48. Lukas

48. Lukas · uit de ‘Synopsis’ deel 5 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Lukasevangelie

In het Evangelie van Lukas wordt de Heer aan ons voorgesteld als de Zoon des mensen, die God in verlossende genade onder de mensen openbaart. Daarom wordt vooral gewezen op de tegenwoordige werking van de genade en de gevolgen daarvan en wordt zelfs de tegenwoordige tijd profetisch voorgesteld. We vinden hier niet, zoals in Mattheüs, dat de bedeling van de wet vervangen wordt door andere bedelingen (het koninkrijk bijvoorbeeld), maar door reddende hemelse genade.

In het eerste gedeelte, dat we als een inleiding kunnen beschouwen, en waarin we een volmaakt beeld zien van het godvrezende overblijfsel, vinden we Hem voorgesteld aan Israël, aan wie Hij was beloofd en in verbinding waarmee Hij door Zijn geboorte in deze wereld kwam. En dit is zo, juist omdat Hij als Mens en in genade tegenover de mens, moest worden geopenbaard. Maar daarna stelt dit Evangelie zedelijke beginselen voor de aandacht die van toepassing zijn op de mens, wie hij ook is, terwijl het toch tegelijk Christus, voor het ogenblik in het midden van het volk Israël, openbaart. Deze macht van God in genade wordt op verschillende manieren voorgesteld, in haar toepassing op de behoeften van mensen.

Na de verheerlijking op de berg, die in Lukas eerder 1 dan in de andere Evangeliën wordt beschreven, vinden we het oordeel over hen die de Heer verworpen hebben, en het hemelse karakter van de genade, die, omdat het genade is, zich tot de volken richt, tot zondaars, zonder speciaal rekening te houden met de joden. De wettische beginselen, op grond waarvan de joden beweerden met God in verbinding te staan, en waartoe ze oorspronkelijk ook, wat hun uiterlijke positie betreft, bij Sinaï waren geroepen, worden terzijde gesteld. De onvoorwaardelijke beloften die aan Abraham enzovoort waren gedaan, en de profetische bevestiging daarvan, zijn geheel andere dingen. Die zullen in genade vervuld worden, maar moeten tot dat ogenblik door geloof in bezit worden genomen. Daarna zien we nog wat er met de joden zou gebeuren, naar de rechtvaardige regering van God. En ten slotte, aan het eind, vinden we het verslag van de dood en de opstanding van de Heer waardoor het verlossingswerk werd volbracht.

We moeten hier opmerken, dat Lukas zedelijk het joodse systeem terzijde stelt. Daarvoor komt in de plaats de invoering van de Zoon des mensen, als de mens voor God. Hij stelt Hem voor, als Degene die vervuld is met al de volheid van God, Die lichamelijk in Hem woont (Kolosse 2:9); als de mens voor God naar Zijn eigen hart en dus als Middelaar tussen God en mensen, en middelpunt van een zedelijk systeem dat veel wijder van omvang is dan dat van de Messias in het midden van de joden. We moeten opmerken dat Lukas, die met deze nieuwe verbindingen bezig is, (hoewel ze oud zijn naar de raadsbesluiten van God), veel meer dan de andere evangelisten, de feiten uiteenzet van de verbindingen van de Heer met de joden, die Hij erkent in het godvrezend overblijfsel van dat volk, en ook van de bewijzen van de zending van de Heer tot dat volk door Zijn komst in de wereld; bewijzen die hun aandacht hadden moeten trekken en die hadden moeten vestigen op het Kind dat hun geboren was.

Ik voeg hierbij dat het bijzondere karakter van dit Evangelie en wat het speciaal belangrijk maakt, dit is, dat het ons Christus voorstelt in wat Hij in Zichzelf is. Dus niet Zijn officiële heerlijkheid, die verbonden is met de positie die Hij innam, noch de openbaring van Zijn goddelijke natuur in zichzelf, noch Zijn zending als de grote Profeet. We zien Hemzelf, zoals Hij was, een mens op aarde. De Persoon die ik elke dag zou hebben ontmoet als ik in die tijd in Judea of Galilea had geleefd.

En ten slotte nog een opmerking over de stijl van Lukas, die de lezer helpen kan bij het bestuderen van dit Evangelie. Dikwijls voegt hij een groot aantal feiten samen, in een korte algemene mededeling, en blijft dan uitvoerig stilstaan bij een op zichzelf staand feit waarin zedelijke beginselen en de genade worden ontvouwd.

Hoofdstuk 1

Velen hadden al geprobeerd een overzicht te geven van wat als historisch zeker werd beschouwd onder de christenen, zoals de metgezellen van de Heer het hadden meegedeeld. En Lukas, die de gebeurtenissen vanaf het begin had nagegaan, en er dus een nauwkeurige kennis van had gekregen, dacht er goed aan te doen om alles methodisch aan Theofilus te schrijven, opdat deze zekerheid zou hebben over de dingen waarin hij was onderwezen. Op deze wijze heeft God dus, door deze man van God, voor de onderwijzing van de gehele gemeente de leer gegeven, die vervat is in deze beschrijving van het leven van de Heer. En hoewel deze man van God door christelijke beweegredenen werd gedrongen, werd hij toch geleid en geïnspireerd door de Heilige Geest, ten nutte van al de gelovigen 2.

In vers 5 begint de evangelist met de eerste openbaringen van de Geest van God, over die gebeurtenissen, waarvan de toestand van het volk van God en van de wereld geheel afhing en waarin God Zichzelf tot in alle eeuwigheid verheerlijken zou.

We bevinden ons onmiddellijk in de sfeer van joodse omstandigheden. De joodse inzettingen van het Oude Testament, en de daarmee verbonden gedachten en verwachtingen, vormen de omlijsting waarin deze grote en ernstige gebeurtenis is geplaatst. Het is de tijd dat Herodes als koning van Judea regeert. De eerste persoon waarop onze aandacht wordt gevestigd, is een rechtvaardig en onberispelijk priester, uit een van de 24 priesterorden. Zijn vrouw was van de dochters van Aäron. Deze twee oprechte mensen wandelden onberispelijk in al de inzettingen en rechten van de Heer (Jahweh). Alles bij hen was in orde voor God en in overeenstemming met Zijn wet in de joodse betekenis. Maar ze misten de zegen waarnaar elke jood verlangde, want ze hadden geen kind. Toch was het, (zo kan men wel zeggen), naar de gewone wegen van God in de regering van Zijn volk, de zegen te geven terwijl Hij de zwakheid openbaart van het instrument; een zwakheid die, naar menselijke gedachten, alle hoop wegnam. Zo was het geweest bij de Sara’s, Rebekka’s, Hanna’s en vele anderen, waarvan het Woord ons vertelt, opdat wij de wegen van God zouden leren verstaan.

De vrome priester had dikwijls om deze zegen gebeden, maar het antwoord was tot op dat ogenblik uitgebleven. Maar nu, op het ogenblik dat hij zijn gewone dienst uitoefent en in de tempel gaat om het reukoffer te offeren, dat naar de wet als een lieflijke reuk voor God moest opstijgen, (een type van het tussenbeide treden van de Heer, Hebreeën 7:25), terwijl het volk buiten het heiligdom bad, verschijnt hem een engel van de Heer aan de rechterzijde van het reukofferaltaar. Bij het zien van deze heerlijke persoon wordt Zacharia ontroerd. Maar de engel bemoedigt hem, door te zeggen dat hij een boodschapper is van een goede tijding. Dat zijn gebeden, die schijnbaar zolang tevergeefs tot God waren opgezonden, nu waren verhoord. Elizabeth zou een zoon baren. Ze moesten hem Johannes noemen; wat betekent: “de gunst van de Heer.” Hij zou een bron van blijdschap en verheuging zijn voor Zacharia, en velen zouden zich over zijn geboorte verblijden. Maar dat zou hij niet alleen zijn als de zoon van Zacharia. Het kind was een gave van de Heer en zou groot zijn voor Zijn aangezicht. Hij zou een Nazireeër zijn en vanaf de schoot van zijn moeder vervuld met de Heilige Geest. Vele zonen van Israël zou hij tot de Heer, hun God terugbrengen. Hij zou voor Hem heengaan in de geest van Elia, en met dezelfde kracht om opnieuw zedelijke orde in Israël, zelfs in zijn bronnen, te vestigen, en de ongehoorzamen terugbrengen tot de wijsheid van de rechtvaardigen – om de Heer een toegerust volk te bereiden.

“De geest van Elia”, was een onwrikbare en vurige ijver voor de heerlijkheid van Jahweh en voor de vestiging, of herstelling door bekering, van de verbindingen tussen Israël en Jahweh. Zijn hart hing aan deze schakel tussen het volk en hun God, naar de kracht en heerlijkheid van deze schakel zelf, maar in het gevoel van hun vervallen toestand en naar de rechten van God in verbinding met deze verhoudingen. En hoewel de genade van God tot Zijn volk hem gezonden had, was toch “de geest van Elia” tot op zekere hoogte een wettische geest. Hij kwam op voor de rechten van Jahweh om te oordelen. Het was genade die de deur opende tot bekering, maar niet de soevereine genade van behoudenis, hoewel ze de deur daartoe opende. Het is in de zedelijke kracht van zijn oproep tot bekering, dat Johannes hier vergeleken wordt met Elia in het terugvoeren van Israël tot Jahweh. En in feite: Jezus was Jahweh.

Maar het geloof van Zacharia in God en in Zijn goedheid kon zich niet verheffen tot de hoogte van zijn gebed. Helaas een te gewoon verschijnsel! Als hij verhoord wordt, op een ogenblik dat God op een bijzondere wijze tussenbeide moet komen om hem zijn verlangen te geven, is hij niet in staat om te wandelen in de voetstappen van een Abraham of een Hanna, en hij vraagt hoe het beloofde nu plaats kan vinden.

Het gebrek aan geloof wordt door God in Zijn goedheid gebruikt, als een leerrijke kastijding voor hem, en als een bewijs voor het volk dat Zacharia een bezoek uit de hemel heeft gehad. Hij zal stom blijven totdat het woord van de Heer is vervuld. En de tekenen die hij aan het volk geeft, dat verbaasd is over zijn lang verblijf in het heiligdom, zijn voor hen een verklaring van de oorzaak.

Maar het Woord van God wordt in zegen voor Zacharia vervuld. En Elizabeth, die de goede hand van God over haar erkent, trekt zich met een tact die eigen is aan haar vroomheid, in de eenzaamheid terug. De genade die haar zegende maakte haar niet ongevoelig voor wat een schande was in Israël. En al werd deze schande nu opgeheven, ze liet toch een spoor na in de ogen van de mensen, juist door de bovennatuurlijke omstandigheden waaronder dit plaatsvond. Hier zien we een gevoel van gepastheid dat bij een heilige vrouw past. Maar wat met recht voor de ogen van mensen verborgen werd, had zijn volle waarde voor God. Ze wordt bezocht in haar afzondering door de moeder van de Heer. Maar hier verandert het toneel, om de Heer Zelf in te voeren in dit wondere tafereel, dat zich voor onze ogen ontvouwt.

God, die alles van tevoren had beschikt, zendt een engel, om Maria de geboorte van de Verlosser aan te kondigen. In een plaats, die de mens wel het laatst zou hebben gekozen voor de vervulling van het doel van God – een plaats waarvan de naam al voldoende was om hen die er vandaan kwamen te veroordelen – was een maagd, onbekend voor allen die de wereld erkende, ondertrouwd met een arme timmerman. Haar naam was Maria. We zien hoe alles in Israël in verwarring was, want deze timmerman was van het huis van David. Maar God, die Zijn beloften nooit vergeet en nooit uit het oog verliest wie er de voorwerpen van zijn, vond hier de sfeer waarin ze konden worden vervuld. Naar deze plaats werden de macht en de liefde van God heengetrokken, naar hun goddelijke energie. Het deed er niet toe of Nazareth groot was of klein – God wilde laten zien, dat Hij niets verwacht van de mens, maar daarentegen de mens alles van God moet verwachten. Gabriël wordt naar Nazareth gezonden, “naar een maagd die ondertrouwd was met een man genaamd Jozef, uit [het] huis van David”.

Het geven van Johannes aan Zacharia, was een antwoord op zijn gebeden: God was trouw in Zijn goedheid voor Zijn volk dat op Hem wacht. Maar dit is een daad van vrijmachtige genade. Maria, een uitverkoren werktuig tot dit doel, had “genade gevonden” in de ogen van God. Ze was “begenadigd” 3 door vrijmachtige genade – gezegend onder de vrouwen. Ze zou ontvangen en een zoon baren die ze Jezus moest noemen. “Deze zal groot zijn en Zoon van [de] Allerhoogste worden genoemd, en [de] Heer, God, zal Hem de troon van Zijn vader David geven, en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn koningschap zal geen einde zijn”.

We zien dat het onderwerp dat de Heilige Geest hier voorstelt is: de geboorte van het Kind, zoals Hij in deze wereld zou zijn, als geboren uit Maria. De aandacht wordt dus gevestigd op Hem die geboren zou worden.

Het onderwijs over dit punt door de Heilige Geest gegeven, is in twee delen verdeeld. Ten eerste, wat het Kind dat geboren zou worden zou zijn. Ten tweede, de wijze van Zijn ontvangenis en de heerlijkheid die daaruit zou voortvloeien. Hier wordt niet alleen de goddelijke natuur van de Heer Jezus voorgesteld; het Woord dat God was, het Woord vlees geworden. Maar tevens dat wat geboren werd uit Maria en de bijzondere wijze waarop deze geboorte zou plaatsvinden. We weten zeer goed, dat het gaat over dezelfde dierbare en goddelijke Zaligmaker waarover Johannes spreekt. Maar hier wordt Hij gezien vanuit een ander gezichtspunt, dat van oneindige waarde voor ons is. In dit Evangelie moeten we Hem bezien zoals de Heilige Geest Hem hier voorstelt, namelijk als geboren uit de maagd Maria in deze wereld van tranen.

Laten we eerst verzen 31-33 overdenken. Het was een kind, waarlijk in de schoot van Maria ontvangen en geboren op de door God Zelf voor de menselijke natuur vastgestelde tijd. De gewone tijd verliep voordat Hij werd geboren. Maar dat zegt ons nog niets over de wijze waarop. Het is het feit zelf, dat een belangrijkheid heeft die niet benaderd noch overdreven kan worden. Hij was werkelijk en waarachtig mens, geboren uit een vrouw zoals wij. We spreken nu niet over de Bron of over de wijze van Zijn ontvangenis, maar over de werkelijkheid van Zijn bestaan als mens. Hij was werkelijk en in waarheid een menselijk wezen.

Maar er waren nog andere dingen verbonden met de Persoon van Hem die geboren zou worden, die ook voor onze aandacht geplaatst worden. Hij zou “Jezus” genoemd worden, wat betekent: “Jahweh de Verlosser”. In dit karakter en met deze macht zou Hij geopenbaard worden, want Hij was dat. Dit wordt hier niet verbonden met het feit dat Hij Zijn volk zou verlossen van hun zonden, zoals in Mattheüs. Daar was het de openbaring aan Israël van de macht van Jahweh hun God, die de aan dat volk gegeven beloften vervult. Hier zien we, dat Hij recht heeft op deze naam “Jahweh hun God”. Maar dat deze goddelijke titel verborgen blijft onder de vorm van een persoonlijke naam. Want het is de Zoon des mensen die ons in dit Evangelie voor de aandacht wordt gesteld, wat Zijn goddelijke macht ook is. Hier wordt ons gezegd, dat Hij die geboren zou worden, “groot” zou zijn en geboren in deze wereld “Zoon van [de] Allerhoogste” genoemd zou worden. Hij was de Zoon van de Vader vóór de wereld bestond. Maar dit Kind zou, geboren op aarde – zoals Hij hier beneden was – de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden; een titel, waarvan Hij zou bewijzen dat Hij het recht daarop bezat, door Zijn daden en door alles wat openbaarde, wat Hij was. Het is een kostbare gedachte voor ons, vol van heerlijkheid dat een kind uit een vrouw geboren, wettig de naam draagt van “Zoon van de Allerhoogste”. Bovenmate heerlijk voor Een, die in de plaats van een mens is, en ook werkelijk mens is voor God.

Maar er zijn nog andere dingen verbonden met Hem, die geboren zou worden. God zou Hem de troon van Zijn vader David geven. Hier zien we weer duidelijk, dat Hij gezien wordt als geboren, als mens, in de wereld. De troon van Zijn vader David komt Hem toe. God zal Hem die geven. Door het recht van geboorte is Hij erfgenaam van de beloften – van de aardse beloften die, wat het koninkrijk betreft, aan het huis van David behoorden. Maar het zou geschieden naar de raadsbesluiten en de macht van God. Hij zou regeren over het huis van Jakob. Niet over het huis van Juda alleen en niet in de zwakheid van een tijdelijke, voorbijgaande macht en van een vergankelijk leven, maar “tot in eeuwigheid” en aan Zijn koninkrijk zou “geen einde zijn”. Zoals Daniël had geprofeteerd, zou het nooit door een ander worden genomen en nooit aan een ander volk worden gegeven. Het zou gevestigd worden naar de raadsbesluiten van God die onveranderlijk zijn en naar Zijn macht die nooit tekort schiet. Tot op de tijd, dat Hij het koninkrijk aan God de Vader zal overgeven, zou Hij een koninklijke macht uitoefenen die door niets kon worden betwist. En de koninklijke heerlijkheid daarvan zal in Zijn handen nooit zijn glans verliezen of bezoedeld worden en Hij zal die macht, als alle dingen vervuld zijn, overgeven aan God de Vader.

Zo zou het geboren Kind zijn – werkelijk geboren als mens, hoewel op een wonderbare wijze. Voor hen, die Zijn Naam konden begrijpen, was Hij: “Jahweh de Verlosser”. Hij zou Koning zijn over het huis van Jakob, naar een macht die nooit zou vergaan en nooit zou falen, tot ze zou ineensmelten met de eeuwige macht van God als God. De hoofdinhoud van de openbaring is dus dat het Kind zou worden ontvangen en geboren. Het overige gaat over de heerlijkheid die Hij zou bezitten als Hij geboren was.

Maar, juist de ontvangenis begrijpt Maria niet, en God staat haar toe aan de engel te vragen, hoe dat zou zijn. Haar vraag was naar de gedachten van God. Ik denk niet dat er gebrek was aan geloof. Zacharia had aanhoudend om een zoon gevraagd. De verhoring van zijn gebed was alleen een kwestie van de goedheid en de macht van God. En door de positieve verklaring van God was hij op een punt gekomen, waar hij niets anders had te doen dan deze verklaring te vertrouwen. Maar hij vertrouwde niet op de belofte van God. In zijn geval ging het alleen om de uitoefening van de buitengewone macht van God in de natuurlijke gang van zaken.

Maar nu God Maria zo bevoorrecht heeft, vraagt ze met heilig vertrouwen, hoe deze dingen vervuld zouden worden, buiten de natuurlijke gang van zaken om. Aan de vervulling ervan twijfelde ze niet (zie vers 45). Elizabeth heeft gezegd: “Gelukkig zij die geloofd heeft”. Ze vraagt, hóé het vervuld zal worden, omdat het moest geschieden buiten de natuurlijke gang van zaken om. De engel gaat dan verder met zijn boodschap, en geeft het antwoord van God op haar vraag. Naar het voornemen van God, was haar vraag (in het antwoord dat zij ontving) de aanleiding tot de openbaring van het wonder van de ontvangenis van Jezus.

Het gaat hier om de geboorte uit de maagd Maria, van Hem die op de aarde wandelde. Hij was God en Hij werd mens. Maar hier gaat het er over hóé Hij is ontvangen en mens geworden op aarde. Er wordt hier niet verklaard wat Hij was. We lezen hier over de wonderbare ontvangenis van Hem die geboren was, zoals Hij was in de wereld. De Heilige Geest zou over Maria komen en in kracht inwerken op dit aarden vat, en dat zonder haar eigen wil of de wil van een man. God is dus de Bron van het leven van het aan Maria beloofde Kind, zoals het in deze wereld en door Zijn kracht is geboren. Hij is geboren uit Maria, uit deze door God verkoren vrouw. De kracht van de Allerhoogste zou haar overschaduwen, en daarom zou dat Heilige, dat uit haar zou geboren worden, de Zoon van God genoemd worden. Heilig in Zijn geboorte, ontvangen door de tussenkomst van de kracht van God die op Maria inwerkte, (een kracht die de goddelijke oorsprong was van Zijn bestaan als mens op aarde), zou Hij, die op deze wijze Zijn bestaan uit Maria ontving als de vrucht van haar schoot, zelfs in deze zin de titel dragen van Zoon van God. Dat Heilige, dat uit Maria geboren zou worden, zou de Zoon van God worden genoemd. Het gaat hier niet over de leer van de eeuwige verhouding tussen de Zoon en de Vader. Het Evangelie van Johannes, de Brief aan de Hebreeën en die aan Kolosse bevestigen die kostbare waarheid en laten de belangrijkheid ervan zien. Maar hier gaat het om wat geboren werd krachtens de wonderbare ontvangenis en wat op die grond “Gods Zoon” werd genoemd.

Daarna maakt de engel haar bekend met de zegen die door de Almachtige kracht van God aan Elizabeth was gegeven. Maria buigt voor de wil van haar God, als het onderdanige instrument van Zijn raadsbesluiten. En in haar vroomheid ziet zij in deze raadsbesluiten een hoogte en grootheid, die haar, hun lijdelijk instrument, niets overliet dan de plaats van onderwerping aan de wil van God. En door de genade van God, was dit haar heerlijkheid.

Het was passend dat deze wondere tussenkomst van God door wonderen zou worden begeleid, om er een waar getuigenis aan te geven. De boodschap van de engel bleef niet zonder vrucht in het hart van Maria. En als ze Elizabeth bezoekt, heeft ze gelegenheid de wondere werken van God te erkennen. Op een treffende wijze ontvouwt zich hier de vroomheid van Maria. De wonderbare tussenkomst van God bracht haar niet tot zelfverheffing, maar tot ootmoed. In alles wat had plaatsgevonden, zag ze niet zichzelf, maar God. De grootheid van deze wonderen bracht God zo dicht bij haar, dat ze zichzelf vergat. Ze buigt zich voor Zijn heilige wil en God heeft zo’n grote plaats in haar gedachten dat er geen ruimte meer is voor een gevoel van eigen belangrijkheid.

Het bezoek van de moeder van haar Heer aan Elizabeth was voor Maria iets natuurlijks, want God had de vrouw van Zacharia bezocht, zoals de engel haar had bekend gemaakt. Ze kan met haar gehele hart delen in deze dingen van God, want door de genade die haar had bezocht, was God dicht bij haar. Geleid door de Heilige Geest in haar hart en in haar gevoelens, spreekt Elizabeth. Ze erkent de heerlijkheid die aan Maria toekwam, vanwege de genade van God, die haar had verkoren om de moeder van haar Heer te worden. Ze erkent ook het vrome geloof van Maria en kondigt haar de vervulling aan van wat God haar had beloofd. Alles wat hier gebeurde was een treffend getuigenis dat aan Hem werd gegeven die in Israël en onder de mensen zou worden geboren.

Daarna zien we, dat het hart van Maria zich opent in dankzeggingen. In de genade die haar met vreugde heeft vervuld, erkent ze God, haar Heiland en ook haar eigen nederige staat, (in dit opzicht is ze een type van het overblijfsel van Israël), die de aanleiding was voor de tussenkomst van de grootheid van God, met een volkomen getuigenis dat alles van Hem was. Hoe groot de vroomheid ook mag zijn die passend is voor het werktuig dat Hij gebruikt, (en die inderdaad in Maria werd gevonden), ze is slechts groot naar de mate dat ze zich verbergt. Want dan is God alles en Hij bedient Zich van haar om Zijn wondere wegen te openbaren. Ze zou haar plaats verloren hebben als ze iets van zichzelf had gemaakt, maar dat heeft ze niet gedaan. De genade van God heeft haar bewaard, opdat Zijn heerlijkheid in deze goddelijke gebeurtenis ten volle zou worden gezien. Ze erkent Zijn genade, maar ze erkent dat alles genade voor haar is.

Het karakter van de gedachten die het hart van Maria vervullen en de toepassing ervan zijn geheel joods. Vergelijk haar lofzang met die van Hanna, die profetisch dezelfde tussenkomst van God bezong. Zie ook verzen 54 en 55. Maar merk op, dat ze niet teruggaat tot Mozes, maar naar de beloften die aan de vaderen waren gedaan en ze denkt aan heel Israël. Men ziet in haar woorden de kracht van God die in het midden van zwakheid werkt, als er geen hulpbronnen zijn en als alles er in tegenspraak mee is. Dat is het ogenblik dat God past, en ook Zijn instrumenten, die niets zijn, opdat Hij alles is.

Het is opmerkelijk, dat er niet wordt gezegd dat Maria vervuld is met de Heilige Geest. Het lijkt me dat dit een eervolle onderscheiding is voor haar. De Heilige Geest bezocht Zacharia en Elizabeth op een buitengewone wijze. Maar, hoewel we er niet aan kunnen twijfelen dat Maria onder de invloed van de Geest van God was, was het toch een meer innerlijke werking, meer verbonden met haar eigen geloof, met haar vroomheid, met de meer gewone verbindingen van haar hart met God, (die door dit geloof en deze vroomheid waren gevormd) en die zich daardoor meer openbaarden als haar eigen gevoelens. Het is dankbaarheid voor de genade en de gunstbewijzen die haar, de nederige, gegeven zijn, en dat in verbinding met de hoop en de verwachting van Israël. Het lijkt me dat in alles wat we hier hebben, een treffende harmonie is te zien met het wondere voorrecht dat haar is gegeven. Ik herhaal, Maria is groot in zoverre zij niets is. Maar zij is op een niet te vergelijken wijze begenadigd door God, en alle geslachten zullen haar welgelukzalig prijzen.

Maar omdat haar vroomheid en de lofzang waarin deze wordt uitgedrukt meer een persoonlijk karakter dragen, meer een antwoord aan God dan een openbaring van God is, beperkt het zich zeer duidelijk tot wat noodzakelijk voor haar de sfeer van deze vroomheid was, namelijk tot Israël, tot de hoop en de beloften die dat volk gegeven waren. Het gaat terug, zoals we gezien hebben, tot het beginpunt van de verbindingen van God met Israël en dat was niet de wet, maar genade en beloften. Maar ze gaat niet buiten Israël.

Maria blijft drie maanden bij de vrouw die door God was gezegend, de moeder van hem die de stem van God in de woestijn zou zijn. Daarna keert ze terug om ootmoedig haar eigen weg te vervolgen, opdat de raadsbesluiten van God zouden worden vervuld. Niets is mooier in zijn soort, dan deze voorstelling van de gesprekken van twee vrome vrouwen. Ze zijn onbekend voor de wereld, maar de werktuigen van de genade van God voor de volvoering van Zijn raadsbesluiten, die zo heerlijk en oneindig zijn in hun gevolgen. Ze verbergen zich beide en bewegen zich daar, waar alleen genade en vroomheid toegang vinden. Maar God is daar, even onbekend aan de wereld als deze twee vrouwen, en toch bereidt Hij voor en volvoert Hij wat de engelen begerig zijn in zijn diepten te zien. Dit alles gebeurde in het bergland, waar deze godvrezende familieleden woonden. Zij verborgen zichzelf. Maar de harten van deze twee vrome vrouwen, die door God waren bezocht, en aangeraakt waren door Zijn genade, beantwoordden door hun gemeenschappelijke vroomheid aan deze wondere bezoeken van Boven. En de genade van God spiegelde zichzelf duidelijk af in de kalmte van het hart van Maria, die Zijn hand en Zijn grootheid erkende, zich toevertrouwde aan Zijn goedheid en zich onderwierp aan Zijn wil. Het is voor ons een groot voorrecht om toegelaten te worden tot een toneel waar de wereld was buitengesloten, vanwege haar ongeloof en vervreemding van God, en waar God op zo’n wijze werkzaam was.

Maar wat vroomheid in het verborgen erkent, door geloof in de bezoeken van God, moet ten slotte openbaar worden en vervuld voor de ogen van de mensen. De zoon van Zacharia en Elizabeth wordt geboren. Zacharia, gehoorzaam aan het woord van de engel houdt op stom te zijn. Luid verkondigt hij in het huis van Gods uitverkoren Koning, de komst van de Spruit van David, de hoorn van het heil van Israël, om alle beloften die aan de vaderen waren gedaan en alle profetieën waarin God de toekomstige zegen voor het volk had aangekondigd, te vervullen. Het kind, dat God aan Zacharia en Elizabeth had gegeven, zou heengaan voor het aangezicht van Jahweh om Zijn weg te bereiden. Want de Zoon van David was Jahweh, die kwam overeenkomstig de beloften en naar het woord waarin God de openbaring van Zijn heerlijkheid had aangekondigd.

Het bezoek van Jahweh aan Zijn volk, door de mond van Zacharia verheerlijkt, omvat alle zegeningen van het duizendjarig rijk. Dit is verbonden met de aanwezigheid van Jezus op aarde, die in Zijn eigen Persoon al deze zegen brengt. Alle beloften zijn in Hem ja en amen. Alle profetieën omgeven Hem met de heerlijkheid die dan zal worden verwerkelijkt en maken Hem tot de bron waaruit alles voortkomt. Abraham verheugde zich, deze heerlijke dag van Christus te zien.

De Heilige Geest doet dit altijd, als het gaat om de vervulling in macht van de belofte. Hij gaat altijd door tot de volle uitwerking, die God uiteindelijk zal tot stand brengen. Het verschil hier is, dat het niet langer de aankondiging is van een vreugde in de verre toekomst, als een Christus zou geboren zijn, als een kind zou zijn gekomen om aan Israël hun vreugden te brengen, in tijden die nog in nevelen gehuld waren door de afstand waarin ze gezien werden. De Christus staat nu aan de deur, en het zijn de gevolgen van Zijn tegenwoordigheid die door Zacharia worden bezongen. We weten dat, nu Hij verworpen en afwezig is, de vervulling van deze dingen noodzakelijk moest worden uitgesteld tot Zijn wederkomst. Maar Zijn aanwezigheid zal deze vervulling met zich mee brengen. En zo, in verbinding met Zijn aanwezigheid, wordt het hier voorgesteld.

Ten slotte kunnen we nog opmerken, dat alles in dit hoofdstuk beperkt blijft tot de beloften die aan Israël, dat wil zeggen aan de vaderen, gedaan zijn. We vinden hier de priesters, de Messias, Zijn voorloper, de beloften aan Abraham gedaan, het verbond van de belofte en de eed van God. Het is niet de wet, maar de hoop van Israël, (gegrond op de belofte, het verbond, de eed van God, en bevestigd door de profeten), die Zijn vervulling vindt in de geboorte van Jezus, de Zoon van David. Ik herhaal, het is niet de wet, maar Israël onder de zegen; nog wel niet vervuld, maar in geloofsverbinding met God, die alles zal volvoeren. Het gaat hier alleen om God en Israël en om dat wat er gebeurd is in genade tussen Hem en Zijn volk alleen.

Hoofdstuk 2

In dit hoofdstuk verandert het toneel. In plaats van de verbinding in genade van God met Israël, zien we hier een heidense keizer van de wereld, (het hoofd van Daniëls laatste wereldrijk), zijn macht uitoefenen in het land van Emmanuel en over het volk van God, alsof God hen niet kende. Toch zijn we nog steeds bij de geboorte van de Zoon van David, van Emmanuel Zelf. Maar uiterlijk gezien, staat Hij onder de macht van het hoofd van het beest, van een heidens wereldrijk. Wat heeft de zonde een vreemde toestand van zaken met zich meegebracht! Toch moeten we niet uit het oog verliezen, dat we hier de genade vinden. Het is de tussenkomst van God, die dit alles openbaart. En verbonden hiermee, zijn er nog enkele andere dingen, die we in het oog moeten houden, want ze staan in verband met de komst van Jezus te midden van deze toestand van zaken. De heidense macht regeert zonder God te vrezen. Ze zoekt haar eigen eer, en heerst waar Christus moest heersen. Maar als het om de belangen en de heerlijkheid van Jezus gaat, is al deze macht en keizerlijke heerlijkheid alleen maar een werktuig in de handen van God om Zijn raadsbesluiten te vervullen.

Wat het openlijke feit betreft, zien we dat de Romeinse keizer een despotische en heidense macht uitoefent, op de plaats waar de troon van God had moeten staan, als de zonde van het volk dit niet onmogelijk had gemaakt.

De keizer wil, dat de hele wereld zal ingeschreven worden en ieder gaat naar zijn eigen stad. De macht van de wereld wordt in beweging gebracht, en dat door een daad, die van haar heerschappij getuigt over hen die, als volk van God, vrij hadden moeten zijn van alles, behalve van de directe regering van hun God, wat hun heerlijkheid was. Tegelijkertijd toont deze daad ons de volkomen vernedering en dienstbaarheid van het volk. Vanwege hun zonden, zijn ze met lijf en goed, de slaven van de heidenen (Nehemia 9:36-37). Toch wordt door deze daad alleen maar het wonderbare raadsbesluit van God vervuld. Want het veroorzaakte, dat de Heiland-Koning geboren werd in het dorp waar, naar het getuigenis van God, deze gebeurtenis moest plaatsvinden. En, meer dan dat, de goddelijke Persoon, die de blijdschap en de lofzangen van de hemel zou opwekken, wordt geboren onder de mensen, Hijzelf een Kind in deze wereld.

Deze beschrijving is te meer merkwaardig, omdat, toen het raadsbesluit van God was vervuld, er verder geen gevolg aan werd gegeven. Dat wil zeggen: niet eerder dan onder de regering van Cyrenius 4.

De stand van zaken, zowel in Israël als in de wereld, is dus: de opperheerschappij van de volken en de afwezigheid van de troon van God. De Zoon des mensen, de Heiland, God geopenbaard in het vlees, komt om Zijn plaats in te nemen – een plaats die genade alleen kon vinden of innemen, in een wereld die Hem niet kende.

De Zoon van God is geboren in de wereld, maar Hij vindt er geen plaats. De wereld is hier thuis, of vindt ten minste, door de hulpmiddelen die ze heeft, een plaats in de herberg. De herberg wordt hier een soort van maatstaf van de plaats van de mens in en zijn ontvangst door de wereld. De Zoon van God vindt er niets dan een kribbe. Is het zonder bedoeling dat de Heilige Geest deze omstandigheden vermeldt? Nee, zeker niet! In de wereld is geen plaats voor God, noch voor wat van God is. Zoveel te volmaakter is de liefde, die Hem naar deze aarde bracht. Maar Hij begon Zijn loopbaan in een kribbe en eindigde die op het kruis, terwijl Hij op de weg niets had waarop Hij Zijn hoofd kon neerleggen. Op deze wijze verschijnt de Zoon van God in de wereld: als een kind dat deel heeft aan al de zwakheid en toestanden van het menselijk leven 5.

Maar als God in de wereld komt, en alleen een kribbe vindt om Hem op te nemen, in de natuur die Hij in genade heeft aangenomen – de engelen houden zich bezig met deze gebeurtenis, waarvan het lot van het gehele heelal en de vervulling van al de raadsbesluiten van God, afhangt. Want Hij heeft het zwakke uitverkoren om het sterke te beschamen. Dit arme, kleine Kind is het voorwerp van al de raadsbesluiten van God. Hij is de Onderhouder en Erfgenaam van de gehele schepping, en de Verlosser van allen die het eeuwige leven en de heerlijkheid zullen beërven.

Enkele arme mensen, die trouw hun moeitevolle arbeid verrichtten, ver van de rusteloze activiteit van een eerzuchtige en zondige wereld, ontvangen de eerste berichten van de aanwezigheid van de Heer op aarde. De God van Israël zocht niet de groten onder Zijn volk, maar sloeg Zijn oog op de geringen van de kudde. Twee dingen vinden we hier. Ten eerste, de engel die tot de herders van Judea komt om hen de vervulling aan te kondigen van de beloften van God aan Israël. Ten tweede, het koor van engelen dat, in hun hemelse lofzangen, de werkelijke betekenis verheerlijkt van deze wonderbare gebeurtenis. De hemelse bode, die de arme herders bezoekt, zegt: “U is heden een Heiland geboren, Die Christus [de] Heer is, in [de] stad van David”. Dat was de verkondiging van een blijde boodschap aan hen en aan het gehele volk.6

Maar de geboorte van de Zoon des mensen, God geopenbaard in het vlees, de vervulling van de menswording, had een veel grotere draagwijdte dan dit. Het feit, dat dit kleine Kind aanwezig was, menselijk gesproken miskend en aan zijn lot overgelaten door de wereld, was, naar de hemelse inzichtsvollen, de menigte van de hemelse legermachten wier lofzangen weerklonken bij de boodschap van de engel aan de herders: ‘Heerlijkheid zij God in [de] hoogste [hemelen], en vrede op aarde, in mensen van [Zijn] welbehagen!’ Deze weinige woorden omvatten zulke veelomvattende gedachten, dat het moeilijk is er passend over te spreken in een boek als dit. Maar toch zijn enkele opmerkingen noodzakelijk. Ten eerste is het hoogst gezegend te zien, hoe de gedachte aan Jezus, alles uitsluit wat het hart zou kunnen neerdrukken in de toestanden die Zijn aanwezigheid op aarde vergezellen. Helaas, was de zonde er. Ze werd openbaar door de positie waarin dit verwonderlijke Kind zich bevond. Maar als de zonde Hem daar een plaats gaf: de genade deed dat eveneens. En de genade heeft de overhand. Door aan Hem te denken, wordt de geest en het hart vervuld met de zegen, de genade, de gedachten van God over de zonde, en wat God is zoals Hij geopenbaard is in de aanwezigheid van Christus. Dat alles is de ware troost voor het hart in een wereld als deze. Dan zien we alleen maar genade. De zonde verhoogt alleen maar de volheid, de soevereiniteit en de volmaaktheid van die genade. God delgt in Zijn heerlijke wegen de zonde uit, met het oog waarop Hij handelt en stelt ze zo in al haar afzichtelijkheid ten toon. Maar er is datgene wat “overvloediger” is. Jezus, in genade gekomen, vervult het hart. Zo is het ook in alle bijzonderheden van het christelijk leven. Het is de ware bron van zedelijke kracht, van heiliging en van vreugde.

Vervolgens zien we, dat er drie dingen in het licht zijn gesteld, door de aanwezigheid van Jezus, als Kind op aarde geboren. Ten eerste: “Heerlijkheid zij God in [de] hoogste [hemelen]”. De liefde, de wijsheid en de macht van God zijn geopenbaard.

En met “macht” doel ik nu niet op Zijn scheppen van een heelal uit niets, maar op Zijn Zich verheffen boven het kwaad, en het veranderen van de gevolgen van de gehele macht van de vijand tot een gelegenheid om te tonen dat al die macht niets was dan onmacht en dwaasheid tegenover datgene wat “het zwakke van God” wordt genoemd. En verder, de vervulling van Zijn eeuwige raadsbesluiten, de volmaaktheid van Zijn wegen op de plaats waar het kwaad was ingekomen, de openbaring van Zichzelf te midden van het kwaad, op zo’n manier dat Hij Zich voor de engelen kon verheerlijken: in één woord, de openbaring van God in de geboorte van Jezus was van die aard, dat de hemelse legermachten, al lang met Zijn macht bekend, hun lofzang konden aanheffen: “Heerlijkheid zij God in [de] hoogste [hemelen]!” En elke stem sluit zich aan bij het uitroepen van deze lof. Waar is een liefde als deze? En God is liefde. Wat een zuiver goddelijke gedachte dat God mens is geworden! Wat een verhevenheid van het goede over het kwaad! Wat een wijsheid in het dicht naderen tot het hart van de mens en het trekken van het hart van de mens terug tot Hem! Wat een bekwaamheid in het aanspreken van de mens! Wat een handhaving van Zijn heiligheid! Wat een nabij zijn in het hart van de mens, wat een deelname aan zijn behoeften, wat een ervaring van zijn toestand! Maar bovenal God is in genade boven het kwaad verheven, en bezoekt in deze genade de bezoedelde wereld om Zichzelf bekend te maken, zoals Hij nooit tevoren gekend was!

Het tweede gevolg van de aanwezigheid van Hem die God openbaart op aarde, is dat daar vrede zou zijn. Als Verworpene zou Zijn naam een aanleiding zijn voor strijd. Maar het hemelkoor houdt zich bezig met het feit van Zijn aanwezigheid en de gevolgen daarvan, zoals ze eenmaal ten volle zullen worden verwezenlijkt, maar die nu al besloten liggen in de Persoon die nu aanwezig is. Die gevolgen bezingen ze. Het geopenbaarde kwaad zal verdwijnen. Zijn heilige regering zal alle vijandschap en geweld uitbannen. Jezus, machtig in liefde, zou regeren en het karakter waarin Hij was gekomen meedelen aan het gehele toneel dat Hem zou omringen in de wereld waarin Hij kwam, opdat alles daarin in overeenstemming zou zijn met Zijn hart dat daarin welbehagen vond (Spreuken 8:31) 7. Zie ook Psalm 85:11-12, waarin in kortere vorm hetzelfde wordt gezegd.

De middelen waardoor deze zegeningen zullen komen – verlossing, de vernietiging van de macht van satan, de verzoening van de mens door geloof met God, en de verzoening van alle dingen in de hemel en op de aarde met God – worden hier niet afzonderlijk genoemd. Alles was afhankelijk van de Persoon en de aanwezigheid van Hem die geboren was. Alles was in Hem besloten. De toestand van zegen, aangekondigd door het engelenkoor, was geboren met de geboorte van het Kind.

Voorgesteld aan de verantwoordelijkheid van de mens, toont deze zich onbekwaam om er nut van te trekken en alles faalt. Zijn positie wordt er alleen maar slechter van.

Maar, waar genade en zegening aan de Persoon van Hem die juist geboren was verbonden waren, gaan al hun gezegende gevolgen noodzakelijk voort. In elk geval was het de tussenkomst van God om het raadsbesluit van Zijn liefde, het vaste voornemen van Zijn welbehagen, te volbrengen. En, toen Jezus eenmaal aanwezig was, konden de gevolgen niet uitblijven. Welke onderbreking er ook zou zijn wat de vervulling betreft: Jezus was de waarborg ervoor dat alles zou geschieden. Hij was in de wereld gekomen, en Zijn Persoon was de uitdrukking van alles en bevatte alle gevolgen. De aanwezigheid van de Zoon van God in het midden van zondaars, verkondigde aan ieder die geestelijk inzicht had: “vrede op aarde”.

Het derde gevolg van de aanwezigheid van Jezus op aarde was, het “welbehagen”, 8 de genegenheid van God, “in mensen”. Niets is eenvoudiger, nu Jezus een Mens is. Niet engelen heeft Hij aangenomen maar het zaad (nageslacht) van Abraham. De mensen waren de voorwerpen van Zijn oneindige genade.

Het was een heerlijk getuigenis, dat de liefde, het welbehagen van God, zich geheel richt op dit arme geslacht, dat nu ver van Hem was verwijderd, maar waarin Hij, naar Zijn welbehagen, al Zijn heerlijke raadsbesluiten zou vervullen. Zo zien we ook in Johannes 1:4: “het leven was het licht van de mensen”.

In één woord, het was de macht van God, in genade aanwezig in de Persoon van de Zoon van God, Die deelnam aan de natuur van de mens en belang stelde in het lot van een schepsel, dat ver van Hem was afgeweken. En te midden van die schepselen zouden al Zijn raadsbesluiten worden vervuld en zouden Zijn natuur en genade worden geopenbaard. Wat een positie voor de mens!

Want het is inderdaad in de mens dat dit alles verwerkelijkt is. Het gehele heelal moest in de mens, en in wat God daarin voor de mens was, leren zien wat God in Zichzelf was en wat de vruchten zijn van al Zijn heerlijke raadsbesluiten; en tevens de volkomen rust in Zijn tegenwoordigheid in overeenstemming met Zijn natuur van liefde. Dat alles lag opgesloten in de geboorte van dat Kind, waarvan de wereld geen notitie nam, en dat toch het natuurlijke en bewonderenswaardige Voorwerp was van de lofzegging van de heilige bewoners van de hemel, aan wie God dit had bekendgemaakt! Het was: “Heerlijkheid zij God in [de] hoogste [hemelen].”

‘En het gebeurde, toen de engelen van hen waren weggegaan naar de hemel, dat de herders tot elkaar spraken: Laten wij toch naar Bethlehem gaan en deze zaak zien die er is gebeurd, die de Heer ons heeft bekendgemaakt’. In deze eenvoudige Israëlieten tot wie de engel van de Heer gezonden werd, was het geloof werkzaam. Zij verblijdden zich in de zegen die voor hun ogen vervuld was en die de genade bevestigde die God hun getoond had door het hen aan te kondigen. Het woord: “zoals tot hen gesproken was”, voegt zijn getuigenis van genade bij alles wat wij door de goedertierenheid van God genieten.

Op de dag van Zijn besnijdenis, ontvangt het Kind de naam “Jezus”. En dit niet alleen naar joodse gewoonte (zie Lukas 1:59), maar naar de raadsbesluiten en openbaringen van God, meegedeeld door de engelen van Zijn macht. Bovendien werd alles voltrokken overeenkomstig de wet, want geschiedkundig bevinden we ons nog in verbinding met Israël. Hij, die uit een vrouw geboren was, was geboren onder de wet. De armoedige omstandigheden waarin Jezus werd geboren, blijken nog eens uit de offerande die werd gebracht voor de reiniging van Zijn moeder.

Maar een ander punt wordt hier door de Heilige Geest op de voorgrond geplaatst, al schijnt de Persoon die de aanleiding ertoe was van weinig betekenis. Jezus wordt erkend door het godvrezende overblijfsel van Israël, voor zover de Heilige Geest in hen werkt. Hij wordt de toetssteen voor elke ziel in Israël. De toestand van het door de Heilige Geest onderwezen overblijfsel, (dat wil zeggen, van hen, die de positie van het overblijfsel hadden ingenomen), was deze: Ze waren zich bewust van de ellende en het verval van Israël, maar wachtten op de God van Israël, vertrouwend op Zijn onwankelbare trouw voor de vertroosting van Zijn volk. Ze riepen steeds: hoe lang nog? En God was met dit overblijfsel. Hij had hen, die zo op Zijn barmhartigheid bouwden, bekendgemaakt met de komst van de Beloofde, die de vervulling zou zijn van deze barmhartigheid voor het volk.

Zo zien we, dat, ondanks de verdrukking van de volken en de boosheid van een volk dat aan het rijpen was, of zelfs gerijpt in het kwaad, het overblijfsel dat op God vertrouwt niet verliest wat, zoals we in het vorige hoofdstuk zagen, aan Israël toebehoorde. Wat de belofte en de profetie voor de heerlijkheid van Israël hadden aangekondigd, was te midden van de ellende van het volk, hun vertroosting.

De Heilige Geest had aan Simeon geopenbaard, dat hij niet zou sterven voor hij de Christus van Jahweh had gezien. Dat was zijn vertroosting, en ze was groot. Ze was besloten in de Persoon van Jezus de Heiland, zonder verder in bijzonderheden te treden over de tijd of de wijze van de vervulling van Israëls verlossing. Simeon had Israël lief en hij kon in vrede heengaan, nu God hem gezegend had naar het verlangen van zijn geloof. De blijdschap van het geloof is altijd gegrond op de Heer en op Zijn volk, maar ziet tevens, in de verbinding die tussen die twee bestaat, de gehele omvang van wat die blijdschap verwekt. De verlossing, de bevrijding van God, was in Christus gekomen. Het was tot openbaring van de volken, die tot nu toe in de duisternis van de onwetendheid verborgen waren zonder een openbaring, en voor de heerlijkheid van Israël, het volk van God. Wat de Heilige Geest hier Simeon geeft te spreken, laat de gevolgen zien van de regering van God in Christus, namelijk het duizendjarig rijk. Zoals de Geest aan deze vrome en trouwe dienstknecht van God de toekomst openbaarde die afhankelijk was van de aanwezigheid van de Zoon van God, zo openbaarde Hij tevens, dat hij de Verlosser Zelf in zijn armen had. Op deze wijze gaf Hij Simeon werkelijke vrede en tevens zo’n bewustzijn van de gunst van God, dat de dood zijn verschrikking verloor. Het was niet de kennis van het werk van Jezus, die werkte op een verlicht en overtuigd geweten, maar het was de vervulling van de aan Israël gegeven beloften, het bezit van de Verlosser en het bewijs van de gunst van God, zodat de vrede die daaruit voortvloeide zijn ziel vervulde. Er waren de volgende drie dingen:

  1. de profetie die de komst van Christus aankondigde,
  2. het bezit van Christus,
  3. het gevolg van Zijn aanwezigheid in de gehele wereld.

We zijn hier in verbinding met het overblijfsel van Israël, en zien daarom niets van de Gemeente en de uitsluitend hemelse dingen. De verwerping komt pas later. Hier staat alles in verbinding met het overblijfsel, zoals het gezegend wordt door de aanwezigheid van Jezus. Zijn werk is hier niet het onderwerp.

Wat een prachtig tafereel en wat een getuigenis, aan dit Kind gegeven, door de wijze waarin Hij, door de kracht van de Heilige Geest, het hart van deze heilige man, aan het eind van zijn aardse leven vult. Let er ook op, welke mededelingen aan dit zwakke overblijfsel worden gedaan, dat onbekend is te midden van de duisternis die het volk bedekt. Hoe heerlijk voor ons hart te bedenken, hoeveel van zulke zielen, vol van genade en van gemeenschap met de Heer, in de schaduw hebben gebloeid. Onbekend bij de mensen maar wel bekend bij – en geliefd door God. Zielen die, als ze naar Zijn wil tevoorschijn treden uit hun afzondering om een getuigenis van Christus te geven, zo’n gezegend getuigenis afleggen van een werk van God dat zich voltrekt ondanks alles waarmee de mens zich bezighoudt, en achter het toneel van smart en bitterheid in deze wereld. Maar het getuigenis van Simeon, deze heilige man van God, was meer dan een uitdrukking van de hoogst belangrijke gedachten die, als vrucht van de gemeenschap met God, zijn hart hadden vervuld. Deze kennis van Christus en van de gedachten van God over Christus, die in het geheim tussen God en de ziel geopenbaard worden, geven inzicht welke uitwerking wordt teweeggebracht door de openbaring aan de wereld van Hem die het voorwerp is. De Geest spreekt hierover door de mond van Simeon. In zijn voorgaande woorden, ontvingen we de verklaring van de zekere vervulling van de raadsbesluiten van God in de Messias, de vreugde van zijn eigen hart. Nu, in verzen 34-35, wordt de uitwerking beschreven van de voorstelling van Jezus als de Messias aan Israël op aarde. Want hoe groot de kracht van God in Christus tot zegen ook is: God stelt het hart van de mens op de proef. Jezus zou ook, doordat Hij de gedachten van veel harten openbaar zou maken (want Hij was licht), de oorzaak zijn van de val van velen, en een verrijzing voor velen uit hun toestand van vernedering en verlaging.

En dit te meer, omdat Hij vernederd was in een wereld die met hoogmoed was vervuld. En Maria, hoewel de moeder van de Messias, zou een zwaard voelen gaan door haar ziel. Haar Kind zou worden verworpen, en de natuurlijke banden van de Messias tot het volk zouden worden verbroken en miskend. Dit tegenspreken van zondaren tegen de Heer zou al de harten blootleggen wat betreft hun begeerten, hun hoop en hun streven welke vorm van vroomheid ze ook hadden aangenomen.

Het volgende was dus het getuigenis dat in Israël voor de Heer werd gegeven, naar de werking van de Geest van God op het overblijfsel, te midden van de slavernij en ellende van dat volk: De volle vervulling van de raadsbesluiten van God ten opzichte van Israël en ten opzichte van de wereld door middel van Israël; tot blijdschap van het hart voor de getrouwen die op deze beloften hadden vertrouwd, maar als een toetssteen, op dat ogenblik voor ieder hart, omdat Hij als Messias een teken was dat weersproken zou worden. In Hem werden de raadsbesluiten van God en het hart van de mens geopenbaard.

De profeet Maleachi had gezegd, dat in de boze dagen, als de hoogmoedigen gelukkig werden geprezen, zij die de Heer vreesden dikwijls met elkaar zouden spreken. Deze tijd was nu voor Israël gekomen. Vanaf Maleachi tot op de geboorte van Jezus was Israël alleen maar voortgegaan van ellende tot hoogmoed; een hoogmoed die al in de dagen van de profeet opkwam. Maar wat hij van het overblijfsel had gesproken, was nu ook vervuld. Ze “spraken met elkaar”. In deze schildering van het verborgen volk van God zien we dat ze elkaar persoonlijk kenden. Want van Anna staat geschreven: “Ze sprak over Hem tot allen die [de] verlossing van Jeruzalem verwachtten”. Deze Anna was een heilige weduwe, die niet uit de tempel week. Omdat ze de ellende van Israël diep voelde, had ze tot de troon van God geroepen, met het hart van een weduwe, voor een volk voor wie God geen echtgenoot meer was en dat, evenals zij, waarlijk weduwe was. Nu maakt ze bekend aan allen die met elkaar over deze dingen spraken, dat de Heer Zijn tempel had bezocht. Ze hadden allen in Jeruzalem uitgezien naar de verlossing. En nu was de Verlosser er, onbekend voor de mensen. Wat een oorzaak van vreugde voor dit arme overblijfsel! Wat een antwoord op hun geloof!

Maar toch was Jeruzalem de plaats niet, waar God het overblijfsel van Zijn volk bezocht. Integendeel, het was de plaats van de hoogmoed die uitriep: “De tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE……” (Jeremia 7:4). En Jozef en Maria, nadat ze alles wat de wet eiste volbracht hadden, keerden met het kind Jezus terug, om in Nazareth, het verachte stadje, hun plaats samen met Hem in te nemen. Hij zou de naam ervan dragen. En zo woonden ze in die landstreek, waar het verachte overblijfsel, de armen van de kudde, meer hun plaats hadden en waar, volgens het getuigenis van God, het licht zou opgaan (Jesaja 9:1-2). Daar werden Zijn kinderjaren doorgebracht, in de lichamelijke en verstandelijke ontwikkeling van de ware mensheid die Hij had aangenomen. Eenvoudig en kostbaar getuigenis! Maar toen het ogenblik gekomen was om tot mensen te spreken, was Hij Zich niet minder bewust van Zijn werkelijke verbinding met de Vader. We vinden deze mensheid en de verbinding met de Vader verenigd aan het eind van dit hoofdstuk. In de ontwikkeling van Zijn mensheid openbaart zich de Zoon van God op aarde. Jozef en Maria, hoewel verwonderd over alles wat Hem overkwam, verstonden niet geheel door het geloof Zijn heerlijkheid. Ze berispten het Kind, naar de aard van de verhouding waarin Hij formeel tegenover hen stond. Maar dit gaf gelegenheid voor de openbaring van een andere zijde van de volmaaktheid van Jezus. Hoewel Hij de Zoon van God was, en daarvan het volle bewustzijn had, was Hij eveneens de gehoorzame mens; in wezen en altijd volmaakt en zonder zonde: een gehoorzaam Kind, welk gevoel Hij ook had van een andere verhouding, die in zichzelf niet verbonden was met onderwerping aan menselijke ouders. Maar het bewustzijn van de ene verbinding deed geen afbreuk aan Zijn volmaaktheid in de andere. Dat Hij de Zoon van God was, waarborgde Zijn volmaaktheid als een mens en als een kind op aarde.

Maar er is nog iets heel belangrijks op te merken. Het is, dat Zijn positie niets te maken had met Zijn gezalfd zijn met de Heilige Geest. Zonder twijfel heeft Hij later Zijn openlijk dienstwerk vervuld, naar de kracht en de volmaaktheid van die zalving. Maar de verbinding met Zijn Vader behoorde bij Zijn Persoon Zelf. De band bestond tussen Hem en Zijn Vader. Daarvan was Hij Zich volkomen bewust, wat ook het middel of de vorm was waardoor deze zichtbaar werd, of van de kracht van Zijn dienst. Hij was alles wat een kind behoort te zijn, maar het was de Zoon van God die zo was. Zijn verbinding met Zijn Vader was Hem even bekend, als Zijn gehoorzaamheid aan Jozef en Zijn moeder Maria, mooi, gepast en volmaakt was.

Hier eindigen we de treffende en goddelijke geschiedenis van de geboorte en de eerste dagen van de goddelijke Verlosser, de Zoon des mensen. Het is onmogelijk iets te vinden dat belangrijker is. Van nu af zullen we Hem zien in Zijn dienstwerk, in Zijn openbaar leven, door de mensen verworpen, maar terwijl Hij de raadsbesluiten van God en het werk van God vervult. Hij is afgezonderd van alles om Zijn werk te doen in de kracht van de Heilige Geest, die Hem zonder maat gegeven is. Hij loopt Zijn loopbaan die met niets is te vergelijken – het zou een verlaging zijn van de waarheid als we deze “belangrijk” zouden noemen. Als we Zijn dood, de opoffering van Zichzelf zonder vlek aan God, erbij insluiten, is deze loopbaan het middelpunt en het enige mogelijke middel voor al de verbindingen van onze ziel met God. Ze is de volmaaktheid van de openbaring van Zijn genade en de grondslag van elke verbinding tussen elk schepsel en Hem.

Hoofdstuk 3

Hier vinden we de bediening van het Woord tot Israël, en dat voor het voorstellen van de Heer aan de wereld. Het zijn hier niet de aan Israël gegeven beloften en de hun door God verzekerde voorrechten, noch de geboorte van dat Kind dat de erfgenaam van alle beloften was, maar het Romeinse rijk, dat als werktuig dient ter vervulling van het Woord dat over de Heer gesproken is, terwijl het in zichzelf een getuigenis is van de gevangenschap van Israël. De jaren zijn hier gerekend naar de regering van de volken (niet-joden). Judea is een provincie onder de macht van het rijk van de volken en de andere delen van Kanaän zijn verdeeld onder verschillende hoofden die aan dat keizerrijk onderworpen zijn.

Toch duurt het joodse stelsel nog voort. De hogepriesters worden genoemd, om door hun namen de jaren van hun onderwerping aan de volken aan te duiden en tevens om de leer en de ceremoniën van de joden te handhaven, voor zover dit mogelijk was in de omstandigheden in die tijd. Nu, het Woord van God is altijd zeker. Als de verbindingen van God met het volk falen door hun ontrouw, dan handhaaft God in Zijn vrijmacht Zijn verbindingen door middel van mededelingen door een profeet. Zijn soevereine woord handhaaft ze, als er geen andere middelen meer zijn.

Maar in dit geval had de boodschap van Jahweh aan het volk een bijzonder karakter. Want Israël was al totaal verdorven, omdat het de Heer had verlaten. De goedheid van God had het volk nog steeds uiterlijk in het land gelaten. Maar de wereldheerschappij was overgegaan in de handen van de volken. Israël werd nu opgeroepen zich te bekeren, om vergeving te ontvangen, en een nieuwe plaats in te nemen door de komst van de Messias.

Het getuigenis van God staat daarom niet in verbinding met Zijn voorschriften in Jeruzalem, hoewel de rechtvaardigen zich daaraan onderwerpen. Ook roept de profeet hen niet terug tot getrouwheid op de grond waar ze zich bevonden. Het is de stem van God in de woestijn om Zijn paden recht te maken, opdat Hij zou kunnen komen, als van buiten, tot hen die zich bekeerden en zich bereidden voor Zijn komst. En omdat het Jahweh Zelf was die kwam, zou Zijn heerlijkheid niet beperkt blijven binnen de enge grenzen van Israël. “Alle vlees” zou het heil zien, dat door God was gewerkt. De toestand van het volk was zo, dat God, terwijl Hij Zijn toorn aankondigde, die spoedig op het weerspannige volk zou neerkomen, hen opriep om door bekering eruit te komen. Bovendien wilde God, als Hij kwam, werkelijkheid zien; ware vruchten van gerechtigheid, en niet alleen maar een volk dat alleen in naam Zijn volk was. En Hij kwam in Zijn soevereine macht, die uit het niets tevoorschijn kon roepen wat Hij voor Zijn ogen wenste te hebben. God komt. Hij eiste gerechtigheid van de verantwoordelijke mens omdat Hij Zelf rechtvaardig is. Als het Hem behaagde, kon Hij door Zijn goddelijke macht zelfs uit stenen Abraham kinderen verwekken. De komst van God Zelf, Zijn aanwezigheid, kenmerkt hier alles.

De bijl lag al aan de wortel van de bomen en ieder zou naar zijn vruchten geoordeeld worden. Het was niet genoeg erop te roemen joden te zijn. Als zij dat voorrecht genoten, waar waren dan de vruchten? Waar God vruchten naar Zijn hart zou vinden, zou Hij ook de goede boom herkennen. Maar God nam niemand aan naar menselijke waardering van gerechtigheid en voorrechten, noch het oordeel dat de eigengerechtige zich over anderen zou vormen. Hij richt Zich tot het geweten van allen.

Daarom kwam de vermaning van Johannes tot de tollenaars, die door de joden gehaat waren als werktuigen van de knevelarij van de volken, en tot de soldaten, als de uitvoerders van de willekeurige bevelen van de heidense stadhouders en de koningen, door de Romeinen over het volk gezet, om te handelen in overeenstemming met dat wat ware godvrezendheid voortbracht, in tegenstelling met de ongerechtigheid die gewoonlijk door de wil van de mens gedaan wordt. De schare werd vermaand praktische weldadigheid te beoefenen. Het volk als geheel genomen, wordt gezien als een geslacht van adders, waarop de toorn van God zou neerkomen. De genade is ten opzichte van hen werkzaam door te waarschuwen voor het komende oordeel; maar dat oordeel stond al voor de deur.

Zo hebben we dus in de verzen 3-14 deze twee dingen: In de verzen 3-6 de positie van Johannes tegenover het volk als zodanig, in het bewustzijn dat God Zelf spoedig zou verschijnen en van 7-14 zijn beroep op het geweten van de individuele personen; in de verzen 7-9 leert hij hun dat voor het aangezicht van een heilig en rechtvaardig God, de uiterlijke voorrechten van het volk geen enkele bescherming zouden bieden. Zich verschuilen achter hun nationale voorrechten, betekende alleen maar het oordeel over zichzelf te brengen. Want het volk lag onder het oordeel en stond bloot aan de toorn van God. Na vers 10 treedt Johannes meer in bijzonderheden. Van verzen 15-17 wordt de vraag over de Messias beantwoord. Het grote onderwerp, de grote waarheid echter, die het getuigenis van Johannes voor de oren van het volk ontvouwde, is dat God Zelf zou verschijnen. De mens moest zich bekeren. Men kon zich niet beroepen op de tussentijds gegeven voorrechten als middel van zegen, tegenover de natuur en de gerechtigheid van Hem die kwam, evenmin als ze de kracht konden vernietigen waardoor Hij Zich een volk kon scheppen naar Zijn hart. Maar, overeenkomstig Zijn trouw tegenover een volk dat Hij liefhad, stond de deur van bekering nog open.

Voor de Messias was er, naar de raadsbesluiten, de wijsheid en de genade van God, een bijzonder werk te doen. “Hij zal u dopen met [de] Heilige Geest en vuur”. Dat wil zeggen, dat Hij de macht en het oordeel met Zich meebracht die het kwaad terzijde stelde, hetzij in heiligheid en zegen, hetzij in verderving. Het vuur is het beeld van dat oordeel dat verteert en vernietigt wat zich verzet tegen de wil van God. Christus doopt met de Heilige Geest. Dat is niet maar een vernieuwing van verlangens, maar kracht in genade te midden van het kwaad. Hij doopt met vuur. Dat is oordeel dat het boze verteert. Zo wordt het oordeel dus op Israël, Zijn dorsvloer, toegepast. Hij zou Zijn tarwe op een andere plaats in veiligheid brengen. Het kaf zal in oordeel worden verbrand.

Maar ten slotte wordt Johannes door de koning van het volk in de gevangenis geworpen. Dat wil niet zeggen dat deze gebeurtenis naar tijdsorde op dat ogenblik plaatsvond. Maar de Geest van God wil, vanuit zedelijk oogpunt bezien, het einde vaststellen van de dienst van Johannes, om dan verder te gaan met het leven van Jezus, de Zoon des mensen, die als Zoon van God in deze wereld werd geboren.

Met vers 21 begint deze geschiedenis; op een wonderbare wijze en vol van genade. God had door Johannes de Doper Zijn volk opgeroepen tot bekering. En zij, op wie Gods Woord uitwerking had, lieten zich door Johannes dopen. Dat was het eerste teken van leven en van gehoorzaamheid. Volmaakt in leven en gehoorzaamheid, komt Hij in genade neer voor het overblijfsel van Zijn volk, en, daarom uitgaande om Zijn plaats met hen in te nemen, wordt Hij gedoopt met de doop van Johannes, evenals zij. Treffend en wonderbaar getuigenis! Hij heeft niet lief op een afstand, noch alleen in het schenken van vergeving. Hij komt door genade op dezelfde plaats, waar de zonde van het volk hen had gebracht, naar het gevoel van die zonde die de bekerende en levendmakende kracht van God in hen gewerkt had. In genade brengt Hij Zijn volk daarheen, maar Hij gaat met hen mee. Hij kiest Zijn plaats bij hen, in al de moeilijkheden van de weg en gaat met hen, om alle hinderpalen die zich voordoen te ontmoeten. Zo vereenzelvigt Hij Zich met het arme overblijfsel, deze heerlijken op aarde waarin al Zijn lust was (Psalm 16) en noemt Jahweh Zijn Heer. Hij maakt Zichzelf tot niets, en zegt tot God: “Mijn goedheid is niet voor U”. Hij neemt niet Zijn eeuwige plaats met God in, maar de plaats van vernedering. Maar juist daardoor was het, in de positie waartoe Hij Zich vernederd had, de plaats van volmaaktheid. Maar een volmaaktheid die het bestaan van de zonde erkent, want de zonde was aanwezig, en het was voor het overblijfsel passend dit bij hun bekering tot God te voelen. Het bewustzijn van de aanwezigheid van zonde was het begin van het goede; van het werk van de genade en van de Geest in het overblijfsel. Daarom kan Hij met hen gaan. Maar hoe nederig genade ook is, in Christus was het gaan van die weg met hen een genade die in gerechtigheid werkte. Want in Hem was het liefde en gehoorzaamheid en de weg waarin Hij Zijn Vader verheerlijkte. Hij ging in door de deur.

In het innemen van deze plaats van vernedering die vanwege de toestand van het geliefde volk noodzakelijk was, en waartoe Hij door de genade werd gebracht, bevond Jezus Zich op de plaats van de vervulling van de gerechtigheid en van al het welbehagen van de Vader, waarvan Hij op deze wijze en op die plaats het Voorwerp werd. De Vader kon Hem erkennen als Degene die Zijn hart bevredigde, op de plaats waar de zonde was en waar tevens de voorwerpen van Zijn genade zich bevonden, zodat Hij aan Zijn genade de vrije loop kon geven. Het kruis was de volle vervulling van dit werk van de genade waarin Jezus Zich één maakt met de Zijnen om al de gevolgen te dragen van hun toestand. Het is waar dat er een onderscheid is tussen het kruis en deze eenmaking met hen in Zijn leven van liefde, en we zullen hierover iets zeggen als we over de verzoeking van de Heer spreken. Maar het beginsel is hetzelfde, voor zover het de wil van Zijn liefde en Zijn gehoorzaamheid aangaat. Christus was hier met het overblijfsel, terwijl Hij later plaatsvervangend de plaats voor hen zou innemen om de zonde te verzoenen. Maar hier heeft Hij, Die het welbehagen van de Vader was, in genade Zijn plaats ingenomen met het volk, dat gezien wordt als een volk dat zijn zonden voor God 9 belijdt en zich voor God stelt als verbonden met de zonden van het volk. En daardoor was het waarlijk zedelijk rein van deze zonden en vernieuwd in het hart om ze te belijden. Want zonder dat had de Heer niet met hen kunnen zijn, dan alleen als een getuige om hen profetisch genade aan te kondigen.

Als nu Jezus deze positie heeft ingenomen en bidt – openbaar wordt als de godvrezende van God afhankelijke Mens die Zijn hart tot God verheft en zo de uitdrukking is van volmaaktheid in deze positie – opent de hemel zich boven Hem. Door de doop nam Hij Zijn plaats in met het overblijfsel. Terwijl Hij nog daar is en bidt, toont Hij volmaaktheid in Zijn eigen verbinding met God. Afhankelijkheid en een hart dat zich tot God verheft – als eerste wat in dat hart opkomt en als uiting van zijn bestaan – is de volmaaktheid van de mens hier beneden. En in dit geval, van de mens in zulke omstandigheden als we hier zagen. Hier kan de hemel zich openen. En merk op, dat de hemel hier niet opengaat om een mens te zoeken die ver van God verwijderd is, of genade die het hart opent voor bepaalde gevoelens. Hier was de genade en de volmaaktheid van Jezus de oorzaak dat de hemel openging. Zoals er geschreven staat: “Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven afleg”. Zo is ook hier de positieve volmaaktheid van Jezus 10 de reden waarom de hemel geopend wordt.

Merk hierop, dat, als eenmaal dit beginsel van verzoening is ingevoerd, de hemel en de aarde niet meer zo ver van elkaar verwijderd zijn. Weliswaar moest, tot na de dood van Christus, deze intieme verhouding op de Persoon van Jezus gericht zijn, die het alleen kon verwezenlijken, maar daarin waren alle overigen begrepen. De nauwe verbinding tussen de hemel en de aarde was gevestigd, hoewel het tarwegraan alleen moest blijven, totdat het “in de aarde valt en sterft”. Toch konden de engelen zeggen, zoals we al zagen: “Vrede op aarde, in mensen een welbehagen (van God)”. Daar zagen we de engelen met de herders en de hemelse legermachten voor het oog en het oor van de aarde God prijzen voor dat wat er gebeurd was. En hier opent de hemel zich boven de Mens en de Heilige Geest daalt zichtbaar op Hem neer.
Laten we de draagwijdte van dit laatste feit overdenken. Christus heeft Zijn plaats ingenomen bij het overblijfsel in hun toestand van zwakheid en nederigheid, maar vervult daarin de gerechtigheid. Het gehele welbehagen van de Vader rust op Hem, en de Heilige Geest komt neer om Hem te verzegelen en te zalven met Zijn tegenwoordigheid en Zijn kracht. Als Zoon van God en mens op aarde, is de hemel voor Hem geopend en al het welbehagen van de hemel op Hem gericht, en wel op Hem als verbonden met de Zijnen 11. Vanaf de eerste stap die deze verootmoedigde zielen doen op de weg van genade en leven, vinden ze Jezus daar met hen. En als Hij er is betekent dat de gunst en het welbehagen van de Vader en de aanwezigheid van de Heilige Geest. En laten we ons altijd herinneren, dat het op Hem als mens is, hoewel Hij tegelijkertijd de Zoon van God was.

Dat is de positie van de mens die aangenomen is door God. Jezus is de maatstaf en de uitdrukking ervan. Ze wordt door twee dingen gekenmerkt: Het welbehagen van de Vader en de kracht en het zegel van de Heilige Geest. En dat in deze wereld, en gekend door hem die het heeft. Voor de mens die “in Jezus” is, is de hemel geopend. Voor ons bestaat er dit onderscheid, dat ik al eerder aangaf, dat wij door de Heilige Geest in de hemel zien waar Jezus is. Maar we nemen Zijn plaats in hier op aarde.

Als we dus zo de mens in Christus beschouwen, zien we de hemel geopend, de kracht van de Heilige Geest op Hem en in Hem, het getuigenis van de Vader, en de verbinding van de Zoon met de Vader.

Men zal opmerken, dat het geslachtsregister hier niet maar tot David en Abraham teruggaat (om te bewijzen dat Hij de Erfgenaam van de beloften naar het vlees is), maar tot Adam. Het is om de ware Zoon van God, een mens op aarde te tonen, daar waar de eerste Adam zijn titel van zoon van God, die hij in zekere zin ook bezat, heeft verloren.

En nu was de laatste Adam hier, de Zoon van God, aangenomen door de Vader. Hij bereidde Zich voor, om al de moeilijkheden op Zich te nemen waarin de val en de zonde van de eerste Adam degenen van zijn geslacht had gebracht, die onder de invloed van Zijn genade tot God kwamen. De vijand had door de zonde de macht over de eerste Adam.

En Jezus moest de overwinning over satan behalen, wilde Hij hen bevrijden die zich onder die macht bevonden. Hij moest de sterke man binden. Deze sterke man praktisch overwinnen is het tweede deel van het leven van de christenen. De vreugde in God en de strijd met de vijand vormen het leven van de verlosten die verzegeld zijn met de Heilige Geest en door Zijn kracht wandelen. En in deze beide dingen is de gelovige met Jezus en Jezus met hem.

Hoofdstuk 4

Jezus, de niet gekende Zoon van God op aarde, wordt door de Heilige Geest die Hem verzegeld had, in de woestijn geleid om de verzoeking te ondergaan waaronder Adam bezweken was. Maar Jezus doorstond deze verzoeking in de omstandigheden waarin wij verkeren; niet die waarin Adam zich bevond. Dat wil zeggen dat Hij de verzoeking voelde in al de moeilijkheden van het leven van het geloof: “Verzocht in alle dingen zoals wij, uitgenomen de zonde”. Merk op, dat het hier niet gaat over slavernij onder de zonde, maar over strijd. Als er sprake is van slavernij, is het een kwestie van bevrijding en niet van strijd. Israël streed in Kanaän, maar werd bevrijd uit Egypte; daar streden ze niet.

In Lukas zijn de verzoekingen gerangschikt naar hun zedelijke orde. Ten eerste, wat nodig is voor de lichamelijke behoeften. Ten tweede, de wereld. Ten derde geestelijke list. In elke verzoeking handhaafde de Heer Zijn positie van gehoorzaamheid en afhankelijkheid, terwijl Hij aan God en de door Hem aan de mens gedane mededelingen (het Woord), de juiste plaats gaf. Het is een eenvoudig beginsel, dat ons in iedere aanval volkomen veiligheid geeft en dat, door zijn eenvoud, volmaakt is! Laten we nooit vergeten dat het werkelijk zo is. Want we worden niet geroepen om ons te verheffen tot wonderbare hoogten, maar tot het volgen van wat het normale richtsnoer voor de leiding van ons leven in onze menselijke omstandigheden is. En dat is gehoorzaamheid en afhankelijkheid – niets te doen tenzij God het wil en vertrouwen in Hem. Deze wandel veronderstelt het bestaan van het Woord, en tevens dat wij het bezitten om ons te leiden en de wil van God te doen kennen. Het Woord is de uitdrukking van de wil, de goedheid en het gezag van God en van toepassing op al de omstandigheden van de mens zoals hij is. Het laat zien dat God belang stelt in alles wat de mens aangaat. Waarom zou de mens dan handelen zonder op God en Zijn Woord te letten? Helaas, als we spreken over de mens in het algemeen, moeten we zeggen dat hij eigenwillig is. Zich te onderwerpen en afhankelijk te zijn is nu juist wat hij niet wil. Hij is te veel vijand van God om vertrouwen in Hem te stellen. En juist door deze onderwerping, deze gehoorzaamheid, dit vertrouwen, onderscheidde de Heer Zich. De macht om een wonder te doen kon God geven aan wie Hij wilde. Maar een gehoorzaam mens, die niets wilde doen als God het hem niet gezegd had – een mens die leefde bij het Woord, een mens die leefde in volkomen afhankelijkheid van God, en een volmaakt vertrouwen had dat geen ander bewijs voor de trouw van God nodig had dan Zijn Woord en geen ander middel van zekerheid dat Hij tussenbeide zou komen dan Zijn belofte dat Hij het zou doen en die wachtte op deze tussenkomst van God in de weg van Zijn wil – ja, daar was meer dan kracht alleen. Dat was volmaaktheid in de mens, op de plaats waar de mens was. Niet alleen onschuld, want onschuld heeft het niet nodig zich aan God toe te vertrouwen te midden van moeilijkheden en smarten en vragen die door de zonde tevoorschijn worden geroepen en de kennis van goed en kwaad. Het was een volmaaktheid, die de persoon die ze bezat beschermde tegen elke aanval die satan op hem kon doen. Want wat kon satan doen tegen iemand die nooit buiten de wil van God ging, en voor wie deze wil de enige beweegreden tot handelen was? En bovendien was de kracht van de Geest van God aanwezig.

Zo zien we dat eenvoudige gehoorzaamheid, geleid door het Woord, het enige wapen is dat Jezus gebruikt. Om deze gehoorzaamheid te volbrengen, is afhankelijkheid van God en vertrouwen in Hem vereist. Hij leeft bij het Woord: dat is afhankelijkheid. Hij wil God niet verzoeken (dat is God op de proef stellen) of Hij getrouw is; dat is vertrouwen. Hij handelt wanneer God het wil en omdat Hij het wil en doet alleen wat Hij wil. Al het andere laat Hij aan God over. Dat is gehoorzaamheid. En merk hierop, dat deze gehoorzaamheid hier niet is een onderwerpen aan de wil van God terwijl er een tegengestelde wil aanwezig is, maar Gods wil is de enige drijfveer tot handelen. En wij zijn geheiligd tot de gehoorzaamheid van Christus.

Satan is overwonnen en machteloos tegenover deze laatste Adam, die handelt naar de kracht van de Geest, op de plaats waar de mens zich bevindt, door de middelen die God aan de mens heeft gegeven en te midden van de omstandigheden waar satan zijn macht uitoefent. Zonde was er niet in de Heer Jezus, anders zou Hij overwonnen zijn en niet zelf hebben overwonnen. Ze was uitgesloten door de gehoorzaamheid. Maar satan is overwonnen in de omstandigheden van verzoeking waarin de mens zich bevindt. De verzoekingen stonden in verband met: De lichamelijke behoeften, die uitgegroeid zouden zijn tot begeerlijkheid als, in plaats van afhankelijkheid van de wil van God, de eigenwil zich had laten gelden. De wereld en al haar heerlijkheid, die, voor zover ze het voorwerp is van de begeerte van de mens, in feite het koninkrijk van satan is (en op dat terrein probeerde satan de Heer te brengen, en bewees daardoor dat hij satan was). Ten slotte zelfverheffing op een godsdienstige wijze in de dingen die God ons heeft gegeven. Dat waren de drie punten van de aanval van de vijand. Maar er was bij Jezus geen zoeken van Zichzelf.

In het gedeelte dat we nu behandeld hebben zagen we dus een mens op aarde geboren uit de Heilige Geest en vervuld met die Geest, volmaakt het welbehagen van God en het voorwerp van Zijn liefde, Zijn geliefde Zoon, in de positie van afhankelijkheid. Verder een mens overwinnaar van satan te midden van de verzoekingen waardoor deze meestal voordeel behaalt op de mens. Hij overwon in de kracht van de Heilige Geest en door gebruik van het Woord, als afhankelijk, gehoorzaam en op God vertrouwend, in de gewone omstandigheden van de mens. In de eerste positie zagen we Jezus bij het overblijfsel. In de tweede was Hij alleen, zoals in Gethsemane en op het kruis. Toch was het voor ons. En, aangenomen zoals Jezus, moeten wij nu ook in zekere zin de vijand overwinnen. Maar wij weerstaan een overwonnen vijand, in de kracht van de Geest van God die ons gegeven is krachtens de verlossing. Als wij de vijand weerstaan, zal hij van ons vluchten, want hij heeft eenmaal zijn Overwinnaar ontmoet. Hij vindt Christus in ons. Het vlees weerstaat hem niet. Tegenstand in het vlees leidt niet tot overwinning.
Jezus overwon de sterke man en roofde daarna zijn goederen. Maar het was in de verzoeking dat Hij hem overwon, terwijl Hij gehoorzaam was en geen andere wil had dan die van God, afhankelijk, het Woord gebruikte, en onderworpen bleef aan God. In al deze dingen faalde de eerste Adam. Na de overwinning van Christus, behalen ook wij, als Zijn dienstknechten, werkelijke overwinningen, of beter gezegd, we plukken de vruchten van de overwinning die al behaald is in de tegenwoordigheid van God.

En nu heeft de Heer, om zo te zeggen, Zijn plaats ingenomen om het werk van de laatste Adam te doen – de Mens in wie de Geest is zonder maat, de Zoon van God in deze wereld door Zijn geboorte. Hij heeft deze plaats ingenomen als het zaad (nageslacht) van de vrouw, hoewel ontvangen van de Heilige Geest; Hij heeft ze ingenomen als de Zoon van God, volkomen welbehagelijk aan God in Zijn Persoon als mens op aarde; en Hij heeft ze ook ingenomen als de overwinnaar van satan. Erkend als de Zoon van God, en verzegeld met de Heilige Geest door de Vader, opent de hemel zich boven Hem als mens. Zijn geslachtsregister gaat echter terug tot Adam. En als nakomeling van Adam, zonder zonde en vol van de Heilige Geest, overwint Hij satan (als de gehoorzame mens, die geen andere drijfveer heeft dan alleen de wil van God), en maakt Zich op om het werk te volbrengen dat God, Zijn Vader, Hem te doen had gegeven in de wereld. En dat als mens, in de kracht van de Heilige Geest.

Hij keert in de kracht van de Geest naar Galilea 12 terug en Zijn gerucht verbreidt zich door geheel het omliggende land. Hij stelt Zich voor in het karakter van Jesaja 61:1-2. “[De] Geest van [de] Heer is op Mij, doordat Hij Mij heeft gezalfd om aan armen het evangelie te verkondigen; Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te prediken en aan blinden [het] gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijlating, om te prediken [het] aangename jaar van [de] Heer”. Hier houdt de Heer op met lezen. Wat verder volgt in de profetie laat de Heer weg, want dat gaat over de bevrijding van Israël door het oordeel, dat in wraak zal worden uitgeoefend over de vijanden van het volk. Want Jezus kondigt hier geen beloften aan, maar is door Zijn aanwezigheid de vervulling ervan. De Geest is op deze Mens, die vol van genade is, en de God van genade in Hem openbaart Zijn goedheid. De tijd van de verlossing is gekomen. Degene in wie Zijn gunst voor Israël zich bevindt, is in hun midden.

Het overdenken van deze profetie van Jesaja maakt dit getuigenis nog belangrijker, omdat de Heilige Geest, na in de voorgaande hoofdstukken de zonde van het volk en het naderende oordeel te hebben voorgesteld, alleen maar spreekt van de genade en de zegen voor Israël als Christus de Gezalfde wordt ingevoerd. En zelfs daar waar er sprake is van het oefenen van wraak, wordt deze uitgeoefend aan de vijanden, om het volk te verlossen.

Maar hier is het genade in Zijn Persoon. In deze Mens, de Zoon van God, vol van de Heilige Geest, om de barmhartigheid van een God aan te kondigen die trouw aan Zijn beloften is en om de armen van geest en de gebrokenen van hart te vertroosten en op te richten. De zegen was aanwezig en stelt zichzelf aan hen voor. Ze konden ze niet misverstaan, maar ze erkenden de Zoon van God niet. Daarom zeiden ze: “Is Deze niet [de] Zoon van Jozef?” We zien hier de gehele geschiedenis van Christus. Hij is de volmaakte openbaring van de genade in het midden van Israël, Zijn land en Zijn volk; en ze hebben Hem niet gekend. Geen profeet is in zijn vaderland geëerd. Maar deze verwerping van de Heer opende de deur voor een genade die ver buiten de grenzen ging waarbinnen een opstandig volk deze wilde houden. De weduwe te Sarepta en Naäman de Syriër waren getuigen van deze genade.

Toorn vervult het hart van hen, die de genade verwerpen. Ongelovig, en onbekwaam om de zegen te zien die tot hen komt, willen ze niet dat deze zegen tot anderen gaat. De hoogmoed die hen onbekwaam maakt om de zegen te waarderen, wil niet dat ze aan anderen wordt gegeven. Ze willen Jezus doden, maar Hij vervolgt Zijn weg. Hier is de gehele geschiedenis van Jezus in het midden van het volk, zoals deze zich zou ontwikkelen. De Heer gaat voort met Zijn werk en de Geest vertelt ons de daden en genezingen die Zijn dienst kenmerken in verband met de kracht van de genade en de uitbreiding ervan tot anderen die buiten Israël stonden.

In Hem, wiens genade verworpen werd, was kracht. Wordt Hij niet door Israël erkend, de demonen doen het wel, maar met een enkel woord werpt Hij ze uit. De gehele macht van de vijand, al de droevige gevolgen van de zonde, verdwijnen voor Hem. Hij geneest de zieken en trekt Zich daarna terug ondanks de schare die Hem vraagt te blijven. Want het gevolg van Zijn daden bracht Hem een ongezocht eerbetoon van het volk. Hij gaat heen om ergens anders te werken in het getuigenis dat Hem was toevertrouwd. Hij zoekt geen eer, maar wil Zijn werk volbrengen. Hij predikt overal onder het volk, werpt de vijand uit, heft het lijden op, en verkondigt aan de armen de goedheid van God.

Hoofdstuk 5

De Heer was als mens voor mensen gekomen. En nu wil Hij anderen met Zich verbinden in Zijn heerlijk werk. Hij heeft het recht daartoe. Als Hij in genade een Dienstknecht is, is Hij dat naar de volle kracht van de Heilige Geest. Hij verricht een wonder, dat in het bijzonder geschikt is hen te treffen, die Hij wil roepen. Het doet hen voelen dat Hij over alles te beschikken heeft, dat alles van Hem afhankelijk is, en dat Hij alles kan doen waar de mens niets kan.

Door de aanwezigheid van de Heer is Petrus in zijn geweten getroffen en belijdt zijn onwaardigheid. Maar, aangetrokken door de genade, gaat hij tot Christus. De genade richt hem op en stelt hem aan om tot anderen over haar te spreken, als een visser van mensen. Jezus is al niet meer een prediker van gerechtigheid onder het volk van God, maar een die hen die ver verwijderd zijn, in Zijn net wil trekken. Hij trekt ze tot Zich als de openbaring op aarde van de macht en het karakter van God. Het was de genade die aanwezig was.

Hij was daar met de wil en de macht om datgene te genezen wat een teken was van de zonde en alleen door de tussenkomst van de macht van God genezen kon worden, namelijk de melaatsheid. En God kwam in genade tussenbeide. Jezus kan zeggen en zegt tegen een die Zijn macht erkent, maar aan Zijn wil twijfelt: “Ik wil, word gereinigd” 13. Maar als gehoorzaam aan de wet onderwerpt Hij Zich aan de joodse inzettingen. Hij bidt, als een mens die afhankelijk is van God. Dat is Zijn volmaaktheid als een mens onder de wet geboren. Bovendien was het noodzakelijk dat Hij de inzettingen van God erkende, want ze waren nog niet terzijde gesteld omdat Hij nog niet definitief verworpen was. Hij was nog in het midden van Israël. Maar deze gehoorzaamheid als mens werd een getuigenis voor Hem, want alleen de macht van Jahweh kon de melaatse genezen. En de priesters moesten erkennen wat gebeurd was met de melaatse, zodat ze de tussenkomst van God moesten erkennen.

Maar Jezus brengt niet alleen reiniging, maar ook vergeving van zonden. Hij geeft daarvan een bewijs door het wegnemen van alle zwakheid en gebrek, terwijl Hij kracht geeft aan iemand die ze niet bezit. Het is hier niet de leer dat God zonden kan vergeven. Dat geloofden ze wel. Maar God was tussenbeide gekomen en de vergeving was aanwezig. Ze hoefden niet meer te wachten tot de laatste dag, of tot de dag van het oordeel, om te weten hoe het met hen stond. Er was geen Nathan meer nodig, zoals bij David, om van de zijde van een God in de hemel, vergeving aan te kondigen aan Zijn volk op aarde. De vergeving was gekomen in de Persoon van de op aarde afgedaalde Zoon des mensen. In dit alles gaf de Heer de bewijzen van de macht en de rechten van Jahweh. In dit geval was het de vervulling van Psalm 103:3. Maar tegelijk gaf de Heer deze bewijzen om te laten zien dat ze gewerkt waren door de kracht van de Heilige Geest, zonder maat aanwezig in een mens die in Zijn eigen Persoon de ware Zoon van God was. De Zoon des mensen had macht op aarde de zonden te vergeven. Inderdaad was Jahweh gekomen, een Mens op aarde. De Zoon des mensen stond daar in genade voor hun ogen, om deze macht uit te oefenen – een bewijs dat God hen bezocht had. In deze beide gevallen 14 ontvouwt de Heer deze macht in verbinding met Israël, hoewel zij geschikt was om buiten deze sfeer te gaan en dit ook moest doen. De reiniging van de melaatse was een bewijs van de macht van Jahweh in het midden van Israël, en de vergeving stond in verbinding met Zijn regering in dat volk, en gaf daarom het bewijs van haar bestaan door de volkomen genezing van de lijdende man, naar Psalm 103 15.
Zonder twijfel waren deze rechten niet beperkt tot Israël, maar op dat ogenblik werden ze in verbinding met dat volk uitgeoefend. Hij reinigde in genade, dat wat Jahweh alleen kon reinigen. Hij vergaf datgene wat Jahweh alleen kon vergeven, terwijl Hij alle gevolgen van hun zonde wegnam. In dit opzicht was het een regeringsgewijze vergeving (voor de tijd). Overal, waar het geloof er gebruik van wilde maken, was de macht van Jahweh aanwezig om Israël volledig te herstellen en weer op te richten. Later zullen we de vergeving vinden die vrede aan de ziel geeft.

De roeping van Levi en dat wat volgt laat ons zien, dat deze macht van genade die de vrede en het leven bracht, niet alleen buiten de grenzen van Israël moest gaan, maar dat de oude vaten ook niet in staat waren ze te bevatten. Ze moest zelf een nieuw vat vormen. We kunnen hier ook opmerken, dat geloof gekenmerkt wordt door volharding. In het bewustzijn van het kwaad, een kwaad zonder geneesmiddel, en anderzijds in het besef dat Hij die genezen kan aanwezig is, laat het geloof zich niet ontmoedigen, noch zich de hulp in de nood ontnemen. En de macht van God was aanwezig om in deze nood te voorzien. Hiermee eindigt dat deel van de geschiedenis waarin positief de Goddelijke macht wordt geopenbaard, die in genade op aarde was neergedaald in de Persoon van de Zoon des mensen, en uitgeoefend in Israël in de toestand waarin het hen vond. Wat nu verder volgt kenmerkt de uitoefening van de genade in tegenstelling met het jodendom.

Maar het gedeelte dat we al overdacht hebben, is in twee delen gesplitst, elk met zijn eigen karakter. Ten eerste zien we in hoofdstuk 4:31-41 de geopenbaarde macht van de Heer, als triomferend, (zonder enig verband met de gedachten van de betrokken personen), over al de macht van de vijand, of het nu zieken zijn of bezetenen. De macht van de vijand is er en Jezus drijft hem uit en geneest hen die erdoor lijden. Maar ten tweede: Zijn eigenlijke werk was prediken. Het koninkrijk was niet alleen de openbaring van een macht die de gehele macht van de vijand verdreef, maar van een kracht die de zielen in verbinding bracht met God. We zien dit in hoofdstuk 5:1-26. In dit gedeelte gaat het over de toestand van de ziel tegenover God, over zonde en geloof; kortom: over alles wat behoort tot hun verbinding met God.

Daarom zien we hier het gezag dat het Woord van Christus over het hart uitoefent, de openbaring van Zijn heerlijkheid (Hij wordt erkend als Heer), overtuiging van zonde, rechtvaardige ijver voor Zijn heerlijkheid, in het gevoel van Zijn heiligheid die onbesmet moest blijven. We zien dat de ziel de kant van God kiest tegen zichzelf, omdat ze heiligheid liefheeft en de heerlijkheid van God eerbiedigt, zelfs terwijl ze de aantrekkingskracht van Zijn genade voelt. Door deze dingen wordt alles vergeten: de vissen, het schip, de netten en het gevaar, want “één ding” heeft bezit genomen van de ziel. Daarna verdrijft het antwoord van de Heer alle vrees, en Hij verbindt de bevrijde ziel met Zichzelf in de genade die Hij haar had betoond en in het werk dat Hij ten behoeve van de mens volbracht. Ze was zedelijk al losgemaakt van alles wat haar omringde. En nu in het volle genot van de genade, wordt ze bevrijd door de kracht van de genade om geheel voor Jezus te zijn. De Heer, die de volmaakte openbaring van God is, schept door deze openbaring van God nieuwe genegenheden en scheidt daardoor het hart van alles wat het aan de wereld, de orde van de oude mens, bindt om het af te zonderen voor Zichzelf – voor God. Hij omringt Zichzelf met alles wat bevrijd is en wordt hun Middelpunt en maakt als zodanig werkelijk vrij.

Vervolgens reinigt Hij de melaatse, wat alleen Jahweh kon doen. Maar Hij verlaat Zijn positie onder de wet niet. En hoe groot de roep ook is die van Hem uitgaat, Hij blijft op Zijn plaats van volkomen afhankelijkheid, als mens tegenover God. De melaatse, de onreine kan tot God terugkeren.

Daarna schenkt Hij vergeving. De schuldige is niet meer schuldig voor God. Hij heeft vergeving ontvangen en tegelijkertijd kracht. Toch is het steeds de Zoon des mensen die daar is. In beide gevallen zoekt het geloof de Heer en brengt zijn noden bij Hem.

In vers 27 en verder laat de Heer het karakter van deze genade zien ten opzichte van de voorwerpen waarmee zij zich bezighoudt. Omdat zij soeverein en van God is, handelt zij krachtens haar rechten. De menselijke omstandigheden kunnen dat niet verhinderen. Door wat ze in zichzelf is, past ze zich aan de menselijke nood aan en niet aan de menselijke voorrechten. Ze is niet onderworpen aan inzettingen, 16 en wordt door deze niet ingevoerd. De macht van God door de Geest was aanwezig en handelde voor zichzelf. Ze had haar eigen gevolgen en stelde het oude terzijde waaraan de mens gehecht was, maar waartoe de macht van de Geest zich niet kon beperken.

De Heer geeft hier de reden op waarom de discipelen de inzettingen en voorschriften van Johannes en van de farizeeën niet opvolgen. Hij verbindt hen met de twee al aangewezen beginselen, namelijk Zijn positie in het midden van Israël, en de macht van de genade die de grenzen van Israël overschrijdt. De Messias, Jahweh Zelf, was in het midden van Israël naar die genade volgens welke Hij Zich noemde “Jahweh uw Heelmeester” (Exodus 15:26). Hij was dit, ondanks hun falen onder de wet en ondanks hun onderwerping aan de volken. Het geloof zag Hem daar in de almacht van de genade. Konden zij daarom die Hem erkenden als de Messias, de Bruidegom van Israël, vasten terwijl Hij bij hen was? Hij zou hen verlaten en dan zou het zonder twijfel voor hen de tijd zijn om te vasten. En bovendien was het onmogelijk, en het is dat altijd, om het nieuwe kleed van het christendom aan te passen aan het oude kleed van het jodendom dat in zijn wezen onbekwaam is om de kracht van de genade te ontvangen of er zich bij aan te passen, als een bedeling die versleten is vanwege de zonde en waaronder Israël in oordeel was onderworpen aan de volken. En bovendien kon de macht van de Geest van God in genade zich niet laten opsluiten binnen de inzettingen van de wet. Ze zou, door haar eigen kracht, deze inzettingen omverwerpen. De roeping van Levi kwetste op de meest openlijke manier alle vooroordelen van de joden. Hun eigen medeburgers waren (als tollenaars) de werktuigen van afpersing in de hand van hun overheersers en herinnerden hen op de meest pijnlijke manier aan hun onderwerping aan de volken. Maar de Heer was in genade aanwezig om zondaars te zoeken.

De Heilige Geest stelt ons hier dus voor de aanwezigheid van de Heer en de rechten die noodzakelijk verbonden zijn met Zijn Persoon en Zijn soevereine genade die in Israël was gekomen maar noodzakelijk de grenzen van dat volk overschreed. Als gevolg werd het stelsel van de wet, dat de “nieuwe dingen” niet kon bevatten, terzijde gesteld. Dit is de sleutel voor al deze gebeurtenissen. Zo ook in wat we vervolgens lezen over de sabbat. Het eerste geval toont de verhevenheid aan die Zijn heerlijke Persoon Hem gaf over dat wat het teken van het verbond zelf was (hoofdstuk 6:1-5). Het andere geval laat zien dat de goedheid van God geen afstand kan doen van Zijn natuur en van Zijn rechten. Hij wilde goeddoen, zelfs op de sabbat (hoofdstuk 6:6-11).
De farizeeën en schriftgeleerden wilden niet dat de Heer Zich verbond met de zondaars en mensen van slechte reputatie. Maar God zoekt in genade zulke mensen, zondaars die aan Hem behoefte hebben. Als ze vragen aan de Heer waarom Zijn discipelen de gewoonten en inzettingen van Johannes en van de farizeeën niet opvolgen, waardoor de laatsten de wettische vroomheid van hun volgelingen bestuurden, is Zijn antwoord dat de “nieuwe dingen” niet onderworpen konden worden aan de vormen van de “oude dingen”, die de kracht en de energie van datgene wat van God kwam niet konden bevatten. De oude dingen waren de vormen van de mens naar het vlees. Het nieuwe was de kracht van God naar de Heilige Geest. En bovendien was het de tijd niet voor een vroomheid die het karakter had aangenomen van zelfkastijding. Wat kon de mens anders doen? Maar de Bruidegom was aanwezig. En hoewel dit een oorzaak van vreugde moest zijn, gezien de kracht van God die er was, verkoos de mens toch liever het oude, omdat het de mens was en niet de kracht van God.

Hoofdstuk 6

De gebeurtenissen die hier beschreven worden (verzen 1-10) en die we al vluchtig hebben overzien, hebben betrekking op dezelfde waarheid en vanuit een bijzonder oogpunt bezien. De sabbat was het teken van het verbond tussen God en Israël. Het was de rust na volbrachte arbeid. De farizeeën berispten de discipelen omdat ze de aren die ze plukten met hun handen fijnwreven. Nu, een verworpen David had de grenzen van de wet al overschreden toen zijn behoeften dit eisten. Want als de Gezalfde van God verworpen en uitgeworpen wordt, worden alle dingen in zekere zin algemeen. De Zoon des mensen, (Zoon van David, verworpen zoals de zoon van Jesse, de verkoren en gezalfde koning), was Heer van de sabbat. God die deze inzetting gegeven had staat boven de door Hem ingestelde inzettingen. En nu Hij in genade aanwezig was, moest de verplichting van de mens wijken voor de soevereiniteit van God. De Zoon des mensen was daar, bekleed met de rechten en de macht van God: wonderbaar feit! Maar bovendien liet deze macht van God die in genade aanwezig was niet toe dat de ellende bleef bestaan, want het was de dag van genade. Maar dat betekende niets minder dan dat het jodendom terzijde werd gesteld. Het jodendom was de verplichting van de mens tegenover God, en Christus was de openbaring van God in genade tegenover de mens 17. Terwijl Jezus nu van de rechten van de hoogste goedheid gebruik maakt en een macht ontvouwt die Zijn aanspraak op deze rechten staaft, geneest Hij in de volle synagoge een man met een verdorde hand. Die in de synagoge aanwezig waren, werden met toorn vervuld bij deze openbaring van macht, die de dijken van hun hoogmoed en eigengerechtigheid overstroomde en wegspoelde. En we moeten er wel op letten, dat al deze omstandigheden bijeengebracht zijn in een orde en onderling verband 18 die volmaakt zijn.

Zo had de Heer aangetoond, dat deze genade, (die Israël had bezocht overeenkomstig alles wat men verwachten kon van de Almachtige God die trouw aan Zijn beloften is), toch niet beperkt kon blijven tot de enge grenzen van dat volk, noch aangepast aan de inzettingen van de wet. Verder liet Hij zien, dat de mens de oude dingen liever had, maar dat de macht van God krachtens Zijn eigen natuur handelt. Dan maakte Hij nog duidelijk dat het meest heilige, het meest verplichte, teken van het oude verbond, moest buigen voor Zijn recht dat boven alle inzettingen verheven was, en plaats moest maken voor de rechten van Zijn goddelijke liefde die werkzaam was. Het oude was daarmee geoordeeld en zou verdwijnen. In alles, en in het bijzonder in de roeping van Petrus, had de Heer Zich laten zien als het nieuwe middelpunt. Alles wat God en de zegen zocht, zou zich rondom Hem moeten scharen. Want Hij was de levende openbaring van God en van de zegen voor de mens. God was dus geopenbaard. De oude orde van zaken was versleten en onbekwaam om deze genade te bevatten, en het overblijfsel werd afgezonderd, rondom de Heer, van een wereld die geen enkele schoonheid in Hem zag om Hem te begeren. En nu handelt de Heer naar deze nieuwe grondslag. En als het geloof Hem nog in Israël zoekt, openbaart de macht van deze genade God nu op een nieuwe wijze. Als middelpunt van zegen in Christus als mens, vergadert God nu mensen om Zich heen. Maar Hij is liefde en in de werkzaamheid van die liefde zoekt Hij wat verloren is. Niemand kon zijn volgelingen om zichzelf vergaderen dan Hij alleen die God was en God openbaarde. Geen enkele profeet had het gedaan (zie Johannes 1). Niemand dan God alleen, kon uitzenden met het gezag en de macht van een goddelijke zending. Christus was gezonden en Hij zendt nu anderen. De naam “apostel” (gezondene), want zo noemt Hij hen, bevat de diepe en wonderbare waarheid, dat God in genade werkzaam is. Hij omringt Zich met gelukkige mensen; Hij zoekt verloren zondaars. En als Christus, het ware middelpunt van genade en geluk, Zichzelf omringt met hen die Hem volgen, dan zendt Hij ze vervolgens als Zijn uitverkorenen uit om te getuigen van de liefde die Hij kwam openbaren. God heeft Zich geopenbaard in de mens, en zoekt als zodanig zondaars. De mens heeft deel aan de meest directe tentoonspreiding van de goddelijke natuur en wel op twee manieren. Hij is met Christus als mens en hij wordt door Christus gezonden. Christus Zelf zendt als mens; als mens vervuld met de Heilige Geest.

We zien Hem hier weer zoals altijd: afhankelijk van de Vader voordat Hij de apostelen kiest. Hij trekt Zich terug om te bidden en brengt de gehele nacht door in gebed.

Eerder hebben we gezien, dat Hij Zich openbaarde als persoonlijk vol van de Heilige Geest. Maar nu gaat Hij verder. Hij gaat de kennis van God onder de mensen brengen. Hij wordt het Middelpunt waarheen allen moeten komen die God zoeken, en een bron van zending voor de vervulling van Zijn liefde – het middelpunt van de openbaring van goddelijke kracht in genade. En daarom vergadert Hij om Zich heen het overblijfsel dat gered moet worden. In alle opzichten is Zijn positie samengevat, in wat er gezegd wordt als Hij van de berg komt. Van de hoogte van Zijn gemeenschap met God daalt Hij met de apostelen af in de vlakte (letterlijk: een vlakke plaats in de bergen). Hij is daar omringd door Zijn discipelen en ook door een grote schare die aangetrokken is door Zijn woorden en werken. De aantrekkingskracht van het Woord van God vergadert hen rondom Hem en Hij geneest de ziekten van de mensen en werpt de macht van satan uit. De kracht om dat te doen woonde in Zijn Persoon. En als deze kracht van Hem uitging, werd daardoor een uiterlijk getuigenis gegeven van de macht van God die in genade aanwezig was. Door deze middelen werd de aandacht van het volk op Hem gericht. Toch hebben we gezien, dat het oude, waaraan het volk gehecht was, voorbijging. De Heer omringt Zich hier met harten die trouw zijn aan God; de geroepenen van Zijn genade. Hier verkondigt Hij dus niet bepaald, zoals in Mattheüs, het karakter van het koninkrijk om dat van de toekomstige bedeling te tonen (Zalig zijn de armen van geest enzovoort). Maar Hij wijst op een bijzonder kenmerk van het overblijfsel, namelijk hun verbondenheid met Hem. Hij zegt tot de discipelen die Hem volgen, dat zij die gelukzaligen zijn. Ze waren arm en miskend, maar ze waren welgelukzalig. Ze zouden het koninkrijk bezitten. Dit is belangrijk, want het zondert het overblijfsel af en brengt het in verbinding met Hemzelf om de zegen te ontvangen. En daarna tekent Hij, op een merkwaardige wijze, het karakter van hen, die zo door God gezegend werden.

Deze rede van de Heer kan men als volgt onderscheiden: Vers 20-26. Het onderscheid tussen het overblijfsel dat geopenbaard is als Zijn discipelen, en de massa van het volk dat tevreden is met de wereld. De Heer voegt er echter een waarschuwing bij voor hen die de plaats van discipel innemen, en daarin de gunst van de wereld zouden winnen. Wee hen! We moeten hier ook opmerken, dat er hier geen vervolging is om der gerechtigheid wil, zoals in Mattheüs, maar alleen “om Zijns naams wil”. De positie van ieder wordt gekenmerkt door zijn verbondenheid met de Persoon van de Heer.

Vers 27-36. Het karakter van God hun Vader in de openbaring van genade in Christus, die zij moeten navolgen. Merk hierop, dat Hij hier de Naam van de Vader openbaart en hen in de positie van kinderen plaatst.

Vers 37-38. Dit karakter wordt bijzonder geopenbaard in de positie van Christus, zoals Hij toen op aarde was en Zijn dienst op aarde vervulde. Dit veronderstelt de regering en de beloning van de kant van God, zoals dat het geval is in verbinding met Christus Zelf.

Vers 39. De toestand van de leiders van Israël en de verbinding tussen hen en het volk.

Vers 40. De toestand van de discipelen in verbinding met Christus.

Vers 41-42. Het middel om in die toestand te komen en helder te zien te midden van het kwaad, is, bij zichzelf alle kwaad weg te doen.

Vers 43 en verder. Hier zien we dat in het algemeen elke boom door zijn eigen vruchten wordt gekenmerkt. Zich om Christus te scharen om Zijn Woord te horen is niet voldoende. Hij moet zo’n waarde hebben voor het hart dat het elke hindernis wegdoet en Hem praktisch gehoorzaamt.

Laten we nu nog eens samenvatten wat we in hoofdstuk 5-6 hebben overdacht. Christus handelt in een macht die het boze uitdrijft omdat Hij het daar vindt, en Hij goed is; en God alleen is goed. Hij bereikt het geweten en roept zielen tot Zich. Hij handelt in verbinding met de hoop van Israël en de kracht van God om te reinigen, te vergeven en kracht te geven. Maar het is een genade die we allen nodig hebben. En de goedheid van God, de energie van Zijn liefde, beperkte zich niet tot dat volk alleen. De uitoefening van deze macht paste niet bij de vormen waarin de joden leefden, of beter gezegd: waarin ze niet konden leven. De nieuwe wijn moest in nieuwe zakken gedaan worden. De vraag over de sabbat was beslissend voor de invoering van deze macht en het teken van het verbond moest ervoor wijken. Hij die deze macht uitoefende was Heer van de sabbat. De goedheid van de God van de sabbat kon niet worden tegengehouden, alsof Zijn handen gebonden waren door wat Hij in verband met het verbond had bevolen. En dan vergadert Jezus overeenkomstig de wil van God, de vaten van Zijn genade en macht rondom Zichzelf. Zij waren de gelukzaligen die het koninkrijk zouden beërven. De Heer beschrijft ook hun karakter. Het bestond niet uit onverschilligheid en hoogmoed die het gevolg zijn van het niet kennen van God, waarom Hij Zich rechtvaardig van Israël had afgewend, dat tegen Hem gezondigd had en de heerlijke openbaring van Zijn genade in Christus veracht. De discipelen delen in de ellende en smart die zo’n toestand van het volk van God moest teweegbrengen bij hen, die de gezindheid van God hadden. Hun eer was hierin gelegen, dat ze gehaat, vervolgd en gehoond zouden worden ter wille van de Zoon des mensen die gekomen was om hun smarten te dragen. Ze zouden delen in Zijn heerlijkheid als de natuur van God verheerlijkt was in het doen van alle dingen naar Zijn wil. In de hemel zouden ze niet gehoond worden. Daar zouden ze hun beloning vinden, niet in Israël. Hun vaders hadden hetzelfde gedaan met de profeten. Wee hen die gerust waren in Sion tijdens de zondige toestand van Israël en hun vervolging en verwerping van de Messias! We zien hier het onderscheid tussen het karakter van het ware overblijfsel en dat van de hoogmoedigen onder het volk.

Daarna zien we het gedrag dat de discipelen past; een gedrag dat om het kort uit te drukken, in zijn wezenlijke bestanddelen overeenstemt met het karakter van God in genade zoals geopenbaard in Jezus op aarde. Maar Jezus had Zijn eigen karakter van dienst als Zoon des mensen. De toepassing hiervan op de persoonlijke omstandigheden van de discipelen, vinden we in verzen 37-38. In vers 39 vinden we de leidslieden van Israël, en in vers 40 het deel van de discipelen voorgesteld. Verworpen als Hij, zouden ze Zijn deel ontvangen. Maar als ze Hem volmaakt volgden, zouden ze het hebben in zegen, in genade, in karakter en in positie. Wat een gunst! 19 En om een helder zedelijk inzicht te hebben, moest men zichzelf oordelen en niet zijn broeder. Als de boom goed is zal ook de vrucht goed zijn. Het zelfoordeel wordt toegepast op de bomen. En dit is overal en altijd waar. In het oordelen van zichzelf wordt niet alleen de vrucht verbeterd maar vooral de persoon zelf (de boom). En de boom wordt gekend aan zijn vruchten. Niet alleen door goede vruchten, maar door zijn eigen vrucht. De christen draagt de vruchten van de natuur van Christus. Maar het is nodig eraan herinnerd te worden, dat het gaat om het hart zelf en om werkelijke praktische gehoorzaamheid. Hier worden dus de grote beginselen van het nieuwe leven, in zijn volle praktische openbaring in Christus, voor onze aandacht gesteld. Het is het zedelijke “nieuwe”, de smaak en het karakter van de “nieuwe wijn”; het overblijfsel gelijkgemaakt aan Christus die ze volgen. Christus, het nieuwe middelpunt van de werking van de Geest van God en van de roepstem van Zijn genade. Christus is buiten de ommuurde hof van het judaïsme getreden in de kracht van een nieuw leven en op het gezag van de Allerhoogste die zegen binnen de muur had gebracht, die het jodendom niet in staat was te erkennen. Hij is eruit weggegaan, krachtens de beginselen van dat nieuwe leven zelf dat Hij aankondigde, hoewel Hij er, historisch gezien, nog in was.

Hoofdstuk 7

Na dit alles zien we de Heilige Geest daarom werken in het hart van een niet-jood. Dat hart openbaart meer geloof dan er onder de kinderen van Israël was. Ootmoedig van hart en het volk van God liefhebbend omdat het Gods volk was, steeg hij in zijn genegenheden uit boven hun praktische ellende. Hij kon in Jezus een Persoon zien die over alle dingen gezag had, zoals hijzelf had over zijn soldaten en dienstknechten. Hij wist niets af van de Messias, maar hij erkende in Jezus de macht van God 20. Dit was niet zo maar een gedachte; het was geloof. En zo’n geloof was er in Israël niet te vinden.

Vervolgens zien we dat de Heer met een kracht werkt die de bron zou zijn voor wat nieuw is voor de mens: Hij wekt doden op. Dat ging inderdaad buiten alle grenzen van de verordeningen van de wet. De Heer had medelijden met de ellende en de droefheid van de mens. De dood drukt als een zware last op hem: Jezus bevrijdt hem ervan. Hier wordt niet maar een melaatse Israëliet gereinigd, of vergeving of genezing geschonken aan een gelovige onder het volk. Hij geeft het leven terug aan iemand die het verloren had. Zonder twijfel zal Israël daarvan genieten. Maar de kracht die nodig is voor deze levendmaking, is datgene dat alles nieuw maakt waar ze ook werkt.

De verandering waarvan we spreken, waarvan deze twee gebeurtenissen duidelijke illustraties zijn, wordt openbaar in de beoordeling van de verbinding tussen Christus en Johannes de Doper. Deze laatste, die had horen spreken over de wonderen van Jezus, zendt zijn discipelen tot Hem om uit Zijn eigen mond te horen wie Hij was die deze wonderen verrichtte. Johannes zat al in de gevangenis, en zonder twijfel zou de Messias hem daaruit bevrijden als Hij Zijn macht uitoefende. Was Jezus de Messias? Of moest Johannes een ander verwachten? Hij had geloof genoeg om te vertrouwen op het antwoord van Degene die deze wonderen deed. Maar, opgesloten in de gevangenis, verlangde zijn geest iets meer positiefs. Deze omstandigheid, door God Zelf tevoorschijn geroepen, geeft aanleiding tot een verklaring over de met elkaar in verbinding staande posities van Johannes en Jezus. De Heer ontvangt hier geen getuigenis van Johannes. Johannes moest Christus aannemen op het getuigenis dat Hij van Zichzelf gaf. En dat in een positie die iedereen zou ergeren die naar joodse en vleselijke begrippen oordeelde. Een positie die geloof in een goddelijk getuigenis vereiste en die als gevolg zichzelf omringde met hen die door een zedelijke verandering bekwaam waren om dit getuigenis te waarderen.

Als antwoord aan de boodschappers van Johannes, verricht de Heer wonderen die de macht van God openbaren die in genade aanwezig is en de armen dient. Hij verklaart hem gelukzalig, die zich niet ergert aan de nederige positie die Hij heeft ingenomen om Zijn dienst te vervullen. Maar nu Jezus geen getuigenis van Johannes ontvangt, geeft Hij getuigenis aan Johannes. Met reden had Johannes de aandacht van het volk getrokken. Hij was meer dan een profeet, want hij had voor de Heer Zelf de weg bereid. Maar ondanks dat hij de weg bereidde, was de onmetelijke en volkomen verandering die gemaakt moest worden nog niet voltooid. Door het karakter van zijn dienst zelf, werd Johannes buiten het gevolg van die verandering geplaatst. Hij was vooruitgegaan om Hem aan te kondigen, die de verandering zou bewerken en Wiens tegenwoordigheid de macht van een nieuwe orde van zaken zou invoeren op aarde. De minste in het koninkrijk was daarom groter dan Johannes die er nog buiten stond.

Het volk, dat met ootmoed het door Johannes gesproken woord had aangenomen, gaf in hun harten getuigenis van de wegen en de wijsheid van God. Zij daarentegen die op zichzelf vertrouwden, verwierpen de raad van God die in Christus werd vervuld. Hierop laat de Heer duidelijk zien wat de toestand van deze laatsten is. Ze verwierpen zowel de waarschuwingen als de genade van God. Maar de kinderen van de wijsheid, zij in wie de wijsheid van God werkzaam was, erkenden en verheerlijkten de wijsheid in haar wegen. Dat is de geschiedenis van de ontvangst bij het volk, zowel van Johannes als van Jezus. De wijsheid van de mens veroordeelde de wegen van God. De rechtvaardige gestrengheid van Zijn getuigenis tegen het kwaad en tegen de toestand van Zijn volk, scheen in de ogen van de mens de invloed van een duivel. De volmaaktheid van Zijn genade, neergedaald tot arme zondaars, die zichzelf aanbood aan hen waar ze waren, werd door hen genoemd een zich wentelen in de zonde en het zich bekendmaken door zijn verbindingen! De eigengerechtigheid van de mens kan noch het een noch het ander verdragen. Toch zou de wijsheid van God erkend worden door hen die door haar onderwezen waren, maar door hen alleen.

Daarna worden deze wegen van God tegenover de ellendigste zondaren en hun gevolg, (in tegenstelling met de geest van het farizeïsme), gezien in de zondares, in het huis van de farizeeër. Een vergeving wordt geopenbaard die niet in verbinding staat met de regeringswegen van God op aarde ten gunste van Zijn volk (een regering waarmee de genezing van een Israëliet die onder de tucht van God stond verbonden was), maar een absolute vergeving die vrede voor de ziel meebrengt. En deze vergeving wordt gegeven aan een ellendige zondares. Het was hier niet slechts de vraag of Jezus een profeet was, hoewel de eigengerechtige farizeeër zelfs dat niet kon onderscheiden.

Hier wordt een ziel gezien die God liefheeft, en zeer liefheeft, omdat God liefde is. Een ziel die dit geleerd heeft met het oog op en door middel van haar zonden, in het zien van Jezus, hoewel ze de vergeving nog niet kent. Dat is genade. Niets is treffender dan de wijze waarop de Heer de aanwezigheid van deze kenmerken aantoont, die deze vrouw in waarheid voortreffelijk maken. Kenmerken die verbonden zijn met het door het geloof onderscheiden van Zijn Persoon. Er was bij haar goddelijke kennis van de Persoon van Christus; niet beredeneerd als een leerstuk, maar door de uitwerking ervan in haar hart gevoeld. Ze had een diep bewustzijn van haar eigen zonde, ootmoed, liefde voor dat wat goed was en toewijding voor Hem die goed was. Alles toonde een hart waarin gevoelens heersten die gepast waren voor verbinding met God; gevoelens die voortgekomen waren uit de in het hart geopenbaarde tegenwoordigheid van Hem, omdat Hij Zich aan dat hart had bekendgemaakt. Het is hier niet de plaats om daar lang bij stil te staan. Maar het is toch belangrijk om op te merken wat zo’n grote zedelijke waarde heeft, als dat wat de vrije vergeving werkelijk is voor de aandacht wordt gesteld, dat de uitoefening van genade van Gods zijde (als ze in het hart wordt opgenomen), gevoelens schept die aan die genade beantwoorden en die door niets anders kunnen worden gewerkt. Ze staan in verbinding met de genade zelf en met het gevoel van zonde dat door deze wordt gewerkt. Het geeft een diepe overtuiging van zonde, maar verbonden met het bewustzijn dat God goed is. En deze twee gevoelens nemen toe in onderlinge evenredigheid. Het “nieuwe”, de soevereine genade, kan alleen deze kwaliteiten, die beantwoorden aan de natuur van God, voortbrengen. Het hart heeft het ware karakter van deze natuur begrepen en is er bewust mee in verbinding. En dat terwijl het de zonde veroordeelt zoals deze veroordeeld behoort te zijn in de tegenwoordigheid van zo’n God.

Men zal opmerken, dat dit verbonden is met de kennis van Christus Zelf, die de openbaring van dit karakter is. Door genade is Hij de ware bron van de gevoelens van dit gebroken hart. En verder ziet men, dat de kennis van de vergeving van zonden later komt.

Om de uitdrukking: “haar zonden zijn vergeven, want zij heeft veel liefgehad”, te verklaren, moeten we duidelijk onderscheid maken tussen de genade die geopenbaard wordt in de Persoon van Jezus, en de vergeving die Hij verkondigt aan hen die door deze genade zijn aangeraakt. De Heer kan deze vergeving bekendmaken, en Hij openbaart ze aan deze arme vrouw. Maar wat ze in Jezus Zelf had gezien, wat Hij was voor zondaars zoals zij, vertederde door genade haar hart en verwekte in haar de liefde die ze voor Hem had. Ze dacht alleen aan Hem. Hij had bezit genomen van haar hart met uitsluiting van alle andere invloeden. Toen ze gehoord had dat Hij in het huis van Simon was, ging ze het huis van deze hoogmoedige farizeeër binnen, zonder aan iets anders te denken dan alleen dat Jezus er was. Zijn aanwezigheid beantwoordde, of voorkwam, elke moeilijkheid. Ze zag wat Hij voor een zondaar was, en dat de ellendigste en diepst gezonken mens een toevlucht bij Hem vond. Ze voelde haar zonden, zoals de volmaakte genade die het hart opent en het vertrouwen wint, ze doet voelen; en ze had veel lief. De genade, die in Christus was, had dit gevolg teweeggebracht. Ze had Jezus lief vanwege Zijn liefde. Daarom zegt de Heer: “Haar vele zonden zijn vergeven want zij heeft veel liefgehad”. Ze had geen vergeving ontvangen vanwege haar liefde. Maar God openbaarde het heerlijke feit, dat de zonden van hen die hun hart tot God hebben gekeerd, volkomen vergeven zijn, hoe talrijk en afschuwelijk ze ook waren. Er zijn veel mensen wier hart zich tot God gekeerd heeft en Jezus liefheeft, en die toch niet weten dat hun zonden vergeven zijn. Jezus doet hier in hun geval met gezag een uitspraak: Hij zendt hen in vrede heen. Het is een openbaring, en antwoord, aan de behoeften en genegenheden die gewerkt zijn in het berouwhebbende hart door de openbaring van genade in de Persoon van Christus.

Als God Zich in de wereld openbaart en wel met zo’n liefde, moet Hij wel elke andere overweging in het hart terzijde stellen. En zonder dat ze zich ervan bewust was, was deze arme vrouw de enige die in deze omstandigheid gepast handelde. Want zij waardeerde de allesomvattende belangrijkheid van Hem die daar aanwezig was. Als een God-Heiland aanwezig is, welke betekenis heeft Simon en zijn huis dan? De aanwezigheid van Jezus deed al het andere vergeten. Laten we er wel aan denken!

Het begin van de val van de mens was, dat hij het vertrouwen in God verloor door de verleidende inblazing van satan, dat God iets terughield dat de mens gelijk aan God zou maken. En als eenmaal het vertrouwen in God verloren is, dan probeert de mens zichzelf gelukkig te maken in het doen van zijn eigen wil, en begeerlijkheden, zonde en overtreding volgen. Christus is God, die in oneindige liefde het vertrouwen van het hart van de mens in God terugwint. Het wegnemen van schuld, en kracht om voor God te leven, zijn weer andere dingen die elk op hun eigen plaats door Christus worden gevonden, zoals de vergeving hier. Door genade had de arme vrouw gevoeld, dat er een hart was dat zij kon vertrouwen, als er niets anders meer was. En dat was het hart van God!

God is licht en God is liefde. Dat zijn de twee essentiële namen van God en in elke ware bekering vindt men ze terug. Op het kruis ontmoeten ze elkaar. De zonde wordt daar in het volle licht gesteld, maar in datgene waardoor liefde volkomen gekend wordt. Zo is het ook in het hart. Het licht openbaart de zonde, dat wil zeggen God doet dat als licht. Maar dit licht is daar door een volmaakte liefde. De God, die de zonden toont, is in volmaakte liefde aanwezig om dit te doen. Christus was dit in de wereld. Als Hij Zichzelf openbaarde, moest Hij beide zijn. Hij was liefde in deze wereld, maar haar licht. Hetzelfde is Hij in het hart. De liefde geeft door genade vertrouwen, zodat het licht met blijdschap wordt toegelaten. En in het vertrouwen in deze liefde en het zichzelf zien in het licht, heeft het hart volkomen het hart van God ontmoet. Zo was het ook met deze arme vrouw. Daar ontmoeten het hart van de mens en dat van God elkaar en alleen daar is dat mogelijk.

De farizeeër bezat niets van deze dingen. Hij was in een toestand van volkomen duisternis; zonder licht en zonder liefde. God geopenbaard in het vlees was in zijn huis, en hij zag niets. Alleen stelde hij vast dat Hij geen profeet was. Het is iets heel bijzonders deze drie harten te zien. Dat van de mens als zodanig rust op een valse menselijke gerechtigheid, dat van God en van de arme zondares ontmoeten elkaar volkomen. Wie was hier het kind van de wijsheid? Want van die uitdrukking is deze geschiedenis een verklaring.

En let er ook op, dat Christus, hoewel Hij er niets van zei en Zich boog onder de Hem aangedane smaad, toch niet ongevoelig was voor dit veronachtzamen van de gewone burgerlijke beleefdheid tegenover Hem. Voor Simon was Jezus niets anders dan een arme prediker wiens aanspraken hij meende te kunnen beoordelen, en zeker geen profeet. Voor de arme vrouw was Hij God in liefde, die haar hart in overeenstemming bracht met het Zijne, zowel ten aanzien van haar zonden als van haarzelf. Want zij had vertrouwen in deze liefde gesteld. Merk ook op, dat, als men zich zo aan Jezus hecht, men ook het ware licht vindt. Hier zien we dat als gevolg van de bekendmaking van het evangelie. Bij Maria Magdalena in verbinding met de hoogste voorrechten van de gelovigen.

Het is genade, het is Jezus Zelf, Zijn Persoon, waardoor deze vrouw zich aangetrokken voelt en die zo’n zedelijke verandering teweegbrengt in haar hart. Ze gaat heen in vrede, als ze de uitgestrektheid verstaat van de genade in de vergeving, door Hem uitgesproken. En deze vergeving zelf had in haar innerlijk zijn kracht, daarin dat Jezus alles voor haar was. Als Hij vergaf, was zij tevredengesteld. Zonder zichzelf daarover rekenschap te kunnen geven was het God geopenbaard aan haar hart en niet een zelfwaardering of een oordeel dat anderen uitspraken over de in haar gewerkte verandering. De genade, verpersoonlijkt in Jezus, had zo bezit genomen van haar hart, en God was zo aan haar geopenbaard, dat Zijn genadige goedkeuring, Zijn vergeving, al het overige in zich sloot. Als Hij bevredigd was, was zij het ook. Ze bezat alles, nu ze zoveel waarde hechtte aan Christus. Genade vindt haar welbehagen in zegenen, en de ziel die genoeg waarde hecht aan Christus, is tevreden met de zegen die deze genade geeft.

Hoe treffend is de beslistheid waarmee de genade zichzelf handhaaft, en niet vreest het oordeel te trotseren van de man die haar veracht! Ze kiest zonder aarzelen partij voor de arme zondares die ze aangeraakt heeft. Het oordeel van de mens bewijst alleen maar, dat hij God niet kent en ook niet waardeert in de volmaaktste openbaring van Zijn natuur. Voor de mens, met al zijn wijsheid, is Jezus niet meer dan een arme prediker die zichzelf misleidt door te denken dat hij een profeet is, en voor wie het niet de moeite waard is hem wat water te geven om zijn voeten te wassen. Voor de gelovige daarentegen, is Hij de goddelijke en volmaakte liefde, en zijn vrede is volkomen als hij in het geloof op Hem ziet. De vruchten zijn nog niet zichtbaar voor de mens, maar als Christus wordt gewaardeerd, zijn ze zichtbaar voor God. En hij, die Christus waardeert, houdt zich niet bezig met zichzelf, noch met zijn vruchten, (behalve met de boze om ze te oordelen), maar met Hem die het getuigenis van de genade voor zijn hart is geweest toen hij nog niets dan een zondaar was.

Dit is het “nieuwe”, de genade, en zelfs haar vruchten in hun volmaaktheid. Het hart van God is in genade geopenbaard en heeft door genade weerklank gevonden in het hart van de mens, een zondaar, die de volkomen openbaring van deze genade in Christus begrepen heeft, of beter gezegd: erdoor gegrepen is.

Hoofdstuk 8

In dit hoofdstuk verklaart de Heer de draagwijdte en het gevolg van Zijn dienst, en vooral het gevolg onder de joden. Hoe groot het ongeloof ook is: Jezus gaat voort met Zijn werk tot aan het einde, en de vruchten van Zijn werk worden openbaar. Hij gaat uit om de blijde boodschap van het koninkrijk van God te prediken. Zijn discipelen, de vruchten en door genade de getuigen (in hun mate op dezelfde wijze als Hij) van Zijn machtig Woord, vergezellen Hem.
Ook zijn er nog anderen, vruchten van datzelfde Woord en door hun bevrijding uit de macht van de vijand getuigen die door de genegenheid en toewijding die daaruit door genade voortvloeide, met Hem gaan. Deze genade is ook werkzaam in hen naar de mate van de liefde en de toewijding die hen met Jezus verbindt. Hier hebben vrouwen een goede plaats 21. Het werk was bekrachtigd en bevestigd, en kenmerkte zichzelf in zijn gevolgen.

En nu verklaart de Heer de ware aard van Zijn werk. Hij nam geen bezit van het koninkrijk en zocht ook geen vrucht, maar zaaide het getuigenis van God om vrucht voort te brengen. En dat is op een wel zeer in het oog vallende wijze het “nieuwe”, waarvan het Woord het zaad was. En de discipelen alleen zouden de verborgenheid kunnen verstaan, namelijk gedachten van God die nu in Christus werden geopenbaard, betreffende dit koninkrijk dat nog niet openlijk en in kracht zou worden gevestigd. Want zij waren Jezus gevolgd en hadden zich aan Hem verbonden, door de genade en de kracht van de openbaring van de macht en genade van God in Zijn Persoon. Hier wordt het overblijfsel duidelijk onderscheiden van het volk. Zij zouden de verborgenheden van het koninkrijk van God kunnen verstaan. Maar tot de anderen sprak de Heer in gelijkenissen opdat ze niet zouden verstaan. Om te verstaan, moest men de Heer Zelf innerlijk hebben aangenomen. Hier in Lukas wordt deze gelijkenis niet gevolgd door andere. Alleenstaand tekent ze de positie. De waarschuwing die we al in Markus overdacht hebben, is bijgevoegd. Uiteindelijk is het licht van God niet geopenbaard om verborgen te blijven. Bovendien zou alles openbaar gemaakt worden. Daarom moesten ze toezien hoe ze hoorden. Want als ze bezaten wat ze hoorden, zouden ze meer ontvangen. Als het anders was, zou ook dat wat ze bezaten van hen worden afgenomen.

De Heer bezegelt nu dit getuigenis, dat het ging om het Woord, dat de zielen die de zegen zouden genieten tot Hem en tot God trok, en dat dat Woord de grondslag was van alle verbindingen met Hem. Als men Hem spreekt over Zijn moeder en Zijn broers, door wie Hij naar het vlees met Israël verbonden was, zegt Hij dat Hij geen andere band erkende dan met hen die het Woord van God hoorden en gehoorzaamden.

Behalve de duidelijke macht die geopenbaard werd in Zijn wonderen, stellen de nu volgende geschiedenissen in dit hoofdstuk verschillende zijden voor van het werk van Christus, van Zijn ontvangst door het volk en van de gevolgen.

Ten eerste zien we, dat de Heer met Zijn discipelen verenigd is in de moeilijkheden en stormen waardoor ze omringd zijn, omdat ze zich in Zijn dienst begeven hebben, hoewel Hij schijnbaar geen notitie neemt van deze moeilijkheden. We hebben gezien, hoe Hij hen rondom Zich vergaderd had, en hoe zij zich gewijd hadden aan Zijn dienst. En nu waren ze in een dreigend gevaar waaruit geen menselijke macht hen kon redden. De golven dreigden hen te verzwelgen. En ogenschijnlijk bekommert de Heer er Zich niet om. Maar het was God, die deze oefening van het geloof toeliet. De discipelen zijn om Christus’ wil en met Hem in deze toestand, en dus is Hij met hen. De macht van Hem om Wiens wil ze in de storm waren is aanwezig om hen te beschermen. Ze zijn met Hem in dezelfde boot. En als zij, wat henzelf betreft zouden moeten omkomen: in de raadsbesluiten van God zijn ze met Jezus verbonden en Zijn aanwezigheid was hun beveiliging. Hij laat de storm toe, maar Hij is Zelf in het schip. Als Hij zal opstaan en Zich openbaren, zal alles rustig worden.

De genezing van de bezetene in het land van de Gadarenen is een treffend beeld van wat er gebeurde. Wat Israël betreft, het overblijfsel is bevrijd, hoe groot de macht van de vijand ook is. De wereld verzoekt Jezus heen te gaan omdat ze rust verlangt. En die rust wordt door de aanwezigheid en de macht van God meer verstoord dan door een legioen demonen. En Hij gaat weg. De man die genezen was, het overblijfsel, wil met Hem gaan. Maar de Heer zendt hem terug in de wereld die Hij Zelf verliet, opdat hij daar een getuige zou zijn van de genade en de macht waarvan hij het voorwerp geweest was.

De kudde zwijnen toont ons het verblinde voortgaan van Israël naar het verderf nadat zij de Heer hadden verworpen. De wereld raakt gewoon aan de macht van satan, hoe smartelijk het in sommige gevallen ook is om aan te zien, maar raakt nooit gewoon aan de macht van God.
De volgende twee geschiedenissen laten ons het gevolg zien van geloof en de werkelijke nood waarmee de genade, als ze het geloof beantwoordt, zich bezighoudt. Het geloof van het overblijfsel zoekt Jezus, om datgene in het leven te behouden wat dreigt te sterven. En de Heer gaat persoonlijk dat geloof een antwoord geven. Maar terwijl Hij erheen op weg is (Hij was op weg, en, wat de uiteindelijke verlossing aangaat is Hij nu nog daar), wordt Hij te midden van de schare, door geloof aangeraakt. De arme vrouw die Hem van achteren naderde om Hem aan te raken, had een ziekte die door geen menselijke middelen te genezen was. Maar in de Mens, Christus, is kracht. En die kracht gaat van Hem uit ter genezing van de mens waar ook maar geloof is, in de tijd dat op de uiteindelijke vervulling van Zijn zending op aarde nog wordt gewacht. De vrouw is genezen en erkent voor Jezus haar toestand en alles wat haar overkomen is. Zo wordt hier door het gevolg van geloof getuigenis gegeven aan Christus. Het overblijfsel is geopenbaard. Het geloof onderscheidt het van de massa. Hun toestand is de vrucht van de Goddelijke macht in Christus.

Dit beginsel is van toepassing op de genezing van ieder die gelooft, en dus ook op hen uit de volken, zoals Paulus aantoont in de Brief aan de Romeinen. Genezende kracht is in de Persoon van Christus. Door genade en de aantrekkingskracht van Christus, maakt het geloof daar gebruik van. Het is niet afhankelijk van de verbindingen (van de jood) met de Messias, hoewel hij, door zijn positie, de eerste was die ervan kon profiteren. Het gaat er alleen om wat er in de Persoon van Christus is en of er geloof is in de enkeling. Als er geloof is, werkt deze kracht, en de mens, genezen door de kracht van God Zelf, gaat weg in vrede.

Maar als we de toestand van de mens ten volle overdenken, is er niet alleen sprake van ziekte, maar van dood. Vóór de volledige openbaring van de toestand van de mens beantwoordde Christus om zo te zeggen deze toestand onderweg. Maar, zoals in het geval van Lazarus, werd de openbaring van de toestand van dood toegelaten. Voor het geloof had deze openbaring plaats in de dood van Jezus. Zo wordt hier toegelaten, dat het dochtertje van Jaïrus sterft voordat Christus is gekomen. Maar de genade is gekomen om uit de dood op te wekken, met de Goddelijke macht die daartoe alleen in staat is. Jezus vertroost de arme vader, door te zeggen dat hij niet moet vrezen maar alleen geloven, dan zal zijn dochtertje behouden worden. Blijdschap en verlossing krijgt men alleen maar door het geloof in Zijn Persoon, in de Goddelijke kracht in Hem, in de genade die komt om deze kracht uit te oefenen. Maar hier zoekt Jezus niet de schare. De openbaring van deze kracht is alleen tot vertroosting van hen die hun behoefte daaraan voelen en voor het geloof van hen die werkelijk Hem toegedaan zijn. De schare weet wel, dat het meisje gestorven is. Ze bewenen haar en begrijpen de macht van God niet die haar op kan wekken uit de doden. Daarna geeft Jezus het kind, waarvan Hij het leven herstelde, terug aan de ouders. Zo zal het aan het einde zijn. Het overblijfsel van de joden zal, te midden van het ongeloof van de massa, uit de dood worden opgewekt om deel te hebben aan de zegeningen van God. Intussen genieten wij door het geloof al van tevoren deze vreugde. Overtuigd dat we van nature in deze toestand van dood waren, leven we door genade. Maar voor ons, de eerstelingen van een nieuwe schepping, is dit leven in verbinding met Christus in de hemel.

In verbinding met Zijn dienst, wil Jezus dat dit wonder verborgen blijft, want Hij moet aangenomen worden op het getuigenis dat Hij geeft aan het geweten en het hart. Zolang Hij nog op weg was, was dit getuigenis nog niet geheel beëindigd. In de volgende hoofdstukken zullen we Zijn laatste bemoeiingen zien met het ongelovig hart van de mens.

Hoofdstuk 9

De Heer draagt hier Zijn twaalf discipelen dezelfde taak in Israël op, als die Hij vervulde. Ze prediken het koninkrijk, genezen de zieken en werpen de duivelen uit. Maar er is aan toegevoegd, dat hun werk het karakter aanneemt van een laatste zending. Niet in die zin dat de Heer ophield met werken, want Hij heeft daarna de Zeventig ook nog uitgezonden. Maar het was in deze zin een laatste zending, dat het een beslissend getuigenis tegen het volk zou zijn als ze het zouden verwerpen. De twaalf moesten het stof van hun voeten schudden als ze de steden verlieten die hen verwierpen. Op het punt waar we nu gekomen zijn in dit Evangelie is dat te begrijpen. Het wordt met nog meer kracht herhaald bij de zending van de Zeventig. Maar daarvan zullen we spreken in het volgende hoofdstuk, want hun zending volgt pas na de openbaring van Zijn heerlijkheid aan de drie discipelen. Maar zolang de Heer aanwezig was, bleef Hij Zijn macht in barmhartigheid uitoefenen, want zó was Hij persoonlijk hier op aarde. En Zijn soevereine goedheid was verheven boven al het kwaad dat Hij hier beneden ontmoette.

Vanaf vers 7 zien we dat het gerucht van Zijn wonderbare werken de oren van de koning heeft bereikt. Waar ook maar enig geweten was, werd de werking van de macht van Jezus gevoeld. Israël was dus zonder verontschuldiging. Het volk volgt Hem na. En als Hij Zich terugtrekt met Zijn discipelen die van hun zending zijn teruggekeerd, wordt Hij al gauw weer omringd door de schare. En opnieuw is Hij in genade hun Dienstknecht, hoe groot hun ongeloof ook is. Hij predikt tot hen en geneest hun zieken.

Maar nu wil Hij hen een nieuw en heel bijzonder bewijs geven van de macht en aanwezigheid van God in hun midden. In Psalm 132 staat, dat in de tijd waarin Israël door Jahweh zal gezegend worden – als Hij David een hoorn zal doen uitspruiten – Hij de armen met brood zal verzadigen. Nu doet Jezus dat. Maar we zien hier nog meer. We hebben in dit Evangelie steeds gezien, dat Hij deze macht uitoefent in Zijn mensheid, door de onbegrensde kracht van de Heilige Geest. En daaruit vloeit een wonderbare zegen voort, ons toegestaan naar de soevereine raadsbesluiten van God, door de volmaakte wijsheid van Jezus in het kiezen van Zijn werktuigen. Hij wil dat Zijn discipelen het brood uitdelen, hoewel het wonder door Zijn macht wordt verricht en de discipelen niet verder zien dan hun ogen reiken. Maar hoewel Hij die hen verzadigde Jahweh is, neemt Hij toch altijd Zijn plaats in, in de afhankelijkheid van de natuur die Hij heeft aangenomen. Hij trekt Zich terug met Zijn discipelen, en daar, ver verwijderd van de wereld, bidt Hij. En zoals in de twee andere opmerkelijke gevallen 22 van de nederdaling van de Heilige Geest op Hem en van de verkiezing van de twaalf apostelen, is Zijn bidden ook hier de gelegenheid om Zijn heerlijkheid te openbaren; een heerlijkheid die Hem toebehoorde, maar die de Vader Hem als mens gaf en die altijd verbonden is met het lijden en de vernedering, waaraan Hij Zich in Zijn grote liefde vrijwillig onderwierp.

De aandacht van het volk was opgewekt, maar ze ging niet verder dan de speculaties van de menselijke geest over de Heiland. Het geloof van de discipelen erkende zonder aarzeling in Jezus de Christus. Maar Hij moest nu niet langer als zodanig worden aangekondigd, want de Zoon des mensen zou moeten lijden. Er zouden nu belangrijker raadsbesluiten van God worden vervuld en een grotere heerlijkheid dan die van Messias worden verwerkelijkt. Maar dat zou zijn door lijden. En als de discipelen Jezus volgden, zouden ze in dat lijden delen voor zover het beproevingen waren die ze door mensen moesten ondergaan. Maar als ze om Zijnentwil hun leven verloren, dan zouden ze het winnen. Want in het volgen van Jezus ging het nu niet alleen om het koninkrijk maar om het eeuwige leven van de ziel. Bovendien zou Hij die nu werd verworpen, als Zoon des mensen (het karakter dat Hij in dit Evangelie aanneemt), terugkomen in Zijn eigen heerlijkheid, in de heerlijkheid van de Vader, omdat Hij de Zoon van God is, en in de heerlijkheid van de engelen als Jahweh de Verlosser, Die een plaats boven hen inneemt, hoewel Hij mens is. En Hij is waardig om dit te doen want Hij heeft ze geschapen. De behoudenis van de ziel, de heerlijkheid van Jezus erkend naar Zijn rechten, dit alles was voor de discipelen een waarschuwing om Hem te belijden nu Hij veracht en verworpen was.

Om nu het geloof te versterken van hen die Hij tot pilaren wilde maken, en door hen het geloof van allen, kondigt Hij aan dat sommigen de dood niet zouden smaken vóór ze het koninkrijk van God zouden hebben gezien. Ze moesten dus niet wachten op de dood, waarin de waarde van het eeuwige leven zou worden gevoeld, en ook niet op de terugkomst van Christus.

Als gevolg van deze aankondiging neemt de Heer na acht dagen de drie discipelen die later pilaren zouden zijn en gaat op een berg om te bidden. Daar wordt Hij van gedaante veranderd. Hij verschijnt in heerlijkheid en de discipelen zien het. Maar Mozes en Elia delen deze heerlijkheid met Hem. De heiligen van het Oude Testament hebben, gegrond op Zijn dood, deel met Christus aan de heerlijkheid van het koninkrijk. Mozes en Elia spreken met Hem over deze dood. In hun eigen tijd hadden ze over andere dingen gesproken. Ze hadden gezien dat de wet gegeven werd of moeite gedaan om het volk ernaar terug te brengen opdat de zegen zou kunnen komen. Maar nu er van de nieuwe heerlijkheid sprake is, hangt alles af van de dood van Christus en daarvan alleen. Al het andere verdwijnt. En toen “de Stem” zich deed horen, werd Jezus alleen gevonden. De hemelse heerlijkheid van het koninkrijk en de dood zijn in onmiddellijke verbinding met elkaar. Petrus ziet alleen maar de invoering van Christus in een heerlijkheid die gelijk is aan die van Mozes en Elia. En in zijn geest verbindt hij deze mannen met datgene wat ieder van hen voor een jood betekende, terwijl hij Jezus met hen gelijkstelt. Maar op dat ogenblik verdwijnen deze twee mannen van God en Jezus blijft alleen. Hem alleen moesten de discipelen horen. De verbinding van Mozes en Elia met Jezus in de heerlijkheid, hing af van de verwerping van hun getuigenis door het volk aan wie zij dat getuigenis hadden gericht.

Maar dit is niet alles. De gemeente, in de eigenlijke betekenis van het woord, wordt hier niet gezien. Maar het teken van “de luisterrijke heerlijkheid”, van de tegenwoordigheid van God, wordt gezien, – de wolk waarin Jahweh woonde onder Israël. Jezus voert de discipelen tot die wolk als getuigen. Mozes en Elia verdwijnen, en als Jezus Zijn discipelen dicht bij de heerlijkheid heeft gebracht, openbaart de God van Israël Zich als de Vader en erkent Jezus als de Zoon in Wie Hij Zijn welbehagen heeft gevonden. Zo is alles veranderd in de verbindingen van God met de mens. Want de Zoon des mensen die op aarde ter dood wordt gebracht, wordt in de luisterrijke heerlijkheid erkend als de Zoon van de Vader. De discipelen kennen Hem op deze wijze door het getuigenis van de Vader. Ze zijn in gemeenschap met Hem, en als het ware in verbinding gebracht met de heerlijkheid waarin de Vader Zelf Jezus als Zijn Zoon erkent en waar de Vader en de Zoon Zich bevinden. Jahweh maakt Zich als Vader bekend door de openbaring van de Zoon. En de discipelen vinden zich op aarde verbonden met de woning van de heerlijkheid van waaruit Jahweh Zelf door de eeuwen heen Israël had beschermd. Jezus was daar met hen en Hij was de Zoon van God. Wat een positie! Wat een verandering voor hen! Het is inderdaad de verandering van alles wat in het jodendom het voortreffelijkste was, tot verbinding met de hemelse heerlijkheid; een verandering die zich op dat ogenblik voltrok om alle dingen nieuw te maken 23. We kunnen persoonlijk veel nut hebben van deze passage, omdat ze op een treffende manier de hemelse en heerlijke toestand openbaart. De gelovigen zijn in dezelfde heerlijkheid als Jezus. Ze zijn er met Hem, ze spreken op een vertrouwelijke manier met Hem, ze spreken over dingen die het naast aan Zijn hart liggen, – over Zijn lijden en Zijn dood. Ze spreken met de gevoelens die voortvloeien uit omstandigheden die het hart treffen. In plaats dat zij in het geliefde Jeruzalem het koninkrijk zouden ontvangen, zou Jezus er moeten sterven. Ze spreken als mensen die de raadsbesluiten van God begrijpen, want het feit zelf had nog niet plaatsgevonden. Van die aard zijn de verbindingen van de heiligen met Jezus in het koninkrijk, zoals de wereld dat zal zien; terwijl er dan nog wordt bijgevoegd het onderhoud dat de verheerlijkten met Jezus hadden. Mozes en Elia stonden met de Heer op de berg. Maar de drie discipelen worden verder gebracht. Ze worden onderwezen door de Vader. Zijn eigen liefde voor Zijn Zoon wordt hun bekendgemaakt. Mozes en Elia hebben getuigenis afgelegd van Christus, en ze zullen met Hem verheerlijkt worden. Maar voor de Gemeente blijft nu Jezus alleen over en dat is meer dan het koninkrijk. Het is gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon Jezus. Op dat ogenblik werd dat natuurlijk nog niet begrepen, maar nu door de kracht van de Heilige Geest wel. Hoe wonderbaar is dat ingaan van de heiligen in de luisterrijke heerlijkheid – de Shechina – de woonplaats van God; en hoe wonderbaar zijn ook de mededelingen door God gedaan over de liefde tot Zijn Zoon. Dat is meer dan de heerlijkheid! Jezus blijft altijd het Voorwerp dat het toneel voor ons vult.

En wat deze positie hier beneden aangaat: merk op dat de Heer even vertrouwelijk met Zijn discipelen op aarde over Zijn sterven spreekt als met Mozes en Elia. Deze twee gaan helemaal niet vertrouwelijker met Hem om dan Petrus, Jakobus en Johannes. Wat een kostbare gedachte! En merk op wat een dunne sluier er maar is tussen ons en het hemelse! 24

Wat nu volgt is de toepassing van deze openbaring op de stand van zaken op aarde. De discipelen zijn niet in staat om, door gebruik te maken van de al geopenbaarde macht van Jezus, de macht van de vijand uit te werpen. En dit rechtvaardigt God, in wat op de berg van Zijn raadsbesluiten was geopenbaard en leidt tot de terzijdestelling van het joodse stelsel om die raadsbesluiten te vervullen. Maar dit verhindert niet het handelen in genade door Christus om mensen te bevrijden, zolang Hij nog bij hen was tot men Hem definitief had verworpen. Maar zonder op de onvruchtbare verbazing van het volk te letten, blijft Hij de Zijnen bepalen bij Zijn verwerping en kruisiging. Hij past dit beginsel verder toe op het verloochenen van zichzelf en de ootmoed die het kleinste opneemt.

Vanaf hoofdstuk 9:46 zien we de verschillende zijden van zelfzucht en van het vlees die in strijd zijn met de genade en de opoffering in Christus geopenbaard en die de gelovige verhinderen om te wandelen in Zijn voetstappen. De verzen 46-48; 49-50; 51-56, geven daarvan voorbeelden 25.

Van verzen 57-62 laat de Geest van God ons de tegenstelling zien tussen de bedriegelijke wil van de mens en de krachtdadige roeping van de genade; de ontdekking van de tegenstand van het vlees als er een werkelijke roeping is, en de noodzakelijkheid om alle dingen los te laten om aan die roeping te gehoorzamen 26.

In vers 49 zien we dat Johannes tot de Heer zegt: “Meester, wij zagen iemand in Uw Naam demonen uitdrijven en wij hebben het hem verhinderd, omdat hij [U] niet met ons volgt.” In antwoord op deze geest die het kruis vergeet en de vergroting van hun eigen gemeenschap op aarde zoekt, zegt de Heer tegen de discipelen, wat Hij voor Zichzelf ook niet verbergt en de waarheid van God was: Allen waren wel zó tegen hen gekant, dat iemand die niet tegen hen was, daardoor bewees vóór hen te zijn. Zo toetste de aanwezigheid van Christus in alle opzichten het hart. Een andere reden, die wel in Markus 9:39 wordt gegeven, wordt hier niet genoemd. De Geest blijft hier bij het gezichtspunt dat ons in dit Evangelie bezighoudt.

Zo verworpen, oordeelt de Heer niemand. Hij wreekt Zichzelf niet; Hij was gekomen om het leven van de mensen te behouden. In de ogen van de discipelen waren Samaritanen die de Messias verwierpen, waard om vernietigd te worden door het vuur van de hemel. Maar Christus onderwerpt Zich aan de belediging en gaat naar een andere plaats. Ten slotte zien we nog enkele mensen, die de Heer hier beneden wilden volgen. Maar Hij had geen huis waarin Hij hen kon opnemen. Daarom was in die tijd de prediking van het koninkrijk het enige voor Zijn onvermoeide liefde. De doden (zij die voor God geestelijk dood waren) konden hun doden begraven. Hij die geroepen was en leefde, moest zich maar met één ding bezighouden – getuigenis geven van het koninkrijk, zonder achterom te zien, omdat het dringende karakter van deze boodschap hem boven alle andere gedachten verhief. Wie zijn hand aan de ploeg had geslagen moest niet omzien. Het koninkrijk, in tegenwoordigheid van de vijandschap en de verdorvenheid van de mens, van alles wat ertegen was, vroeg van de ziel een algeheel opgaan in de dingen van het koninkrijk door de kracht van God. In de aanwezigheid van een verworpen Christus vroeg het werk van God een algehele toewijding.

Hoofdstuk 10

De zending van de Zeventig is in zijn karakter van grote betekenis voor de ontvouwing van de wegen van God. In sommige trekken is dit karakter anders dan de zending van de Twaalf in hoofdstuk 9, omdat de zending van de Zeventig gegrond is op de heerlijkheid van Christus in hoofdstuk 9 geopenbaard. Noodzakelijkerwijs beslist dit meer definitief over de verbinding van de Heer met de joden; want de heerlijkheid werd geopenbaard, nadat dit volk Hem had verworpen en was zelfs, wat Zijn menselijke positie aangaat, het gevolg van deze verwerping.

Deze verwerping was nog niet vervuld. De heerlijkheid was alleen aan drie van Zijn discipelen geopenbaard. Nog steeds oefende Hij Zijn dienst uit in het midden van het volk. Maar bij de zending van de Zeventig merken we veranderingen. De Heer legt meer de nadruk op de zedelijke en eeuwige dingen; op de positie waarin de Zijnen na Zijn verwerping zouden komen; op de ware uitwerking van Zijn getuigenis in de wereld en op het oordeel dat op het punt stond over de joden te komen. Toch was de oogst groot. Want de liefde, niet verkoeld door de zonde, hield door alle uitwendige tegenstand heen het oog gericht op de nood. Maar er werden slechts weinigen door deze liefde getroffen. De Heer van de oogst alleen kon ware arbeiders uitzenden. De Heer zegt hun, dat ze als lammeren te midden van wolven zouden zijn.

Wat een verschil met het voorstellen van het koninkrijk aan het volk van God! Evenals de Twaalf moesten de Zeventig zich toevertrouwen aan de zorg van de Messias die op aarde was en die het hart met Goddelijke kracht zou versterken. Ze moesten gaan als arbeiders van de Heer en openlijk uitkomen voor het doel dat ze voor ogen hadden. Ze moesten het zich niet moeilijk maken voor hun voedsel en van het ene huis in het andere gaan alsof ze hun logeeradressen last bezorgden door niet te werken, maar als ware arbeiders van de Heer die namens Hem rechten hadden. Geheel opgaand in hun werk, moesten ze niemand groeten op de weg; want de tijd drong en het oordeel was nabij.

Er waren mensen in Israël die geen kinderen van de vrede waren; maar het overblijfsel zou herkend worden aan de uitwerking die de boodschap had op hun hart. Nog niet door het oordeel dus. Op de kinderen van de vrede zou de vrede rusten. De Zeventig oefenden de macht uit die Jezus hun had meegedeeld. Hij kon dat doen omdat Hij deze macht verworven had in Zijn strijd met de vijand. Het was dus meer dan alleen maar een wonder. Aan allen die ze bezochten moesten ze verkondigen, dat het koninkrijk van God nabij was. Belangrijk getuigenis! Als het oordeel nog niet wordt uitgeoefend, is er geloof nodig om het koninkrijk van God te herkennen in het getuigenis dat ervan werd gegeven. Als ze niet werden ontvangen in een stad, moesten ze toch de inwoners van die stad aankondigen dat het koninkrijk van God nabij gekomen was, of zij ontvangen waren of niet. Het is wel een zeer ernstig getuigenis, nu Jezus op het punt stond om verworpen te worden, waardoor de maat van de ongerechtigheid van de mens werd volgemaakt! Het zou voor het schandelijke Sodom in de dag van het oordeel verdraaglijker zijn dan die stad.

Deze dingen kenmerken dit getuigenis. De Heer klaagt 27 de steden aan waar Hij had gewerkt. Hij verzekert de discipelen dat hen te verwerpen in hun zending, hetzelfde was als Hem te verwerpen. En dat door Hem te verwerpen Degene die Hem gezonden had verworpen werd, de God van Israël, de Vader.

Bij hun terugkeer delen de Zeventig de Heer mee wat een kracht hun zending had vergezeld: de demonen onderwierpen zich zelfs aan hun woord! De Heer zegt hun hierop, dat door deze tekenen van macht de volledige vestiging van het koninkrijk en ook de volledige uitwerping van satan uit de hemel voor Zijn aandacht staan. (De door hen gewerkte wonderen waren slechts een voorbeeld daarvan). Maar er was iets van groter waarde en daarin moesten ze zich verblijden, namelijk dat hun namen geschreven waren in de hemelen. De macht die zich openbaarde was werkelijke macht en het resultaat daarvan in de vestiging van het koninkrijk was zeker. Maar een andere zaak stond nu op het punt om geopenbaard te worden, namelijk de openbaring van een hemels volk, dat zijn deel zou hebben met Hem die door het ongeloof van de joden en van de wereld naar de hemel werd teruggedreven. Dit maakt de nu ingenomen positie heel duidelijk. Het getuigenis van het koninkrijk in macht afgelegd, liet Israël zonder excuus en daarom neemt Jezus nu een andere, een hemelse plaats in. Dit was het ware onderwerp van vreugde. De discipelen verstonden het echter nog niet. Maar de Persoon en de macht van Hem die hen in de hemelse heerlijkheid van het koninkrijk zou invoeren, en Zijn rechten op dit heerlijke koninkrijk van God, waren hun door de Vader geopenbaard.

De menselijke hoogmoed met blindheid slaan en het geven van de genade van de Vader aan de kleine kinderen, dat paste Hem, die door de vernedering van Jezus Zijn raadsbesluiten van soevereine genade vervulde. En dat was ook in overeenstemming met het hart van Hem die kwam om deze raadsbesluiten te vervullen. Bovendien, alle dingen waren Jezus overgegeven. De Zoon was te heerlijk, dat een ander dan de Vader Hem zou kunnen kennen. En de Vader Zelf werd alleen maar gekend door de openbaring van de Zoon. Tot Hem moest men komen. De grond van de moeilijkheid voor het aannemen van Jezus door de mens, lag in de heerlijkheid van Zijn Persoon, die alleen door de Vader gekend werd, en in deze handeling en heerlijkheid van de Vader die alleen door de Zoon geopenbaard kon worden.

En dat alles was aanwezig in Jezus op aarde. En persoonlijk tot Zijn discipelen kon Jezus zeggen, nu ze in Hem de Messias in Zijn heerlijkheid gezien hadden, dat zij gezien hadden wat profeten en koningen begeerd hadden te aanschouwen. De Vader was hun verkondigd, maar ze begrepen er nog maar weinig van. Maar in de gedachten van God was het kennen van de Vader hun deel en ze zouden het later verwezenlijken door de tegenwoordigheid van de Heilige Geest, de Geest van zoonschap.

We vinden hier dus dat de macht van het koninkrijk aan de discipelen gegeven is en dat ze op dat ogenblik genieten van de dingen waarvan de profeten gesproken hadden. Het was een genot dat voortvloeide uit de aanwezigheid van de Messias die de macht van het koninkrijk met Zich meebracht waardoor de macht van de vijand werd omvergeworpen. Tegelijk vinden we de verwerping van hun getuigenis en het oordeel over Israël waar dat getuigenis was gegeven. Ten slotte vinden we nog de roep van de Heer, (terwijl Hij tevens in hun werk de gehele macht erkende die het koninkrijk zou oprichten), om zich te verblijden; niet zozeer in het koninkrijk dat zo op aarde werd opgericht, maar in de soevereine genade van God, die, naar Zijn eeuwige raadsbesluiten, hun een plaats en een naam in de hemelen had gegeven in verbinding met hun verwerping op aarde. De belangrijkheid van dit hoofdstuk, vanuit dit gezichtspunt bezien, is duidelijk. Lukas wijst steeds weer op het betere en onzichtbare deel in een hemelse wereld.

De uitgestrektheid van de heerschappij van Jezus in verband met deze verwisseling van het aardse met het hemelse en de daarmee gepaard gaande openbaring van de raadsbesluiten van God, worden ons in vers 22 voor ogen gesteld. Tevens wordt ons de verbinding en de heerlijkheid van de Vader en de Zoon onthuld. Tegelijkertijd zien we de genade die aan de nederigen wordt bewezen, overeenkomstig het karakter en de rechten van God de Vader Zelf. Daarna vinden we nog de ontwikkeling van de verandering die plaatsvindt naar haar zedelijk karakter. De wetgeleerde verlangt de voorwaarden te kennen op grond waarvan het eeuwige leven te verkrijgen is. Zijn vraag betreft niet het koninkrijk, noch de hemel, maar maakt deel uit van de joodse voorstelling van de verhouding van de mens met God. Het bezit van het leven was aan de joden voorgesteld door de wet. Door schriftuurlijke onthullingen na de wet kende men het als eeuwig leven. En dat brachten zij (de farizeeën althans) in verbinding met het onderhouden van de wet. Een leven dat het deel is van de verheerlijkten in de hemel en van de gezegenden op aarde gedurende het duizendjarig rijk, en dat wij nu bezitten in aarden vaten. En de wet, uitgelegd naar gevolgtrekkingen uit de profetische boeken, stelde het voor als een gevolg van gehoorzaamheid: 28 “De mens die <deze dingen> heeft gedaan, zal daardoor leven.”

Daarom vraagt de wetgeleerde, wat hij moet doen. Het antwoord was duidelijk. Hij moest de wet houden met al zijn geboden, inzettingen, ceremoniën, alle voorwaarden vervullen van Gods regering die het volk had gebroken en waarvan de overtreding het oordeel met zich meebracht dat door de profeten was aangekondigd – een oordeel waarop de vestiging van het koninkrijk in genade van de kant van God zou volgen. De wet bevatte inderdaad in dit opzicht de kern van de waarheid en liet duidelijk de voorwaarden voor het leven zien als de mens dat zou moeten bezitten op de grondslag van menselijke gerechtigheid; dat wil zeggen een gerechtigheid die door hemzelf was gewerkt en op grond waarvan hij zou leven. Deze voorwaarden werden opgesomd in de enkele woorden: “Heb God volmaakt lief en uw naaste als uzelf.” Als de wetgeleerde dit resumé geeft, erkent de Heer dat en herhaalt de woorden van de Wetgever: “Doe dat en u zult leven”. Maar de mens heeft het niet gedaan en is zich daarvan bewust. Wat God betreft is de mens ver weg! Hij maakt zich gemakkelijk los van Hem. Hij wil Hem wel enkele uiterlijke diensten verlenen en verheft zich daar dan op. Maar de mens, de naaste, is dichtbij, en de zelfzucht maakt de mens gevoelig voor dit tweede deel van de voorwaarde. In het vervullen hiervan zou hij gelukkig zijn en zou deze aarde tot een soort paradijs zijn gemaakt. Maar ook op dit punt zien we dagelijks weer de ongehoorzaamheid, in de omstandigheden van iedere dag die de zelfzucht wakker roepen. Alles wat de mens omringt, zijn sociale verbindingen, maken hem bewust van deze overtredingen van de voorwaarde, zelfs daar waar de ziel zich er niet zelf ongerust over zou maken. En hier verraadt het hart van de wetgeleerde zich als hij vraagt: “Wie is mijn naaste?”

Het antwoord van de Heer laat de zedelijke verandering zien die plaatsgevonden heeft door de invoering van de genade en door de openbaring van deze genade in de mens – in Zijn eigen Persoon. Onze onderlinge verhoudingen worden nu gemeten naar de Goddelijke natuur in ons en deze natuur is liefde. De mens onder de wet mat zich naar de belangrijkheid die hij aan zichzelf kon toeschrijven. En dat is altijd het tegengestelde van liefde. Het vlees roemde in een nabij God zijn dat maar schijn was, omdat het niet het gevolg was van een deelname aan Zijn natuur. De priester en de leviet gaan aan de andere zijde voorbij al zien ze de gewonde mens liggen. De Samaritaan, als zodanig veracht, vroeg niet wie zijn naaste was. De liefde die in zijn hart aanwezig was maakte hem tot naaste van ieder die in nood verkeerde. Dat is het wat God Zelf in Christus heeft gedaan. Maar dan verdwijnen alle wettische en vleselijke onderscheidingen voor dit beginsel. De liefde die handelt naar haar eigen aandrift vindt de gelegenheid zich te openbaren in de nood die ze tegenkomt. Hier eindigt dit gedeelte. In vers 38 begint een nieuw onderwerp.

Vanaf dit vers tot hoofdstuk 11:13 maakt de Heer Zijn discipelen bekend met de twee grote middelen van zegen: Het Woord en het gebed. In Maria vinden we de energie voorgesteld waardoor de ziel zich met de Heer verbindt om het Woord van Hem te ontvangen; die alles terzijde stelt om dat Woord te horen, omdat ze gegrepen is door de mededelingen die God in genade doet. We moeten voor ogen houden, dat deze omstandigheden verband houden met de zedelijke omkeer die op dat ogenblik plaatsgevonden had. De attenties die men verplicht was te geven aan de Messias (Martha), worden vervangen door het ontvangen van het Woord. Het eerste was vereist vanwege de aanwezigheid van een Messias op aarde. Maar in de toestand waarin de mens was (hij verwierp de Messias) had hij het Woord nodig. En Jezus in Zijn volmaakte liefde verlangt niets anders, dan dat men daar naar Zijn Woord luistert. Zowel voor de mens als voor de heerlijkheid van God, was dit het enige nodige. En Jezus verlangt niets anders. Al het andere wil Hij daarvoor missen. Martha daarentegen, hoezeer ze ook werkzaam was voor de Heer, wat zeker goed was, bewijst toch hoezeer het eigen ik een rol speelt in dit soort van dienst. Want het beviel haar niet alle zorg ervoor alleen te dragen.

Hoofdstuk 11

Het gebed dat de Heer Zijn discipelen leert, ziet ook op de positie waarin de discipelen kwamen, voordat de Heilige Geest was gegeven 29. Jezus Zelf bad als de afhankelijke mens op aarde. Hij had de belofte van de Vader nog niet ontvangen om Deze uit te storten op Zijn discipelen, en kon dit ook niet doen vóór Hij naar de hemel was gevaren (Johannes 16:7). Ze staan echter in verbinding met God als hun Vader. De heerlijkheid van Zijn Naam en de komst van het koninkrijk moesten hun eerste gedachten zijn. Ze waren van Hem afhankelijk voor hun dagelijks brood. Ze hadden vergeving nodig en bewaring voor verzoeking. Het gebed vatte samen het verlangen van een hart dat waarlijk voor God was, de behoeften van het lichaam toevertrouwd aan de zorg van de Vader, de genade nodig voor hun wandel als ze gezondigd hadden en tevens, opdat hun vlees zich niet zou openbaren, dat ze bewaard mochten blijven voor de macht van de vijand.

Vervolgens spreekt de Heer over de volharding, opdat de gebeden niet zouden voortkomen uit een hart dat zich onverschillig toonde voor de uitkomst. Hij verzekert de discipelen, dat hun gebeden niet zonder gevolg zouden blijven. Ook dat hun Vader de Heilige Geest zou geven aan hen die Hem erom vroegen. Zo worden ze door Hem geplaatst in de verhouding die Hij Zelf heeft met God op aarde. Luisteren naar God en tot Hem als tot een Vader gaan, dat is het geheel van het praktisch christelijk leven op aarde.

Daarna zien we de twee grote wapens van Zijn getuigenis, namelijk het uitwerpen van demonen en het gezag van Zijn Woord. Christus had de macht geopenbaard die de demonen uitwierp en zij schreven deze macht toe aan de overste van de demonen. Toch had Hij de sterke man gebonden en zijn goederen geroofd. En als de macht van God aanwezig was in de Persoon van Christus, bewees dat, dat het koninkrijk van God werkelijk tot hen gekomen was. En dan, waar God gekomen was om de mens te verlossen, zou alles op zijn ware plaats worden gesteld: ieder ding was of van de duivel of van de Heer. En bovendien, als de onreine geest het huis verlaten had en die plaats niet door God werd ingenomen, zou de boze geest terugkomen met zeven andere geesten, nog bozer dan hijzelf; en de laatste toestand zou erger zijn dan de eerste.

Al deze dingen gebeurden op dat ogenblik. Maar de wonderen waren niet alles! De Heer had ook het Woord gepredikt. Een vrouw die voelde wat een blijdschap het moest zijn om een zoon te hebben als Jezus, verkondigde met luide stem de waarde van zo’n verbinding naar het vlees met Hem. Zoals de Heer in het geval van Maria had gedaan, brengt Hij ook nu deze zegen over op allen die Zijn Woord horen en dat bewaren. De mannen van Ninevé hadden geluisterd naar Jona en de koningin van Scheba had naar Salomo gehoord, zonder dat ook maar één wonder dit getuigenis had vergezeld. En nu was er Een, groter dan Jona in hun midden!

In de verbindingen van Jezus met Israël worden hier twee dingen in het licht gesteld. Ten eerste, het volledig en duidelijk uitgesproken getuigenis voor de waarheid (vers 33). Ten tweede, de beweegredenen die het hart regeren van hen die het hoorden. Als het ware licht volledig in het hart schijnt, is er geen duisternis meer. Als de volmaakte waarheid, naar de wijsheid van God voorgesteld, afgewezen wordt, doet het hart dit. Het oog was boos. De begrippen en beweegredenen van een hart dat ver van God is, doen niets anders dan de waarheid verdonkeren. Maar een hart dat maar één doel heeft, namelijk God en Zijn eer, zal vol licht zijn. En meer nog: het licht schijnt niet voor zichzelf alleen; het verlicht ook alles waardoor het omringd is. Als het licht van God in de ziel zou zijn, zou ze geheel met licht vervuld zijn en geen plaats meer hebben voor duisternis.

Genodigd in het huis van de farizeeër (verzen 37-52), oordeelt de Heer de toestand van het joodse volk en de huichelachtigheid van de aangematigde gerechtigheid van de farizeeën. Hij legt de vinger op de gewitte buitenkant en op de hebzuchtige en zelfzuchtige binnenzijde. Ze maakten de wet van God tot een zware last voor anderen, terwijl ze zelf de vervulling ervan negeerden. Hij kondigt de zending aan van de apostelen en profeten van het Nieuwe Testament. Hun verwerping zou de maat van Israëls ongerechtigheid volmaken. Het zou een laatste proef zijn voor hen die huichelachtig de graven van de profeten bouwden die door hun vaders waren gedood. Dan zou al het bloed, ten aanzien waarvan God lankmoedigheid had geoefend, terwijl Hij getuigenissen zond om het volk te verlichten, en dat juist vergoten was om deze getuigenissen, ten slotte geëist worden van het opstandige volk. De woorden van de Heer wekten alleen maar nog meer de boosheid van de farizeeën op, die Hem in Zijn rede probeerden te vangen. Ik wil nog eens herhalen: In plaats van een Messias die de beloften vervult, vinden we hier het woord van het getuigenis duidelijk op de voorgrond gezet en vervolgens het oordeel over een volk dat beide, de Messias zowel als het Woord, verworpen had en dat zelfs het getuigenis zou verwerpen, dat later gezonden zou worden om hen terug te brengen.

Hoofdstuk 12

Hier zien we dat de discipelen door de kracht van de Heilige Geest in deze positie van getuigenis worden geplaatst, waarin ze, als de Heer heengegaan zou zijn, de tegenstand van de wereld zouden ondervinden. In plaats van de Messias op aarde is het het Woord en de Heilige Geest. Ze moesten niet op zichzelf vertrouwen en ook de tegenstand niet vrezen. Ze moesten alleen God vrezen en op Zijn hulp vertrouwen. De Heilige Geest zou hun leren wat ze moesten zeggen. Alle dingen zouden geopenbaard worden. God kan de ziel treffen, de macht van de mens beperkt zich tot het lichaam. Hier wordt de verbinding van de ziel met God voor ogen gesteld, iets dat verder gaat dan de beloften van die tijd. Het is uit het jodendom komen om voor God te zijn. De taak van de discipelen was om tot elke prijs God in de wereld te openbaren; Hem te openbaren aan het geloof voordat alle dingen zouden geopenbaard worden. Dat zou hun misschien voor de mensen een hoge prijs kosten, maar Jezus zou hen belijden voor de engelen. De discipelen worden hier in het licht geplaatst zoals God in het licht is. Ze worden geleid tot de vrees van God door het Woord en geloof, terwijl de macht van het boze aanwezig is. Maar al dat kwaad, hoe verborgen ook, zal in het licht gebracht worden.

Maar dit is niet alles. De lastering die tegen het getuigenis zou uitgesproken worden, zou in hun geval erger en onvergeeflijker zijn dan het lasteren van Christus. Het spreken tegen de Zoon des mensen kan vergeven worden. (Dat is al gebeurd en zal aan het eind gebeuren met de joden als volk). Maar wie in lastering sprak tegen het getuigenis van de discipelen, lasterde tegen de Heilige Geest. En dat zou nooit vergeven worden.

De Heer heeft hier zowel het hart als het geweten van de discipelen op het oog. Hij bemoedigt hen door drie dingen:

  1. De bescherming van Hem die de haren van hun hoofd heeft geteld, wat ook de beproevingen van hun geloof mochten zijn;
  2. Het feit dat in de hemel en voor de engelen hun trouw aan Christus in deze moeilijke zending, door Hem zou worden erkend;
  3. De belangrijkheid van hun zending.

Want de verwerping ervan zou een meer definitieve veroordeling met zich meebrengen dan de verwerping van Christus Zelf. Want God had een stap, ja de laatste stap, gedaan in verband met Zijn genade en Zijn getuigenis. Het in het licht brengen van alle dingen – de zorg van God – dat ze door Christus in de hemel beleden zouden worden – dat de kracht van de Heilige Geest met hen zou zijn – dat zijn de beweegredenen en de bemoedigingen die de discipelen hier worden voorgesteld voor hun zending na het heengaan van de Heer.

In wat nu volgt, zien we nog duidelijker de positie waarin de discipelen door de verwerping van Christus zouden komen naar de raadsbesluiten van God (vers 13). De Heer weigert beslist om gerechtigheid te oefenen in Israël. Dat was nu Zijn plaats niet. Hij houdt Zich bezig met de zielen en vestigt hun aandacht op een ander leven dat langer duurt dan het tegenwoordige. En in plaats van de erfenis tussen de broeders te verdelen, waarschuwt Hij de schare tegen de gierigheid en onderwijst hen door de gelijkenis van de rijke man die plotseling uit de wereld en uit zijn plannen wordt weggeroepen. Wat werd er van zijn ziel?

Maar nadat Hij deze algemene grondslag heeft gelegd, richt de Heer Zich tot Zijn discipelen en stelt hun de grote praktische beginselen voor ogen die hen moesten leiden in hun wandel. Ze moesten niet denken aan de dag van morgen, maar op God vertrouwen. Bovendien hadden ze zelf geen macht over de dingen. Ze moesten eerst het koninkrijk van God zoeken en alles wat ze nodig hadden zou hun erbij gegeven worden. Dat was hun positie in de wereld die Hem verwierp. Maar het hart van de Vader stelde belang in hen en dus hadden ze niets te vrezen. Het was het welbehagen van de Vader hun het koninkrijk te geven. Als vreemdelingen en pelgrims op aarde moest hun schat in de hemel zijn; dan zou ook hun hart daar zijn want het hart is op de schat gericht 30. Bovendien zouden ze moeten wachten op de Heer. Drie dingen moesten dus invloed uitoefenen op de ziel.

  1. de Vader wilde hun het koninkrijk geven;
  2. de schat van hun hart in de hemel;
  3. de verwachting van de terugkeer van de Heer.

Tot de Heer zou komen moesten ze waken en hun lampen brandend houden. Hun gehele positie zou dan de gevolgen openbaren van deze voortdurende verwachting van de Heer en de uitdrukking ervan zijn. Ze moesten wachten met omgorde lendenen; gereed staan om Hem te dienen. En in dat geval, als alles naar het hart van de Heer zou zijn, door Zijn macht opnieuw gevestigd, en zij ingevoerd in het huis van Zijn Vader, dan zou Hij hen doen aanzitten, Zich omgorden en hen dienen.

Het is van buitengewone betekenis, goed te zien wat de Heer hier op het oog heeft. Het is niet zozeer het vasthouden, hoe duidelijk en beslist ook, van de waarheid dat Hij zal terugkomen aan het einde van deze tegenwoordige tijd. Maar dat de christen op de Heer zou wachten, met een volle belijdenis van Christus en een hart dat geestelijk in orde is. Zulke mensen zijn het die de Heer als gasten zal doen neerzitten. En dat voor altijd in het huis van Zijn Vader waar Hij hen zal hebben gebracht en waar Hijzelf hen dan in liefde de zegeningen zal geven. Deze dienst van de liefde zal de zegeningen duizendmaal kostbaarder maken, omdat ze ontvangen worden uit Zijn hand. De liefde houdt ervan te dienen; het egoïsme om te worden gediend. Maar Hij kwam niet om gediend te worden maar om te dienen. En deze liefde zal Hij nooit opgeven. Niets is kostbaarder dan de genade die in deze verzen wordt uitgedrukt 31.
Petrus vraagt aan wie Jezus deze aanwijzingen geeft. De Heer wijst hem op de verantwoordelijkheid van hen, die Hij gedurende Zijn afwezigheid zekere verplichtingen oplegt. Hier hebben we de twee karaktertrekken die de discipelen zouden kenmerken nadat Jezus verworpen zou zijn. Het zijn: de verwachting van Zijn komst en de dienst. De verwachting, het waken met omgorde lendenen om Hem te ontvangen, wordt beloond met de rust en het feestmaal waar de Heer Zich zal omgorden tot dienst, (zegeningen en blijdschap door Hemzelf uitgedeeld). De trouw van de discipel in de dienst wordt beloond door het ontvangen van de regering over alles wat de Heer der heerlijkheid toebehoort. Naast deze bijzondere verbinding tussen de wandel van de discipelen en hun positie in de toekomende wereld, vinden we hier ook nog de algemene waarheid, dat we de wereld waar de Heer verworpen werd moeten verloochenen en het koninkrijk bezitten als gift van de Vader.

In wat de Heer nog verder zegt over de dienst van hen die gedurende Zijn afwezigheid Zijn naam dragen, heeft Hij het ook over hen die ontrouw zouden zijn. Hij bedoelt daarmee degenen die wel openlijk een dienst zouden uitoefenen in de gemeente, maar toch hun deel zouden hebben met de ongelovigen. Het geheim van het kwaad dat hun ontrouw kenmerkt bestaat hierin, dat hun hart het ogenblik van de wederkomst van Jezus ver in de toekomst zou stellen, in plaats van ernaar te verlangen en het te verhaasten door hun aspiraties, en in ootmoed te dienen in hun verlangen om getrouw te worden bevonden. Ze zouden zeggen: Hij komt nog niet direct. En als gevolg daarvan zouden ze hun eigen wil doen, zich aanpassen aan de geest van de wereld en zich gezag aanmatigen over hun mededienstknechten. Wat een treffend beeld van wat zich in de christenheid heeft voorgedaan! Maar hun Meester (want dat was Hij, al hebben ze Hem niet waarlijk gediend), zou komen op een ogenblik dat ze Hem niet verwachtten; als een dief in de nacht. En hoewel ze belijden dienstknechten te zijn, zullen ze hun deel hebben met de ongelovigen. Toch zal het niet voor allen hetzelfde zijn. Want de dienstknecht die de wil van zijn eigen Meester kende, en die zich niet voorbereidde op Zijn komst als de vrucht van zijn verwachting en Zijn wil niet deed, zal streng gestraft worden, terwijl de straf minder zal zijn voor hem die deze kennis van Zijn wil niet had. Ik heb hier gesproken van “zijn eigen Meester” omdat het Grieks een bekende verhouding met de Heer vooronderstelt en de daaruit voortvloeiende verplichting. De andere dienstknecht was weliswaar onbekend met de uitdrukkelijke wil van de Heer. Maar hij bedreef toch het kwaad, wat hij in elk geval niet had moeten doen. Het is de geschiedenis van de ware en de valse dienstknechten van Christus, van de belijdende gemeente, en van de wereld in het algemeen. Maar er kan geen ernstiger getuigenis zijn over wat de ontrouw in de gemeente heeft gebracht en tot haar afval en naderend oordeel leidde, dan het opgeven van de tegenwoordige verwachting van de komst van de Heer. En als van ieder geëist zal worden naar de voorrechten die hij heeft ontvangen, wie zijn dan meer schuldig dan zij, die zich dienstknechten van de Heer noemen, maar Hem niet dienen in de dagelijkse verwachting van Zijn wederkomst?

Toch was de Heer, zo verworpen, gekomen om tweedracht en vuur op de aarde te brengen. Zijn aanwezigheid ontstak dit vuur al voordat Zijn verwerping, in de doop van de dood waardoor Hij moest gaan, definitief was geworden. En pas na deze dood zou Zijn liefde volle vrijheid hebben zich in macht te openbaren. Zo werd Zijn hart dat liefde was, (zelfs naar de oneindigheid van Zijn Godheid), gedrongen naar het ogenblik waarop het zoenoffer de vrije loop zou kunnen geven aan deze liefde en aan de vervulling van al de voornemens van God. In deze voornemens zou Gods macht worden geopenbaard in overeenstemming met deze liefde. En daarvoor was het zoenoffer absoluut noodzakelijk als de grondslag van de verzoening van alle dingen in de hemel en op de aarde 32.

In verzen 51-53 toont de Heer in bijzonderheden de verdeeldheid die het gevolg zou zijn van Zijn zending. De wereld duldde de Verlosser niet, maar zou evenmin het geloof in Hem verdragen dat zich met Hem verbond en Hem beleed. Het is goed om op te merken, hoe de aanwezigheid van de Heiland het kwaad dat in het menselijk hart aanwezig is naar buiten doet komen. De hier beschreven toestand vinden we in Micha 7:1-7. Het is de vreselijkste toestand van het kwaad die men zich kan indenken.

Daarna richt de Heer Zich tot het volk, om hen te wijzen op de tekenen van de tijd waarin ze leefden. Hij grondt dit getuigenis op twee dingen: de duidelijk zichtbare tekenen die God gaf en de zedelijke bewijzen die, zelfs zonder tekenen, door het geweten moesten worden erkend en die hen verplichtten het getuigenis aan te nemen. Maar hoe groot hun verblinding ook was, ze waren op weg naar de rechter. En eenmaal aan hem overgeleverd zouden ze niet worden losgelaten totdat de tucht van God volkomen over hen was uitgeoefend, (vergelijk Jesaja 40:2).

Laten we nu de inhoud van hoofdstuk 12-13 kort samenvatten, opdat we nog beter het onderwijs begrijpen dat erin gegeven wordt. In hoofdstuk 12 spreekt de Heer om de gedachten van allen van de wereld af te trekken. Hij wijst de discipelen op Hem, die zowel over de ziel als over het lichaam macht heeft en bemoedigt hen met de kennis van de trouwe zorg van de Vader en Zijn bedoeling om hun het koninkrijk te geven. Intussen moeten ze pelgrims en vreemdelingen zijn en zonder angst voor de omstandigheden rondom hen. Dan laat de Heer de schare zien, dat de voorspoedigste mens geen enkele dag zeker is van zijn aardse bestaan. Maar Hij voegt er nog een positieve gedachte aan toe. Zijn discipelen moesten Hem voortdurend dagelijks verwachten. Niet alleen zou de hemel hun deel zijn, maar ze zouden daar alles bezitten en alles genieten. Ze zullen daar aanzitten en de Heer Zelf zal hen dienen. Dit is het hemelse deel van de gemeente bij de wederkomst van de Heer. Totdat Hij komt, dienen zij Hem, en deze dienst vraagt een voortdurende waakzaamheid. Maar als Hij gekomen is, is het Zijn beurt om hen te dienen die tijdens Zijn afwezigheid trouw geweest zijn. Vervolgens zien we de erfenis van de discipelen en het oordeel over de belijdende gemeente en over de wereld. Zijn onderwijs brengt verdeeldheid, in plaats van het koninkrijk in kracht te vestigen. Maar Hij moet sterven. En dat leidt tot een ander onderwerp, namelijk het tegenwoordige oordeel over de joden. Ze waren met God op weg naar het oordeel.

Hoofdstuk 13

De regering van God in Israël zou zich niet openbaren in het onderscheid van de onrechtvaardigen door gedeeltelijke oordelen over hen. Allen zouden omkomen als ze zich niet bekeerden. De Heer verzorgde de vijgenboom nu voor het laatste jaar. Als het volk van God geen vrucht voortbracht, zo verdierf het Zijn wijngaard. Zich op de wet te verheffen in verzet tegen een God die in hun midden was en hun Zelf de wet gegeven had, was huichelarij. Het koninkrijk zou niet gevestigd worden door de openbaring op aarde van de macht van de Koning. Het zou van een klein zaadje uitgroeien tot een onmetelijk systeem van macht op aarde en tot een leer die, als een godsdienstig systeem, de gehele maatschappij zou doordringen. Op een vraag of het aantal van het overblijfsel groot zou zijn, wijst de Heer met nadruk op het ingaan door de enge poort van bekering en geloof in Hem; want velen zouden in het koninkrijk willen ingaan maar niet kunnen: op de tijd dat de heer van het huis zal zijn opgestaan en de deur zal hebben gesloten, (dat wil zeggen als Christus door Israël verworpen zou zijn). Tevergeefs zouden ze zeggen dat Hij in hun steden was geweest. Werkers van ongerechtigheid zouden het koninkrijk niet binnengaan. De Heer spreekt hier uitsluitend over de joden. Ze zouden de aartsvaders, de profeten, ja zelfs uit de volken uit alle windstreken, in het koninkrijk zien, terwijl zij buiten zouden zijn. Toch was de vervulling van het verwerpen van Christus niet afhankelijk van de wil van de mens, of van de valse koning, die zich volgens het zeggen van de farizeeën, van Hem probeerde te ontdoen. De raadsbesluiten van God, en helaas ook de ongerechtigheid van de mens, zouden gezamenlijk tot dit doel leiden. Jeruzalem zou de maat van haar ongerechtigheid vol maken. Het kon niet voorkomen, dat een profeet buiten Jeruzalem zou sterven. Maar dan, in de verwerping van Jezus, zou de beproeving van de verantwoordelijkheid van de mens afgesloten zijn.

Dan spreekt de Heer, als Jahweh Zelf, in roerende en verheven taal. Hoe dikwijls had deze God van goedheid de kinderen van Sion onder Zijn vleugels willen bijeen vergaderen, maar ze wilden niet! Voor zover dit samen vergaderen afhankelijk was van de wil van de mens, betekende deze afwijzing volkomen scheiding en verwoesting. En in feite was het zo. Van de zijde van Israël was nu alles tussen Israël en Jahweh voorbij. Maar niet van de zijde van Jahweh tegenover Israël. Het was het deel van de profeet te rekenen op de trouw van zijn God. Hij was ervan verzekerd, dat Hij die de verbinding had gevestigd op Zijn beloften, daaraan trouw bleef. Al kwamen oordelen, ze zouden maar tijdelijk zijn. Hij kon vragen: “Hoe lang” (Jesaja 6:11; Psalm 79:5)? De ellende is volkomen als er geen geloof is; als er niemand meer zegt: “hoe lang” (Psalm 74:9). Maar hier is de grote Profeet Zelf verworpen. Maar ongevraagd, op grond van de rechten van Zijn genade als Jahweh kondigt Hij hun het einde aan van hun verwoesting. “U zult Mij geenszins zien, totdat de tijd komt, dat u zegt: Gezegend Hij, die komt in de Naam des Heren!” Deze plotselinge openbaring in genade van de rechten van Zijn Godheid en van Zijn Godheid Zelf, toen ten opzichte van hun verantwoordelijkheid alles verloren was, ondanks Zijn bemoeienissen van genade, is buitengewoon mooi. Het is God die aan het eind van al Zijn handelingen Zelf verschijnt.

We zien dus in hoofdstuk 12 het hemelse deel van de gemeente, namelijk de hemel en het toekomstige leven. En vanaf vers 54 tot en met hoofdstuk 13 de regering over Israël en over de aarde, met de uiterlijke vorm van datgene wat er hier beneden voor in de plaats zou komen als Jezus verworpen en het jodendom terzijde zou zijn gesteld.

In de eerste verzen spreekt men de Heer over een vreselijk oordeel dat op sommigen van hen was gevallen. Er waren Galileeërs wier bloed Pilatus gemengd had met hun offers. De Heer zegt dat noch dit voorval, noch het andere waaraan Hij herinnert, uitzonderingen zijn. Als zij zich niet bekeerden zou hetzelfde over allen komen. Hij voegt er een gelijkenis bij over de toestand van het volk, opdat ze hun eigen positie begrijpen. Israël is de vijgenboom in de wijngaard van God. Drie jaar al had Hij gedreigd hem om te hakken, want hij bedierf de wijngaard en besloeg nutteloos de grond. Maar Jezus probeerde nu voor het laatst alles wat gedaan kon worden om hem vrucht te laten dragen. Als dat niet gelukte kon de genade alleen maar plaats maken voor het rechtvaardig oordeel van de Meester van de wijngaard. Want waarom zou men verzorgen wat alleen maar schade deed?

Toch handelt Hij in genade en macht tegenover de dochter van Abraham, naar de aan het volk gedane beloften. En als zij het laten voorkomen dat de genade in tegenspraak met de wet is, toont Hij hun aan dat hun tegenstand alleen maar huichelarij is.

Als gevolg van Zijn verwerping zou het koninkrijk van God een niet verwachte vorm aannemen. Gezaaid door het Woord en niet in macht gevestigd, zou het op aarde uitgroeien tot een wereldse macht. Als een uiterlijke belijdenis en leer zou het het gehele gebied doordringen, dat daarvoor in de soevereine raadsbesluiten van God was bereid. Dit was niet het koninkrijk als gevestigd door een macht die in gerechtigheid handelt, maar als overgelaten aan de verantwoordelijkheid van de mens, hoewel de raadsbesluiten van God werden vervuld (vergelijk Mattheüs 13; Daniël 4 en Ezechiël 31).

Ten slotte behandelt de Heer rechtstreeks de vraag van de positie van het overblijfsel en het lot van Jeruzalem (verzen 22-35). Terwijl Hij de steden en dorpen doorging en ondanks de verachting van het volk het werk van genade vervulde, vroegen enkelen Hem of het overblijfsel, zij die het oordeel over Israël zouden ontkomen, talrijk zou zijn. Hij antwoordt niet wat het aantal betreft, maar richt Zich tot het geweten van de vrager. Hij dringt er bij hem op aan al zijn energie te richten op het ingaan door de enge poort. Niet alleen zou de grote menigte er niet ingaan, maar velen die op deze poort geen acht sloegen zouden later wel het koninkrijk willen ingaan maar dan niet meer kunnen. En bovendien, als eenmaal de Heer van het huis zou zijn opgestaan en de deur gesloten hebben, zou het te laat zijn. Hij zou hun zeggen: ‘Ik weet niet vanwaar u bent!’ Tevergeefs zouden ze er dan op pleiten, dat Hij in hun stad gepredikt had. Hij zou verklaren, dat Hij hen niet kende; hen de werkers van ongerechtigheid. Er was geen vrede voor de goddelozen.

Alleen door iets wat zedelijk van aard en waar voor God was, door bekering, kon men het koninkrijk binnengaan. De massa van Israël zou niet ingaan en buiten, in angst en tranen, zouden ze de volken zien aanzitten met de dragers van de beloften. Zij, de kinderen van het koninkrijk naar het vlees, zouden buitengesloten zijn en zouden er des te ellendiger aan toe zijn naarmate ze er dichterbij waren geweest. Zij die de eersten schenen te zijn waren dus de laatsten, en de laatsten de eersten.

Onder de schijn van bezorgd te zijn voor de Heer, geven de farizeeën Hem de raad om weg te gaan. De Heer wijst hen op de wil van God inzake het voleindigen van Zijn werk. Het was geen kwestie van macht van de mens over Hem. Hij zou Zijn werk volbrengen en daarna weggaan, want Jeruzalem had de tijd van haar bezoeking niet gekend. Hoe vaak had Hijzelf, haar ware Heer, Jahweh, de kinderen van deze oproerige stad onder Zijn vleugels willen vergaderen, maar ze hadden niet gewild! En nu was Zijn laatste poging in genade gedaan, en hun huis zou hun woest gelaten worden, totdat ze zich zouden bekeren en, terugkerend tot de Heer, met de woorden van Psalm 118 zouden zeggen: “Gezegend Hij Die komt in [de] Naam van [de] Heer!” Dan zou Hij verschijnen en zouden ze Hem zien.

Niets is duidelijker dan het verband en de kracht van deze gesprekken van de Heer. Voor Israël was het de laatste boodschap, de laatste keer dat God hen bezocht. En ze verwierpen het. Ze werden verlaten door God, (hoewel ze altijd geliefden zijn ter wille van de vaderen), totdat ze Hem zouden aanroepen die ze verworpen hadden. Dan zal deze zelfde Jezus weer verschijnen en Israël zal Hem zien. Dat zou de dag zijn “die Jahweh heeft gemaakt”. Hoewel Hij de vestiging van het koninkrijk in de vorm van een boom en als zuurdeeg tijdens Zijn afwezigheid toelaat, draagt de verwerping van de Heer zijn vruchten onder de joden tot het einde toe. En de opwekking onder dat volk in de laatste dagen, en de terugkeer van Jezus na hun bekering zal in verbinding staan met deze grote daad van zonde en opstand. Maar dit geeft aanleiding tot verder belangrijk onderwijs in verbinding met het koninkrijk.

Hoofdstuk 14

In dit hoofdstuk worden enkele zedelijke bijzonderheden uiteengezet 33.
De Heer wordt uitgenodigd om te eten bij een farizeeër. Hij handhaaft daar dat de rechten van de genade uitgaan boven de sabbat, het zegel van het oude verbond, en veroordeelt de huichelarij, die wel zonder aarzeling de sabbat brak als het eigenbelang erbij betrokken was. Daarna toont Hij de geest van ootmoed en nederigheid die de mens past in de tegenwoordigheid van God; en tevens hoe deze geest moet samengaan met liefde als men wereldse voorrechten bezit. Door zo’n wandel, (zoals inderdaad de Zijne was), in tegenstelling met de geest van de wereld, zal men zonder twijfel zijn plaats daar verliezen. Want de samenleving kent geen wederkerigheid – ze heeft geen begrip noch waardering voor een dergelijke wandel.

Maar door Zijn verwerping begon er een ander uur aan te breken; een uur dat voortreffelijker zou zijn dan dat van de aanwezigheid van een Messias op aarde. Het was een uur van licht, (waarvan de stralen nu al de duisternis doorbraken), dat het noodzakelijke gevolg was van het verwerpen van de Messias; de opstanding van de rechtvaardigen. Hoe groot de duisternis die gepaard ging met Zijn verwerping ook was, ook dit wonderbare licht was aanwezig, als een noodzakelijk gevolg naar de wijsheid van God. Door de wereld uit haar schoot uitgeworpen zouden de rechtvaardigen een eigen plaats bezitten in dat wat de macht van God zou bewerken. Er zou een opstanding van de rechtvaardigen zijn. Dan zouden ze de beloning ontvangen voor alles wat ze uit liefde tot de Heer gedaan hadden en ter wille van Zijn Naam. We zien de kracht waarmee deze toespeling past op de positie waarin de Heer Zich op dat ogenblik bevond – op het punt om in deze wereld gedood te worden.

En wat zou er dan van het koninkrijk worden? Met het oog op deze vraag in dat ogenblik, geeft de Heer er een tekening van in de gelijkenis van het grote avondmaal van de genade (verzen 16-24). Veracht door het grootste en vooraanstaande deel van de joden als God hen uitnodigt er deel aan te nemen, zoekt Hij nu de armen van de kudde. Maar omdat er toen nog plaats was in Zijn huis, zond Hij uit om de volken te zoeken en deze door Zijn roep die in werkzame kracht uitging binnen te brengen, toen ze Hem niet zochten. Het is de werkzaamheid van Zijn genade. De joden zouden er als jood geen deel aan hebben. Maar zij die wilden ingaan moesten de kosten berekenen (verzen 25-33). Alles in deze wereld moest worden verlaten; elke band met haar moest verbroken worden. Hoe nader iets aan het hart lag, des te gevaarlijker was het en des te meer zou men het moeten haten. Dat wil niet zeggen dat de natuurlijke genegenheden slecht zijn. Maar nu Christus door de wereld verworpen is, moet alles wat ons aan de aarde bindt worden opgeofferd aan Hem. Hij moet gevolgd worden, tot elke prijs. We moeten ons eigen leven weten te haten en het zelfs weten te verliezen, liever dan in het volgen van de Heer te verflauwen. Alles in dit leven van de natuur is verloren. Het gaat nu om redding, om de Verlosser, om het eeuwige leven. De enige weg om Zijn discipel te zijn was, dat men zijn kruis opnam en Hem volgde. Zonder dit geloof was het beter niet met bouwen te beginnen. En in het bewustzijn dat de vijand uiterlijk veel sterker is dan wij, moeten wij het voor onszelf vaststellen of wij, wat er ook komen mag, hem door het geloof in Christus met een vast voornemen tegemoet durven treden. Met alles wat met het vlees als zodanig verbonden is moet daarom gebroken worden.

Bovendien (verzen 34-35) waren zij geroepen om een bijzonder getuigenis af te leggen, te getuigen van het karakter van God Zelf zoals Hij in Christus verworpen was, waarvan het kruis de juiste maatstaf was. Als de discipelen dit niet verwerkelijkten, waren ze waardeloos. Voor dat doel alleen waren zij discipelen in deze wereld. Heeft de gemeente dit karakter bewaard? Ernstige vraag voor ons allen!

Hoofdstuk 15

Nadat de Heer het onderscheid in karakter heeft aangetoond tussen de twee bedelingen, namelijk die van de wet en die van de genade, en de omstandigheden van de overgang van de een in de ander, gaat Hij tot verhevener beginselen over, namelijk de bronnen van de bedeling die door de genade ingevoerd wordt. Zowel hier als in de voorgaande hoofdstukken, staan deze bedelingen tegenover elkaar. Maar deze tegenstelling verheft zich tot haar heerlijke bron in Gods eigen genade tegenover de armzalige eigengerechtigheid van de mens.
De tollenaars en zondaren komen om Jezus te horen. Voor hen die behoefte hadden aan genade had deze genade werkelijke waarde. Maar de eigengerechtigheid stootte alles terug wat niet even verachtelijk was als zijzelf, maar daarmee tevens God Zelf in Zijn natuur van liefde. De farizeeën en schriftgeleerden murmureerden tegen Hem die een getuige was van de genade van God door deze in praktijk te brengen.

Dit hoofdstuk heeft veel zielen gelukkig gemaakt en, sinds de Heer het uitsprak, het onderwerp is geweest van veel getuigenissen van de genade. Het is mij dan ook niet mogelijk het te overdenken zonder uit te wijden over de genade die zo volmaakt is in haar toepassing op het hart. Toch zal ik me moeten beperken tot de grote beginselen, en de toepassing overlaten aan hen die het Woord prediken. Het is een moeilijkheid die zich telkens weer voordoet in dit gedeelte van het Woord.

Het grote beginsel dat de Heer hier voorstelt en waarop Hij de rechtvaardiging grondt van de handelingen van God, (droevige toestand van het hart die dit nodig maakt en wonderbare genade en geduld die het doet), is dat God er Zijn welbehagen in vindt genade te bewijzen. Wat een antwoord aan de afschuwelijke gezindheid van de farizeeën die daartegen bezwaar maakten.

Het is de herder die zich verblijdt als het verloren schaap is gevonden, de vrouw als de penning weer in haar hand is, de vader als zijn zoon weer in zijn armen is. Wat een uitdrukking van dat wat God is! Hoe waarlijk is Jezus de Enige om dat bekend te maken! Alleen hierop kan welke zegen ook van de mens worden gegrond. Hierin is God verheerlijkt in Zijn genade. Maar er zijn in deze genade twee onderscheiden delen. Het eerste is de liefde die zoekt en het tweede is de liefde waarmee iemand wordt ontvangen.

De eerste twee gelijkenissen beschrijven de eerste karaktertrek van deze genade. De herder zoekt zijn schaap en de vrouw haar geldstuk. Het schaap en het geldstuk zijn passief. De herder zoekt (en de vrouw ook) totdat hij vindt, omdat hij belang heeft bij het voorwerp dat hij zoekt. Het schaap, vermoeid door zijn afdwalingen, hoeft geen enkele stap te doen om terug te keren. De herder legt het op zijn schouders en draagt het naar huis. Hij neemt alles voor zijn rekening, gelukkig dat hij zijn schaap terug heeft. Dit is de geest van de hemel, wat ook de toestand is van het hart van de mens op aarde. Het is het werk van Christus, de goede Herder. Wat de vrouw doet is een beeld van de moeite die God Zich getroost in Zijn liefde; hierin zien we meer het werk van de Heilige Geest. Ze brengt het licht en veegt het huis, totdat ze het geldstuk vindt dat verloren was. Zo handelt God in de wereld: Hij zoekt zondaars. De hatelijke en afschuwelijke jaloezie van de eigengerechtigheid vindt geen plaats in de geest van de hemel waar God woont en waar, in de blijdschap die Hem omringt, Zijn eigen volmaaktheden worden weerspiegeld.

Maar hoewel het schaap noch het geldstuk iets doen om te worden teruggevonden, is er toch in het hart van iemand die teruggebracht is, een waar werk gedaan. Maar dit werk is niet de grondslag van de vrede, hoe noodzakelijk het ook is voor het vinden, of zelfs voor het zoeken van vrede.

De terugkeer en de ontvangst van de zondaar worden daarom voorgesteld in de derde gelijkenis. In de eerste twee zagen we het werk van de genade voorgesteld, uitsluitend gewerkt en voleindigd door de macht van God en volledig in haar gevolgen. In de derde zien we de zondaar terugkeren met gevoelens die we nu zullen overdenken; gevoelens die voortgebracht zijn door de genade maar die nooit stijgen tot de hoogte van de genade die geopenbaard wordt in zijn ontvangst, voor hij teruggekeerd is.

Het Woord tekent ons eerst zijn vervreemding van God. Op het ogenblik dat hij zijn vader de rug toekeert en over de drempel van het vaderlijk huis gaat, is hij al even schuldig als toen hij later de draf van de zwijnen at. We vinden in hem de mens getekend, door de zonde misleid, in de ergste toestand van zijn verval waarin de zonde hem heeft gebracht. Hij heeft er alles doorgebracht wat hij naar de natuur ontvangen had. Het gebrek waarin hij zich nu bevindt drijft hem in het geheel niet naar God terug, maar brengt hem tot het zoeken van hulpbronnen in dat wat het land van satan kan geven (maar waar niets voor niets wordt gegeven) – en hij bevindt zich onder de zwijnen. Hoeveel zielen voelen de hongersnood waarin ze zichzelf gebracht hebben, namelijk de holheid van alles wat hen omringt, zonder enige begeerte naar God of heiligheid, en dikwijls begeerte naar verlagende dingen in de zonde. Maar de genade is werkzaam. De gedachte aan de blijdschap in het huis van zijn vader en aan de goedheid die allen daar zegent, wordt wakker in zijn hart. Waar de Geest van God werkt vinden we altijd twee dingen, namelijk het geweten overtuigd en het hart aangetrokken. Het is werkelijk de openbaring van God aan de ziel – en God is licht en Hij is liefde. Als licht werkt Hij in de ziel de overtuiging van haar verloren toestand, en als liefde is er de aantrekkingskracht van Zijn goedheid en het gevolg daarvan is een ware belijdenis. Het is niet alleen dat we voelen dat we gezondigd hebben, maar dat we met God te doen hebben en dat ook wensen. En hoewel we teruggehouden worden door de vrees voor wat Hij in Zichzelf is, gaan we toch naar Hem toe. Zo de vrouw in hoofdstuk 7 en zo Petrus in het schip. Dit alles werkt in ons het gevoel dat we verloren gaan, en tegelijkertijd, hoe zwak ook, een toch juist bewustzijn van de goedheid van God en van de blijdschap die bij Hem te vinden is, hoewel we mogelijk nog niet zeker zijn dat we ontvangen worden. En we blijven niet op de plaats waar we omkomen. Er is het bewustzijn van zonde en er is verootmoediging. We hebben het gevoel dat God goed is, maar nog niet het bewustzijn wat Zijn genade in werkelijkheid is. Toch trekt deze genade onweerstaanbaar aan. Men gaat tot God, maar men zou tevreden zijn als een dienstknecht te worden aangenomen; een bewijs dat men God nog niet heeft ontmoet, al is er in het hart een werk van genade. Maar een voortgang in geestelijke dingen kan nooit vrede geven, hoe werkelijk die voortgang ook is. Door het gaan, door de omkeer, is er een zekere rust in het hart gekomen, maar men weet niet hoe de ontvangst zal zijn nadat men schuldig geworden is door God te verlaten. Hoe meer de verloren zoon het huis naderde, hoe meer zijn hart moest kloppen bij de gedachte aan de ontmoeting met zijn vader. Maar de vader verwacht hem, ziet hem al in de verte komen en handelt dan met hem niet naar wat de zoon verdiende, maar naar zijn vaderhart: de enige maatstaf van de wegen van God tegenover ons. Hij is de zoon al om de hals gevallen als deze nog in lompen is gehuld en nog niet heeft kunnen zeggen: “Maak mij als een van uw dagloners”. Het was niet meer de tijd om dat te zeggen. Want dat behoorde bij iemand, die nog niet wist hóe hij ontvangen zou worden, en niet meer bij een, die God had ontmoet. Zo iemand weet hoe hij ontvangen is. De verloren zoon had zich voorgenomen te zeggen: “Maak mij als een van uw dagloners” (zoals men dikwijls spreekt over “een kleine hoop” of de plaats van “een dorpelwachter”). Maar hoewel de belijdenis volkomen was toen hij aankwam, kon hij niet meer zeggen: maak mij een huurling. Hoe zou hij het nog kunnen? Het hart van de vader had de positie van de zoon vastgesteld naar zijn eigen gevoelens, door de liefde die hij had voor zijn kind en door de plaats waar zijn hart hem ten opzichte van zichzelf had geplaatst. De positie van de vader besliste die van de zoon. Dit alles werd afgehandeld tussen de vader en de zoon.

Maar dat was niet alles. Hij had zijn zoon lief zelfs zoals hij was. Maar hij bracht hem niet in die toestand in huis. Dezelfde liefde die hem ontvangen had als zoon, wilde ook dat hij het huis binnenging als zoon, en zoals de zoon van zo’n vader moest zijn. De dienstknechten worden geroepen om het beste kleed te brengen en het hem aan te doen. Zo geliefd en zo ontvangen door liefde in onze ellende, zijn we nu met Christus bekleed om het huis van de Vader binnen te gaan. Wij brengen dat kleed niet mee: God heeft daarin voorzien. Het is iets geheel nieuws. En wij worden gerechtigheid van God in Christus. Dat is het beste kleed van de hemel! En bij allen is vreugde behalve bij de mens in zijn eigengerechtigheid – de ware jood. De vreugde is de vreugde van de Vader, maar het gehele huis deelt erin. De oudste zoon is niet in huis. Hij is dichtbij maar wil niet binnenkomen. Hij wil niets te doen hebben met de genade, die van een arme verloren zoon het voorwerp maakt van de vreugde van liefde. Toch blijft de genade werkzaam. De vader gaat naar buiten en vraagt hem binnen te komen. Op deze wijze heeft God met de joden gehandeld door het evangelie. Maar de gerechtigheid van de mens die niets anders is dan egoïsme en zonde, verwerpt de genade. Maar God wil Zijn genade niet loslaten want het is een deel van Zijn Wezen. God wil God zijn; en God is liefde.

Dit is het wat in de plaats komt van de aanspraken van de joden, die de Heer en de vervulling van de beloften in Hem hebben verworpen. Dat wat vrede geeft en onze positie overeenkomstig de genade kenmerkt, zijn niet de gevoelens die in onze harten gewerkt zijn hoewel ze werkelijk aanwezig zijn, maar die van God Zelf.

Hoofdstuk 16

Hier wordt de uitwerking van de genade op onze wandel, ons gedrag, voorgesteld en de tegenstelling die er is (gezien de verandering van bedeling), tussen het gedrag dat het christendom eist tegenover de dingen van deze wereld en de positie van de joden in dat opzicht. Het joodse standpunt was alleen de uitdrukking van de positie van de mens zoals deze in het licht was gesteld door de wet. De leer, vervat in de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester, wordt bevestigd door de op een gelijkenis lijkende geschiedenis van de rijke man en Lazarus, waarin de Heer de sluier oplicht die de andere wereld verbergt, waarin het resultaat van het gedrag van de mens openbaar wordt.

De mens is de rentmeester van God, dat wil zeggen God heeft hem Zijn goederen toevertrouwd. Vooral Israël bevond zich in deze positie. Maar de mens is ontrouw geweest en Israël wel in hoge mate. God heeft zijn rentmeesterschap doen eindigen. Maar in feite is hij nog in het bezit van de goederen om ze te beheren, zoals Israël het op dat ogenblik was. Deze goederen zijn de dingen van de aarde — dat wat de mens naar het vlees kan bezitten. Hij heeft door zijn ontrouw het rentmeesterschap verloren, maar is nog steeds in het bezit van de goederen die hem waren toevertrouwd, en die gebruikt hij om zich vrienden te maken onder de schuldenaars van zijn heer, door hen goed te doen. Dit is het wat christenen moeten doen met aardse bezittingen: ze gebruiken voor anderen met het oog op de toekomst. De rentmeester had het geld dat aan zijn meester behoorde, voor zichzelf kunnen nemen. Maar hij maakte zich er liever vrienden door. Hij offerde een tegenwoordig voordeel op om een toekomstig te krijgen. We kunnen de armzalige rijkdommen van deze wereld veranderen in middelen om liefde uit te oefenen. Zelf voorwerpen van de genade geworden, handelt de geest van genade die onze harten vervult op deze wijze met de tijdelijke goederen, die we gebruiken voor anderen. Voor ons is het met het oog op de eeuwige woningen. De woorden: “Opdat gij ontvangen moogt worden”, is een uitdrukking die in Lukas wordt gebruikt om een feit aan te duiden, zonder te spreken over de personen die het volbrengen, hoewel soms “zij” toegevoegd is.

Merk verder op, dat de aardse rijkdommen niet onze “eigen” dingen zijn (vers 12). De hemelse rijkdommen zijn dat wel voor de ware christen. De aardse worden “ongerechtigheid” genoemd omdat zij verbonden zijn met de gevallen mens en niet met de hemelse. Ze hadden ook geen reden van bestaan toen Adam nog onschuldig was.

Nu de sluier is opgelicht van de andere wereld, is de waarheid volkomen in het licht geplaatst. Men ziet nu zeer duidelijk het onderscheid tussen de beginselen van de joodse en de christelijke bedeling. Want het christendom openbaart die andere wereld, (aan de overzijde van het sterven), en behoort, wat haar beginsel betreft, tot de hemel.

Volgens de beginselen van de regering van God over de aarde, beloofde het joodse systeem tijdelijke zegeningen aan de rechtvaardigen. Maar alles was in verwarring: zelfs het hoofd van het joodse systeem, de Messias, was verworpen. Kortom, Israël als verantwoordelijk systeem gezien, dat op grond van gehoorzaamheid aardse zegeningen zou hebben genoten, had geheel gefaald. Op deze grondslag kon de mens in deze wereld niet langer het middel zijn om getuigenis af te leggen van de regeringswegen van God. Er zal een tijd komen van aards oordeel, maar het is er nu nog niet. En in die tussentijd is het bezit van rijkdom allerminst een bewijs van de gunst van God. Bij de joden werd dit bezit van goederen gekenmerkt door persoonlijke zelfzucht en onverschilligheid tegenover een broeder die in ellende aan zijn deur lag. Maar deze openbaring stelt de andere wereld voor onze aandacht. De mens in deze wereld is een gevallen boos schepsel. En als deze zijn goede dingen daar heeft ontvangen, heeft hij het deel van de zondige mens. Hij zal in de andere wereld gepijnigd worden terwijl de door hem verachte daar geluk zal vinden.

Het gaat hier niet om dat wat recht geeft de hemel in te gaan, maar om de kenmerken en de tegenstelling tussen de beginselen van de zichtbare en de onzichtbare wereld. De jood koos deze wereld. Hij heeft ze verloren en de onzichtbare daarbij. De arme man op wie hij met verachting had neergezien, bevond zich in de schoot van Abraham. De gehele toon en inhoud van deze geschiedenis laat haar verbinding zien met de vraag over de hoop van Israël en met de gedachte dat rijkdom een bewijs is van de gunst van God: een voorstelling die, hoe verkeerd ze in ieder geval is, begrijpelijk genoeg wordt als deze wereld het toneel zal zijn van zegen onder de regering van God.

Het doel van de geschiedenis wordt ook aan het eind getoond. De ongelukkige rijke man wenst, dat zijn broers gewaarschuwd worden door iemand die uit de doden is opgestaan. Abraham laat het nutteloze daarvan zien. Voor Israël was alles voorbij. God heeft niet opnieuw Zijn Zoon voorgesteld aan het volk dat Hem verworpen had en de wet en de profeten verachtte. Het getuigenis van Zijn opstanding ontmoette hetzelfde ongeloof dat Hem had verworpen toen Hij op aarde leefde en eveneens het getuigenis van de profeten voor Hem. Er is geen troost in de andere wereld, als in deze wereld het getuigenis van het Woord aan het geweten verworpen is. De afgrond die de gelukzaligen scheidt van hen die in deze wereld van zonde hun voldoening hebben gezocht, kan niet overbrugd worden. Een terugkerende Heer zou hen niet kunnen overtuigen die het Woord versmaad hadden. Alles staat in verbinding met het oordeel over de joden dat de bedeling zou beëindigen, zoals de vorige geschiedenis aantoont hoe het gedrag van de christenen moet zijn ten opzichte van de tijdelijke dingen. En alles vloeit voort uit de genade, die, terwijl van de zijde van God in liefde het heil van de mens tot stand wordt gebracht, de bedeling van de wet en haar beginselen terzijde stelt door de hemelse dingen daarvoor in de plaats te stellen.

Hoofdstuk 17

Genade is de oorsprong van de christelijke wandel en geeft daarvoor aanwijzingen. Men kan niet ongestraft de zwakken verachten en men moet niet moe worden een broeder te vergeven. De macht van God staat, om zo te zeggen, het geloof ten dienste, al is dat geloof niet groter dan een mosterdzaadje. Maar als men alles heeft gedaan wat bevolen is, heeft men slechts zijn plicht gedaan (verzen 5-10). Daarna toont de Heer van verzen 11-37 de bevrijding van het judaïsme dat Hij nog steeds erkent; en daarna zijn oordeel.

Als Hij door Samaria en Galilea gaat komen er tien melaatsen tot Hem. Van grote afstand vragen ze Hem hen te genezen. Hij zendt hen naar de priesters. Dat betekende zoveel als: “U bent rein”. Het zou nutteloos geweest zijn hen door de priesters onrein te laten verklaren, en dat wisten ze. Ze nemen het woord van Jezus aan, gaan in die overtuiging weg en worden onmiddellijk op hun weg genezen. Negen van hen vervolgen hun weg naar de priesters. Ze zijn tevreden nu ze geprofiteerd hebben van Zijn macht en blijven joden; ze komen niet uit de oude schaapskooi. Jezus erkende inderdaad die kooi nog. Maar zij erkenden Hem alleen voor zover ze konden profiteren van Zijn aanwezigheid en bleven waar ze waren. Noch in Zijn Persoon, noch in de macht van God in Hem zagen ze iets aantrekkelijks. Ze bleven joden. Maar de tiende melaatse, deze arme vreemdeling, een Samaritaan, erkende de goede hand van God. Hij viel aan de voeten van Jezus en gaf Hem eer. De Heer zendt hem heen in de vrijheid van het geloof: “Sta op en ga heen; uw geloof heeft u behouden”. Hij hoefde niet meer naar de priesters te gaan want hij had God gevonden en de bron van zegen in Christus. Zo gaat hij heen; bevrijd van het juk dat al heel gauw in het oordeel voor allen zou gebroken worden.

Want het koninkrijk van God was in hun midden. Voor hen die het konden onderscheiden was de Koning aanwezig. Het kwam niet op een wijze die de aandacht trok van de wereld. Maar het was er, zodat de discipelen spoedig zouden terugverlangen naar één van die dagen die zij genoten hadden in de tijd van de aanwezigheid van de Heer op aarde, maar ze zouden die dan niet zien. Dan kondigt de Heer Zijn discipelen de aanmatigingen aan van de valse christussen, terwijl de ware Christus zou zijn verworpen. Het volk zou een prooi worden van de listen van de vijand, maar de discipelen moesten deze valse christussen niet volgen. In verbinding met Jeruzalem zouden ze weliswaar aan deze verzoekingen blootstaan. Maar ze hadden de aanwijzingen van de Heer als leidraad om er doorheen te komen.

De Zoon des mensen zou in Zijn dag zijn als de bliksem. Maar vóór die tijd zou Hij veel moeten lijden van de ongelovige joden. De dag van de Zoon des mensen zou zijn als de dagen van Noach en Lot. De mensen zullen op hun gemak zijn en hun vleselijke begeerlijkheden volgen, als ze overvallen zullen worden door het oordeel, zoals de wereld van Noach door de zondvloed en Sodom door het vuur van de hemel. Het zal de openbaring van de Zoon des mensen zijn: voor allen zichtbaar, luisterrijk en onverwacht. Dat alles staat met Jeruzalem in verbinding. Zo gewaarschuwd, moest het een zorg voor de discipelen zijn aan het oordeel van de Zoon des mensen te ontkomen, dat bij Zijn komst zou losbarsten tegen de stad die Hem verworpen had. Want deze Zoon des mensen die zij verworpen hadden, zou in Zijn heerlijkheid terugkomen. Er moest geen terugzien zijn, want dat zou een bewijs zijn dat hun hart op de plaats van het oordeel was. Beter alles verliezen, zelfs het leven, dan verbonden te zijn met dat wat geoordeeld moest worden. En al zouden ze ontkomen en in ontrouw hun leven sparen: het oordeel was het oordeel van God. Hij zou hen weten te vinden in hun bed en weten te onderscheiden tussen twee die zich in één bed bevonden en tussen twee vrouwen die het koren voor hun gezin maalden met dezelfde molen.

Dit karakter van het oordeel laat ons zien dat het hier niet gaat om de verwoesting van Jeruzalem door Titus. Men ziet er de hand van God, die weet te onderscheiden, te sparen en weg te nemen. Ook is het niet het oordeel van de doden, maar een oordeel op aarde; ze zijn in een bed, bij de molen, op het dak, in het veld. Gewaarschuwd door de Heer, moesten zij die oren hadden om te horen alles verlaten en hun opmerkzaamheid alleen richten op Hem die het oordeel kwam uitoefenen. En toen de discipelen Hem vroegen waar dit oordeel zou plaatsvinden was het antwoord: daar waar het dode lichaam was. Daar zou het oordeel neerdalen als een arend die men niet ziet maar aan wie de prooi niet ontsnapt.

Hoofdstuk 18

Maar er was tegen al de macht van hun vijanden en onderdrukkers (want zoals we gezien hebben zouden die er zijn, zodat ze zelfs hun leven zouden kunnen verliezen) een hulpbron voor het verdrukte overblijfsel. Ze moesten volharden in het gebed; de hulpbron in alle tijden voor de getrouwe – voor de mens in het algemeen als hij het begrijpt. God zal Zijn uitverkorenen recht doen, hoewel Hij hen, wat de oefening van hun geloof betreft, op de proef stelt. Maar als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan dit geloof vinden dat wacht op Zijn tussenkomst? Dat is de ernstige vraag, waarvan het antwoord wordt overgelaten aan de verantwoordelijkheid van de mens – een vraag die het vermoeden wekt, dat het vinden van geloof op de aarde nauwelijks kan worden verwacht, hoewel het er behoort te zijn. Maar, waar ook geloof zal worden gevonden dat aanvaardbaar is voor Hem die het zoekt, het zal niet teleurgesteld of beschaamd worden.

Men zal hier opmerken, dat het koninkrijk (want dat is hier het onderwerp) op twee manieren aan de joden van die tijd wordt voorgesteld. Ten eerste in de Persoon van Jezus die toen in hun midden was (17:21). Ten tweede in de uitvoering van het oordeel, waarin de uitverkorenen zouden worden gespaard en Gods wraak ten gunste van hen zou worden uitgeoefend. Daarom moesten ze er alleen maar aan denken om Hem welgevallig te zijn, hoe de wereld hen ook verdrukte en op zijn gemak zou zijn.

Het is de dag van het oordeel over de bozen, en niet die waarop de rechtvaardigen in de hemel zullen worden opgenomen. Henoch en Abraham zijn meer de typen van de laatsten, terwijl Noach en Lot daarentegen typen zijn van hen die gespaard worden om op aarde te leven. Maar er zijn verdrukkers op wie het overblijfsel moet gewroken worden. Hoofdstuk 17:31 toont dat het overblijfsel alleen aan het oordeel moet denken en zich in geen menselijke verbinding moest verwikkelen. Zo van alles afgezonderd, zou hun enige hoop in die ogenblikken op God zijn. In 18:8 eindigen de profetische waarschuwingen voor de laatste dagen.

Vanaf hoofdstuk 18:9 gaat de Heer dan verder de karaktertrekken te beschrijven die passend waren voor het koninkrijk, waarin ze nu konden gaan door het volgen van Hem. Vanaf vers 35 nadert historisch de grote overgang. De gebeurtenis met de blinde man te Jericho is, zoals al gezegd, in alle synoptische Evangeliën het begin van de laatste gebeurtenissen in het leven van Christus op aarde.

Eigengerechtigheid is allesbehalve een aanbeveling om het koninkrijk in te gaan. De ellendigste zondaar die zijn zonden belijdt is gerechtvaardigd voor God, de eigengerechtige niet. Wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden. Wat een voorbeeld en getuige van deze waarheid was de Heer Jezus Christus Zelf!

De gezindheid van een klein kind, eenvoudig, dat alles gelooft wat hem wordt gezegd, vol vertrouwen, van weinig betekenis in eigen ogen en gedwongen voor alles uit te wijken: dat was passend voor het koninkrijk van God. Welke andere gezindheid zou de Heer toestaan om het koninkrijk binnen te gaan?

Nog eens gezegd: de beginselen van het koninkrijk zoals het gevestigd werd door de verwerping van Christus, waren in volkomen tegenstelling met de tijdelijke zegeningen die verbonden waren met de gehoorzaamheid aan de wet, hoe goed deze wet ook op haar plaats was. In de mens wordt niets goeds gevonden. God alleen is goed. De overste die in zijn uiterlijke wandel de wet geheel had gehouden, wordt geroepen om alles te verlaten om de Heer te volgen. Jezus kende zijn omstandigheden en zijn hart. De Heer legde Zijn vinger op de begerigheid die hem beheerste en die gevoed werd door de rijkdommen die hij bezat. Hij moest alles verkopen wat hij bezat en Jezus volgen. Dan zou hij een schat hebben in de hemel. De jongeman ging bedroefd weg. De rijkdom die in de ogen van de mens een teken scheen te zijn van de gunst van God, was alleen een hinderpaal toen het ging om zijn hart en de hemel. Tegelijkertijd zegt de Heer, dat wie iets zou prijsgeven waaraan hij waarde hechtte ter wille van het koninkrijk van God, veel meer terug zou ontvangen in deze wereld, en in de toekomende wereld het eeuwige leven. We moeten opmerken, dat hier in verbinding met het koninkrijk, alleen het beginsel wordt voorgesteld.

Ten slotte zegt de Heer op de weg naar Jeruzalem, alleen tegen Zijn discipelen, in ronde woorden dat Hij overgeleverd zou worden om smadelijk behandeld te worden en ter dood gebracht, en daarna op de derde dag zou opstaan. Het was de vervulling van alles wat geschreven was door de profeten. Maar de discipelen verstonden niets van deze dingen.

Als de Heer hen die Hem volgden het kruis liet opnemen, dan kon Hij niets anders dan het Zelf opnemen. Hij ging Zijn schapen voor in deze weg van zelfverloochening en toewijding, om hen de weg te bereiden. Hij ging alleen. Het was een weg die Zijn volk nog niet betreden had. En ze konden het ook niet, dan alleen nadat Hij het gedaan had.

Nu gaat in vers 35 de geschiedenis van Zijn laatste reis naar Jeruzalem en Zijn omgang met die stad verder. Hier stelt Hij Zichzelf opnieuw en voor de laatste maal voor als de Zoon van David. Hij legt Zijn aanspraken op deze titel op het geweten van het volk, terwijl Hij hun de gevolgen van Zijn verwerping voorstelt.

Nabij Jericho, 34 de stad van de vloek, geeft Hij het gezicht weer aan een blinde man, die in Zijn titel als Zoon van David gelooft. Zo ontvingen ook allen in Israël die dat geloof bezaten het gezichtsvermogen weer om Hem te volgen. En ze zagen nog grotere dingen dan deze.

Hoofdstuk 19

In Jericho openbaart de Heer genade, ondanks de geest van farizeïsme. Toch noemt Hij Zacheüs een zoon van Abraham, die, hoewel hij zich als tollenaar in een verkeerde positie bevond, een gevoelig geweten en een vrijgevig hart bezat 35.
In de ogen van de Heer beroofde zijn positie hem niet van het kenmerk dat hij een zoon van Abraham was. Als dat het geval zou zijn, wie zou er dan gezegend kunnen worden? Het versperde de weg ook niet tot het heil dat gekomen was om het verlorene te behouden. Het kwam met Jezus het huis van deze zoon van Abraham binnen. Hij bracht heil, wie er ook de erfgenaam van was.

Toch verbergt de Heer hun Zijn heengaan niet, noch het karakter dat het koninkrijk zou aannemen door Zijn afwezigheid. Jeruzalem en de komst van het koninkrijk vervulden hun gedachten. Daarom legt de Heer hun uit wat er zou gebeuren. Hij gaat heen om een koninkrijk te ontvangen en dan terug te keren. Intussen vertrouwt Hij enkele van Zijn goederen (de gaven van de Geest) toe aan Zijn dienaren, opdat ze tijdens Zijn afwezigheid daarmee zouden handelen. Het onderscheid tussen deze gelijkenis en die in het Evangelie van Mattheüs is dit: Mattheüs legt de nadruk op de vrijmacht en de wijsheid van de Gever, die onderscheid maakt in Zijn gaven, in overeenstemming met de bekwaamheid van Zijn knechten. In Lukas zien we meer de verantwoordelijkheid van de knechten die ieder dezelfde som ontvangen, maar waarmee, in het belang van de meester, de een meer wint dan de ander. Daarom wordt hier niet gezegd zoals in Mattheüs: “Ga in tot de vreugde van uw Heer”, hetzelfde voor ieder en het voortreffelijkste. Hier wordt aan de één macht gegeven over 10 steden en aan de ander over 5 steden; dat wil zeggen een deel in het koninkrijk in overeenstemming met hun werk. De dienstknecht raakt niets kwijt van wat hij gewonnen had, hoewel het voor zijn meester was. Hij geniet ervan. Dit was echter niet het geval met de knecht die zijn pond niet had gebruikt. Het hem toevertrouwde wordt van hem weggenomen en gegeven aan hem die de 10 ponden heeft gewonnen. Wat we in geestelijk opzicht hier op aarde winnen aan inzicht en in kennis van God in macht, is in de andere wereld niet verloren. Integendeel, we zullen meer ontvangen. En de heerlijkheid van de erfenis wordt ons gegeven in verhouding tot ons werk hier. Alles is genade.

Maar er is nog een ander element in de geschiedenis van het koninkrijk. De burgers (de joden) verwierpen niet alleen de koning, maar toen hij was weggegaan om het koninkrijk te ontvangen, zonden ze hem een bode achterna om hem te zeggen dat ze niet wilden dat hij over hen regeerde. Dit hebben de joden gedaan, toen Petrus hun hun zonde voor ogen stelde (Handelingen 3) en hun zei dat, als ze zich bekeerden, Jezus terug zou komen en met Hem de tijden van verkwikking. Ze verwierpen het getuigenis en zonden, om zo te zeggen, Stefanus Jezus achterna om te verklaren dat ze niets met Hem te doen wilden hebben. Als Hij in heerlijkheid terugkomt, zal het verdorven geslacht geoordeeld worden voor Zijn ogen. De openlijke vijanden van Christus zullen de straf voor hun opstand ontvangen.

De Heer had verklaard wat het koninkrijk was en wat het zou worden. Nu gaat Hij het voor de laatste maal en in Zijn eigen persoon aan de inwoners van Jeruzalem voorstellen, naar de profetie van Zacharia 9:9. Deze merkwaardige gebeurtenissen hebben we in Mattheüs en Markus al in haar algemeen aspect bezien en dus kunnen we hier volstaan met de aandacht te vestigen op enkele bijzondere omstandigheden. Allen zijn samengebracht rond Zijn intocht. De discipelen en de farizeeën staan hier tegenover elkaar. Jeruzalem beleeft de dag van haar bezoeking maar ze weet dit niet. Enkele merkwaardige woorden, door de Heilige Geest gewerkt, komen bij deze gelegenheid uit de mond van de discipelen. Als ze gezwegen hadden zouden de stenen de heerlijkheid van de Verworpene op luide toon verkondigd hebben. Het koninkrijk dat hier met hun triomfgeroep wordt begroet, is niet maar het koninkrijk in zijn aardse aspect zoals in Mattheüs. Daar was het: “Hosanna voor de Zoon van David”, en “Gezegend Hij Die komt in [de] Naam van [de] Heer; Hosanna in [de] hoogste [hemelen]”. Dat was inderdaad waar, maar hier in Lukas hebben we nog iets meer. De uitdrukking “de Zoon van David” wordt hier weggelaten. Hij is inderdaad de Koning die in de naam van de Heer komt. Maar het is hier niet meer het overblijfsel van Israël dat behoudenis zoekt in de naam van de Zoon van David terwijl het Zijn titel erkent. Hier lezen we: “In [de] hemel vrede en heerlijkheid in [de] hoogste [hemelen].” Het koninkrijk hier is afhankelijk van een vrede die in de hemelse plaatsen is gevestigd. De Zoon des mensen, verhoogd in de hemel en overwinnaar van satan, heeft de hemelen verzoend. De heerlijkheid van genade in Zijn Persoon is gevestigd tot de eeuwige en allerhoogste heerlijkheid van de God van liefde. Het koninkrijk op aarde is alleen maar een gevolg van deze heerlijkheid die de genade heeft gevestigd. De macht die satan uitwierp, heeft vrede in de hemel gevestigd. In hoofdstuk 2:14 hadden we in de geopenbaarde genade: “Heerlijkheid zij God in [de] hoogste [hemelen], en vrede op aarde, in mensen van [Zijn] welbehagen.” Om het koninkrijk te vestigen is in de hemel vrede gemaakt; de heerlijkheid van God is ten volle in de hoogte gevestigd.

Als de Heer Jeruzalem nadert weent Hij over de stad. Het is hier niet als in Mattheüs waar Hij, in het gesprek met de joden, hen op de stad wijst als degene die de profeten heeft verworpen en gedood, en zelfs Emmanuel, Jahweh, die haar kinderen zo dikwijls onder Zijn vleugels had willen vergaderen, smadelijk had verworpen, en die daarom vanaf dat ogenblik tot aan Zijn terugkeer aan de verwoesting was prijsgegeven. Hier in Lukas is het het uur van haar bezoeking en ze heeft dit niet erkend. Had ze maar, zelfs op dit ogenblik nog gehoord naar de roep van het getuigenis van haar God! Daarom wordt ze in de handen van haar vijanden, de volken, overgegeven die geen steen op de andere zullen laten. Dat wil dus zeggen, dat Jeruzalem, omdat ze het bezoek van God in genade in de Persoon van Jezus niet heeft erkend, terzijde wordt gesteld. Het getuigenis gaat niet verder. Er wordt plaatsgemaakt voor een nieuwe orde van zaken. Hier staat dus de verwoesting van Jeruzalem door Titus op de voorgrond. Ook spreekt de Heer hier over het zedelijk karakter van de tempel. De Geest tekent hier niet aan dat het de tempel van God moest zijn voor alle volken. Het is hier eenvoudig (20:16) dat de wijngaard aan anderen zal worden gegeven. De joden vielen over de Steen des aanstoots. En wanneer deze steen op hen zal vallen bij de komst van Jezus ten oordeel, zullen ze erdoor verpletterd worden.

Hoofdstuk 20

In Zijn antwoord aan de sadduceeën, voegt de Heer hier nog drie belangrijke dingen toe aan wat in Mattheüs is gezegd. Ten eerste: het is niet alleen de toestand van hen die zullen opstaan en de zekerheid van de opstanding, maar het is een eeuw of tijdsbedeling die alleen een zekere klasse van mensen, die daartoe waardig geacht zullen worden, zal beërven: een aparte opstanding van de rechtvaardigen. Ten tweede: deze klasse bestaat uit de kinderen van God als de “zonen van de opstanding”. Ten derde: in afwachting van de opstanding overleven hun zielen de dood. Allen leven voor God hoewel ze verborgen mogen zijn voor de ogen van de mensen.

De in Mattheüs 22 meegedeelde gelijkenis van het bruiloftsfeest is hier weggelaten. In Lukas 14 hebben we hem al gehad met kenmerkende bijzonderheden, namelijk het zenden van een boodschap in de straten van de stad, tot de verachten van de volken. Dat vinden we niet in Mattheüs, die in plaats daarvan het oordeel van Jeruzalem voor onze aandacht stelt, vóór de aankondiging van de prediking van het evangelie aan de volken. Dit alles is kenmerkend. In Lukas is het genade, een zedelijke toestand van de mens voor God, en de nieuwe orde van zaken gegrond op de verwerping van Christus. Ik sta nu niet verder stil bij de punten die zowel in Mattheüs als in Lukas worden genoemd. Ze stemmen natuurlijk met elkaar overeen wat de grote feiten betreft die in verbinding staan met de verwerping van de Heer door de joden en hun gevolgen daarvan. Als we Mattheüs 23 vergelijken met Lukas 20:45-47 zullen we direct het onderscheid zien. In Lukas laat de Geest ons in drie verzen zien wat in zedelijk opzicht de schriftgeleerden terzijde stelt, terwijl in Mattheüs hun gehele positie in verband met de toenmalige bedeling wordt ontvouwd; hetzij dat ze een zeker gezag bezitten om anderen voorschriften te geven zolang de bedeling van Mozes nog standhield, hetzij op die plaats gezien als schuldig voor God.

Hoofdstuk 21

De woorden van de Heer in dit hoofdstuk werpen een bijzonder licht op het karakter van het Evangelie van Lukas. In de geschiedenis van het offer van de arme weduwe wordt de geest van genade gezien in tegenstelling met de judaïstische geest. Maar de profetie van de Heer vraagt een uitvoeriger verklaring. Zoals we al gezien hebben aan het eind van hoofdstuk 19, spreekt vers 6 alleen over de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen. De vraag van de discipelen slaat op dezelfde gebeurtenis. Ze zeggen niets over het eind van de eeuw. Daarna spreekt de Heer over de plichten en omstandigheden van Zijn discipelen voorafgaand aan die gebeurtenis. In vers 8 wordt gezegd: “de tijd is nabij gekomen” wat we niet in Mattheüs vinden. Hij spreekt ook veel meer over de bijzonderheden van hun dienst gedurende die tijd, bemoedigt hen en belooft hun de nodige hulp. De vervolgingen zouden hun tot een getuigenis zijn. Van het midden van vers 11 tot het eind van vers 19 vinden we bijzonderheden in verbinding met de discipelen die niet in dezelfde passage in Mattheüs staan. Mattheüs schildert wel de algemene toestand van zaken op dezelfde wijze als Lukas dat doet, maar voegt erbij de toestand van de joden, vooral van hen die min of meer belijden het Woord aan te nemen. In Mattheüs 24:1-14 vinden we de gehele loop van het getuigenis dat in verbinding met Israël zou worden gegeven maar dat zich tevens zou uitstrekken tot de volken. In Lukas 21 is dit getuigenis de komende dienst van de discipelen tot op het ogenblik dat het oordeel van God een einde zou maken aan datgene wat door de verwerping van Christus al geëindigd was.

Daarom spreekt de Heer in Lukas niet zoals in Mattheüs over de gruwel van de verwoesting waarvan Daniël spreekt (vers 20) en ook niet over het einde van de eeuw maar van de belegering van Jeruzalem en de daaropvolgende verwoesting. Het waren de “dagen van wraak” over de joden, die hun opstand bekroonden door de verwerping van de Heer. Daarom zou Jeruzalem door de volken vertreden worden, totdat de tijden vervuld zouden zijn; de tijden die naar de raadsbesluiten van God bestemd waren voor de heerschappij van de wereldrijken van de volken, zoals God dit had geopenbaard in de profetieën van Daniël. Het is het tijdvak waarin wij nu leven. Hier vinden we een onderbreking in de woorden van de Heer. Het hoofdonderwerp is afgehandeld. Maar er moeten nog enkele bijzonderheden geopenbaard worden die de geschiedenis van de oppermacht van de volken afsluiten.

Hoewel de omstandigheden waarvan Lukas spreekt in verzen 20-23, het begin zijn van het oordeel waaruit Jeruzalem niet zal oprijzen totdat alles vervuld is en het gezang van Jesaja 40 tot haar gericht zal zijn, wordt de grote verdrukking hier toch niet genoemd. Er is grote ellende en toorn over het volk, zoals inderdaad het geval was toen Jeruzalem door Titus werd belegerd en de joden ook in gevangenschap werden gevoerd. Maar hier wordt niet gezegd zoals in Mattheüs: “Terstond na de verdrukking van die dagen”. En zonder dat de tijd aangeduid wordt, maar nadat er gesproken is over de tijden van de volken, komt het einde van de eeuw. Er zijn tekenen aan de hemel, er is verdrukking op de aarde en een hevig bewegen van de golven van de menselijke bevolking. Getroffen door een profetisch alarm, voorziet het hart van de mens de onbekende rampen die hem bedreigen, want alle machten die de mens regeren worden bewogen. Dan zullen ze de Zoon des mensen, die eens van de aarde was verworpen met grote kracht en heerlijkheid, zien komen van de hemel met de kentekenen van Jahweh. Het is altijd “de Zoon des mensen” waarvan Lukas spreekt. Hier eindigt de profetie. We hebben hier niet, zoals in Mattheüs, het bijeenvergaderen van de uitverkorenen van Israël die verstrooid waren.

Wat nu verder volgt zijn vermaningen voor het geloof van hen die Hem vertrouwen en de stem van Zijn dienstknecht gehoorzamen, opdat de dag van de verdrukking een teken voor hen is van de komende verlossing. Dat geslacht (een woord dat in Mattheüs al is uitgelegd) zou niet voorbijgaan totdat alles zou zijn vervuld. De tijd die verstreken is sinds de verwoesting van Jeruzalem, en de tijd die nog moet voorbijgaan tot het einde komt, wordt niet genoemd. Hemelse dingen worden niet met tijd gemeten. Bovendien is het ogenblik van de verschijning van de Zoon des mensen verborgen in de kennis van de Vader. Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar de woorden van de Heer Jezus niet. Omdat ze op aarde wonen, moeten de discipelen waken, opdat hun hart niet bezwaard wordt met dingen die hen zouden neertrekken in die wereld waarin zij als getuigen waren gesteld. Want die dag zou als een strik komen over allen die op aarde wonen, zich daar hadden geworteld (vergelijk Openbaring 3:10; 8:13; 11:10 enzovoort). Ze moesten waken en bidden om aan al deze dingen te ontkomen en te staan in de tegenwoordigheid van de Zoon des mensen. Hier vinden we nog een keer het grote onderwerp van dit Evangelie: met Hem te zijn als degenen die van de aarde ontkomen zijn, te behoren bij de 144.000 op de berg Sion, zal een vervulling zijn van deze zegen. Maar de plaats wordt niet genoemd, zodat, als bij hen tot wie Hij persoonlijk het woord richtte trouw werd verondersteld, de door Hem gewekte hoop op een nog voortreffelijker wijze zou vervuld worden in Zijn hemelse tegenwoordigheid op de dag van Zijn heerlijkheid.

Hoofdstuk 22

Hier beginnen de bijzonderheden van het einde van het leven van de Heer. De overpriesters, die het volk vrezen, zoeken een gelegenheid om Hem om te brengen. Onder de invloed van Satan biedt Judas zich aan als een instrument, opdat ze Hem gevangen kunnen nemen als de schare er niet bij is. De Paasdag nadert en de Heer vervolgt datgene wat onder deze omstandigheden tot Zijn liefdewerk behoort. Ik wil in het bijzonder wijzen op die punten die bij het karakter van dit Evangelie behoren, namelijk de verandering die plaatsvond in onmiddellijk en direct verband met Zijn dood. Zo begeert de Heer dit laatste Pascha met Zijn discipelen te eten, omdat Hij daarvan niet meer zou eten totdat het vervuld zou zijn in het koninkrijk van God; dat wil zeggen door Zijn dood. Hij drinkt geen wijn meer totdat het koninkrijk van God zou gekomen zijn. Hij zegt hier niet zoals in Mattheüs en Markus: “totdat Ik die nieuw zal drinken in het koninkrijk van mijn Vader”, maar alleen dat Hij daarvan niet drinken zal totdat het koninkrijk van God zal gekomen zijn. Net als “[de] tijden van [de] volken” als een tegenwoordige zaak wordt voorgesteld, zo ook het christendom – het koninkrijk zoals het nu is, dus niet het duizendjarig rijk. Let ook op de treffende uitdrukking van liefde voor Zijn discipelen: Zijn hart had behoefte aan het afleggen van dit laatste getuigenis van genegenheid, voor Hij hen verliet.

Het nieuwe verbond is gegrond op het bloed dat hier zinnebeeldig wordt gedronken. Het oude was weggedaan, en er was bloed nodig om het nieuwe te vestigen. Echter was dit verbond zelf nog niet gevestigd, maar van de kant van God was alles gedaan. Het bloed was niet vergoten om kracht te geven aan een verbond van oordeel, zoals het eerste. Het was vergoten voor hen die Jezus aannamen in de tijd dat ze wachtten op het ogenblik dat het verbond zelf in genade met Israël zou worden opgericht.

De discipelen, die het woord van Christus geloven dat een van hen Hem zou verraden, kennen zichzelf niet en vragen elkaar wie dat zou kunnen zijn. Het is een treffende uitdrukking van geloof in alles wat Hij zei, maar tevens een bewijs van hun onschuld, want niemand dan Judas had een slecht geweten. En tegelijkertijd, als zij op een vleselijke manier aan het koninkrijk denken, twisten ze om de eerste plaats daarin. En dat in de tegenwoordigheid van het kruis en aan de tafel waar de Heer hun de laatste bewijzen van Zijn liefde gaf! Er was waarheid van het hart, maar wat een hart om waarheid in te hebben! Wat Hemzelf betreft: Hij had de laagste plaats ingenomen en die was, als de voortreffelijkste plaats voor liefde, alleen voor Hem. De discipelen moesten Hem zo dicht mogelijk volgen. Zijn genade erkent dat ze dat gedaan hebben, alsof Hij in dit opzicht hun schuldenaar was voor hun zorg gedurende Zijn tijd van verdriet op aarde. Hij herinnert eraan. Op de dag van Zijn koninkrijk zouden ze op twaalf tronen zitten, als hoofden van Israël, in wiens midden zij Hem waren gevolgd.

Maar nu was het punt dat Hij door de dood moest gaan. En waar zij Hem tot dat ogenblik waren gevolgd, was dit wel een grote gelegenheid voor de vijand om hen te ziften, nu ze Hem niet langer zouden kunnen volgen als op aarde levende mensen. Alles wat tot een levende Messias behoorde was volkomen voorbij en de dood stond voor ogen. Wie kon daar doorheen gaan? Satan wilde hiervan profiteren en wenste de discipelen om hen te ziften. Jezus zocht niet Zijn discipelen dit ziften te besparen. Het was onmogelijk, want Hij moest door de dood gaan en hun hoop was op Hem gevestigd. Ze kunnen er niet aan ontkomen, want het vlees moest aan de proef van de dood blootgesteld worden. Maar Hij bidt voor hen opdat het geloof van die ene die Hij speciaal noemt niet zou ophouden. Simon, vurig naar het vlees, stond meer dan allen bloot aan het gevaar waarin een vals vertrouwen op het vlees hem kon brengen, maar hem geenszins staande kon houden. Maar omdat hij van de kant van de Heer het voorwerp van genade was, zou zijn val het middel worden voor zijn kracht. Als hij het vlees had leren kennen, en tevens de volmaaktheid van de genade, zou hij in staat zijn zijn broeders te versterken. Petrus houdt vol dat hij alles kan doen; zelfs dat waarin hij volkomen zou falen. De Heer waarschuwt hem met weinig woorden voor de dingen die hij werkelijk zou doen.

Vervolgens neemt Jezus de gelegenheid waar, om Zijn discipelen van tevoren te zeggen dat binnenkort alles zou veranderen. Gedurende Zijn aanwezigheid hier beneden, had Hij hen als de ware Messias, Emmanuel, bewaard voor alle moeilijkheden. Toen Hij hen uitzond in Israël had het hun aan niets ontbroken. Waar het koninkrijk nog niet in kracht gekomen was zouden ze nu evenals Hij, blootstaan aan verachting en geweld. Menselijk gesproken, zouden ze voor zichzelf moeten zorgen. Petrus, als altijd voorbarig en de woorden van Christus letterlijk nemend, werd het toegestaan om zijn gedachten bloot te leggen door twee zwaarden te tonen. De Heer stopte hem de mond met een woord dat hem aantoonde dat het nutteloos was om verder te gaan. Op dat ogenblik waren de discipelen niet in staat te begrijpen wat Hij bedoelde. Wat Hemzelf betreft: met een volkomen rust vervolgt Hij Zijn dagelijkse gewoonten.

Gedrukt in Zijn geest door alles wat zou gebeuren, vermaant Hij Zijn discipelen te bidden dat ze niet in verzoeking zouden komen. Dat wil zeggen: ze moesten bidden, dat als de tijd van de beproeving zou aanbreken, terwijl ze met God wandelden dat voor hen een aanleiding zou zijn om te gehoorzamen en niet om van Hem af te wijken. Want er zijn zulke ogenblikken, als God het toestaat, waarin alles door de macht van de vijand op de proef wordt gesteld.

Op een treffende wijze wordt nu de afhankelijkheid van de Heer als mens in het licht gesteld. Het gehele toneel van Gethsemane en van het kruis in Lukas toont ons de volmaakt afhankelijke Mens. Hij bidt: Hij onderwerpt Zich aan de wil van de Vader. Een engel versterkt Hem: dat was hun dienst aan de Zoon des mensen.

Als we de schildering van dit gedeelte in Lukas vergelijken met hetzelfde gedeelte in de andere Evangeliën vinden we allerbelangrijkste beginselen, die het karakter van dit Evangelie op de duidelijkste wijze laten zien. De strijd van de Heer in Gethsemane wordt ons hier uitvoeriger meegedeeld dan op de andere plaatsen. Maar op het kruis zien we de verhevenheid van de Heer boven het lijden waarin Hij Zich bevindt. Er is daar geen uitdrukking van lijden: Hij staat erboven. We hebben hier niet de goddelijke zijde zoals in Johannes. Daar wordt van geen doodsangst in Gethsemane gesproken, maar als Hij Zich bekend maakt gaan de dienaars achteruit en vallen ter aarde. Op het kruis vinden we daar ook niet: “Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten”, maar Hij geeft Zijn geest over aan God. In Lukas is dat anders. Hier vinden we in Gethsemane de Man van smarten; een mens die al de diepten voelt van wat Hem wacht, en opziet tot Zijn Vader. “Terwijl Hij in zware strijd raakte, bad Hij des te vuriger!” Op het kruis zien we Iemand die als mens gebogen heeft voor de wil van Zijn Vader, en in de rust van Iemand die, in welke pijn of lijden ook, boven alles is verheven. Hij zegt de wenende vrouwen dat ze niet om Hem, het groene hout, moeten wenen, maar om zichzelf, want het oordeel zou komen. Hij bidt voor hen die Hem kruisigen. Hij verkondigt vrede en hemelse blijdschap aan de arme boosdoener die bekeerd was; hij zou het paradijs binnengaan vóór het koninkrijk kwam. Hetzelfde wordt op een bijzondere wijze bij Zijn dood gezien. Het is niet zoals in Johannes dat Hij Zijn geest overgeeft, maar: “Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest”. Als een mens die in God gelooft en Hem als Zijn Vader kent vertrouwt Hij Zijn geest in de dood aan Hem toe die Hij zo kende. In Mattheüs vinden we het verlaten zijn van God en Zijn gevoel daarvan. Dit karakter van ons Evangelie dat Christus bepaald openbaart als volmaakt Mens, de volmaakte Mens, is van het hoogste belang. Hij ging door Zijn smarten heen met God, en was daarna in volkomen vrede boven alles verheven. Zijn vertrouwen in Zijn Vader was volmaakt, zelfs in de dood – een weg die tot dat ogenblik nog door geen enkel mens betreden was en ook nooit door de heiligen betreden zou worden. Toen de Jordaan in de oogsttijd vol was tot aan zijn oevers, ging de ark in haar diepte in om een weg te banen waardoor het volk van God droogvoets in de erfenis kon komen.

Als de Heer in Gethsemane in zware strijd is, bidt Hij te ernstiger. Als de afhankelijke mens is Hij volmaakt in Zijn gehoorzaamheid. De diepte van de strijd verdiept de omgang met Zijn Vader. De discipelen waren overstelpt door de schaduw alleen van wat Jezus tot het gebed dreef. Ze zochten hun toevlucht in de vergetelheid van de slaap. Met het geduld van de genade, herhaalt de Heer Zijn waarschuwing. Daarna komt de schare om Hem te vangen. Petrus was vol zelfvertrouwen toen hij werd gewaarschuwd. Hij sliep bij het naderen van de verzoeking toen de Heer bad. Maar nu slaat hij, als Jezus toestaat dat ze Hem als een schaap ter slachtbank voeren. En daarna, helaas! verloochent hij de waarheid als Jezus deze belijdt. Maar, onderworpen als de Heer was aan de wil van Zijn Vader, toont Hij toch duidelijk dat Zijn kracht niet van Hem geweken is. Hij geneest de wond, die Petrus toebracht aan de dienstknecht van de hogepriester en laat Zich dan wegleiden, met de opmerking dat het nu hun uur en de macht van de duisternis was. Droevige en verschrikkelijke samenwerking tussen die beiden.

In dit hele toneel zien we de volkomen afhankelijkheid van de mens, terwijl de macht van de dood in al zijn kracht als een verzoeking wordt gevoeld. Maar, afgezien van wat er in Zijn ziel en voor Zijn Vader omging waarin we de werkelijkheid van deze twee dingen zien, was er de volmaaktste kalmte en de vriendelijkste gelatenheid tegenover de mensen; 36 een genade die zich nooit verloochent.

Dus toen Petrus Hem verloochende, zoals de Heer had voorzegd, zag Hij hem op het juiste ogenblik aan, zonder in Zijn gedachten afgeleid te worden door de vertoning van Zijn onrechtvaardig verhoor. En Petrus wordt door Zijn blik diep getroffen en komt tot zichzelf. Als ze Hem ondervragen heeft Hij weinig te zeggen. Zijn uur was gekomen. Onderworpen aan de wil van Zijn Vader nam Hij de beker uit Zijn hand aan. Zijn rechters volvoerden alleen maar de wil van God toen ze Hem de beker brachten. Op de vraag of Hij de Christus is geeft Hij geen antwoord, want de tijd daarvoor was voorbij. Ze zouden het toch niet geloven, en zouden Hem toch niet geantwoord hebben als Hij hun vragen had gesteld die de waarheid aan het licht brachten. Evenmin zouden ze Hem hebben laten gaan. Maar dan, zoals we al zo dikwijls in dit Evangelie gezien hebben, zegt Hij hun openlijk welke plaats Hij, de Zoon des mensen, vanaf dat ogenblik innam. Hij zou zitten aan de rechterhand van de kracht van God. We zien ook dat dit de plaats is die Hij nu in deze tegenwoordige tijd inneemt 37.

Die Hem omringen trekken onmiddellijk de juiste conclusie en zeggen: Bent U dan de Zoon van God? Hij geeft dan getuigenis van deze waarheid met de woorden: U zegt dat Ik het ben. Dan is alles geëindigd. Hij laat de vraag die ze Hem hadden gesteld of Hij de Messias was, onbeantwoord. Dat was voorbij voor Israël, want Hij ging lijden. Hij is de Zoon des mensen maar vanaf nu alleen als Degene die de heerlijkheid ingaat, en Hij is de Zoon van God. Wat de verantwoordelijkheid aangaat, was het met Israël gedaan. De hemelse heerlijkheid van de Zoon des mensen en de persoonlijke heerlijkheid van de Zoon van God zouden nu spoedig uitstralen, en Jezus wordt aan de heidenen overgeleverd opdat alles vervuld zou worden.

Hoofdstuk 23

In dit Evangelie worden de volken niet gezien als opzettelijk schuldig. Wel vinden we bij hen een onverschilligheid die in een geval als dit een flagrante ongerechtigheid is en een onbeschaamdheid die door niets te verontschuldigen is. Maar Pilatus doet wat hij kan om Christus vrij te laten, en Herodes, in zijn verwachtingen teleurgesteld, zendt Hem onveroordeeld aan Pilatus terug. De positieve wil om Hem kwaad te doen is alleen bij de joden. Dat is kenmerkend voor dit deel van de geschiedenis in Lukas. Pilatus zou zich veel liever niet hebben beladen met deze nutteloze misdaad en hij verachtte de joden. Maar deze waren vastbesloten dat Jezus gekruisigd zou worden en eisen de vrijlating van Barabbas – een oproermaker en een moordenaar.

Deze opzettelijke schuld van de joden, hun nationale schuld, komt ook in het Evangelie van Johannes sterk naar voren. Pilatus behandelt hen met minachting en bij deze gelegenheid roepen ze: “Wij hebben geen koning dan de keizer”.

Daarom zegt Jezus, als Hij naar Golgotha wordt weggeleid, tegen de vrouwen die Hem op grond van natuurlijk medelijden beklagen, dat het met Jeruzalem gedaan was. Ze moesten wenen over hun lot maar niet over het Zijne. Want er zouden dagen komen over Jeruzalem, waarin ze hen gelukkig zouden prijzen die nooit moeder waren geweest – dagen, waarin ze tevergeefs een schuilplaats zouden zoeken tegen de verschrikking en het oordeel. Want als aan Hem, het ware groene hout, deze dingen werden gedaan, wat zou er dan gebeuren met het dorre hout – het jodendom zonder God? Maar toch bidt de Heer, als Hij gekruisigd wordt, voor dit ongelukkige volk: “Ze weten niet wat ze doen”. Het is een voorbede waarop de rede van Petrus tot de joden (Handelingen 3) het merkwaardige antwoord is van de Heilige Geest die uit de hemel is neergedaald. De oversten van de joden, evenals het volk geheel verblind, beschimpen Hem door te zeggen dat Hij Zichzelf niet kan verlossen van het kruis. Ze wisten niet dat dit onmogelijk was als Hij een Verlosser was, en dat alles van hen genomen was en God bezig was om een andere toestand van zaken te vestigen, gegrond op verzoening, in de kracht van eeuwig leven door de opstanding. Vreselijke verblindheid, waarvan de arme soldaten alleen navolgers waren, naar de boosaardigheid van de menselijke natuur! Maar het oordeel over Israël was in hun mond en (van de kant van God) geschreven boven het kruis. Want het was de Koning van de joden die daar hing. Zonder twijfel vernederd want een misdadiger die naast Hem hing kon Hem lasteren. Maar het was op de plaats waar liefde Hem gebracht had om een eeuwige en tegenwoordige verlossing van de zielen tot stand te brengen. Dat werd op hetzelfde ogenblik openbaar. De smaadwoorden waarmee men Hem verweet dat Hij Zichzelf niet verlossen kon, kregen hun antwoord in wat de bekeerde misdadiger ten deel viel. Deze zou op dezelfde dag met Hem in het paradijs zijn.

Deze geschiedenis is een treffend bewijs van de verandering waartoe dit Evangelie ons brengt. De Koning van de joden wordt naar hun eigen belijdenis niet verlost maar gekruisigd. Wat een einde van de hoop van dit volk! Maar tegelijkertijd gaat een grote zondaar, door de genade op het kruis bekeerd, rechtstreeks het paradijs binnen. Een ziel is voor eeuwig behouden. We hebben hier niet het koninkrijk, maar een ziel die buiten het lichaam in gelukzaligheid is met Christus. En let er hier ook op, hoe de aanwezigheid van Christus de ongerechtigheid van het menselijk hart tevoorschijn brengt. Geen enkele boosdoener zal een andere op het kruis bespotten of verwijten maken. Maar als het Christus is die daar hangt, gebeurt het.

Nu wil ik nog enkele woorden zeggen over de toestand van de andere boosdoener en het door Christus gegeven antwoord. We zien daar ieder kenmerk van bekering en het merkwaardigste geloof. De vrees van God, het begin van de wijsheid, was aanwezig en het geweten was oprecht en krachtig werkzaam. Hij zegt niet tot zijn medegenoot: “Gij lijdt rechtvaardig”, maar “wij lijden rechtvaardig”. Hij erkent de volkomen zondeloze gerechtigheid van Christus als mens. En hij belijdt Hem als de Heer op hetzelfde ogenblik dat Zijn eigen discipelen Hem verlaten en verloochend hebben en toen er geen enkel teken van Zijn heerlijkheid of van de waardigheid van Zijn Persoon te zien was. De mens zag in Hem alleen maar een misdadiger zoals hijzelf was, Zijn koninkrijk was voor allen alleen maar een onderwerp van spotternij. Maar de arme misdadiger was door God onderwezen, en alles was hem duidelijk. Hij was er even zeker van dat Christus het koninkrijk zou ontvangen, als wanneer Hij al in heerlijkheid zou hebben geregeerd. Alles wat hij verlangt is, dat Christus dan aan hem zou denken. Wat een vertrouwen in Christus door de kennis van Zijn Persoon wordt hier gezien, ondanks zijn erkende schuld. Het laat zien hoe Christus zijn hart vervult en hoe zijn vertrouwen in de genade door haar heerlijkheid alle menselijke schaamte doet verdwijnen; want wie zou willen, dat men later aan hem zou denken in zijn schande van een gehangene! Goddelijk onderwijs wordt hier op een bijzondere wijze gezien. Weten ook wij niet door Goddelijk onderwijs dat Christus zondeloos was! Was het verzekerd zijn van Zijn koninkrijk op dat ogenblik niet een geloof dat verheven was boven alle omstandigheden? Alleen deze boosdoener is op het kruis Jezus tot troost, en doet Hem denken (als antwoord op zijn geloof) aan het paradijs dat Hem wachtte, als Hij het werk dat Zijn Vader Hem had toevertrouwd zou hebben voleindigd. Merk ook op in wat voor toestand van heiliging deze arme man door het geloof was. In al de doodsangsten van het kruis en terwijl hij gelooft dat Jezus de Heer is, zoekt hij geen verlichting van zijn lichamelijke smart door Hem, maar vraagt Hem aan hem te denken in Zijn koninkrijk. Hij is met één gedachte vervuld – zijn deel met Jezus te hebben. Hij gelooft dat de Heer zal wederkomen. Hij gelooft in het koninkrijk terwijl de Koning verworpen en gekruisigd is, en er, menselijk gesproken, geen enkele hoop meer is.

Het antwoord dat Jezus geeft, gaat verder in de openbaring van wat aan dit Evangelie eigen is. Hij spreekt niet over het koninkrijk, maar over datgene wat eeuwig leven, de gelukzaligheid van de ziel invoert. De boosdoener had Jezus gevraagd om hem te gedenken als Hij terugkwam in Zijn koninkrijk. De Heer antwoordt hem, dat hij niet hoeft te wachten tot de dag van geopenbaarde heerlijkheid die voor de wereld zichtbaar zal zijn. Diezelfde dag nog zou hij met Hem in het paradijs zijn! Kostbaar getuigenis en volmaakte genade! De gekruisigde Jezus was meer dan Koning: Hij was de Heiland. De arme misdadiger was er een getuigenis van. En hij was ook de vertroosting en vreugde van het hart van de Heer. Hij was de eerste vrucht van de liefde die hen naast elkaar had geplaatst, op die plaats waar de arme boosdoener van mensen de straf op zijn zonde ontving en de Heer der heerlijkheid aan zijn zij de gevolgen ervan onderging van de kant van God en als een boosdoener in hetzelfde oordeel was. Door een werk, dat een mens alleen door het geloof kan verstaan, waren de zonden van Zijn metgezel voor eeuwig weggedaan. Ze bestonden niet meer. De herinnering eraan was alleen een herinnering aan de genade die ze had weggenomen en die zijn ziel voor eeuwig had gereinigd en hem op datzelfde ogenblik even waardig had gemaakt het paradijs binnen te gaan als Christus Zelf, zijn mede-Lijder op het kruis.

Nadat de Heer alles heeft vervuld, en nog in het bezit is van Zijn volle kracht, beveelt Hij Zijn geest de Vader aan. Hij vertrouwt ze Hem toe, als een laatste handeling van wat hier Zijn leven was – de volmaakte energie van de Heilige Geest, die handelde in een volkomen vertrouwen in en afhankelijkheid van Zijn Vader. Dan sterft Hij, want het was de dood die Hij voor Zich had – maar de dood in absoluut geloof dat vertrouwde in Zijn Vader – de dood met God door geloof en niet de dood die van God scheidt. Intussen had de natuur zichzelf omsluierd, alsof ze wilde verkondigen dat Hij die haar geschapen had, deze wereld ging verlaten. Alles is duisternis. Maar anderzijds openbaart God Zichzelf: de voorhang van de tempel is in tweeën gescheurd, van boven tot beneden. Tot dat ogenblik had God Zichzelf verborgen in dikke duisternis — de weg in het heiligdom was nog niet geopenbaard. Maar nu is er geen voorhang meer. Dat wat de zonde door volmaakte liefde heeft weggenomen, straalt nu uit, terwijl de heiligheid van Gods tegenwoordigheid een vreugde voor het hart is en geen oordeel. Wat ons zonder voorhangsel in de tegenwoordigheid van volmaakte heiligheid brengt, heeft ook de zonde weggedaan die ons verhinderde daar te zijn. Onze gemeenschap is met God door Christus: we zijn heilig en onberispelijk voor Hem in liefde.

Getroffen door alles wat er is gebeurd belijdt de arme hoofdman (zo is de kracht van het kruis op het geweten) dat deze Jezus die hij gekruisigd had de rechtvaardige Mens was. Ik heb gezegd “het geweten” want ik durf niet te zeggen dat het hier verder ging. Hetzelfde gevolg zien we bij de toeschouwers. Ze gingen heen terwijl ze op hun borst sloegen. Ze begrepen dat er iets ernstigs was gebeurd, dat ze zich in een zeer gevaarlijke positie tegenover God hadden gebracht.

Maar de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader van de heerlijkheid, had alles voorbereid voor de begrafenis van Zijn Zoon, die Hem verheerlijkt had door Zichzelf in de dood te geven. Hij is bij de rijken in Zijn dood (Jesaja 53:9). Jozef, een rechtvaardig man, die niet had toegestemd in de zonde van het volk, legt het lichaam van de Heer in een graf dat nog nooit was gebruikt. Het was de dag van de voorbereiding tot de sabbat, maar de sabbat was nabij. De vrouwen bij Zijn dood, hoewel onwetend, getrouw aan hun liefde voor Hem gedurende Zijn leven, zien waar het lichaam wordt gelegd en maken alles gereed voor het balsemen. Lukas spreekt alleen in algemene bewoordingen over deze vrouwen. We zullen daarom op een andere plaats de bijzonderheden behandelen en hier het Evangelie volgen zoals het zich aan ons voorstelt.

Hoofdstuk 24

Als de vrouwen naar het graf komen vinden ze de steen afgewenteld, maar het lichaam van Hem die ze hadden liefgehad was er niet meer in. Terwijl ze hierover in verwarring zijn, zien ze twee engelen in hun nabijheid die hen vragen waarom zij de levende bij de doden zoeken. Ze herinneren de vrouwen aan de duidelijke woorden die de Heer in Galilea tot hen gesproken had. Dan gaan ze heen en vertellen alles aan al de discipelen, die hun verhaal niet kunnen geloven. Maar Petrus loopt snel naar het graf, ziet alles op zijn plaats en gaat weer weg, verwonderd over wat er gebeurd is. In al deze dingen was er geen geloof in de woorden van Jezus, noch in wat de Schriften hadden gesproken.

Maar op de reis naar Emmaüs verbindt de Heer de Schriften met alles wat er met Hem is gebeurd. Hij toont de twee discipelen, die in hun gedachten altijd nog bezig waren met een aards koninkrijk, dat, naar de Schriften die de raadsbesluiten van God openbaren, de Christus moest lijden en in Zijn heerlijkheid ingaan – een verworpen en hemelse Christus dus. Hij wekt bij hen die brandende belangstelling op die het hart voelt als het door iets getroffen is. Daarna openbaart Hij Zichzelf in het breken van het brood, het teken van Zijn dood. Dat wil niet zeggen dat dit het avondmaal was! Maar deze bijzondere handeling was verbonden met het feit waaraan het avondmaal herinnert. Hun ogen werden geopend en Jezus verdwijnt. Het was de ware Jezus, maar in opstanding. Hijzelf had hun alles uitgelegd wat de Schriften over Hem gesproken hadden en Zich levend aan hen voorgesteld in het symbool van Zijn dood. De twee discipelen keren terug naar Jeruzalem.

De Heer was al aan Simon verschenen. Hoewel ons van deze verschijning geen verdere bijzonderheden worden verteld, wordt ze toch door Paulus genoemd als de eerste verschijning aan de apostelen. Terwijl de twee discipelen in Jeruzalem alles vertellen wat er met hen gebeurd is, staat Jezus Zelf in hun midden. Hun gemoed was echter nog niet voorbereid voor deze waarheid zodat Zijn aanwezigheid hen bevreesd maakt. Ze kunnen de gedachte aan de opstanding van het lichaam nog niet verwerken. De Heer gebruikt hun verwarring, die uit menselijk oogpunt heel natuurlijk is, tot onze zegen door hen de meest tastbare bewijzen te geven dat Hij het Zelf als opgestaan is, lichaam en ziel, dezelfde als vóór Zijn dood. Hij nodigt hen uit Hem aan te raken en Hij eet voor hun ogen 38. Hij was het inderdaad Zelf.

Maar één belangrijk ding, de grondslag van waar geloof, moest hun nog worden meegedeeld. Het zijn de woorden van Christus en het getuigenis van de Schrift. Daar vestigt Hij nu hun aandacht op. Maar bovendien waren er nog twee dingen nodig. Ten eerste, het vermogen om het Woord te begrijpen. Daarom opent Hij hun verstand opdat ze de Schrift kunnen verstaan. Ten tweede stelt Hij hen tot getuigen die niet alleen kunnen zeggen: “Zo is het want we hebben het gezien”, maar ook: “Zo moest het zijn want zo heeft God het gezegd in Zijn Woord”. En het getuigenis van Christus Zelf was vervuld in Zijn opstanding.

En nu moest genade gepredikt worden: Jezus door de joden verworpen, gestorven, en opgewekt voor het heil van zielen, Die vrede heeft gemaakt en leven geeft naar de kracht van de opstanding (en het werk dat reinigt van zonde heeft volbracht) en de vergeving al gegeven in het geven van dit leven. Genade moest gepredikt worden onder alle volken, dat wil zeggen bekering en vergeving voor zondaren. Ze moesten beginnen op de plaats waar de lankmoedige genade van God nog altijd een verbinding erkende door de voorbede van Jezus, maar die alleen bereikt kon worden door soevereine genade, en waar de verschrikkelijkste zonde de vergeving des te noodzakelijker maakte. Daarvoor was een getuigenis nodig dat vanuit de hemel met Jeruzalem moest handelen zoals het handelt met allen. Ze moesten bekering en vergeving van zonden prediken aan alle volken, beginnende van Jeruzalem. De jood, een kind van de toorn evenals de anderen, moest op dezelfde grond komen. Het getuigenis had een hogere bron, hoewel het bleef: eerst de Jood.

Maar er was nog iets nodig om deze zending te vervullen en dat was kracht. Ze moesten in Jeruzalem blijven totdat ze bekleed zouden zijn met kracht uit de hoogte. Jezus zou de Heilige Geest zenden die Hij had beloofd en waarvan de profeten gesproken hadden. Terwijl Hij Zijn discipelen zegent, en Zijn verbinding met hen door de hemel en hemelse genade wordt gekenmerkt, scheidt Hij van hen en wordt in de hemel opgenomen. En zij keren met blijdschap naar Jeruzalem terug.

Men zal opgemerkt hebben, dat het verhaal van Lukas hier zeer algemeen is en de grote beginselen bevat waarop de leer en de bewijzen van de opstanding zijn gegrond. We zien: Het ongeloof van het natuurlijk hart getekend in de eenvoudigste en treffendste mededelingen. De gehechtheid van de discipelen aan hun eigen verwachtingen van het koninkrijk en hoe moeilijk de leer van het Woord bezit nam van hun hart, hoewel dat hart zich er met vreugde voor opende naar de maat van hun verwezenlijking ervan. De Persoon van Jezus, opgestaan maar toch een mens; dezelfde genadevolle Persoon die ze kenden. De leer van het Woord en inzicht gegeven om het te begrijpen. De kracht van de Heilige Geest. Kortom: alles wat behoort tot de waarheid, en de eeuwige orde van zaken geopenbaard.

Jeruzalem wordt nog wel erkend als het eerste voorwerp van genade op aarde, overeenkomstig de bedelingen van God met haar. Toch was ze, zelfs plaatselijk niet, het verbindingspunt en contactpunt tussen Jezus en Zijn discipelen. Hij zegent hen niet vanuit Jeruzalem, hoewel ze in de handelingen van God met de aarde daar moeten wachten op de gave van de Heilige Geest. Voor henzelf en hun verbinding met Hem, leidt Hij hen uit naar Bethanië. Van daar was Hij uitgegaan om Zich aan Jeruzalem als Koning voor te stellen. Daar had de opstanding van Lazarus plaatsgevonden. Daar was Hij op een treffende wijze door die familie ontvangen die het karakter van het overblijfsel voorstelt, verbonden aan Zijn nu verworpen Persoon, met een betere hoop. Daar trok Hij Zich terug toen Zijn getuigenis aan de joden was geëindigd, opdat Zijn hart enkele ogenblikken zou kunnen rusten te midden van hen die Hij liefhad en die wederkerig ook Hem door genade liefhadden. Daar was het ook dat Hij, wat de uiterlijke omstandigheden betreft, de band legde tussen het met Zijn Persoon verbonden overblijfsel en de hemel. Van daar is Hij ten hemel gevaren.

Jeruzalem is alleen het openbare uitgangspunt van hun dienst, zoals het het laatste toneel is geweest van Zijn eigen getuigenis. Voor de discipelen was het Bethanië en de hemel die verbonden waren met de Persoon van Jezus. Van daar moest het getuigenis voor Jeruzalem zelf komen. En dit is des te treffender als we deze passage met Mattheüs vergelijken. Daar gaat Hij naar Galilea, de plaats van verbinding met het joodse overblijfsel, en daar is geen hemelvaart en hun zending is uitsluitend naar de volken. Het is daar een brengen aan de volken, wat tot nu toe tot de joden was beperkt met een verbod om het verder uit te dragen.

Slot aantekening

Tot nu toe heb ik strikt de tekst gevolgd. Ik voeg er hier nog enkele aantekeningen bij om het verband te tonen van dit Evangelie met de andere.

Er zijn twee onderscheiden delen in het lijden van Christus. Ten eerste: wat Hij leed van de krachtsinspanningen van satan – als mens in strijd met de macht van de vijand die de macht van de dood had, terwijl Hij van tevoren aanvoelde wat de dood vanuit de hand van God betekende. Dit alles onderging Hij in gemeenschap met Zijn Vader, terwijl Hij al Zijn smekingen tot Hem richtte.

Ten tweede, wat Hij leed om verzoening voor de zonde teweeg te brengen, toen Hij werkelijk onze zonden droeg, tot zonde voor ons was gemaakt en de beker dronk die de wil van de Vader Hem te drinken had gegeven.

Als we het Evangelie van Johannes overdenken zal ik meer stilstaan bij het karakter van de verzoekingen van de Heiland. Hier wil ik alleen opmerken, dat in het begin van Zijn openlijk optreden, de verzoeker Jezus probeerde af te trekken van de weg van de gehoorzaamheid, door Hem het aantrekkelijke voor te houden van alles wat als voorrecht Hem toebehoorde als Messias en als Zoon des mensen, alles wat aantrekkelijk zou kunnen zijn voor Christus als mens en in verbinding waarmee Zijn eigen wil werkzaam kon zijn. Satan probeerde Christus, Die Zoon was, te laten weggaan uit de plaats die Hij als dienstknecht had ingenomen. God zij gedankt, dat hij faalde! Door eenvoudige gehoorzaamheid bond Christus de sterke man wat dit leven betreft, en als Hij daarna in de kracht van de Geest terugkeert naar Galilea, rooft Hij zijn goederen. Maar de zonde wegdoen en onze zonden dragen, is een andere zaak. We lezen dat satan Hem voor een tijd verliet. In Gethsemane keerde hij terug. En deze keer wil hij de vrees voor de dood gebruiken om angst in het hart van de Heer te brengen. En Hij moest door de dood gaan, (en de dood was niet alleen de macht van satan, maar het oordeel van God over de mens), als de mens ervan moest worden bevrijd, want het was het deel van de mens. En Hij alleen kon door erin te gaan zijn boeien verbreken.

Hij was Mens geworden opdat de mens verlost en zelfs ook verheerlijkt zou worden. De smart van Zijn ziel was volkomen: “Mijn ziel is zeer bedroefd tot [de] dood toe”. Zijn ziel was dus zoals de ziel van de mens moest zijn in de tegenwoordigheid van de dood, als satan al zijn kracht erin ontplooit en met de beker van het oordeel van God nog niet geledigd erin. Maar Christus was daarin volmaakt; het was een deel van Zijn volmaaktheid beproefd te worden in alles wat maar mogelijk was voor de mens. En met tranen en smekingen wendt Jezus Zich tot Hem die machtig was Hem uit de dood te verlossen. Op dat ogenblik neemt Zijn angst nog toe, want de bron van het lijden aan God voorstellen maakt het lijden nog meer voelbaar. Dat is ook het geval in onze geringe strijd. Maar op deze wijze alleen wordt de zaak in volmaaktheid tot oplossing gebracht voor God. De ziel van Jezus gaat het lijden in met God. Hij bidt ernstiger. Nu is het duidelijk dat Hij de beker moet drinken, die Hij voor het aangezicht van de Vader stelt als satan Hem deze voorhoudt als de macht van de dood in Zijn ziel. Maar uit gehoorzaamheid aan Zijn Vader, aanvaardt Hij de beker in vrede. En dan is het drinken alleen volmaakte gehoorzaamheid, in plaats van dat het de macht van satan is. Maar hij moet werkelijk gedronken worden.

Op het kruis gaat Jezus, de Heiland van onze zielen, in het tweede gedeelte van Zijn lijden. Hij ondergaat de dood als het oordeel van God, als de scheiding van de ziel van het licht van Zijn aangezicht. Alles wat een ziel waarvan het enige genot bestond in de gemeenschap met God, kon lijden als ze van die gemeenschap werd beroofd, leed de Heer naar de volmaaktheid van die nu verbroken gemeenschap. Toch gaf Hij God de eer: “Maar U bent heilig, U troont op de lofzangen van Israël” (Psalm 22:4). De beker van de toorn (want ik sta nu niet stil bij de smaad en de beschimping van de mensen), was dus gedronken. Maar wie kan de verschrikking van dat lijden doorgronden? Wie de werkelijke smarten van de dood, begrepen zoals God ze begrijpt, Goddelijk gevoeld (naar de waarde van Zijn tegenwoordigheid) door een mens die van deze tegenwoordigheid als mens afhankelijk was? Maar alles is volbracht; alles wat God eiste ten opzichte van de zonde is gedaan – tenietgedaan, en God is met het oog op de zonde verheerlijkt. Zo heeft God alleen maar zegen voor ieder die tot Hem komt door een Christus die leeft en dood was en die eeuwig Mens blijft en eeuwig voor God is. Het lijden van Christus in Zijn lichaam (hoe werkelijk ook), de beschimping en bedreigingen van de mensen, waren alleen maar een inleiding tot Zijn eigenlijke lijden dat Hem als mens van alle troost beroofde, geheel op de plaats van het oordeel liet als voor ons tot zonde gemaakt. Zijn lijden 39 in verbinding met het oordeel over de zonde: toen de God die Zijn volledige troost zou zijn geweest, Hem verliet en de bron werd van een smart die al het andere als niet gevoeld en vergeten maakte.

EINDE EVANGELIE NAAR LUKAS

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 5.3

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!

31 Hier vinden we het hemelse deel van hen die op de Heer wachten tijdens Zijn afwezigheid. Het kenmerk van de ware discipel die naar de hemel ziet, terwijl de dienst zijn plaats op aarde is.


Voetnoten:

1 Dat wil zeggen: wat de inhoud van het Evangelie betreft. In hoofdstuk 9 begint de laatste reis van de Heer naar Jeruzalem en vanaf daar tot het laatste gedeelte van hoofdstuk 18, waar vanaf vers 31 Zijn opgaan naar Jeruzalem wordt genoemd geeft Lukas hoofdzakelijk een reeks van zedelijke onderwijzingen, en laat de wegen van God in genade zien die nu kwamen. In hoofdstuk 18:35 vinden we de blinde van Jericho als het begin van Zijn laatste bezoek aan Jeruzalem, zoals we ook in Markus zagen.

2 Het samengaan van “motief” en “inspiratie”, dat ongelovigen geprobeerd hebben voor te stellen als in strijd met elkaar, wordt op elke bladzijde van het Woord gevonden. Ze zijn alleen onverenigbaar met elkaar voor het bekrompen verstand van hen die met de wegen van God niet vertrouwd zijn. Kan God geen beweeggronden verwekken waardoor een mens besluit een zekere taak te ondernemen en deze mens dan in alles wat hij doet volkomen en absoluut leiden? En zelfs als het een menselijke gedachte zou zijn, (wat ik in het geheel niet geloof) zou Hij dan niet, als Hij deze gedachte goedkeurde, kunnen waken over de uitvoering ervan, zodat het resultaat geheel en al naar Zijn wil zou zijn?

3 De uitdrukkingen “u hebt genade gevonden” en “begenadigde”, hebben niet dezelfde betekenis. Persoonlijk had ze “genade gevonden”, zodat ze niet hoefde te vrezen. Maar God had haar in Zijn soevereiniteit deze genade, dit onmetelijke voorrecht, dat ze de moeder van de Heer zou worden, gegeven. En in dit opzicht was ze het voorwerp van de vrijmachtige genade van God.

4 Ik twijfel er niet aan, of de enige juiste vertaling is: “De inschrijving zelf geschiedde eerst, toen Cyrenius stadhouder was over Syrië”. De Heilige Geest tekent deze omstandigheid aan, om te tonen dat, toen eenmaal historisch het doel van God was bereikt, pas later gevolg werd gegeven aan het bevel van de keizer. Deze passage, die voor mij duidelijk en klaar is, is aanleiding geweest voor veel twistgesprekken.

5 Dat wil zeggen: als een klein kind. Hij verscheen niet zoals de eerste Adam, als een volwassene uit de hand van God. Hij is geboren uit een vrouw, de Zoon des mensen, wat Adam niet was.

6 “Het gehele volk” (niet, zoals in de Authorised Version, “alle volken”).

7 Deze aanhaling geeft een heerlijk begrip, zowel van wat toen gebeurde als ook van onze zegen. De bijzondere belangstelling van God gaat uit naar de mensenkinderen. De wijsheid, (Christus is de wijsheid van God), was dagelijks Jahwehs welbehagen, Die Zich al vóór de schepping verblijdde in het bewoonbare deel van Zijn aarde, (zodat het raadsbesluit was) en Zijn vermakingen waren met de mensenkinderen. Zijn menswording is het volle bewijs daarvan. In Mattheüs zien we de Heer ten volle geopenbaard, als Hij Zijn plaats inneemt met het overblijfsel zoals dit is. En de gehele Drie-eenheid is volkomen geopenbaard als de Zoon Zijn plaats inneemt en door de Heilige Geest wordt gezalfd. Het is een wondere openbaring van de wegen van God.

8 Dit is hetzelfde woord, als waar van Christus gezegd wordt: “In Wie Ik al Mijn welbehagen gevonden heb”. Het is prachtig te zien, hoe deze heilige wezens de verheffing van een ander geslacht tot deze verheven plaats, door middel van de vleeswording van het Woord, zonder jaloersheid prijzen. Het ging om de heerlijkheid van God en dat was hun genoeg. Wat is dat mooi!

9 Hij nam deze plaats in te midden van en met het godvrezende overblijfsel, dat door deze daad zich onderscheidde van hen die zich niet bekeerden. Het was echter de enig juiste plaats voor het volk en de eerste daad van geestelijk leven. Het overblijfsel dat met Johannes is, is de ware jood die zijn juiste plaats voor God inneemt. En hierin gaat Christus met hen mee.

10 Merk hierop, dat Christus geen voorwerp in de hemel had om Zijn opmerkzaamheid daarop te richten, zoals Stefanus. Hij is het Voorwerp van de hemel. Hij was ook het Voorwerp voor Stefanus door de Heilige Geest, toen de hemel voor deze martelaar openging. Zijn Persoon is altijd ver boven alles verheven, zelfs als Hij Zijn volk op dezelfde plaats stelt die Hij inneemt, of als Hij Zich met hen verbindt. Zie hierover het Evangelie van Mattheüs.

11 Ik spreek hier niet over de vereniging van de gemeente met Christus in de hemel, maar van Zijn plaats die Hij met het overblijfsel heeft ingenomen dat door genade tot God komt en geleid wordt door de werking van Zijn Woord en door de kracht van de Geest. Naar ik meen, is dat de reden, waarom we hier al het volk gedoopt zien, en dat daarna Jezus komt en Zich met hen verbindt.

12 Gezalfd met de Heilige Geest en door Hem geleid, gaat Jezus heen om verzocht te worden en Hij keert terug in dezelfde kracht. Niets daarvan was verloren, en deze kracht werd evenzeer gezien in het schijnbare negatieve resultaat van de overwinning als later in de wonderbare openbaring van kracht tegenover de mens.

13 Als een mens een melaatse aanraakte was hij onrein. Maar hier is de genade werkzaam, en Jezus, die niet kon worden verontreinigd, raakte de melaatse aan. Het is hier God in genade, onbevlekkelijk, maar Die als mens het verontreinigde aanraakt om het te reinigen.

14 De roeping van Petrus is in dit opzicht meer algemeen, dat zij verbonden is met de Persoon van Christus. Maar hoewel hij een visser van mensen was, (een woord dat kennelijk wordt gebruikt om de tegenstelling uit te drukken met de vissen waarmee hij bezig was) heeft hij toch zijn dienst grotendeels met het oog op Israël uitgeoefend. Maar de kracht in de Persoon van Christus bestuurde zijn hart, zodat het toch fundamenteel behoorde bij de “nieuwe zaak”, maar in haar verbinding met Israël, hoewel ze zich toch verder uitstrekte. Aan het eind van hoofdstuk 7 en in hoofdstuk 8 komen we op een terrein dat buiten de enge grenzen van Israël ligt.

15 Vergelijk Job 33 en 36, en ook Jakobus 5:14-15. De eerste buiten elke bedeling om, en de laatste onder het christendom. In Israël was het de Heer Zelf in soevereine genade.

16 Christus, als geboren onder de wet, onderwierp Zich aan de inzettingen, maar dat is iets anders. Hier is het Goddelijke macht die in genade handelt.

17 Dit is een belangrijk punt. Het delen in de rust van God is een bijzonder voorrecht van de heiligen, het volk van God. De mens bezat deze rust niet bij de val, hoewel Gods rust het bijzondere voorrecht van Zijn volk bleef. Onder de wet kreeg de mens ze ook niet. Maar elke bijzondere inzetting onder de wet, ging vergezeld van een bevestiging van de verplichting om de sabbat te houden. De sabbat is de formele uitdrukking van de rust van de eerste Adam, en Israël zal ze genieten aan het eind van de geschiedenis van deze wereld. Tot op dat ogenblik is het zoals de Heer het zo wondermooi zegt in Zijn Woord: “Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk [ook]”. Voor ons is de dag van rust niet de zevende dag, het einde van de week van de wereld, maar de eerste dag, de dag na de sabbat, het begin van een nieuwe week, van een nieuwe schepping, de dag van de opstanding van Christus, het begin van een nieuwe positie voor de mens. De schepping die ons omringt wacht op de vervulling, gedurende de tijd dat wij al, zoals Christus Zelf, voor God in de Geest zijn. Daarom wordt de sabbat, de zevende dag, de rust van de eerste schepping op menselijke en wettische bodem, in het Nieuwe Testament altijd verworpen, hoewel ze in werkelijkheid niet terzijde werd gesteld voordat het oordeel kwam. Maar als instelling stierf de sabbat met Christus in het graf waar Hij ze doorbracht. De sabbat was aan de mens gegeven als een barmhartigheid. De dag van de Heer is onze dag: een kostbare uiterlijke eersteling van de hemelse rust.

18 Waar in Lukas de tijdsorde wordt gevolgd, is deze dezelfde als in Markus en van de gebeurtenissen zelf. In Mattheüs worden deze samengevoegd om het doel van het Evangelie te laten uitkomen. Wel brengt Lukas zo nu en dan een gebeurtenis ter sprake, die op een ander tijdstip plaatsvond; maar hij doet dat dan, om het naar tijdsorde geplaatste verhaal toe te lichten. Maar in hoofdstuk 9 komt Lukas al aan de laatste reis naar Jeruzalem (vers 51). Van daar tot hoofdstuk 18:31, hebben we een aantal zedelijke lessen die grotendeels, zo niet alle, gegeven zijn gedurende deze laatste reis, maar waarbij de tijdsorde grotendeels geen betekenis heeft.

19 We spreken hier niet van de innerlijke natuur, want in Christus was geen zonde. Ook heeft het woord “volmaakt” deze betekenis niet. Het betekent alleen iemand die volkomen onderwezen is en geheel gevormd door het onderwijs van zijn meester. Hij zal zijn als zijn meester in alles waarin hij door deze meester is gevormd. Christus was de volmaaktheid. En wij groeien in alle dingen op tot Hem, tot de maat van de volle wasdom van de volheid van Christus (zie Efeze 4:13 en Kolosse 1:28).

20 We hebben gezien, dat dit juist het onderwerp is van de Geest van God in dit Evangelie.

21 Het is bijzonder interessant om het verschil in plaats van de discipelen en de vrouwen te zien. Zoals boven al gezegd, hebben de vrouwen geen slechte plaats. We vinden ze ook bij het kruis en bij het graf, toen alle discipelen op Johannes na op de vlucht waren gegaan. En zelfs toen de vrouwen ze bij het graf geroepen hadden, zijn ze eenvoudig naar huis teruggegaan! toen ze zagen dat de Heer was opgestaan. (Johannes 20:1-10).

22 Zijn gebeden vinden niet alleen plaats bij het verrichten van daden van macht, of waar in antwoord op Zijn gebed getuigenissen gegeven worden van de heerlijkheid van Zijn Persoon. Zijn gesprek met de discipelen over de verandering in de bedelingen van God, (waarin Hij van Zijn lijden spreekt en hen verbiedt Hem als de Christus bekend te maken), wordt eveneens voorafgegaan door Zijn gebed als Hij met hen in een woeste plaats is. Dat Zijn volk (Israël) voor een tijd terzijdegesteld zou moeten worden houdt Zijn hart evenzeer bezig als de heerlijkheid. Altijd weer stort Hij Zijn hart uit voor God, wat ook de dingen zijn in de wegen van God die Hem bezighouden.

23 Het is hier de ontvouwing van het koninkrijk en niet van de gemeente in de hemelse gewesten. Ik veronderstel dat de woorden: “zij gingen in” op Mozes en Elia slaan. Maar de wolk overschaduwde de discipelen. Toch brengt het ons verder dan dit. Het woord: “overschaduwde” is hetzelfde woord dat de Septuaginta gebruikt voor het komen en vervullen van de tabernakel door de wolk. In Mattheüs zien we dat het een lichte wolk was. Het gaat hier dus om de Shechina van de heerlijkheid die met Israël in de woestijn was – ik zou willen zeggen: het huis van de Vader. De stem van de Vader kwam uit de wolk. Mozes en Elia gingen in de wolk, en in Lukas is het dit wat de discipelen met vrees vervult. God had met Mozes gesproken vanuit de wolk, maar hier gingen ze erin. Zo vinden we hier, behalve het koninkrijk, de ware woonplaats van de heiligen. Lukas alleen toont ons deze zijde. We zien hier het koninkrijk, Mozes en Elia in dezelfde heerlijkheid met de Zoon, en anderen in het vlees op de aarde, maar ook de hemelse woonplaats van de heiligen.

24 Merk ook op, dat, als Jezus Zijn discipelen zo hoog opvoert, ze de heerlijkheid van het koninkrijk, en de ingang van de heiligen in de heerlijkheid waar de Vader Zich bevond, aanschouwen, Hij ook afdaalt op de aarde (de plaats waar ook wij moeten wandelen), om er de menigte van de wereld en de macht van satan te vinden.

25 Deze drie gedeelten wijzen ieder achtereenvolgens een bijzonder subtiel soort van zelfzucht aan, die moeilijk door de mensen wordt ontdekt. Het zijn grove persoonlijke zelfzucht, zelfzucht in verbinding met een gemeenschap waartoe we behoren, en de zelfzucht die zichzelf bekleedt met de schijn van ijver voor de Heer maar zonder werkelijk in overeenstemming met Hem te zijn.

26 Als de wil van de mens werkt voelt hij de moeilijkheden niet, maar is niet geschikt voor het werk. Als er daarentegen een werkelijke roeping is, worden de moeilijkheden en hindernissen gevoeld.

27 In vers 25 van dit hoofdstuk en ook in 13:34, hebben we voorbeelden van de zedelijke volgorde in Lukas waarvan we spraken in een noot bij hoofdstuk 6. De getuigenissen van de Heer zijn volmaakt op hun plaats. Ze zijn tot grote hulp voor het verstaan van de gehele samenhang van de passage. En dat ze juist hier geplaatst zijn werpt veel licht op hun eigen betekenis. Het gaat hier niet om de historische volgorde. Het hoofdonderwerp waarmee de Geest Zich bezighoudt is: de positie die Israël, de discipelen, ja allen innamen, als gevolg van de verwerping van Christus. Deze passages staan daarmee in verbinding en laten duidelijk de toestand van het volk zien dat door Jezus was bezocht; hun ware karakter en tevens hoe God, door hun val Zijn raadsbesluiten volvoert en de hemelse dingen invoert. We zien het verband tussen de verwerping van Christus en de invoering van de hemelse dingen, het heil van de ziel en het eeuwige leven.

Toch was de wet niet gebroken. Haar plaats werd in feite ingenomen door de genade die, buiten de wet om, deed wat door de wet niet kon worden gedaan. Dit zullen we zien, als we de overdenking van dit hoofdstuk voortzetten.

28 Er moet aan gedacht worden, dat de Heer nooit het woord “eeuwig leven” gebruikt als Hij spreekt over het gevolg van de gehoorzaamheid. Want “de genadegave van God is [het] eeuwige leven”. Als zij gehoorzaam waren geweest, zou hun leven zonder einde zijn geweest. Maar in werkelijkheid, nu de zonde was ingekomen, kon gehoorzaamheid de weg niet zijn om eeuwig leven te verkrijgen. De Heer stelt het ook niet zo voor.

29 Het verlangen om een vorm van gebed te hebben, die door de Heer gegeven was, heeft geleid tot een vervalsing van de tekst, erkend door allen die deze tekst ernstig onderzocht hebben. Het doel was het gebed gelijkluidend te maken aan dat wat we in Mattheüs vinden. In Lukas mag het wel als volgt luiden: Vader! Uw naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome, geef ons elke dag ons toereikend brood, en vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven aan ieder die ons schuldig is, en leid ons niet in verzoeking.

30 Let erop, dat het hart de schat volgt. Het is niet zoals de mensen zeggen: “Waar uw hart is daar is uw schat”. Mijn hart is er niet in. Maar: “Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn”.

Merk ook op dat de Heer op aarde een dienstknecht was. Volgens Johannes 13:1-14 werd Hij een dienstknecht toen Hij naar de hemel ging, een Voorspraak, om onze voeten te wassen. Hier in Lukas 12 maakt Hij Zichzelf tot een dienstknecht voor onze zegen in de hemel. In Exodus 21 werd de slaaf die zijn dienst volbracht had en niet vrijuit wenste te gaan, tot de oversten gebracht. Hij werd aan de deurpost vastgehecht met een priem die zijn oor doorboorde als een teken van eeuwige dienstbaarheid. De Heer Jezus had op een volmaakte wijze Zijn dienst voor de Vader volbracht aan het einde van Zijn leven op aarde. In Psalm 40 zegt Hij dat God Hem oren gegraven had, dat wil zeggen Hem een lichaam had toebereid (zie Hebreeën 10), wat de positie van gehoorzaamheid is die Hij innam. Vergelijk Filippi 2:6-8. Dat is de vleeswording. Nu was Zijn dienst in Zijn leven als mens op aarde geëindigd. Maar Hij had ons te veel lief, en Hij had Zijn Vader te veel lief in het karakter van dienstknecht om deze dienst op te geven. Bij Zijn dood werden Zijn oren naar Exodus 21 doorboord, zodat Hij voor eeuwig Dienstknecht werd, voor eeuwig een Mens, om nu onze voeten te wassen, en straks als Hij ons tot Zichzelf zal nemen in de hemel, zal Hij nog Dienstknecht zijn volgens de verzen die we nu hebben gelezen. Wat een alles overtreffende tekening van de liefde van Christus!

32 Het is gezegend om hier te zien dat, wat het kwaad in de mens ook mag zijn, het altijd en ondanks alles leidt tot de vervulling van de raadsbesluiten van de genade van God. Het ongeloof van de mens drong de Goddelijke liefde terug in het hart van de Heer. Ze was zeker niet verzwakt, maar niet in staat uit te stromen en zich naar buiten te openbaren. Maar de volle uitwerking van dit ongeloof op het kruis, maakte dat deze Goddelijke liefde ongehinderd kon uitstromen tot de grootste zondaar, in genade die door gerechtigheid heerst. Deze passage is bijzonder belangrijk en kostbaar voor het hart.

33 De hoofdstukken 15-16 tonen ons de soevereine kracht van de genade, zijn vruchten en zijn gevolgen, in tegenstelling met alle zichtbare aardse zegen, de regering van God op aarde in Israël en het oude verbond. Maar voor we in deze volkomen openbaring worden ingevoerd, laat hoofdstuk 14 ons de plaats zien die men moet innemen in een wereld als deze met het oog op de vergeldende gerechtigheid van God (straffen en beloningen) en het oordeel dat Hij zal uitoefenen als Hij komt. Zelfverheffing in deze wereld zal leiden tot vernedering, terwijl zelfvernedering (het innemen van de laagste plaats met het oog op wat men is enerzijds en het handelen in liefde anderzijds) tot verhoging voert door Hem die naar zedelijke maatstaven oordeelt. Daarna wordt ons voor ogen gesteld de verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de aanbieding van de genade, en tevens wat het kost om daaraan te beantwoorden in een wereld als deze. Kortom: waar de zonde aanwezig is betekent zelfverheffing haar dienen; het is egoïsme en liefde tot de wereld waarin deze zelfverheffing zich ontwikkelt. Men verlaagt zich zedelijk en is zedelijk ver van God verwijderd. Als de liefde daarentegen werkzaam is, wordt God voorgesteld aan de mensen van deze wereld. Toch kunnen we alleen Zijn discipelen worden als we alles prijsgeven.

34 In Lukas wordt het komen naar Jericho voorgesteld als een gewoon feit in tegenstelling met Zijn algemene reis die gezien wordt vanaf hoofdstuk 9:51. In feite zag de Heer de blinde pas, toen Hij de stad verliet. Hier hebben we dus slechts het vermelden van het voorval, om aan de hele geschiedenis, Zacheüs en alle anderen ingesloten, zijn zedelijke (en niet historische) plaats te geven, in overeenstemming met hun innerlijke (zedelijke) betekenis.

35 Ik twijfel er niet aan dat Zacheüs de Heer meedeelt wat hij gewoon was te doen ook voordat de Heer tot hem kwam. Toch is op die dag zijn huis heil wedervaren.

36 Het is treffend om te zien, hoe Christus elke omstandigheid waarin Hij komt, naar Goddelijke volmaaktheid tegemoet treedt. Alle gebeurtenissen brachten alleen maar Zijn volmaaktheid beter in het licht. Hij voelde ze alle, maar werd door geen ervan beheerst. Hij doorleefde ze, maar bleef altijd Zichzelf. Dit was altijd waar, maar we zien het hier op een wondere wijze ontvouwd. Hij bidt in het volkomen bewustzijn van wat komen ging, namelijk de beker, die Hij zou moeten drinken. Hij keert terug en waarschuwt Zijn discipelen, vermaant en verontschuldigt Petrus vriendelijk, alsof ze nog in Galilea wandelden. Het vlees is zwak zegt Hij. Daarna keert Hij weer terug tot nog diepere zielsstrijd in de tegenwoordigheid van Zijn Vader. Genade paste Hem bij Petrus, zielsstrijd in de tegenwoordigheid van God. En Hij was genade bij Petrus en was in folterende strijd bij de gedachte aan de beker die Hem wachtte.

37 Van nu aan, wil zeggen: vanaf dit uur zouden ze Hem niet langer in vernedering zien, maar als de Zoon des mensen in macht.

38 Niets is treffender dan de wijze waarop Hij hun vertrouwen aankweekt dat Hij dezelfde is die ze gekend hadden; de mens, en nog steeds een waar mens, zoals Hij tevoren was geweest, hoewel nu met een geestelijk lichaam! “Raak Mij aan”, zegt Hij, “zie dat Ik het Zelf ben”. Geprezen zij God! Hij is voor eeuwig Mens, Dezelfde die gekend is in levende liefde in het midden van onze zwakheid.

39 Psalm 22 is het beroep dat Christus op God doet bij de boosheid en ongerechtigheid van de mens en als Hij Zich daar door God verlaten voelt en tot zonde gemaakt is, maar volmaakt is in deze positie. Christus heeft alles geleden van de kant van de mens: vijandschap, ongerechtigheid, afvalligheid, verloochening en verraad. En ten slotte, hoewel Hij Zijn vertrouwen op God stelt, de godverlatenheid. Maar wat een toneel als Hij, de enige rechtvaardige Mens die Zijn vertrouwen op God heeft gesteld, aan het einde van Zijn loopbaan openlijk en aan allen moet verklaren dat Hij van God verlaten was!