid te zien. Want als Hij eerder van haar sprak, voegde Hij bij haar zachtheid en schoonheid ook de honing die van haar lippen vloeide, de heerlijke vruchten die in haar werden gevonden en de lieflijke geur die Hij door de adem van Zijn Geest voortbracht. Hier herhaalt Hij deze dingen niet, maar Hij spreekt van wat ze is voor Hem. En nadat Hij haar persoonlijke schoonheid heeft beschreven, blijft Zijn hart staan bij datgene wat ze voor Hemzelf is: Een enige is mijn duif, mijn volmaakte. Zijn liefde kan geen ander zien. Niemand kan met haar vergeleken worden. Er zijn veel anderen, maar ze zijn niet de ene die Hij liefheeft. De persoon van de Heer vervult het hart van degene, die tot Hem is gebracht. De blik en de deugden van de bruid zijn het onderwerp van het getuigenis van de Bruidegom. Bovendien is er maar één voor Hem. De enige van haar moeder. Zo zal het zijn met het overblijfsel in de laatste dagen, en zo is het in geestelijke zin nu met ons.

De aanneming van Christus en Zijn vereniging met het overblijfsel te Jeruzalem, worden op een treffende wijze voorgesteld in wat nu volgt. Het is niet langer de Geliefde, Die in heerlijkheid en in liefde uit de woestijn komt waar Hij Zichzelf met Zijn volk verbonden had. Het is de bruid, schoon als de maan en stralend van heerlijkheid, die op het toneel verschijnt, als een leger met ontplooide banieren. De Bruidegom is afgedaald om de rijpende vruchten van de vallei te zien; om te zien of de wijnstok uitbotte. En voor Hij het wist, maakte Zijn liefde Hem als de wagens van Zijn vrijwillig volk. (Vergelijk Psalm 110:3.) Hij leidt hen in heerlijkheid en overwinning. Hij zocht bij hen de vruchten van de genade, maar toen Hij daarvoor neergekomen was, verhoogde Hij hen in heerlijkheid. Dan alleen, wanneer Zijn volk ten volle in genade gevestigd is, zal alles in hen schoonheid en volmaaktheid zijn. Dan zullen zij erkennen, dat ze geheel Christus toebehoren en dat ze tegelijkertijd Zijn hele genegenheid zullen bezitten.

Hoofdstuk 7

Deze laatste gedachte is de rust van hun hart. Als ik me zo koud mag uitdrukken: dit is de derde trap van ervaring in dit goddelijke lied. Het geeft de volle blijdschap van de bruid weer als zij zegt: “Ik ben van mijn Liefste en Zijn begeerte gaat naar mij uit.” Het is het bewustzijn Christus toe te behoren en dat Zijn liefde op ons is gericht; het bewustzijn dat wij de voorwerpen zijn van Zijn eigen liefde en welbehagen. Dit is de diepste en meest volmaakte vreugde.
De lezer zal goed doen, als hij deze drie uitdrukkingen van de voldoening van het hart, overdenkt. Ten eerste, dat men Christus bezit; ten tweede, dat men Hem toebehoort; en ten derde, het onuitsprekelijke bewustzijn dat Zijn hart Zijn welbehagen in ons vindt, hoezeer alles ook genade is. En dat zal zeker dan gevoeld worden.

Maar om tot de tekst terug te keren: het gelovig overblijfsel kan nu met Hem alle zegeningen van de aarde gaan genieten, in de zekerheid en de gemeenschap van Zijn liefde. Hoe groot zullen de vruchten van dankbaarheid en bijzondere gevoelens zijn, die het volk van Israël heeft bewaard voor de Heer alleen; gevoelens, die ze nooit voor een ander hebben kunnen hebben, en die niemand anders dan zij alleen kunnen hebben voor de Heer, gezien in Zijn komst op aarde.

Hoofdstuk 8

Dit hoofdstuk staat op zichzelf, en het lijkt me dat het een samenvatting geeft van de beginselen van het hele boek. Het brengt ons terug, tot het fundament van datgene waaruit al deze oefeningen van het hart ontstonden. De volle bevrediging van alle begeerten van het overblijfsel wordt ons hier profetisch voorgesteld, terwijl tevens de weg wordt aangegeven waarin hun genegenheid tot ontwikkeling komt. Maar dit beeld wordt hier gegeven ter bemoediging van hen, die er het genot nog niet van hebben, en drukt het verlangen uit naar de vervulling. Zodat we hier dus tevens de goddelijke goedkeuring vinden voor het vurig verlangen van het overblijfsel om Christus te bezitten en de volle vrijheid van Zijn gemeenschap te genieten. Het antwoord toont ons met kostbare duidelijkheid, hoe dit alles zal worden vervuld. De vurige genegenheid van de bruid wordt gezien en het verlangen van de Bruidegom, dat zij mag rusten in Zijn liefde en zich daarin mag verheugen zolang ze wil zonder te worden gestoord. Daarna komt ze op uit de woestijn, leunend op Hem. En waar heeft de Heer haar uit de slaap opgewekt? Onder de appelboom (zie 2:3). Aan Christus alleen heeft ze haar leven te danken. Alleen zo kan Israël dit levende overblijfsel voortbrengen, dat, in Jeruzalem, de aardse bruid zal worden van de grote Koning, en dat wil en zal zijn als een zegel op Zijn hart, overeenkomstig de macht van een liefde die sterk is als de dood, die niets spaart en niets afstaat.

Het lijkt me dat “de kleine zuster” een voorstelling is van Efraïm, dat nooit dezelfde ontwikkeling heeft doorgemaakt als Juda, door de openbaring van Christus en door alles wat heeft plaatsgevonden na de wegvoering van de tien stammen. Want de hele zedelijke genegenheid van Juda is gegrond op zijn betrekking met Christus; namelijk op Zijn verwerping en op de gevoelens die deze verwerping met zich brengt als de Heilige Geest hem dit doet voelen (zie Jesaja 50-53). Efraïm heeft dit alles niet doorgemaakt, maar zal ingaan in de volle vreugde van haar gevolgen. Als Juda tot volmaaktheid is gebracht, zal het de volle gunst van de Messias genieten, omdat hun genegenheid voor Hem gevormd is, door de oefeningen van het hart die ze met betrekking tot Hem hebben gehad.

Christus, in Zijn karakter van Salomo, de grote Koning, de Zoon van David en naar de orde van Melchizedek, heeft als Heer van de volken een wijngaard. Hij heeft deze aan anderen toevertrouwd, opdat ze Hem bij Zijn terugkeer daarvoor een passende vergoeding zouden geven. De wijngaard van de bruid was tot haar eigen beschikking, maar alles wat deze opbrengt zal voor Salomo zijn; terwijl er tevens een deel zal zijn voor hen die de vruchten ervan hebben bewaard – een treffende uitdrukking van haar verhouding tot de koning. Zij wil dat alles voor Hem is. Maar er zullen ook anderen zijn die ervan zullen genieten.

De laatste twee verzen drukken het verlangen van de bruid uit dat de Bruidegom zonder uitstel mag komen.

Het is belangrijk eraan te denken, dat het in dit boek niet gaat over de reiniging van het geweten. Dat is een zaak die hier niet ter sprake wordt gebracht. Maar het gaat hier om de genegenheid van het hart, die niet vurig genoeg kan zijn als de Heer er het Voorwerp van is. En daardoor dienen de fouten (die duidelijk laten zien dat men Hem en Zijn genade vergeten had) alleen om die oefeningen van het hart voort te brengen in verbinding met Hem, oefeningen die alle aantrekkelijkheden van Zijn persoon opnieuw voor de aandacht stellen en het hart weer het bewustzijn geven dat het geheel Hem toebehoort. Deze oefeningen brengen het hart tot een veel diepere waardering van Hem, omdat het hier niet gaat om een fout die door een rechter wordt beoordeeld, maar om een fout van het hart tegenover een vriend begaan. En omdat deze fout een liefde ontmoet die te sterk is om zich af te keren van haar voorwerp, zo verdiept het alleen de liefde van de bruid voor de Bruidegom en verheft zijn liefde oneindig in haar ogen. Op deze wijze wordt door deze innerlijke oefeningen haar hart gevormd tot de waardering van Zijn liefde en tot de bekwaamheid om alles wat Hij in Zichzelf is lief te hebben en te waarderen. Het is van het allergrootste belang ons hart te vormen in dit deel van het christelijke leven. Alleen zo wordt Christus werkelijk gekend. Want met betrekking tot goddelijke personen is het zo, dat wie niet liefheeft ook niet kent. Het is waar, dat het hart niet volmaakt is. Het kan niet liefhebben zoals het behoort. En daarom zijn al zulke oefeningen noodzakelijk. Ik zeg niet dat fouten noodzakelijk zijn. Maar zoals ik al heb aangetoond, is het de liefde die ons de gemaakte fouten doet voelen, en is het de kracht van die liefde die ons blootstelt aan de slagen van de wachter, wiens taak het is om de zedelijke orde te handhaven en niet om de liefde te meten. Hij verwijdert het kwaad – een droevige en pijnlijke tucht die aantoont, dat, hoewel men veel liefhad, er toch geen liefde genoeg was. Of op z’n minst, dat deze liefde gevestigd was in een zwak vat, dat als men ernaar luistert, een verrader voor zichzelf wordt.

Ik heb al gezegd dat dit boek in zijn uitlegging niet op de Gemeente toegepast kan worden. Toch heb ik gesproken over onszelf en onze harten, en dit met reden. Want hoewel dit boek Israël tot onderwerp heeft, spreekt het toch over het hart en over de gevoelens. En daarom kan het zedelijk op ons worden toegepast. Maar als men dat doet, moet men rekening houden met de hierboven genoemde beperking. Wij hebben de volle kennis van een volbrachte verlossing. Wij weten, dat we in Christus in de hemelse gewesten zijn geplaatst. Ons geweten is voor altijd gereinigd. God zal onze zonden en ongerechtigheden niet meer gedenken. Maar het gevolg van dit volbrachte werk is, dat we Hem geheel toebehoren, naar de liefde die gezien werd in het offer dat alles volbracht. Zedelijk is Christus dus alles voor onze ziel. Als Hij ons liefhad, als Hij Zichzelf voor ons gaf, toen er niets goeds in ons was, dan is het duidelijk dat wij het leven, geluk, en de kennis van God, daarin hebben dat we geheel met onszelf hebben afgedaan. In Hem alleen vinden we de bron, de kracht en de volmaaktheid hiervan. Nu, wat de rechtvaardiging betreft maakt deze waarheid onze positie volmaakt. In ons is niets goeds. Wij zijn aangenaam gemaakt in de Geliefde; volmaakt aangenomen in Zijn aanneming, terwijl onze zonden door Zijn dood volkomen zijn weggedaan. Maar dan wordt, wat het leven betreft, de Heer Jezus alles voor onze ziel. In Hem alleen vindt het hart wat haar voorwerp kan zijn. In Hem, Die ons zó heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven! In Hem Die voor het hart algehele volmaaktheid is. Wat het geweten betreft, is de hele kwestie in vrede door Zijn bloed geregeld. Wij zijn in Hem rechtvaardig voor God, hoewel we dagelijks op dit fundament geoefend worden. Maar het hart heeft behoefte om zo’n voorwerp lief te hebben, en in beginsel wenst het niets anders dan Hem, in Wie alle genade en toewijding voor ons, en alle genade overeenkomstig het hart van God, gevonden is. Hier is het dat de christen met het Hooglied in overeenstemming is.

Maar hoewel de Gemeente geliefd en behouden is, Hem toebehoort, al Zijn volmaaktheden verstaat door de Geest, en Hem heeft leren kennen in het werk van Zijn liefde, bezit ze Hem nog niet zoals ze Hem kent. Ze ziet uit naar de dag dat ze Hem zal zien zoals Hij is. Maar terwijl ze zo wacht, openbaart Hij Zich aan haar, wekt haar liefde op en zoekt haar liefde te bezitten door haar te betuigen dat al Zijn lust in haar is. En zij leert verstaan, doet de ervaring op, wat in haarzelf is: die traagheid van hart, die gelegenheden voorbij laat gaan om gemeenschap met Hem te hebben. Maar dat leert haar, om alles te oordelen wat in haar hart de uitwerking verzwakt van de volmaaktheden van haar Geliefde. Zo wordt ze zedelijk toebereid en heeft de bekwaamheid om de volle gemeenschap met Hem te genieten: als ze Hem zal zien zoals Hij is, zal ze Hem gelijk zijn. Het is niet een krachtsinspanning om iets te verwerven. Maar wij zoeken te grijpen datgene waartoe we door Christus gegrepen zijn. We hebben een voorwerp voor ons dat we nog niet ten volle bezitten, en dat toch alleen al onze verlangens kan bevredigen – een voorwerp wiens liefde wij in onze harten moeten verwerkelijken. Voor dit doel spreekt Hij ons telkens weer van Zijn volmaakte liefde voor ons, en wekt daardoor tegelijkertijd onze liefde voor Hem op, terwijl Hij ons bemoedigt, zelfs door het gevoel van onze zwakheid en de openbaring van Zijn eigen volmaaktheid. Zo worden we alles gewaar wat in onze harten een verhindering is om ons in Hem te verblijden. Hij bevrijdt ons ervan, doordat we het ontdekken in de tegenwoordigheid van Zijn liefde.

Het is hier niet mijn bedoeling, al deze werkingen van genegenheid in het hart, in details te beschrijven, want uitleggen, en niet vermanen, is mijn doel. Maar het was noodzakelijk er iets over te zeggen, opdat het boek beter wordt begrepen. En tenslotte kan men nooit genoeg de nadruk leggen op de waarde van het aankweken van deze heilige genegenheden, die ons met Christus verbinden en waardoor we Zijn liefde en Hemzelf leren kennen. Want ik herhaal, als het over God en over Zijn handelingen met ons gaat is het: wie niet liefheeft, kent niet.
Zie alleen maar met welke ernst en tederheid Hij Zijn geliefde zegt, welke waarde ze heeft in Zijn ogen, en wat een volmaaktheid Hij in haar ziet. Als de Heer Jezus in ons volmaaktheid ziet, hebben we niets anders nodig. Hij verzekert Zijn beminde daarvan door er met haar over te spreken, juist nadat ze rechtvaardig geslagen en getuchtigd is door de wachter, en haar hart gedrongen is geweest om verlichting te zoeken door aan anderen, aan haar vriendinnen, te verklaren alles wat Hij voor haar is. Hij verwijt haar niets, maar doet haar voelen dat ze volmaakt is in Zijn ogen.
En als we het praktisch bezien: wat een diepe, volmaakte liefde werd in de blik gevonden waarmee de Heer Petrus aanzag toen deze Hem verloochend had! Wat een ogenblik voor hem, toen de Heer, zonder verwijt, hoewel Hij hem onderwees, Zijn vertrouwen in hem uitsprak; door hem, die Hem zo had verloochend, de schapen en de lammeren toe te vertrouwen die zo kostbaar zijn voor Zijn hart en waarvoor Hij zojuist Zijn leven had gegeven!
Nu, deze liefde van Christus, die verhevenheid is boven het kwaad, en Goddelijkheid bewijst, brengt zichzelf weer voort als een nieuwe schepping in het hart van ieder die haar getuigenis ontvangt, en verenigt hem met de Heer Die hem zo heeft liefgehad.
Is de Heer iets anders voor ons dan dat? Nee, broeders, ook wij leren Zijn liefde kennen; wij leren in deze oefeningen van het hart Hemzelf kennen.

EINDE HOOGLIED

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 3.5

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 Lees: “noch de liefde te wekken, voordat het haar behaagt.”