13. 2 Koningen

13. 2 Koningen · uit de ‘Synopsis’ deel 2 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Hoofdstuk 1

God heeft ons dus getoond dat Hij kennis neemt van de tekortkoming van Zijn dienstknecht, dat Hij over zijn falen niet licht denkt, maar ook dat het Hem niet ontbreekt aan liefde en trouw. Hij handelt met hem als met een geliefde en trouwe dienstknecht, zelfs op het ogenblik dat Hij hem zijn tekort aan energie van het geloof doet gevoelen. Hij maakt het niet aan anderen bekend, hoewel Hij het ons tot lering heeft meegedeeld.
Ik zeg: gebrek aan energie van het geloof. Want in betrekking tot de volksmassa was het oordeel van Elia juist geweest. God heeft hem Zijn bedoelingen en gedachten bekendgemaakt, en hem zelfs de werktuigen aangeduid, die Hij wil gebruiken. En terwijl uiteindelijk Elisa zijn plaats zal innemen, laat God hem toch zijn openbare dienst weer waarnemen, door hem te bevelen, Elisa te roepen om hem bij zijn werk te vergezellen. Elia hervat dus zijn dienst in het midden van Israël.
Ahazia wandelde in de wegen van zijn vader, en beleed openlijk dat Baäl zijn god was, door Baäl-Zebub, de god van Ekron, te laten raadplegen. Tegemoet gezonden aan de boden van de koning, spreekt Elia van Godswege het oordeel uit. Geprikkeld omdat hij in zijn ongerechtigheid werd tegengewerkt, zendt Ahazia mannen van zijn leger uit om Elia te vangen.
We vinden hier weer hetzelfde oordelende karakter in de wonderen van Elia, waarover we eerder al spraken. Dit is het kenmerk, dat Jahweh aan zijn dienst had gegeven. Hij doet vuur van de hemel neerdalen om deze mannen te verteren. De laatst gezondenen erkennen de autoriteit en de macht van Elia, en hun leven blijft gespaard. Elia vergezelt hen om het oordeel van Jahweh, dat de koning wachtte, hem persoonlijk aan te zeggen.

Hoofdstuk 2

En nu komen we aan het einde van de moeiten en het verdriet van deze waardevolle en trouwe dienstknecht van God. We vinden in dit geval niet de rust van de hemelvaart van de Heer Jezus, Die, terwijl Hij Zijn discipelen zegent, opstijgt naar de plaats van Zijn eeuwig en eigen tehuis; en evenmin stemt het karakter van deze hemelvaart overeen met het heengaan van Hem, Die – volmaakt in Zichzelf en in Zijn menselijk leven, waarin niets werd gevonden dat niet in overeenstemming was met de hemel, die Hij weer binnenging – opsteeg tot de Vader, vanwaar Hij was gekomen. We vinden in de ten hemelopneming van Elia ook niet de verhoging, zoals we die zien bij Hem, Die van de Vader gezonden, in de wereld gekomen, deze verlaten heeft toen Hij tot de Vader terugkeerde, zonder één ogenblik te zijn afgeweken van het woord: “de Zoon des mensen, <Die in de hemel is>”, en Die zoveel te meer het recht en de titel had om daar te zijn, omdat Hij de Vader op aarde volkomen had verheerlijkt. Kortom: Hoewel hij, die hier opsteeg, niet de God-Mens was, Die ten hemel voer na het werk te hebben volbracht dat Hem opgedragen was, bemerken we toch in alles, wat ons hier wordt voorgesteld, minstens de tegenwoordigheid van God, op een treffende wijze. De tegenwoordigheid van een God, Die alleen de wetten van Zijn regering kan opheffen en ten behoeve van Zijn dienstknecht alle begrenzingen kan terzijde stellen, die oorspronkelijk de mens waren gesteld.

Het hoeft ons tenslotte niet te verwonderen dat zo’n gebeurtenis vergezeld is gegaan van een zekere waardigheid, waarin ze feitelijk geheel was gehuld, opdat degenen, die daarbij tegenwoordig waren, het bewustzijn zouden hebben dat er dingen gingen gebeuren, die boven de gewone loop van zaken, van menselijke vreugde of moeite, uitgingen.

Elia, weggenomen door de kracht van God, verliet dus de aarde zonder de dood te ondergaan. We zien in het feit zelf een bewonderenswaardig getuigenis van de soevereine goedheid van God en van de goedkeuring, die Hij aan Zijn trouwe dienstknecht gaf.
De bijzonderheden zijn ieders aandacht waard.
Hoewel de ten hemelopname van Elia het grote onderwerp is, dat hier aan het geloof wordt voorgesteld, zien we hier ook dat hij naar alle plaatsen gaat, die iets te zeggen hebben aangaande de relaties van God met Israël. Ondanks de koning handhaafde hij de relaties tussen God en Israël overeenkomstig de trouw van God en als een profeet op aarde 1. Hij handhaafde de positie niet door het koningschap, wat sinds David de normale toestand van het volk was. Deze aardse betrekking was onmogelijk en zou moeten eindigen in een handeling van oordeel. In de verwerping van Christus is dit zelfs met Juda gebeurd.

Toch veranderen de raadsbesluiten van God niet. Ze zullen met hemelse kracht worden vervuld.
Wat de profetie betreft is Elisa, om zo te spreken, de schakel tussen deze twee dingen. Hij keert niet terug naar Horeb om de nutteloosheid van een aardse bediening te verkondigen, en om in zekere zin de gebroken wet weer in handen te geven van Hem, van Wie ze was uitgegaan, maar Die in werkelijkheid nu in genade handelde 2. Het uitgangspunt van zijn dienst is de ten hemel gevaren mens, een merkbaar geheel nieuw uitgangspunt in Gods boodschappen aan Israël. Tot op dit ogenblik was Elisa steeds met Elia verbonden geweest. De laatste had zijn profetische mantel over hem heen geworpen (1 Koningen 19). Vanaf dat ogenblik was Elisa als het ware vereenzelvigd met hem.

En als nu Elia onder de buitengewone kracht van God, die hem van Elisa zal wegrukken, verkeert, zal dan het geloof van de laatste deze positie handhaven? Ja. De kracht van God ondersteunt hem en hij vergezelt Elia, totdat de vurige wagen van God zelf hen scheidt op zo’n wijze, dat hij ziet hoe Elia ten hemel vaart. Door genade was het hart van Elisa geheel in de dienst van de profeet en door geloof wandelde hij in dit opzicht op de hoogten van de gedachten van God.

Laten wij hun weg op aarde volgen. Het was niet langer de zwakheid van een mens, als toen hij naar Horeb ging, maar de kracht van God. En Elia doorwandelde alles, wat in het type te maken had met de betrekking van God met Israël; zelfs de dood (maar droogvoets) tot in de hemel. Gilgal 3 is zijn uitgangspunt – de toewijding van de mens aan God door de toegepaste doding van het vlees – de plaats, waar Israël gereinigd was van alle herinneringen aan Egypte, waar het volk voor God werd afgezonderd en waar de legerplaats was opgeslagen, vanwaar zij uittrokken voor hun overwinningen onder Jozua; kortom, het was de plaats waar Israël door de besnijdenis 4 definitief voor God werd afgezonderd.

Elia komt te Gilgal terug en erkent het dus naar de gedachten van God, hoewel het nu voor het volk niets anders was dan een plaats van zonde 5. Hij bereikt de hoogte van de gedachten van God in betrekking tot het volk als afgezonderd van het boze en aan God gewijd. Dit is zijn uitgangspunt. Hij denkt met God: dit is het geloof.
Elisa wil hem niet verlaten en beiden gaan naar Bethel, dat wil zeggen Elia plaatst zichzelf in het getuigenis van de onveranderlijke trouw van God voor zijn volk 6. Hij erkent deze plaats, hij neemt er zijn plaats in, en Elisa vergezelt hem.
Dit zijn de twee belangrijke uitgangspunten voor het geloof – het geloof van het volk van God. Ten eerste, de afzondering van het volk, de mens, voor God, en ten tweede, de onveranderlijke en blijvende trouw van God voor Zijn volk, wat ook de omstandigheden mogen zijn, waarin het zich bevindt.
Israël (welk een overwinning voor Satan!) had zijn valse goden, het gouden kalf, in Bethel opgericht. Elia daarentegen verbindt zich daar (en dat is geloof) ondanks alles met de gedachten van God. Deze twee dingen vormen het leven van Jezus op aarde in het midden van Israël.
Elia kan daar niet blijven. Wat zal hij vinden als hij verder gaat? Het toneel verandert, maar hij is nog steeds met God. Maar als de overtreding wordt vermeerderd te Gilgal, en als de valse goden te Bethel worden aangebeden als “Het heiligdom van de koning, dat is het huis van het koninkrijk” (Amos 7:13), zal de vloek hem tegenkomen. (Want Israël had zichzelf onder deze vloek geplaatst). Hij gaat naar Jericho. Daar had voorheen de macht van de vijand de slagboom van het hele land tegen Israël opgericht en God had Jericho verslagen en vervloekt. De mens had tot zijn eigen verderf de stad herbouwd. (1 Koningen 16:34). Hoe aangenaam de ligging ook was, de vloek van God rustte nog op haar. Elia gaat verder.

Elisa weigert hem te verlaten en vergezelt hem. Maar hij laat zich daardoor niet ophouden. Hij is steeds onder de machtige hand van God en Elisa volgt hem. De zonen van de profeten geven hun getuigenis over wat zal gebeuren, maar ze zien slechts van verre toe als de twee profeten hun schreden naar de Jordaan richten. Elisa weet het ook en maakt een eind aan het gesprek, dat niets aan zijn kennis van de gedachten van God toevoegt en, doordat het zijn eigen gedachtegang verstoort, veeleer de verbinding van zijn ziel met Elia verzwakt.
Elia komt ten slotte aan de Jordaan (het type van de dood), die hem uit het land van de aardse beloften zal brengen en die de verbindingen van God zelf met Israël op die grondslag verbreekt. Hij passeert de Jordaan weliswaar droogvoets. Wij weten dat hij ten hemel gevaren is zonder de dood te smaken, maar in het type is hij erdoor gegaan. (Het gaat hier niet over de verzoening, maar over het gaan door de dood). En nu, buiten de grenzen van Israël, het land van de wet, dat door God verlaten is, kan hij vrij de zegen die Elisa begeerde, hem aanbieden.
Zoals de Heer Jezus heeft gezegd: “Ik moet echter met een doop worden gedoopt, en hoe benauwt het Mij, totdat het is volbracht” (Lukas 12:50). In alle bijzonderheden is de dood de weg naar de vrijheid.
Verbonden door de macht van God aan de profeet en aan dezelfde dienst, die deze ging verlaten, vraagt Elisa een dubbel deel van zijn geest. En hoewel nu gescheiden, maar door het geloof met hem, die opgenomen werd, verbonden (waarvan hij getuigt als hij hem in een hemelse toestand ziet) werd zijn begeerte hem gegeven.
Hij ontvangt opnieuw de mantel van Elia, maar het is de mantel van een Elia, die ten hemel is gevaren.

Zoals we al gezegd hebben, is het uitgangspunt van de dienst van Elisa niet Sinaï, maar de hemel, buiten de grenzen van Kanaän; de andere zijde van de Jordaan, het type van de dood. Want toen de wet verbroken, en de profetie (die het volk hun betrekking met God op aarde en Zijn zegen op die aarde voorhield) onmachtig voor hun herstel was, nam de trouwe profeet, terwijl hij een land verliet dat hem verwierp, zijn plaats in buiten een blind en ondankbaar volk, en werd opgenomen tot Hem, die hem had gezonden. (Om zo te zeggen verborgen in God, hoewel deze uitdrukking in haar volheid alleen van de Zaligmaker waar is).
Tot aan de Jordaan verlangt Elia door zijn dienst dat aan de rechtvaardige eisen van de rechten van God op Zijn volk wordt voldaan. Hij stelt deze rechten hen voor, maar hij moet zich terugtrekken en God neemt hem weg uit het midden van een volk, dat Hem niet kent.
Bij Horeb handelde hij naar menselijke zwakheid, hoewel God Zichzelf daar had geopenbaard. Waarom moest hij terugkeren naar Horeb, waar de wet woonde, die het volk had geschonden? Dit kon alleen maar zijn om uitvoering te vragen van het rechtvaardig oordeel. God liet zien dat Hij op Zijn tijd gerechtigheid weet te oefenen. Maar Hij behoudt, ook voor Zich de soevereine rechten van Zijn genade, die daadwerkelijk uitgeoefend dient te worden op een soevereine wijze, buiten de grenzen van de verantwoordelijkheid van de mens om. De relaties van Christus met Israël en met de mens, maken dit zeer duidelijk. Daarom heeft God eerst getoond aan Elia, dat de genade het volkomen aantal, dat God kende, had bewaard. En vervolgens heeft Hij, in plaats van Zijn volk te verwerpen, Elia gezonden om het geduld van God in genade voor Zijn volk volledig te maken. Hij plaatst de dienst ten opzichte van Israël in een positie, waarin Hij in vrije genade kan handelen tegenover ieder die het geloof zou hebben om ervan te genieten.
Nadat Elia de Jordaan is overgetrokken, is, zoals we gezien hebben, alles veranderd. Tot op dat ogenblik werd Elisa op de proef gesteld, maar daarna handelt de genade. In beginsel is het de positie van Christus ten opzichte van de gemeente (en natuurlijk ook ten opzichte van Israël) of op z’n minst ten opzichte van de mensen in genade: soevereine genade. De dood heeft aan de werking hiervan de vrije loop gegeven, terwijl het oordeel niets meer te zeggen heeft. Ze rust niet langer op de verantwoordelijkheid van de mens, die het ondernomen had en ook verplicht was te gehoorzamen. De gerechtigheid nu bestaat hierin, dat God Zijn rechten heeft ontvangen; dat Hij Zichzelf verheerlijkt, wat recht is, door Zichzelf te blijven in Zijn hele wezen, liefde, gerechtigheid, soevereiniteit, majesteit, waarheid en iedere eigenschap, die een deel van Zijn volmaaktheid vormt. Hij handelt overeenkomstig deze soevereiniteit, en doet dit alles door de Christus, Die Hem in alle opzichten op de aarde heeft verheerlijkt, in alle delen van Zijn Wezen, dat Hij op deze wijze heeft doen kennen. Het getuigenis daarvan is, dat Hij Christus als mens heeft verhoogd aan Zijn rechterhand. Men moet hier in gedachten houden, dat de toepassing van dit alles ten opzichte van Israël zo beschouwd moet worden, alsof de verwerping van Israël al heeft plaats gehad door het feit van de opname van Elia. God heeft opgehouden deze betrekking met het volk te handhaven. In Zijn soevereine raadsbesluiten zal God Zijn liefde nooit van Israël aftrekken, maar op grond van hun verantwoordelijkheid heeft God hen geoordeeld. Hij heeft de hele dag Zijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk. Daarom zegt Elisa tegen de koning van Israël: “Ga naar de profeten van uw vader en naar de profeten van uw moeder! Als ik geen rekening hield met Josafat, de koning van Juda, dan zou ik u niet eens aankijken en u niet willen zien” (2 Koningen 3:13-14).

Elisa keert toch in genade naar Israël terug. Zijn dienst heeft dus dit onderscheiden karakter, dat het een getuigenis is van de verwerping van alles, wat tot de positie van de verantwoordelijkheid, waarin het volk geplaatst was, behoort. Maar tegelijkertijd is het een getuigenis van de genade door het geloof, naar de verkiezing en de vrije soevereine wil van God, teneinde Zijn volk in zegen te handhaven; en dat door de rechtvaardige uitvoering van het oordeel, dat hun zonde over hen had gebracht.

Dit zal veeleer de terugkeer van Christus voor Israël dan voor de gemeente zijn, hoewel in de grond van de zaak het beginsel hetzelfde is.
In de kracht van de opstanding betreedt Elisa opnieuw het toneel van het werk van Elia, die tevergeefs getracht heeft – evenals Hij gedaan heeft, Die meerder was dan Elia – Israël tot de God van hun vaderen terug te brengen. (Dat is te zeggen: de mens in het vlees terugbrengen tot een zekere trouw aan God). Jericho, (aangenaam in zichzelf, maar toch, zoals we gezien hebben een gevloekte plaats) houdt op een gevloekte plaats te zijn. De vloek is weggenomen en het water uit de bron is blijvend gezond gemaakt door middel van het zout, dat in een nieuwe schaal werd gebracht. Ik twijfel er niet aan, of dit is een type van de reinigende kracht van de genade, die de mens afzondert van het kwaad en het boze verwijdert als strijdig zijnde met de betrekking van de mens met God. Een type van de zedelijke kracht, die de vloek van de wereld zal wegnemen, en in het bijzonder van de Joden, die het middelpunt zijn van de opstand tegen God. Het zout stelt het reinigend vermogen voor met de krachtdadigheid en de duurzaamheid, die het werk van God, Die het voorwerp van de zegen gezond maakt, kenmerken, en het karakteriseert naar de trouw van God, de bron van de zegen zelf. De nieuwe schaal is een beeld van de vernieuwde positie van alle dingen door de opstanding.
Van Jericho begeeft Elisa zich naar Bethel, dat, zoals we gezien hebben, de gedenkplaats is van de onveranderlijke trouw van God 7 tegenover Israël; een trouw, die door dood en opstanding, nu al zijn vruchten kan voortbrengen.
Van Bethel gaat hij nu naar Karmel (vergelijk Jesaja 32:15-18), het vruchtbare veld van God, waar het oordeel tegen Baäl, de overste van deze wereld, werd uitgevoerd. Een plaats, die ons in type de toestand van Israël laat zien, die de vrucht zal zijn van de vervulling van de trouwe beloften van God. We zullen zien dat dit alles volkomen beantwoordt aan het karakter van de dienst van Elisa, zoals we die hebben overdacht. En wel des te interessanter, omdat deze dienst een tegenstelling is van de dienst van Elia en de weg zowel van de een als van de ander komt nauwkeurig overeen met de dienst die beiden hebben vervuld. Van Karmel keert Elisa terug naar Samaria, in verbinding met welke stad zijn gewone dienst vervuld wordt.
Ten slotte valt er nog een omstandigheid op te merken in deze geschiedenis. Elisa vloekte de kinderen, die hem bespotten. Deze handeling toont ons niet slechts de autoriteit van de profeet, die door God wordt erkend, maar het kenmerkt zijn positie. Want hoewel ondanks Israëls val soevereine genade zich met het volk bezighoudt, zal toch mét deze genade het oordeel worden geopenbaard in betrekking met hen, die de gezant van God verachten. Het is leerzaam om op te merken, dat het oordeel plaatsvindt als hij terugkeert in het land van Israël, en voor hij zijn plaats inneemt in de onveranderlijke beloften van God tegenover Zijn volk. Van die tijd af wordt de Karmel van God aan ons geloof voorgesteld.
We merken in dit hoofdstuk ook op, hoe bitter weinig de mens verwerkelijkt wat hij weet en gelooft, als hij het zich in de geest niet eigen heeft gemaakt. De zonen van de profeten wisten dat Elia zou worden weggenomen. Maar toch stellen ze voor hem te gaan zoeken.

Hoofdstuk 3-5

In het nu volgende hoofdstuk komen we tot het historische gedeelte van Elisa’s dienst. Joram gaat ten oorlog, en hoewel hij minder goddeloos is dan zijn vader, houdt de profeet toch geen rekening met hem. Josafat betekent nog iets voor hem, maar de profeet zoekt zich aan de invloed van dit hele toneel te onttrekken. Dan kondigt hij de zegen aan en bestuurt de raad van de verenigde koningen. Hij is de redder van Israël. Hij voorziet (hoofdstuk 4) in de noden van de armen van zijn volk en bevrijdt hen uit hun ellende. Aan het geloof, dat hem erkent en ontvangt, schenkt hij de begeerte van het hart. Hij geeft het leven aan hem die gestorven is en heelt zo het gebroken hart. Hij voedt de zonen van de profeten gedurende een hongersnood en vermenigvuldigt het brood, waar er te kort is. Waar de dood in hun voedsel was ingevoerd, doet hij het kwade weg, zodat zij straffeloos kunnen eten.

Als een werktuig om zegeningen uit te delen, gaat Elisa ook buiten de grenzen van Israël; en als de koning verontrust is door de komst van Naäman, geneest Elisa de melaatsheid van de heiden, die tot de kennis van Jahweh, de God van Israël, als de enige en ware God is gebracht. Als de Heer Jezus hierover spreekt, laat Hij de soevereine genade van God zien, die, door de enge grenzen van Israël te overschrijden en de rechten van dat volk niet meer te erkennen, in de weg van de verkiezing tegenover de heidenen handelt.
Zoals al vaak is opgemerkt, zijn de gebruikte middelen eenvoudig, en verootmoedigend voor het vlees en de trots van de mens. Ze hebben hun uitwerking in het volledige begrip van – en volledige onderwerping van het hart en van het geloof aan – de dood, die voor de mens het leven is geworden, hem geneest en hem reinigt van de zonde. De man daarentegen, die op de meest intieme wijze met Elisa verbonden is, maar door begeerlijkheid wordt verteerd, moet de pijnlijke gevolgen ondervinden van een verhard hart, en datgene, waarvan de heiden bevrijd werd kwam onherstelbaar over hem. Dit is de positie van Israël, dat uiterlijk dicht bij de Heer, maar zedelijk ver van Hem verwijderd was.

Hoofdstuk 6-7

De zonen van de profeten moeten hun woonplaats uitbreiden en Elisa, die erin toestemt met hen mee te gaan, bewaart hen voor de gevolgen van hun zorgeloosheid, door de wetten van de natuur om te keren. Ik weet niet of we hier, buiten het algemeen karakter van het wonder, nog iets anders moeten zoeken.

Er zou wellicht een type te vinden zijn, omdat de Jordaan erbij betrokken is. Voor zover de Jordaan als type een bedoeling heeft, is dit type blijvend. De Jordaan stelt altijd de dood voor. Het huis, dat gebouwd wordt met datgene wat uit de Jordaan genomen is, en de kracht van een stroom, die overwonnen en vernietigd wordt door het stuk hout, dat erin wordt geworpen, waardoor wat hopeloos verloren was daaruit wordt gered, veronderstelt gemakkelijk een typische bedoeling. Ik durf niet positief te zeggen dat dit de gedachte van de Geest van God is en we moeten ons door verbeelding niet laten meeslepen. Vervolgens beschermt Elisa Israël voor de aanvallen van hun machtige vijanden. Als de koning van Syrië Elisa gevangen tracht te nemen is het integendeel Elisa, die het gehele leger, dat hem komt grijpen, gevangen neemt. En hij geeft tevens zijn verblinde dienstknecht, die ogen had en niet zag, te verstaan met wat voor aanhoudende zorg de Almachtige Zijn volk omringt.
Nadat Elisa aan de vijanden de macht van de God van Israël heeft kenbaar gemaakt en hen de dwaasheid heeft laten zien om Zijn volk aan te vallen als de afgezant van Zijn verbond bij hen is, laat hij de Syriërs gaan en “de benden van de Syriërs kwamen niet meer in het land Israël terug”. (6:23).

Al deze wonderen kenmerken voldoende de dienst van Elisa. De armen getroost, de heidenen genezen, Israël bevrijd en beschermd, de uitverkorenen gezegend, Israël en zijn ontrouwe koning terzijde gesteld wat het getuigenis van de profeet betreft: al deze dingen worden ons in zijn dienst getoond. De wonderen van Elisa zijn talrijker dan die van Elia. De last, die op Elia’s hart lag, bestond niet voor Elisa. Daarom zocht hij geen verlichting in het oordeel tegen het kwaad, of door zich terug te trekken van een vruchteloos arbeidsveld. Door de ongerechtigheid van Israël verzonk het land opnieuw in nood, en Samaria werd door een hongersnood geteisterd. Het oordeel bracht verontwaardiging teweeg tegen het getuigenis van Jahweh, want hoewel Joram Baal niet diende, was zijn hart niet veranderd. Vervolgens openbaarde zich ook de wanhoop, die oordeelde dat het nutteloos was om langer op Jahweh te wachten 8. Dit is het gevolg van het belijden van de naam van Jahweh als er geen geloof in Hem is. Zo was het ook met Israël in de woestijn: “Waarom heeft Jahweh ons hier gebracht om ons te doen sterven?”
Elisa verschijnt hier weer als redder, of althans als de verkondiger van Jahweh’s verlossing. Het ongeloof van de hoofdman van de koning, die een verlossing onmogelijk achtte, werd gestraft op het ogenblik dat hij de overvloed met zijn ogen zag. Als alles voor de mens onmogelijk is, komt Jahweh tussenbeide en in een ogenblik is het hele toneel veranderd.

Hoofdstuk 8-10

De geschiedenis van de vrouw 9, aan wiens zoon Elisa het leven had teruggegeven, geeft ons een klein tafereel te zien van de wegen van God met Israël. Gedurende vele jaren, door Jahweh bepaald, wordt Israël van alles beroofd. Maar God bewaart alles voor hen en in de dag van de zegen, zal alles hen worden teruggegeven; en het zal het dubbele zijn, naar de jaren van hun vernedering. Door de zoon, die in het leven is teruggekeerd, wordt de zegen aangebracht.

Toch worden de oordelen van God voltrokken. Elisa gaat naar Damaskus, en Hazaël, die de roede van Jahweh is om Zijn volk te kastijden, wordt op de troon van Syrië geplaatst. Anderzijds wordt Elisa door de heidenen zelf erkend.

De Geest van God tekent de gevolgen aan van het verbond van Juda met Israël, maar op deze uitzondering na, is Juda voor het ogenblik uit het gezicht.

In hoofdstuk 9 begint het oordeel over het huis van Achab. Hij, die dit oordeel uitvoert, stelt hierdoor de roede, die God tegen Israël had verwekt in de persoon van Hazaël geenszins terzijde. Door middel van Jehu oordeelde God het huis van Achab. Maar Israël werd door de Syriërs verdrukt en hun land werd gedurende de gehele regering van Jehu door hen overlopen. Verder gaande dan Joram, vernietigt Jehu met het huis van Achab tevens de dienst van Baal. Maar hij keert zich niet tot Jahweh. Hij zag de dwaasheid van de afgodendienst, maar eerzuchtig en doortastend als hij was, lag zijn belangstelling elders. Als de profeet van de Heer hem het nabije bezit van de kroon laat zien, hoort hij naar hem. Mogelijk oprecht in de overtuiging dat Jahweh God is, was hij direct bereid om Hem te eren als zijn belangen overeen kwamen met zijn overtuiging. Hij ontplooide zijn gehele energie teneinde een werk te volvoeren waaraan hij zich gewijd had. De godsdienst van Achab had niets aantrekkelijks voor hem. Hij had in zijn geweten de kracht van Elia’s getuigenis gevoeld, en begreep dat het dwaasheid was tegen Jahweh, wiens zijde hij had gekozen, te strijden. Wat hij voor Jahweh deed, deed hij goed, overeenkomstig de energie die hij bezat. Toch hield zijn wraak geen rekening met de gedachten van Jahweh, omdat deze vleselijk was. (Zie Hosea 1:4). Tegelijkertijd bleven de gouden kalveren bestaan als ook het heiligdom van het koninkrijk, met het ontstaan waarvan ze waren verbonden en waarvan ze de nationale godsdienst waren. En deze aan te raken, kwam niet bij Jehu op. God erkent een ijver, die het kwaad in oprechtheid heeft geoordeeld. Want het gaat hier over Zijn uiterlijke regering en niet over Zijn oordeel van de geheimen van het hart. Jehu handelde dus trouw, door Baal met wortel en tak uit te roeien. Zo doodde hij de koning van Juda, die zich met het kwaad had verbonden, en eveneens de koninklijke familie van Juda, die de Israëlitische koninklijke familie kwam bezoeken. Alles viel voor zijn wrekend zwaard, en de woorden van Elia, de dienstknecht van God, werden vervuld. En Elisa vervult zo de dienst van Elia in zijn plaats 10, als hij op profetische wijze Hazaël en Jehu zalft, al doet hij dit niet eigenhandig.

Hoofdstuk 11-13

In hoofdstuk 11 valt het oordeel op het koninklijk huis 11 dat niet alleen Israël maar ook Juda had verdorven. Athalia, de dochter van het huis van Achab, de onrechtmatige bezitster van de troon van Juda, wordt gedood. Dit was een gevolg van de trouw van de hogepriester, wiens vrouw een afstammeling van David had bewaard.

Toch was er niet de ware ijver voor Jahweh. De priesters namen het geld, dat voor de verbetering van het huis van de Heer was gegeven, voor zichzelf, totdat de koning tussenbeide kwam om de zaken recht te zetten.
Doordat het huis van Jehu wandelde in de voetstappen van Jerobeam de zoon van Nebat, kon het Israël niet beschermen tegen Hazaël. Maar Jahweh verwekte een bevrijder. In Zijn barmhartig hart was nog plaats voor geduld tegenover Zijn volk. Elisa, die op het punt stond te sterven, stelde de koning op de weg van de bevrijding, maar zijn hart was niet bekwaam om de draagwijdte ervan te verstaan. Toch worden de Syriërs onder de regering van Joas in hun eigen land teruggeslagen; en hoewel Jerobeam II in de wegen van de zoon van Nebat wandelde, was hij toch bekwaam om zich weer meester te maken van al het land, dat onder de heerschappij van Juda was gekomen. Want God had medelijden met Israël, en had gezien dat hun ellende zeer bitter was.
Maar helaas! Als het geloof van het volk van God de bron van kracht niet is, wordt de ene vijand slechts vernietigd om plaats te maken voor een andere. En zo zien we de Assyriër op het toneel verschijnen. Als Elisa gestorven is, vervalt Israël (van de laatste schakel met God beroofd) spoedig tot anarchie en ondergang. De Assyriërs vallen het land binnen. Israël, dat met de koning van Syrië verbonden is, keert zich met zijn laatste krachten tegen Juda. Droevig tafereel van het volk van God! Het verbond tussen Syrië en Israël brengt de ontrouw van de koning van Juda aan het licht en verwart hem in de strikken van de Assyriër.

Elisa, hoewel al gestorven, geeft het leven terug aan een dode, die haastig werd begraven vanwege een inval van de Moabieten. Zijn geschiedenis is tot het einde toe doordrongen van de kracht van het leven 12.

Het schijnt mij toe, dat deze opstanding, die veroorzaakt werd door de aanraking van Elisa’s beenderen, een troostvolle lering bevat. Terwijl deze trouwe profeet schijnbaar voor Israël verloren is, is hij nog steeds het werktuig en de bewaarder van al hun verwachtingen. En Hij zal Israël, hoewel dit volk als het ware dood en vergeten 13 is, herstellen ten leven op een onverwachte en krachtige wijze.

Hoofdstuk 15-17

We zijn nu gekomen tot het tijdstip, waarop Juda betrekkingen aanknoopt met de Assyriër. Wat een wrange vrucht van hun innerlijke verdorvenheid!
Achaz vervalt tot de ergste afgoderij. Vol van wereldse wijsheid, zoekt hij in de nieuwe macht van Assyrië een steun tegen meer nabije vijanden, en inderdaad slaagt hij daarin. Maar dit wordt tevens zijn eigen ondergang. We zien hier nog weer eens de onbeduidendheid van de hogepriester in de tegenwoordigheid van de koning. Het schijnt dat het volk zijn vertrouwen in het huis van David heeft verloren, evenals dit huis dat had verloren in de trouw en in de goedheid van Jahweh.
Hosea, hoewel minder boos dan zijn voorgangers, sloot toch de droeve rij van koningen, die door het geduld van God in Israël waren verdragen. God dacht aan Zijn volk; en nu was er voor hen geen hoop meer. Het was zelfs geen bruikbaar vat meer om de verkiezing van God, waardoor Hij Zichzelf kon bekendmaken, te bevatten. Onderworpen aan de koning van Assyrië, had Hosea hulp bij Egypte gezocht. En nadat de koning van Assyrië hem in de gevangenis had geworpen, konden Samaria en geheel Israël niet lang meer bestaan. Het volk van God werd in ballingschap gevoerd en verstrooid in de steden van Assyrië en Medië. En het land, dat Jahweh toebehoorde en aan Israël in bezit was gegeven, werd bevolkt door vreemdelingen, die door de koning van Assyrië gezonden werden.

In de profetie van Hosea worden de twee beginselen van Gods handelingen gezien, waarvan er ons één is voorgesteld in de profeet Elisa (en het verband tussen het eerste vers, dat ik zal aanhalen, en de opstanding van de mens, die men ging begraven, is opmerkenswaardig), namelijk verlossing van de macht van de dood in Hosea 13:14, en de regeringshandelingen van God in Hosea 14:10. Maar wat een zware taak voor de profeet, om zijn stem aan te passen aan de dwaasheid van Israël om het geweten van dit dwalende volk te bereiken! Hij treedt op na de dood van Elisa. De aanwezigheid van Elisa te midden van Israël, en het later volgend getuigenis van Hosea, laten ons het bewonderenswaardige geduld en de lankmoedigheid van God tegenover hen zien. Hosea laat ons meer zien dan de innerlijke geschiedenis. Hij openbaart ons de oorzaken van de oordelen, hoewel God soms ingreep tot herstel en de vijanden scheen te slaan, als de koning minder boos was dan gewoonlijk. In de woorden van de profeten zien we hoe God Zijn volk in werkelijkheid zag. Ook zien we daar de belofte van hun herstel, terwijl zelfs in beginsel daar van onze tegenwoordige zegen melding wordt gemaakt.
De geschiedenis van wat gebeurde nadat buitenlandse volken in het land waren gebracht, toont ons de vreemde verwarring, die in Israël ontstond. Een van de vorige priesters van het stelsel van Jerobeam komt hen dan onderwijzen in de leer van Jahweh. En daarmee verbonden dienen ze hun eigen goden. Het gevolg daarvan is een vermenging, die afschuwelijk is in de ogen van God. Op dezelfde manier waarop, in weerwil van hun ontrouw, Jahweh Zijn rechten op het volk had behouden, zien we Hem ook Zijn rechten op het land handhaven, nadat het volk daaruit verdreven was. Deze rechten zal Hij voor altijd behouden.

Hoofdstuk 18-20

In hoofdstuk 18 zien we een ander onderwerp, namelijk de betrekkingen van Juda met de Assyriër, die vanwege zijn ontrouw zijn verdrukker is geworden, en ook zijn betrekkingen met Babel.
Om Zijn wegen in het ware licht te plaatsen, verwekt God een trouwe koning, die hierin onderscheiden was, dat hij zijn vertrouwen in Jahweh stelde zoals geen koning sinds David had gedaan, en zoals niemand na hem meer deed tot aan de wegvoering 14.

Wat er gebeurde met de koperen slang toont ons de neiging van het hart tot de afgodendienst. En hoeveel dingen, waaraan de mens op een vleselijke manier gehecht blijft, blijven te midden van zo veel zegeningen en kastijdingen verborgen! Dit leert ons ook hoe nauw (met zulke harten als de onze) de herinnering aan de zegen, met de verafgoding van de symbolen verbonden is. Het geloof maakt zich los van deze dingen. Want God had de koperen slang niet gegeven als een teken van herinnering na de genezing, maar tót genezing. De mens had haar bewaard door een natuurlijk gevoel, maar dat niet van God was. En al spoedig werd het een werktuig van Satan.
Hizkia verslaat de Filistijnen, de inwendige en blijvende vijanden van het volk van God, en brengt hen nagenoeg volledig onder het juk.
En na deze gebeurtenissen treedt de koning van Assyrië op.
Salmanezer had Israël in gevangenschap gevoerd, en zijn opvolger tracht met Juda hetzelfde te doen. Overeenkomstig de uitdrukking van de profeet Jesaja, raakten de wateren van deze rivier zelfs tot aan de hals. (Jesaja 8:8). De macht van de verbonden koningen van Israël en Syrië schijnt aanstekelijk gewerkt te hebben op het volk van Juda, dat van zijn kant de zwakheid van het huis van David miskende, want God was klein in hun gedachten. In dit bondgenootschap, waarschijnlijk begunstigd door het volk van Juda en Jeruzalem, was het hun bedoeling om het huis van David terzijde te stellen ten gunste van de zoon van Tabeël. Enerzijds bestond er wellicht een weloverwogen plan en anderzijds een naderend gevaar. Maar dit alles was niet de gedachte van God. In Zijn barmhartigheid wilde Hij de lamp van het huis van David nog niet uitblussen. Hij zendt de belofte van Immanuël en spoort het overblijfsel aan om zijn vertrouwen op Jahweh zelf te stellen.

We zullen deze dingen meer in bijzonderheden overdenken als we de profetie van Jesaja behandelen. Ik haal het nu alleen maar aan om de geschiedenis toe te lichten en de toestand van het volk te tonen. Achaz, die niet op Jahweh vertrouwde, is het werktuig geweest waardoor Zijn voornemens werden vervuld. Maar de Assyriër in wiens macht hij vertrouwde, werd door zijn toedoen de tuchtroede voor Juda.
Maar om Jeruzalem en Juda nog te zegenen en te bewaren, verwekte God in Hizkia een godvrezende en trouwe koning, die op Jahweh vertrouwde. Hizkia heeft geen kracht om Sanherib af te slaan, zodat hierdoor het volk wordt getuchtigd. Hizkia onderwerpt zich aan Sanherib en geeft hem alles wat hij eist. Maar of de geldmiddelen onvoldoende waren, of dat de koning van Assyrië, nadat hij het geschenk had aangenomen dat Hizkia hem zond, zijn afspraken verbroken heeft (vergelijk Jesaja 33), Sanherib profiteert in elk geval van de zichtbare zwakheid van de koning, eist volledige onderwerping van de koning en van het koninkrijk, en nodigt de inwoners van Jeruzalem uit om de stad te verlaten en zich onder zijn bevelen te stellen.
We zien evenwel, dat, terwijl Sanherib Jahweh lastert, hij toch het bewustzijn heeft dat hij zich in de tegenwoordigheid van een beginsel en van een macht bevindt, die hij niet kan verstaan. Het volk, dat trouw is aan het gebod van de koning, antwoordt hem niet. Hierna wordt hij weggetrokken van Jeruzalem, doordat de koning van Ethiopië een inval doet in zijn land. Maar hij herhaalt in een brief zijn lasteringen en bedreigingen. Hizkia legt al deze dingen voor Jahweh neer en zoekt Zijn antwoord door de profeet Jesaja. Diezelfde nacht slaat God het leger van de Assyriërs. Sanherib keert naar zijn land terug en sterft door de hand van zijn eigen zonen.
Hizkia is hierin een type van de ware Immanuël, voor wie de Assyriër, de verwoester van Israël, zal vallen. Het is een zeer belangrijke geschiedenis en ze wijst heen naar de gebeurtenissen in de laatste dagen. Maar we zullen deze geschiedenis met meer vrucht bestuderen, als we het boek Jesaja onderzoeken waar deze dingen vaak op deze wijze worden toegepast.

Het is hier slechts nodig om de algemene gedachte in het voorbijgaan aan te stippen. We vinden hier, in een type, het beginsel waarmee de verlossing van Israël en van alle mensen verbonden is. Dit beginsel wordt in Elisa gezien en in de Heer Jezus vervuld. Hizkia is als uit de dood herrezen. Hij was, tot stervens toe ziek geweest, maar Jahweh hoorde zijn gebed en tengevolge van zijn verootmoediging, trekt Deze het vonnis in dat hem door middel van Jesaja was bekend gemaakt.
Maar de mens kan bijna geen verhoging verdragen. Gezegend door Jahweh, verheerlijkt hij zichzelf ten opzichte van wat hij heeft ontvangen. Na al zijn rijkdommen te hebben getoond aan de gezanten van de koning van Babel, die hem kwamen gelukwensen met zijn genezing, wordt Hizkia aangezegd dat alles wat hij vergaderd had, naar Babel zou worden weggevoerd. De koning van Babel voelde mogelijk enige voldoening in een verbinding van zichzelf met iemand, die niet bezweken was voor de macht van de koning van Assyrië. Maar de wijsheid van deze wereld, die de goede betrekkingen met het volk van God zich ten nutte maakt, is voor dit volk altijd een strik. Hizkia zou, in het tonen van zijn schatten, de Bron en Gever van dit alles hebben kunnen bekendmaken, maar hij handelde als een mens. Toch onderwerpt hij zich ootmoedig aan het woord van Jahweh, dat bij deze gelegenheid tot hem wordt gesproken.

Hoofdstuk 21-25

Maar we zien toch dat het volk in deze tijd geheel en al bedorven was, en de van God gegeven opwekking verdween geheel met de man, waardoor deze was gekomen. De zoon van Hizkia was een toonbeeld van ongerechtigheid. God was op het punt de macht aan de heidenen te geven, en terwijl Hij toonde dat een gewisse zegen het geloof en het vertrouwen in Hem vergezelt, stond Hij toch toe dat het huis van David steeds meer verviel. Als Hizkia op 54-jarige leeftijd sterft, is zijn zoon pas 12 jaar oud. Doordat Manasse zichzelf bedriegt, misleidt hij ook het volk, dat maar al te gewillig was nog grotere ongerechtigheden te bedrijven dan de volken, die God niet kenden.
De particuliere gebeurtenissen uit het leven van Manasse worden hier niet genoemd. In het voorgaande heeft de Heilige Geest ons de bijzonderheden gegeven van de openbare regering van God in Israël, totdat het woord “Lo-Ruchama” zou worden uitgesproken. En vervolgens zien we de handelingen van God met Juda, dat misleid werd door het gedrag van zijn koningen, totdat Hij over hen het “Lo-Ammi” uitsprak. Dit hebben de profeten al aangekondigd ten tijde van de enorme zonden van Manasse, en de vroomheid van Josia kon aan dit rechtvaardig oordeel van God niets veranderen. Voor Juda is de rust nog wat verlengd, maar hun berouw onder Josia was slechts uitwendig 15, en het kwaad kreeg na zijn dood weldra weer de overhand. Amon heeft niets anders gedaan dan het slechte pad van zijn vader verder te volgen.
Het is nog waard om op te merken, door wat een genade Hizkia en Josia zijn verwekt. Ze zijn beide geboren uit vaders, die zich overgegeven hadden aan de afgodendienst, en zijn opgevolgd door zonen, die zich er weer aan overgaven. De soevereine genade van God verlevendigde Zijn getuigenis en liet zien dat Hij altijd tot zegenen bereid is. En zelfs dan, als Israël weigert gezegend te worden en in de plaats daarvan zijn eigen ondergang kiest. Wat is toch het hart van de mens zonder God! In dit alles was het geduld van God ten volle tentoongespreid. Want zelfs onder de regering van Hizkia bleven steeds veel dingen bestaan, die voor het oog van de koning en het oordeel verborgen bleven door gebrek aan waakzaamheid in de vrees van Jahweh.

Wat Josia kenmerkte, was zijn zorg voor het houden van de wet van Mozes: het boek, dat in de tempel was ontdekt. Vertrouwen in Jahweh had Hizkia gekenmerkt; en in dit opzicht zijn ze beiden onvergelijkelijk wat hun wandel betreft.
Het koninkrijk van Assyrië neigde naar de ondergang, en Josia oefende zijn koninklijke macht uit door de hele uitgestrektheid van het land. De bedreiging, die eenmaal aan Jerobeam werd gedaan, is vervuld. Al de hoogten van Israël werden vernietigd. Mogelijk heeft het hart van Josia zich verheven. Hoe het ook zij; God voltooit Zijn belofte en neemt hem weg voor de dag van het kwaad. Want de uitvoering van het oordeel naderde snel. En hoe oprecht de vroomheid van Josia ook was, toch waren alle harten bedorven. Vergelijk bijvoorbeeld 2 Kronieken 30:17 enzovoort. En dit gebeurde al lang voor zijn regering.
De koningen van Israël waren de noodlottige voorbeelden geweest van een wandel, die Juda en geheel Israël naar de ondergang voerde, (zie hoofdstuk 16:3). Het verbond van de vrome Josafat met Achab was de oorsprong geweest van al deze dingen, want het kwaad brengt vruchten voort die zich lange tijd daarna telkens weer laten gevoelen. Helaas! Wat is de mens als hij zich afwendt van de wegen van God, van het smalle en rechte pad van Gods Woord en wil, van de weg van het geloof – de ware weg van een gehoorzame geest? De geschiedenis die we nu hebben overdacht, heeft ons het verhaal gegeven van de betrekkingen van de Assyriër met het volk van God. Hij was een ceder van de Libanon, maar hij is afgehouwen. Farao heeft een ogenblik gedacht zich van het rijk meester te maken. Hij zocht zichzelf te verheffen boven de bomen van het woud. Hoewel in vroeger dagen met een hoge hand, dóór de macht van God, uit het land van Farao uitgevoerd, is Juda hem nu onderworpen. Maar dit is niet het voornemen van God, wat de aanspraken van Farao ook mogen zijn. Als God “Lo-Ammi” op Zijn volk schrijft, komt het in Babel, waarmee dan tevens de tijden der heidenen een aanvang nemen 16. Farao keert terug naar zijn land en Jojakim, krachteloos en zonder God, komt onder het bestuur van Nebukadnezar 17. Het is niet nodig om verder op de bijzonderheden in te gaan.
Zijn zoon, die even boos is als hijzelf, rebelleert tegen Nebukadnezar; want Juda, de zoon des Allerhoogsten, was weinig aan slavernij gewoon. Maar deze vaars moet ook zijn hals buigen onder het juk (Hosea 10:11), en Jojachin wordt in gevangenschap naar Babel gevoerd. Het koninkrijk en de tempel blijven nog bestaan, maar Zedekia, die de eed, die hij in de naam van Jahweh had gedaan, had verbroken 18 en zich liet overheersen door de prinsen, volhardt in zijn opstandigheid en wordt gevangen genomen. Zijn zonen worden gedood voor zijn ogen en hijzelf, nadat hij van zijn gezicht is beroofd, naar Babel weggevoerd. De tempel wordt verbrand en de muren van Jeruzalem worden neergehaald. De zetel van Jahweh’s troon wordt onder de voeten van de heidenen vertreden. Wat een droevig gevolg van het feit, dat Hij Zijn heerlijkheid had toevertrouwd aan de mensen, onder wie Hij Zijn troon gevestigd had! En een droevig, zeer droevig gedrag van de mens – van dat geslacht, dat God zo’n eer had verwaardigd! Maar anderzijds zal God er gelegenheid in vinden, om deze oneindige goedheid te openbaren die in soevereine genade juist datgene, wat de mens onder de voeten van de onbesnedenen heeft geworpen, weer zal oprichten.
Als we de profeten Jeremia en Ezechiël lezen krijgen we een overzicht van de hele geschiedenis, alsook van de innerlijke geschiedenis van de geest, die het volk en de koning bezielde. Het is de geschiedenis van de toestand die het oordeel over zich bracht, en tevens die van het geduld van God, Die, tot op het ogenblik zelf dat de stad werd ingenomen hen op de meest treffende wijze tot berouw trachtte te brengen. Maar helaas, tevergeefs! En de tijden der heidenen namen een aanvang.
De lezer, die de gebeurtenissen van deze hele geschiedenis wil begrijpen, (het ongeëvenaarde geduld van God, en de wijze waarop Hij trouwe koningen verwekte om hen te kunnen zegenen) zal de profeten Hosea, Amos, Jeremia en sommige hoofdstukken van Jesaja moeten lezen. Want deze profeten spraken tot het volk in de naam van Jahweh en stellen het zijn ware toestand voor de aandacht.

EINDE 2 KONINGEN.

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 2.7

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 Dit maakt de positie van Elia tamelijk duidelijk. We hebben gezien, dat de profetie het middel was, waardoor God Zijn betrekking met Israël op soevereine wijze handhaafde, nadat de ark genomen, en het priesterschap gevallen was. De profetie behoudt dus nog deze plaats tegenover een vervallen koningschap, dat, in plaats van de verbinding van het volk met Jahweh te handhaven, meewerkt om het van God te verwijderen. Christus alleen heeft deze dienst van profeet op een geheel bijzondere wijze, naar het woord van Mozes, vervuld, terwijl Hij tevens het volk zijn ware koning deed kennen, en dat volgens de profetie van Zacharia. Als men Elia en Elisa vergelijkt met de Heer Jezus, moet men in gedachte houden, Christus onder dit karakter te bezien. Dit geeft een zeer belangrijke plaats aan de dienst van de profetie (vergelijk Hosea 12:14).

2 Deze genade, die Elia niet behoorlijk had begrepen, was het enige middel, waardoor God Zijn relaties met het volk kon handhaven, zodat een terugkeer naar Horeb alleen maar een eind gemaakt kon hebben aan deze relaties zelf, als staande op de basis van het Sinaïtische verbond en op de persoonlijke dienst van Elia, die geen hogere positie in kon nemen. Toch heeft God gewerkt om dit alles te openbaren.

3 Bij enig nadenken zullen we zien, dat dit alles een zedelijke geschiedenis is van het leven van Christus, behalve dat Christus zelf is wat Hij ons doet zijn. Dit is overal waar, maar is in Zijn leven als mens proefondervindelijk verwerkelijkt. Hij hoefde niet besneden te worden evenals Israël te Gilgal, en toch was het de “besnijdenis van Christus” (zie de volgende noot). Zowel de hogepriester als de priesters werden gewassen. En de Heer Jezus leerde gehoorzaamheid, hoewel Hij altijd absoluut gehoorzaam was in Zijn wezen en wil.

4 Zoals we gezien hebben in het boek Jozua, had dit plaats in Kanaän na de doortocht door de Jordaan, evenals de besnijdenis van Christus (dat wil zeggen Zijn afzondering van het boze, die in Zijn persoon altijd volkomen was en in Zijn dood werd bewezen) ook een hemels karakter heeft. En wij hebben daaraan deel door het feit dat we opgewekt zijn en in Christus in hemelse gewesten zijn geplaatst.

5 Zie Amos 4:4, Hosea 9:15, en vele andere plaatsen in de profeten. Dit feit is zeer treffend. Evenzo is nu het kruis een zaak van voortdurende afgoderij. Het gedenkteken van het goede, de veroordeling van het vlees en de dood daarvan, is voor het vlees de macht van het boze geworden. O, wat is toch de mens!

6 Zie Genesis 28:13-15. Hier werd een van de kalveren van Jerobeam geplaatst en werd de plaats van een bijzondere zegen een plaats van afgoderij.

7 Dit is de reden waarom Paulus in Handelingen 13:34-35 deze woorden aanhaalt: “Ik zal u de betrouwbare weldadigheden van David geven”. Hij geeft ze hier als een bewijs van de opstanding van Jezus, Die “niet meer tot verderving terugkeert”. De dood maakt de zegen mogelijk ten opzichte van een tegenstrevend volk, en de opstanding geeft volkomen duurzaamheid aan de geschonken zegen. Deze was zeker (vergelijk Jesaja 55, waar de genade aan Israël en de volken, door een verrezen Heiland, zo glorieus wordt bekendgemaakt).

8 Het zou mogelijk kunnen zijn, dat de in vers 33 gesproken woorden van Elisa waren.

9 Het schijnt me toe dat Gehazi hier in een jammerlijke positie wordt gezien. Geslagen door de hand van God omdat zijn hart aan de aarde hing, zelfs in de tegenwoordigheid van het machtig en geduldig getuigenis van Jahweh, is hij nu een parasiet in de voorhof van de koning en vertelt daar de wonderlijke dingen waaraan hij geen deel had. Deze arme wereld verveelt zich zozeer, dat ze er enige voldoening in vindt, te horen spreken over de dingen, die waar zijn en kracht hebben. Als het hun geweten maar niet raakt, zullen ze alleen uit tijdverdrijf er zich mee bezighouden, terwijl ze zich misschien voordoen als een brede en vrije geest, die toch niet wordt geknecht door datgene wat wijsgerig wordt erkend. Maar het is een droevige toestand, die laat zien, dat men vroeger optrok met het getuigenis, waarvan men nu de wonderen aan het hof vertelt. Toch maakt God er gebruik van en men moet niet zeggen dat er in het geheel geen oprechtheid in Gehazi is. Maar als men zich in de wereld verheft, en die wereld tegelijkertijd bezighoudt met de machtige werken van God, is men wel zeer diep gevallen.

10 Ten opzichte hiervan vormen Elia en Elisa slechts één profeet, behoudens het onderscheid, dat reeds is opgemerkt. Elisa was een profeet “in zijn plaats” (1 Koningen 19:16). Dit is een uitdrukking, die in betrekking tot profeten in het algemeen niet gebruikt wordt. In feite zal het de opgestane Christus zijn, Die de oordelen van God over een afvallig Israël zal uitvoeren of zal doen uitvoeren (zie Psalm 20-21).

11 Gedurende de tijd dat Achab en zijn huis, aangezet door Izebel, de werktuigen waren van de afval en het bederf van Israël, zond God het getuigenis van Elia en Elisa. In de grond van de zaak is dit (na Salomo) het onderwerp van de twee boeken van de koningen. De val van het huis van David, teweeggebracht door hun verbond met Israël of door het voorbeeld van hun koningen, zien we aan het eind van dit boek waar dan tevens de verbindingen van de Assyriërs met het volk van God worden gezien.

12 Om dit deel van de geschiedenis goed te begrijpen, moet men de profeten Hosea, Amos en Jesaja 7-8 lezen. Zie bijvoorbeeld Hosea 5:13; 8:4; 11:5; Amos 5:25-27; Hosea 13:10-11. Maar om de handelingen van God goed te kunnen begrijpen is het nodig, deze profetieën geheel te lezen. Deze teksten heb ik alleen aangehaald om de verbinding met de geschiedenis te bevestigen. De profeten geven ons een blik op de innerlijke toestand van het volk, en zelfs nog veel meer dan de boeken, waarin we de openbare geschiedenis van dat volk vinden.

13 (Noot van de vertaling) We moeten niet vergeten dat dit boek door br. Darby werd geschreven in de vorige eeuw toen er van Israël als volk slechts weinig werd gezien en er nog minder sprake was van een terugkeer naar het land!

14 Later zullen we zien wat het kenmerk van Josia was.

15 Zie Jeremia 3:10. Deze tekst laat ons zien hoe zeldzaam het is dat het hart (en dit is het wat God oordeelt) overeenstemt met de UITERLIJKE ijver voor Hem en voor Zijn heerlijkheid, wanneer een man van het geloof naar voren treedt om, bewogen door de Geest van God, tot Zijn heerlijkheid bij te dragen. Zie zo ook onder de regering van Hizkia de toestand van het volk en het oordeel van God in Jesaja 22.

16 Als type is dit een belangrijk beginsel. Egypte is de natuurlijke toestand waaruit de gemeente gebracht is. Babel is de verdorvenheid en wereldgelijkvormigheid, waarin zij gevallen is.

17 Hoe droevig is dit deel van de geschiedenis! De enige vraag is, of de macht van Egypte of van Babel hét land van Gods volk, het land van de belofte, zal bezitten. Waar het geen vraag meer is, of Israël het in bezit zal kunnen houden, moet het een prooi worden van de een of de ander van deze vijandige en ongelovige machten. Helaas! Israël was ongelovig, hoewel het meer licht bezat dan de anderen. En deze laatsten trokken slechts voordeel van de positie en van de macht, die het ongeloof van Israël hen had gegeven en in hen erkende.

18 Dit doet de maat van zijn zonden overlopen. We zullen de aandacht van de lezer hierop vestigen als we de profetie van Ezechiël behandelen, die meer over dit onderwerp zegt. Door gebruik te maken van een eed in de naam van Jahweh, in de hoop daarmee een opstand te voorkomen, toonde Nebukadnezar meer ontzag voor de naam van Jahweh dan Zedekia, die zo’n eed verbrak. God heeft dit laatste getuigenis van ongerechtigheid toegelaten. Zedekia had een “wijnstok, breed uitgroeiend, laag van stam” (Ezechiël 17:6) kunnen blijven. Alleen Hij, die boven allen was, wist op volmaakte wijze de dingen van de keizer aan de keizer en de dingen van God aan God te geven.