73. Openbaring

73. Openbaring · uit de ‘Synopsis’ deel 8 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Inleiding

Wat betreft Petrus en Paulus hebben wij schriftuurlijk gezag om hen respectievelijk te beschouwen als de apostel van de besnedenen en de apostel van de onbesnedenen.

Petrus en de twaalven bleven in Jeruzalem toen de discipelen verstrooid werden en, hoewel God ervoor waakte, dat de eenheid gehandhaafd bleef, zetten zij het werk van Christus voort in het overblijfsel van Israël en vergaderden de verloren schapen van het huis Israëls bijeen tot een gemeente op aarde. Nadat Paulus de bediening van de gemeente heeft ontvangen, en ook de bediening van het evangelie aan de hele schepping die onder de hemel is (Kolosse 1), legt hij als een wijs bouwmeester het fundament. Petrus doet ons als pelgrims op weg gaan om de opgestane Christus te volgen naar de erfenis die boven is. Hoewel Paulus dit erkent, zoals in Filippi 3, toont hij ons in de volle ontwikkeling van zijn leer de heiligen gezeten in de hemelse gewesten in Christus, erfgenamen van alle dingen, waarvan Hij erfgenaam is.

Dit alles staat in verbinding met deze bedeling en is zeer leerzaam. Maar Johannes neemt een andere plaats in. Hij spreekt niet over bedelingen en voert de heilige, noch zelfs de Heer Zelf, niet in de hemel, hoewel hij het feit enkele malen noemt (zoals in Johannes 13:1; 14:1; 17:24; 20:17). Jezus is voor hem een Goddelijk Persoon, het vleesgeworden Woord, die God en zijn Vader openbaart, eeuwig leven dat neergedaald is op aarde. De brief van Johannes behandelt het vraagstuk van ons deelhebben aan dit leven en het karakter ervan.

Maar aan het eind van het Evangelie, nadat Hij het zenden van de Trooster na zijn heengaan heeft aangekondigd, ontvouwt Christus (zij het op een geheimzinnige wijze) aan de discipelen de voortzetting van Gods handelingen met de aarde, waarvan Johannes door zijn bediening de vertegenwoordiger is, die de openbaring van Christus op aarde bij zijn eerste komst verbindt met zijn openbaring bij zijn tweede komst; de Persoon van Christus en het eeuwige leven in Hem zijn daarbij de blijvende zekerheid en het levende zaad van God, terwijl wat de bedeling betreft alles verdorven was en in verwarring en verval. Als alles uiterlijk in wanorde zou zijn, dan zou het eeuwige leven nog hetzelfde zijn.

De verwoesting van Jeruzalem vormde een gewichtig tijdstip wat deze dingen betreft, omdat de joodse gemeente als zodanig gevormd op de Pinksterdag, had opgehouden te bestaan (ja zelfs al vóór dit tijdstip); alleen de gerechtelijke handeling werd toen uitgevoerd. De christenen waren gewaarschuwd de legerplaats te verlaten. De breuk van het Christendom met het Jodendom werd voltooid. Christus kon de gemeente, die gesticht was in het overblijfsel van de Joden, niet langer beschouwen als zijn eigen zetel van het aardse gezag.1 Maar helaas! De gemeente, zoals Paulus die eveneens gevestigd had, was al van zijn eerste staat afgevallen en kon in geen enkel opzicht de gevallen erfenis van Israël overnemen. Allen zoeken hun eigen belang, niet dat van Jezus Christus, zegt Paulus. Allen die in Asia waren – Efeze, de geliefde plaats waar heel Asia het woord van God gehoord had – hadden hem verlaten. Degenen die speciaal gebracht waren op de plaats van de gemeente, met volledig begrip van zaken, konden die plaats niet behouden in de kracht van het geloof. Inderdaad, de verborgenheid van de wetteloosheid was al eerder aan het werk en zou doorwerken en toenemen, totdat wat de uiteindelijke afval tegenhield, zou zijn weggenomen.

Hier in deze toestand van algemene verwording en verval, begint de bediening van Johannes. Er was standvastigheid in de Persoon van Christus, eerst wat betreft het eeuwige leven, maar ook wat betreft de wegen van God op aarde. Als de gemeente uit zijn mond gespuwd zou worden, zou Hij de trouwe getuige zijn, het begin van de schepping Gods. Laten we de verbindingen hiermee in zijn Evangelie nagaan.

In Johannes 20 hebben wij, zoals elders in bijzonderheden is opgemerkt, een beeld van Gods wegen vanaf de opstanding van Christus, totdat we komen bij het overblijfsel van Israël in de laatste dagen, voorgesteld door de blik van Thomas op de Doorstokene en het geloven door aanschouwen. In hoofdstuk 21 hebben we behalve het overblijfsel de volledige bijeenvergadering in het duizendjarig rijk. Dan wordt aan het eind van het hoofdstuk de bijzondere bediening van Petrus en Johannes uiteengezet, hoewel op bedekte wijze. De schapen van Jezus uit de besnijdenis worden toevertrouwd aan Petrus; maar deze bediening zou een einde nemen evenals die van Christus. De gemeente zou niet gesticht worden op deze grond, evenmin als Israël. Hier was er geen blijven totdat Christus zou komen.2 De bediening van Petrus werd in feite afgesloten en de gemeente uit de besnijdenis zonder herder achtergelaten, voordat de verwoesting van Jeruzalem voor altijd een einde maakte aan elke dergelijke verbinding. Dan stelt Petrus een vraag over Johannes. De Heer antwoordt op een duidelijk bedekte wijze maar stelt, als iets dat Petrus die Hem had te volgen niet aanging, het einde van de bediening van Johannes zover uit, dat die mogelijkerwijs zou kunnen duren tot de wederkomst van Christus. Nu is de Bruidegom in werkelijkheid uitgebleven; maar de dienst en de bediening van Johannes door het woord (wat alles was wat overbleef en geen apostel die persoonlijke zorg droeg) duurden wel voort tot de wederkomst van Christus. Johannes was geen bouwmeester zoals Paulus; er was geen bedeling aan hem toevertrouwd. Hij was verbonden met de gemeente in haar aardse structuur zoals Petrus, niet in haar Efezische of hemelse structuur; hij was niet de dienaar van de besnijdenis, maar zette het aardse systeem voort onder de heidenen, alleen vasthoudend aan de Persoon van Christus. Zijn bijzondere taak was te getuigen van de Persoon van Christus, op aarde gekomen met Goddelijke aanspraak erop – macht over alle vlees. Dit verbrak niet de schakels met Israël, zoals in de bediening van Paulus, maar verhief de macht die alles bijeenhield in de Persoon van Christus tot een hoogte, die die macht dwars door alle verborgen tijden of machten deed voortduren tot de vestiging ervan over de wereld aan het einde; het sloot Israël als zodanig niet uit, maar vergrootte het gebied van de uitoefening van de macht van Christus om die over de wereld te stellen en vestigde die niet in Israël als de bron ervan, al zou die macht Israël zelf op zijn eigen plaats kunnen bevestigen vanuit een hemelse machtsbron.

Welke plaats neemt de gemeente dan in, in deze bediening van Johannes, zoals die gevonden wordt in het boek de Openbaring? Geen enkele in haar Paulinisch karakter, behalve in één tekst, die genoemd wordt nadat de Openbaring is afgesloten, waar haar ware plaats tijdens de afwezigheid van Christus wordt aangeduid (hoofdstuk 22:17). We vinden de heiligen toentertijd in hun eigen bewuste verhouding tot Christus, ook in verband met zijn koninklijke en priesterlijke positie voor zijn God en Vader, waarin zij met Hemzelf verbonden zijn. Maar het getuigenis van de bediening van Johannes aangaande de gemeente, beschouwt haar als de uiterlijke gemeente op aarde3 in haar toestand van verval – terwijl Christus die oordeelt – en de ware gemeente, de hoofdstad en zetel van Gods regering over de wereld aan het einde, maar in heerlijkheid en genade. Het is een woonplaats en waar God woont en het Lam. Dit alles maakt het ons gemakkelijker de voorwerpen en draagwijdte van het boek te begrijpen. De gemeente heeft gefaald; de heidenen die door het geloof geënt waren, zijn niet gebleven in de goedertierenheid van God. De gemeente in Efeze, het verstandige vat en de uitdrukking van wat de gemeente van God was, had haar eerste toestand verlaten en als zij zich niet bekeerde, zou haar kandelaar worden weggenomen.

Het Efeze van Paulus wordt op aarde de getuige van verval en van terzijdestelling van voor Gods aangezicht, evenals Israël terzijdegesteld was. Gods geduld zou aan de gemeente betoond worden zoals die aan Israël betoond was, maar de gemeente zou Gods getuigenis in de wereld evenmin bewaren als Israël had gedaan.

Johannes bewaart dit getuigenis wel en oordeelt naar zijn bediening de gemeenten door het woord van Christus4 en daarna de wereld vanaf de troon, totdat Christus komt en zijn grote macht aanvaardt en regeert. Gedurende deze overgangshandelingen van de troon worden de hemelse heiligen in de hoge gezien. Wanneer Christus komt komen zij met Hem.

Het eerste deel van de brieven van Johannes is dan om zo te zeggen het vervolg van het evangelie vóór de laatste twee hoofdstukken ervan die met de bedeling in verband staan; de Openbaring is het vervolg van deze laatste twee hoofdstukken (Johannes 20-21) waarin, terwijl Christus is opgestaan en de hemelvaart niet vermeld wordt, de bedelingshandelingen van God grotendeels voorgesteld worden in de gebeurtenissen die plaatsvinden; terwijl tegelijkertijd aangetoond wordt dat Hij toen niet persoonlijk het koninkrijk kon oprichten. Hij moest eerst ten hemel varen. De twee korte brieven tonen ons dat de waarheid (die welke zijn Persoon betreft) de test was van de ware liefde en moest worden vastgehouden wanneer dat wat antichristelijk was zijn intrede deed; en de vrijheid van de bediening van de waarheid, die vastgehouden moest worden tegen verondersteld kerkelijk of klerikaal gezag in, als zijnde in strijd met de gemeente. De apostel had aan de gemeente geschreven. Diótrefes verwierp de vrije bediening.

Hoofdstuk 1

Ik ga nu over tot het boek zelf.

De Openbaring is die van Jezus Christus, welke God Hem gegeven heeft en Hij geeft die te kennen aan Johannes. Hoewel Hij God is over alles, geprezen tot in eeuwigheid, wordt Hij hier gezien als de Zoon des mensen, de verworpen Messias of het Lam, en daardoor Hoofd over alle dingen. Dit feit, dat de openbaring aan Hem is toevertrouwd, is belangrijk, omdat dit de openbaring direct tot het getuigenis van Jezus en het woord van God maakt, meegedeeld door Jezus en Hem door God gegeven. Dit getuigenis van Jezus en dit woord van God komen als een visioen tot Johannes, die alles opschreef wat hij zag. Het is geheel profetisch van karakter; niet de Geest van God als boodschapper van de Vader en van de genade van de Zoon aan de gemeente op haar eigen plaats – een direct geïnspireerde mededeling aan de gemeente zelf voor haarzelf als op haar eigen juiste plaats – maar een profetische openbaring aan Johannes over de gemeente als zijnde in de wereld, en over de wereld zelf.

Omdat de gemeente al in verval was en terzijdegesteld zou worden, was de tijd daarvoor nabij (hoelang de genade ook nog zou voortduren) en de verwerping van de gemeente op aarde zou als uitgangspunt genomen worden. Een ander systeem zou worden opgericht. De apostel had helemaal niet zijn gezicht naar de gemeenten gewend maar zijn rug. De gedachten van de Geest gaan uit naar het aanvaarden van het koninkrijk door Christus. Toch was Christus nog onder hen, maar als Zoon des mensen, het karakter waarin Hij de wereld oordeelt en beërft. De apostel keert zich om en ziet Hem. Toch was het eerst nodig, als hij de komende oordeelshandelingen met de wereld beschreef, terloops te vermelden “hetgeen is”. Door dat te doen door middel van zeven tegelijk bestaande gemeenten, was er geen tijdsperiode voor nodig; de uiteindelijke resultaten konden daardoor blijven gezien worden als vlak voor de deur, want zij waren in de laatste dagen, maar toch gaf het, als er vertraging zou zijn, gelegenheid voor een volledige, zedelijke schildering van de gehele geschiedenis van de gemeente.

Ik zie hierin alleen maar de wijsheid van de Geest en precies het karakter van de bediening van Johannes: “Als ik wil dat hij blijft, totdat ik kom”.

Ik kan er daarom geen ogenblik aan twijfelen, dat de zeven gemeenten (hoewel kennelijk algemeen van toepassing op ieder die een oor heeft en geen beroep op het algemene geweten van de gemeente) de geschiedenis van de Christenheid voorstellen, de gemeente als zijnde onder de verantwoordelijkheid van de mens, terwijl daarna, aan het eind ervan, het feit van het oordeel over de wereld komt (daar de gemeenten voorstellen: “hetgeen is”) en het karakter van de gebeurtenissen, beginnend met het verlaten van de eerste liefde door de gemeente en eindigend met het vasthouden totdat Hij komt en het uitgespuwd worden uit de mond van Christus. De keuze van het aantal zeven, dat geen gelijktijdige volkomenheid kan betekenen omdat de toestanden verschillend zijn, de verwijzing naar de komst van Christus; de verwijzing naar de grote verdrukking (die over de hele aarde zal komen) in de brief aan Filadelfia; het duidelijke doel de gemeente te waarschuwen totdat Christus zou komen, waarna de wereld het toneel voor het oordeel zou zijn: al deze dingen laten geen twijfel bestaan aan de conclusie dat de zeven gemeenten opeenvolgende fasen zijn van de geschiedenis van de belijdende gemeente, hoewel niet precies op elkaar volgend (daar de vierde voortduurt tot het einde, waarna nieuwe fasen beginnen die gelijktijdig met de vorige eveneens voortduren tot het einde). Er zijn hiervoor zedelijke redenen op grond van de inhoud. We zullen verderop zien, dat de opbouw van het boek dit volkomen bevestigt.

Maar hoewel op deze wijze van de gemeente gesproken wordt, verschijnt God Zelf hier als de bestuurder van de wereld, zelfs wanneer Hij Zich tot de gemeente richt; terwijl Christus als mens hiertoe onder Hem komt en de Heilige Geest vermeld wordt als de directe bewerker van de macht, in de zevenvoudige volmaaktheid waarin die wordt uitgeoefend. Het is niet de Vader en de Zoon, maar God die is en die toch verleden en toekomst in zijn wezen omvat en die nooit met Zichzelf in tegenspraak is, maar die op zijn tijd alles volbrengt waarin Hij Zich in het verleden heeft aangekondigd. De vorm hiervan is hier echter bijzonder. Het is niet alleen het abstracte idee van Jahweh, die was en die is en die komt. Hij wordt allereerst aangekondigd in zijn tegenwoordige absolute bestaan: “van Hem Die is”, de “Ik ben”, God Zelf; en daarna verklaart Hij, om Zichzelf te verbinden met vroegere handelingen (niet met tegenwoordige relaties), dat Hij degene is die was (die Zich in vroeger eeuwen geopenbaard had aan de aarde of aan mensen, aan de Abrahams en Mozes van vroeger) en die tegelijkertijd de Komende was die alles zou volbrengen wat over en door Hem geopenbaard was. Jezus Christus (die het laatst komt als de Mens in onmiddellijke verbinding met Gods getuigenis aan en regering over de aarde) wordt voorgesteld als de trouwe getuige – zoals Hij persoonlijk op aarde was – van God; als opgestaan uit de doden (maar zonder vermelding van zijn hemelvaart of dat hij hoofd is van de gemeente), alles gezien in dit karakter, niet naar het vlees; en tenslotte in nog geen werkelijkheid geworden regering; de overste van de koningen van de aarde.
De heiligen brengen dan tot uitdrukking dat zij zich bewust zijn van wat Hij voor hen heeft gedaan, maar nog steeds met betrekking tot het koninkrijk, niet als het lichaam of de bruid, of hun eigen hemelse vreugden maar de hoogst mogelijke wat betreft de gegeven heerlijkheid en positie. Dit is het noodzakelijke gevolg van het bewustzijn van een nauwe en gezegende verbinding. Wat ook de heerlijkheid is van degene met wie wij in verbinding staan, het is dat wat Hij voor ons is, onze nauwe betrekking tot Hem, dat in de gedachten komt wanneer de heerlijkheid wordt bekendgemaakt. Wanneer een generaal zegevierend een stad zou binnentrekken, dan zouden de gevoelens van een kind of een vrouw zijn: “Dat is mijn vader”, – “Dat is mijn man”. Hoewel de gevoelens hier van dezelfde aard zijn, zijn ze onzelfzuchtiger: “Hem die ons liefheeft en ons van onze zonden gewassen heeft in zijn bloed”. Het is zijn liefde tot ons die geprezen wordt, zij het met het persoonlijke “ons”. De heiligen weten wat Hij voor hen heeft gedaan, en verder tot wat Hij hen heeft gemaakt. Zijn liefde is volkomen. Koning en Priester zijn hier zijn hoogste eigenschappen: het dichtst bij God in het naar beneden uitoefenen van macht en in het naar boven tot Hem naderen. Hij heeft ons gemaakt tot een koningschap, tot priesters voor zijn God en Vader: Hem zij de heerlijkheid!

Dat is de gedachte van de heiligen, wanneer er over Hem gesproken wordt. Hij heeft ons liefgehad, ons gewassen en ons een plaats gegeven met Hem. Dit wordt uitgeroepen zodra Hij wordt genoemd. Het is het antwoord van het hart wanneer Hij wordt aangekondigd, voordat er enige mededeling gedaan wordt.

Dat Hij dit heeft gedaan wordt niet vermeld; het is het bewustzijn van de heilige zelf. We zullen hetzelfde vinden aan het slot, wanneer de profetie geëindigd is. Hier is het wat Hij geweest is voor de heiligen en gedaan heeft; daar wat Hij voor de toekomst is. Zie hoofdstuk 22:17. Wat anderen betreft, alles moet worden meegedeeld.

Het volgende punt, dat het eerst wordt aangekondigd, is zijn verschijning aan de wereld. Geen directe mededeling aan de gemeente ten behoeve van haarzelf – daarvoor is het boek niet. Hier heeft de gemeente dat alleen in haar eigen bewustzijn, zoals we gezien hebben. Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien, ook de Joden die Hem doorstoken hebben; en alle stammen van de aarde zullen over Hem weeklagen. Zijn verschijning is in oordeel.

Dan vinden we, wat zo opmerkelijk is bij Johannes, het door elkaar gebruiken van uitdrukkingen over God en Christus. Men kan niet zeggen op wie van beiden vers 8 betrekking heeft. Het is Christus; maar dan Christus Jahweh, de Almachtige, de Heere; die is, en die was en die komt; de eerste en de laatste (vergelijk hoofdstuk 22:12-13).

We hebben hier dus de heiligen van deze dagen; de verschijning van Christus ten oordeel; Hij is God, de eerste en de laatste, de alfa en de omega; de volledige omvang van de positie vanaf de dagen van Johannes tot het einde. De praktische positie die Johannes met al de heiligen inneemt, is “het koninkrijk en de volharding van Jezus Christus”. Hij behoort tot het koninkrijk, maar moet wachten terwijl Christus wacht, totdat zijn vijanden gesteld zijn tot een voetbank voor zijn voeten. De algemene naam die aan het getuigenis gegeven wordt, heeft betrekking op zijn hele bediening als wel op de profetie – het woord van God en het getuigenis van Jezus: alleen heeft men misschien gedacht dat dit laatste niet de profetie was, omdat het niet een getuigenis aan de gemeente was over haarzelf door haar hoofd; maar de Geest van de profetie is het getuigenis van Jezus.

Dit is de inleiding tot dit boek. We gaan nu in op de inhoud ervan.

Johannes was in de Geest op de dag van de Heer. Daar is het echter zijn plaats en voorrecht als christen, waarover gesproken wordt, niet de profetische periode waar hij inging. Op de opstandingsdag – zijn eigen plaats –, de dag waarop christenen elkaar ontmoeten, genoot de apostel, verwijderd van het gezelschap van de christenen, toch de bijzondere vervoerende kracht van de Heilige Geest, hoewel hij alleen was en wordt zo door God gebruikt, die toeliet dat hij verbannen werd voor dit doel, voor datgene wat Hij niet langs normale weg aan de gemeente had kunnen meedelen tot haar opbouwing. De keizer die hem vervolgde had weinig vermoeden wat hij ons gaf toen hij de apostel verbande; evenmin als Augustus in zijn politieke plannen om zijn rijk in te schrijven, wist dat hij een arme timmerman naar Bethlehem zond, met zijn ondertrouwde vrouw, opdat Christus daar geboren zou worden; of de Joden en de soldaten van Pilatus, dat ze de rover naar de hemel zonden, toen zij zijn benen braken in hun harteloze eerbied voor hun eigen bijgeloof of inzettingen. De wegen van God verlopen achter het toneel; maar Hij bestuurt alle tonelen waar Hij achter staat. Wij moeten dit leren en Hem laten werken en de drukke handelingen van de mens niet te hoog aanslaan: zij zullen die van God volbrengen. De overige ervan gaan alle te gronde en verdwijnen. We hebben alleen maar in vrede zijn wil te doen.

Dezelfde stem die later Johannes opriep naar de hemel, hoort hij nu achter zich op aarde – de stem van de Zoon des mensen. Deze trekt zijn aandacht met kracht; en als hij zich omkeert om de stem te zien, zoals Mozes naar de braambos, dan ziet hij niet het beeld van Gods tegenwoordigheid in Israël, maar de kandelaren van het licht van God op aarde en wel een volkomen samenvatting ervan en in hun midden Christus als de Zoon des mensen. We vinden dus in de Openbaring Gods hele geschiedenis van de wereld, of van wat daarin van Hem is, vanaf het eerste verval van de gemeente tot aan de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Maar het was onmogelijk voor God de tegenwoordige verwachting van Christus terzijde te stellen, of de gemeente te rechtvaardigen in haar zorgeloze maar zondige gedachte: “Mijn Heer blijft uit”. Daarom wordt deze geschiedenis en vooral die van de gemeente, zoals altijd gegeven op een wijze die de tijd helemaal buiten beschouwing laat. De zedelijke voortgang van de gemeente wordt gegeven in schilderingen van de toestand van de bestaande gemeenten, die voor dat doel zijn uitgekozen, beginnend met haar eerste afwijking en eindigend met haar volledige verwerping. Daar zij beschouwd worden als gemeenten, gaat het om het algemene beginsel van verantwoordelijkheid en wordt de gemeente niet gezien als het stellig gezegende lichaam van Christus, maar als iets dat verworpen en terzijde gesteld kan worden op aarde; want dat kan een plaatselijke gemeente en de uiterlijke, zichtbare gemeente zeker.

Deze gemeenten worden gezien als afzonderlijke lichtdragers; dat wil zeggen, op de plaats van hun dienst of liever in hun positie als getuige in de wereld. Zij worden beschouwd in hun eigen karakter als van God; als door Hem in de wereld geplaatst, zijn ze van goud. Hij kan hen wegnemen omdat ze een wazig of geen echt licht of getuigenis voor God geven; maar wat weggenomen werd, was gegrondvest in Goddelijke gerechtigheid en oorspronkelijk gegrondvest door een Goddelijke hand.

Maar de Geest houdt Zich eerst bezig met het karakter van Hem die in het midden van hen stond. Eerst zien we zijn eigenlijke positie, voordat vermeld wordt wat Hij was. Hij stond daar als Zoon des mensen. We zien Hem hier niet als hoofd van het ene lichaam, zelfs niet als de hemelse voorspraak; natuurlijk ook niet als de Christus (dat wil zeggen het joodse karakter van de Heer). Men zal ontdekken dat dit juist de eigenschappen van Christus zijn die ook zijn weggelaten in het eerste hoofdstuk van het evangelie naar Johannes. Johannes ziet Hem in het algemene karakter waarin Hij gezet is over al de werken van Gods hand en erfgenaam is van alle beloften en voornemens van God ten opzichte van de mens volgens de Goddelijke gerechtigheid. Hij is niet de Zoon des mensen in zijn dienst. Zijn kleed reikt tot zijn voeten en Hij heeft de gordel van Goddelijke gerechtigheid om zijn borsten. Dit is zijn karakter.

Dan zien we zijn eigenschappen of attributen. In de eerste plaats is Hij de Oude van dagen. In Daniël 7 komt dezelfde waarheid tot uiting. De Zoon des mensen wordt gebracht tot de Oude van dagen; maar verderop in het hoofdstuk is het de Oude van dagen die komt. De Zoon des mensen is Jahweh. Dit kenmerkt het hele getuigenis. De Koning der koningen en de Heer der heren vertoont Hem (1 Timotheüs 6:15), maar wanneer Hij komt, merken we dat Hij de Koning der koningen en Heer der heren is (Openbaring 19:16). Maar in deze heerlijkheid heeft Hij de attributen van het oordeel – ogen van vuur – dat wat doordringt in alle dingen, en vuur is altijd het teken van oordeel. Dit was het doordringende, speurende karakter ervan: zijn voeten zijn de vastberadenheid waarmee de zonde tegemoet wordt getreden; want koper is gerechtigheid, niet gezien als datgene wat gezocht moet worden in het wezen van God, maar als datgene wat betrekking heeft op de mens, in zijn verantwoordelijkheid als mens. Het verzoendeksel was van goud, het altaar en het wasvat van koper; maar daar was het als altaar, dat wil zeggen, in verband met de zonde ten behoeve van de mens, een offerande, hoewel er vuur was, maar hier is het de brandende oven van het oordeel. De stem was het teken van macht en majesteit.

Vervolgens zien we zijn officiële oppergezag. Hij hield alles wat ondergeschikt gezag in licht en ordening was (hier gezien in betrekking tot de gemeente) in zijn rechterhand, in zijn macht. Hij had de macht tot het oordeel door het woord en het oppergezag – de zon – in de volheid van haar meest verheven karakter. We zien zijn persoonlijke heerlijkheid als Jahweh; zijn eigenschappen als Goddelijk rechter en zijn verheven officiële positie.

Maar Hij was niettemin de verlosser, de genadige bewaarder in zegen van hen die de zijnen waren. Johannes valt (zoals altijd in een profetisch gezicht van Jahweh, want het is hier niet de Geest van het zoonschap) als dood aan zijn voeten. Zo ook Daniël; en zo ook Jesaja in de geest (hoofdstuk 6); maar zijn kracht ondersteunt de heilige en verdelgt hem niet. Hij legt zijn rechterhand op Johannes zelf, stelt Zich voor als de eerste en de laatste, Jahweh Zelf, maar tegelijkertijd dezelfde die uit liefde stierf en volkomen macht heeft over de dood en de hades, als degene die daarvan bevrijdt en er niet aan onderwerpt.

Hij is opgestaan uit dood en hades en heeft de sleutels – volkomen macht over hen – Goddelijke macht of ondersteuning; en Hij die stierf en opstond en tot in eeuwigheid leeft zelfs als mens, doet dat niet alleen in de kracht van het Goddelijke leven in de mens, maar in de kracht van de overwinning over alles waaraan de mens onderworpen was door zonde en krachteloosheid.

Dit is de positie die Hij hier inneemt met zijn slaaf Johannes en vervolgens met de gemeenten. We zullen zien dat de toestand van deze gemeenten andere eigenschappen aan het licht brengt, die alleen bekend zijn aan het geopende oog van het geloof. Dit waren de dingen die Johannes had gezien en die hij moest opschrijven. Daarna moest hij wat de profetische feiten betreft, de dingen opschrijven die waren: de toestand van deze verschillende gemeenten als de historische uiteenzetting van de opeenvolgende toestanden van de gemeente – een geschiedenis; en tenslotte de dingen die daarna gebeuren zouden (dat wil zeggen, wanneer de geschiedenis van de gemeente op aarde is afgesloten). De hele gemeente is daarom voor de Geest dus de tegenwoordige tijd – “hetgeen is”. De toekomst was wat daarna zou komen: Gods handelingen met de wereld. Terwijl dit de komst van de Heer of voorbereidende profetische gebeurtenissen bleef voorstellen als onmiddellijk te verwachten, liet het, als er vertraging zou zijn (en die zou er zijn), de periode onbepaald, en liet het de verwachting, hoewel die verlengd werd, nog steeds een verwachting voor het heden zijn. We kunnen opmerken, dat we hier de persoonlijke heerlijkheid van Christus zien, verbonden met de positie ten opzichte van de gemeenten. Hij wordt niet persoonlijk geopenbaard als Zoon des mensen, dat wil zeggen, als degene die de plaats van de Zoon des mensen inneemt: alleen Hij die de Oude van dagen is, wordt zo gezien, om ons te laten begrijpen dat er iemand was die de plaats innam – die de Zoon des mensen was. Verderop in de Openbaring gaat het niet om zijn innerlijke, persoonlijke karakter dat Hij heeft, maar een relatief karakter of relatieve plaats. We zien alleen iets dat hierop lijkt, wanneer de beschrijving van de toekomstige dingen begint. Met betrekking tot de wereld wordt Hij gezien als het Lam, één die door de wereld verworpen is, maar die het recht van lossing over haar heeft. Daar wordt Hij gezien met de zeven horens en de zeven ogen – zijn macht over de wereld, zoals Hij hier gezien wordt met de zeven sterren als Zoon des mensen. Dit zijn de dingen die Johannes had gezien.

Hoofdstuk 2

We gaan nu over tot “hetgeen is”. De sterren zijn in de hand van Christus; Hij spreekt het eerst over deze sterren; Hij wandelt te midden van de gemeenten. Dit zijn lichtdragers, de gemeenten of gemeente als zijnde geplaatst in een gegeven positie, en als zodanig voor God beschouwd; niet wat het volk geworden is, maar wat de gemeente is in zijn ogen; net zoals Israël zijn volk was, wat er ook maar van de Israëlieten werd. De sterren zijn datgene wat door Christus gehouden wordt om licht te geven en gezag te hebben en wat Hij tot dit doel verantwoordelijk stelt tegenover Zich. Het doelt daarom in zekere zin op allen die de gemeente vormen en daarom wordt het dikwijls gezegd in de aanhef van de brieven aan de gemeenten; maar meer in het bijzonder doelt het op hen die verantwoordelijk zijn door hun verbinding met Hemzelf: de sterren in zijn hand.

Ze moesten schijnen, invloed uitoefenen, en Hem vertegenwoordigen, ieder op zijn plaats gedurende de nacht. Dat de geestelijkheid geleidelijk deze plaats heeft ingenomen en in deze zin daarin verantwoordelijk is, is volkomen juist; maar dat is hun zaak die ze voor zichzelf moeten verantwoorden voor de Heer. De Geest vat het hier niet zo op. Zij beschouwen het als een eer; ze dragen het als een verantwoordelijkheid. Als ze ooit “engelen” genoemd werden, dan was het kennelijk juist deze aanmatiging en aan deze plaats ontleend. Verder kan er niet aan worden getwijfeld, dat opzieners, oudsten of anderen in een bijzondere positie van verantwoordelijkheid stonden, gesteld dat ze het met recht waren. In Handelingen 20 worden ze zo beschouwd; maar de Geest erkent hen hier niet zo. Christus richt Zich niet tot oudsten, ook niet tot wat volgens de moderne opvatting een bisschop is, die toen trouwens niet bestond. Ook wordt er in de aanhef van deze brieven niet gedacht aan een bisdom. Behalve in sommige delen van de wereld, zijn deze zogenaamde bisschoppen altijd bisschop van een stad, wat historisch aantoont, dat bisdommen een latere instelling zijn. Engelen waren geen oversten van de synagoge.

U vindt niet dat er in de Schrift gesproken wordt over de gezagspersonen (oudsten) van wie er altijd meerdere waren; en dit Schriftgedeelte kan niet worden toegepast op menselijke instellingen zoals die nu bestaan. Wat is de engel dus? Het is eigenlijk geen symbool. De ster is het symbool, en die wordt hier gezien in de hand van Christus. Zoals overal waar het woord engel eigenlijk geen hemelse of aardse boodschapper betekent, is het de mystieke vertegenwoordiger van iemand die niet werkelijk gezien wordt. Zo wordt het woord gebruikt voor Jahweh, voor een kind (Mattheüs 18) en voor Petrus (Handelingen 12). De oudsten zijn misschien in de praktijk bijzonder verantwoordelijk geweest door hun positie, maar de engel vertegenwoordigt de gemeente en in het bijzonder hen bij wie Christus – vanwege hun verbondenheid en gemeenschap met Hem, of hun verantwoordelijkheid daartoe door de werking van zijn Geest in hen – voor zijn dienst de toestand van de gemeente hoopt aan te treffen zoals die in zijn ogen moest zijn. Ongetwijfeld is de hele gemeente verantwoordelijk, en daarom wordt de kandelaar weggenomen wanneer de ontrouw in haar woning gemaakt heeft; maar Christus staat in onmiddellijke verbinding met dezen ten aanzien ervan; een ernstige gedachte voor allen wie het welzijn van de gemeente ter harte gaat. De wijze waarop de engelen en de gemeente vereenzelvigd worden, en enig onderscheid in de mate waarin of de manier waarop dit gebeurt, vereist iets meer aandacht. Dat de gemeenten worden aangesproken in hun algemene verantwoordelijkheid in de woorden die tot de engelen gericht worden, is duidelijk. Want er wordt gezegd: “Wat de Geest tegen de gemeenten zegt”. Het is niet een persoonlijke mededeling aan een gezagspersoon als voorschrift voor hem, zoals aan een Titus of een Timotheüs, maar het wordt gezegd tot de gemeenten; dat wil zeggen, de engel vertegenwoordigt hun verantwoordelijkheid. Daarom vinden we bepaalde delen van hen genoemd. “De duivel zal [sommigen] van u in [de] gevangenis werpen”; “vrees niets [van] wat u zult lijden”; “Maar Ik heb enkele dingen tegen u: dat u daar hebt……”; “mijn trouwe getuige, die gedood werd bij u”; “Maar tegen u zeg Ik, tegen de overigen in Thyatira” (zo moet het gelezen worden). Toch worden de engel en de gemeente of kandelaar onderscheiden: “ik zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen”. “Gij laat de vrouw Izebel begaan”.

Maar deze scheiding tussen de engel en de gemeente vindt niet plaats in de laatste drie gemeenten. Steeds wordt daar de engel aangesproken. Wat hen betreft wordt ook alleen gezegd, dat Christus de zeven sterren heeft, niet dat Hij ze in zijn rechterhand houdt. In Smyrna en Filadelfia is er geen oordeel; zij waren trouw bevonden en werden bemoedigd. Wat de oordelen betreft, of liever de dreigende waarschuwingen: – in het geval van Efeze, dat het algemene feit voorstelt van de eerste afwijking van de gemeente, wordt de waarschuwing gegeven dat de kandelaar zou worden weggenomen als zij zich niet bekeerden; dat de gemeente dat niet deed, weten we uit de Schrift en uit de feiten, en uit deze gemeenten gezien als een opeenvolgende geschiedenis. In Pergamus en Thyatira zijn de overtreders degenen die met name geoordeeld worden; in het geval van Thyatira gaat het over vreselijke oordelen over Izebel en degenen die met haar verbonden zijn: ze had de tijd gehad om zich te bekeren en deed het niet; maar hier wordt de verandering van alle dingen gezien bij de komst van de Heer. Dit alles toont aan dat de engelen de vertegenwoordigers van de gemeenten zijn, maar in zedelijk opzicht; Christus’ waarschuwing wordt gericht tot hen (wat, zoals we gemakkelijk kunnen begrijpen, het geval was in ieder wie het belang van de gemeente ter harte ging), aan wie Christus dit toevertrouwde; maar zij worden in zoverre vereenzelvigd met de gemeente, dat het allen betrof die daarvan deel uitmaakten, terwijl bijzondere oordelen werden aangekondigd over schuldige partijen.

Laten we nu ingaan op de reeks van afzonderlijke gemeenten; maar kort, in verbinding met de hele opbouw van het boek, liever dan in te gaan op de leerzame bijzonderheden, wat ik elders gedaan heb in een serie lezingen. Het eerste grote feit is, dat de gemeente in deze wereld onderworpen is aan het oordeel en dat haar hele bestaan en plaats voor God als lichtdrager in de wereld terzijde gesteld zal worden; ten tweede, dat God dit zal doen als zij afwijkt van haar eerste geestelijke kracht. Dit is een zeer gewichtig beginsel.

Hij heeft de gemeente gesteld om een trouwe getuige te zijn van wat Hij heeft geopenbaard in Jezus; van wat Hij is, wanneer Jezus naar de hoge is gegaan. Is zij dat niet, dan is zij een valse getuige en zal zij terzijde worden gesteld. God zal misschien geduld hebben en dat heeft Hij gelukkig ook. Hij zal haar misschien voorstellen terug te keren tot haar eerste liefde en doet dat ook; maar als dat niet gebeurt, wordt de kandelaar weggenomen en houdt de gemeente op Gods lichtdrager in de wereld te zijn. De eerste toestand moet worden bewaard, of Gods heerlijkheid en de waarheid worden geweld aangedaan en het schepsel moet terzijde worden gesteld. Maar geen enkel schepsel, dat daartoe niet de kracht ontvangt, doet dit als zodanig. Daarom faalt alles en wordt geoordeeld, behalve wat is in of wordt staande gehouden door de Zoon van God, de tweede Mens. Efeze had volhard in een consequente levenshouding, maar dat vergeten van zichzelf en alleen aan Christus denken, wat de eerstelingen van de genade zijn, waren verdwenen.

Zoals hierboven opgemerkt waren er werken van arbeid en volharding; maar het geloof, de hoop en de liefde waren in hun ware kracht verdwenen. Ze hadden de aanmatiging van valse leraars verworpen, en gearbeid en niet versaagd. Alles wat van hen kan worden gezegd, wórdt gezegd om de liefde van Christus te tonen en dat Hij hen of het goede dat in hen openbaar gekomen is, niet vergeet. Toch hadden zij hun eerste liefde verlaten; en als zij zich daarvan niet bekeerden en de eerste werken deden, zou dit leiden tot het wegnemen van de kandelaar.

Een ander belangrijk beginsel wordt hier gevonden, namelijk dat wanneer de gemeente ontrouw was geworden, wanneer zij in haar geheel had opgehouden de uitdrukking te zijn van de liefde waarin God de wereld heeft bezocht, God afzonderlijke gelovigen terugbrengt tot het woord van God voor hen: “Wie een oor heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt”. De gemeente wordt geoordeeld en kan dus niet de veilige plaats voor het geloof zijn; de individuele gelovige wordt vermaand te horen wat de Geest zegt. De waarschuwing hier dat de kandelaar zal worden weggenomen, is vooral belangrijk op te merken, omdat daar veel was wat de Heer op hoge prijs stelde – Hij bemoedigde hen door hun dat te tonen; maar ondanks dat alles, als de eerste liefde was verlaten, zou de kandelaar worden weggenomen.

Het karakter van Christus en de beloften zijn algemeen, daar deze gemeente kenmerkend is voor het hele beginsel waarop de gemeente staat. Christus heeft de sterren in zijn rechterhand en wandelt te midden van de kandelaren. Dit is niet een speciaal karakter, van toepassing op een speciale toestand, maar de hele draagwijdte van zijn positie te midden van de gemeenten. Aan de gemeente, die gezien wordt als haar eerste liefde verlaten hebbende, wordt nooit iets beloofd. Zij kan geen leiding geven aan een gelovige, wanneer zij zelf berispt en geoordeeld wordt. De belofte is dan voor de individuele gelovige die overwint: een zeer belangrijk beginsel. De belofte die gegeven wordt aan hem die overwint, is de algemene belofte, is de tegenstelling tot de val van Adam, maar op een hogere en betere wijze dan datgene waarin hij het goede genoot dat hij verloor. Wie overwint zal eten van de boom van het leven. Maar dit is niet de boom van het leven in het paradijs van de mens, in deze wereld, maar in het paradijs van God Zelf. We moeten ook opmerken, dat het nu niet is als bij de eerste Adam, namelijk het individueel bewaren van onze eerste toestand, maar overwinnen. En datgene waarin wij moeten overwinnen is niet alleen de wereld en haar vijandigheden (hoewel het dat kan zijn), maar is binnen de sfeer van de gemeente zelf.

Het is de vermaning te horen wat de Geest tot de gemeenten zegt, welke gelegenheid geeft te spreken van overwinnen. Dit, gezien in verband met de aanspraak van de gemeente dat zij gehoord moet worden, is een uiterst belangrijk beginsel. De boodschap wordt gericht tot de gemeente en niet dóór haar tot individuele personen en ze wordt gewaarschuwd voor haar overtreding en de individuele heilige wordt opgeroepen te overwinnen.

Het woord tot Smyrna is kort. Wat ook de boosaardigheid en de macht van satan zijn, hij heeft, als het hem veroorloofd wordt, op zijn hoogst slechts de macht van de dood. Christus is de eerste en de laatste, zowel aan gene zijde van als vóór de dood, God Zelf; maar meer dan dat, Hij is de macht ervan tegemoet gegaan en is er doorheen gegaan. De heiligen hoefden niet te vrezen. Satan zou werken en toegestaan worden te ziften en gevangen te nemen. De heiligen moesten alleen trouw blijven tot het uiterste punt van zijn macht; alles wat voorbij dat punt lag ging zijn macht te boven en was van Christus; en wie trouw bleef, zou van Hem de kroon van het leven ontvangen. Verdrukking, armoede, de lastering van hen die beweerden de wettige, erfelijke aanspraak te hebben Gods volk te zijn – altijd de vervolgers, of het nu Joden of christenen zijn – was het deel van de gemeente hier; en God liet het toe. Het was werkelijk barmhartigheid tegenover de afwijkende gemeente. Hun hoop reikte verder dan alles, toen Christus de kroon van het leven gaf. Dit maakte de gemeente, die afgleed naar de wereld, of dit ongemerkt dreigde te doen door haar eerste liefde te verlaten, erop opmerkzaam, dat de wereld in handen van satan was en niet de rustplaats voor heiligen was. Maar als de Heer het toestond, verkortte Hij de verdrukking. Alles was in zijn handen. Niet alleen was daar de kroon voor de verdrukten, maar wie zou overwinnen, diens deel was zeker: van de dood van het oordeel, de tweede dood, zou hij geen schade lijden.

We hebben nu een scherper oordeel nodig. Christus verschijnt als degene die het tweesnijdend zwaard heeft dat uit zijn mond komt. Men zal hier bemerken, dat in Smyrna en Pergamus een bijzonder karakter van Christus betrekking heeft op een bijzondere toestand. Er is geen algemeen resultaat voor de gemeente. In Efeze zien we de positie van Christus als Rechter te midden van de kandelaren, terwijl de gemeente bedreigd wordt weggenomen te worden van haar plaats als getuige op aarde. In Thyatira neemt Hij zijn plaats in als Zoon van God, Zoon over zijn eigen huis en wordt Hij, daar de toestand (wat de gemeente betreft) op zijn ergst is geworden, geopenbaard in alles doordringend en onafwendbaar oordeel, en de hele zegen van de nieuwe toestand wordt beloofd aan wie overwint. In Pergamus zien we getrouwheid, gevonden in haar vroegere wegen, terwijl aan de naam van Christus en aan het geloof wordt vastgehouden ondanks vervolging. Het verschilt van Filadelfia hierin, dat er niet gezegd wordt dat het woord werd vastgehouden als het woord van de volharding van Christus (wat de gemeente in haar Pergamus-toestand niet deed), maar ze hielden vast aan de belijdenis van Christus te midden van vervolging. Maar er kwam een ander soort kwaad binnen – de verleiding mee te gaan met de handelwijze van de wereld door boze leer in haar midden. De leer van Bileam was daar. De afgoderij drong binnen. Er waren ook sekten in haar midden, die voorgewende heiligheid maar kwade praktijken leerden. Dezen zou de Heer oordelen.

De algemene waarheid van het wegnemen van de kandelaar had hier geen plaats, niet als een algemene waarheid, toen de gemeente vermaand kon worden haar eerste liefde te bewaren en ook niet als een hevig oordeel, omdat zij volkomen was afgeweken; maar er waren verdervers en de slaven van Christus waren tot afgoderij en kwaad gebracht.

Individuele goedkeuring door Christus, gemeenschap met Hem in toekomstige zegening (toen in de geest), als degene die eens vernederd en verworpen was (wat de gemeente ophield te zijn), een naam gegeven door Christus en dus een blijk van tederheid van zijn kant, een verbinding die niemand kende dan hij die hem ontving. Kortom, individuele verbondenheid en individuele zegening van een geheime verrukking – dat was de belofte aan wie overwon, toen het bederf voortschreed, hoewel nog niet overheersend en ongehinderd in de gemeente.

In Thyatira gaat de gemeente door tot aan het einde. In datgene wat Christus in deze stand van zaken erkende, was er toenemende toewijding. Maar Izebel werd toegelaten; en zowel verbinding met de wereld, afgoderij, als kinderen daaruit verwekt in de gemeente zelf. Allen zouden geoordeeld worden, grote verdrukking zou over Izebel komen en haar kinderen zouden gedood worden. Christus doorzocht hart en nieren en oefende het oordeel uit in onveranderbare gerechtigheid. De getrouwen van deze periode, de “u” tot wie Christus Zich in het bijzonder richt, zijn slechts “de overigen”, een overblijfsel, maar in bijzondere en toenemende mate toegewijd. We kunnen hier opmerken, dat het vooral gaat om wat de gemeenten tegenover Christus zijn. Wat Izebel tegenover de getrouwen deed, wordt niet vermeld. De komst van de Heer is het tijdstip waarnaar wordt uitgezien; en de hele zegening van het duizendjarig rijk wordt beloofd aan hem die overwint; zowel het regeren met Christus als Christus de morgenster Zelf. “Wie een oor heeft” wordt nu achter het overwinnen geplaatst; het wordt niet gezegd in verbinding met de gemeente, maar met degenen in haar die overwinnen. De toestand is de toestand die hierdoor gekenmerkt wordt. Thyatira mag dan doorgaan tot het einde, maar kenmerkt niet het getuigenis van God tot het einde; andere toestanden moeten in het leven worden geroepen om dat te doen. Ik twijfel er niet aan, dat het het Papisme van de middeleeuwen is, zeg tot de Reformatie; het rooms-katholicisme zelf gaat door tot het einde. Het oordeel over Izebel is definitief.

De Heer had haar tijd gegeven om zich te bekeren en ze had zich niet bekeerd. Het zou een gedwongen verbinding zijn met hen die zij eens verleid had tot verderf van hen allen. Het hele karakter hier is doordringend oordeel in overeenstemming met de eigen natuur en eisen van God; bijzondere bezoeking en oordeel, maar toch geen speciale zegening, maar het deel van de heiligen in het algemeen in datgene wat zij met Christus hebben; toen het verval en het oordeel volkomen waren – hoererij, niet alleen het verlaten van de eerste liefde.

Hoofdstuk 3

We hebben gezien hoe het einde bij de komst van de Heer bezien wordt in Thyatira. Met Sardis begint een nieuwe, daarmee parallel lopende fase in de geschiedenis van de gemeente. Behalve dat Hij de zeven sterren heeft, worden geen van de gemeentelijke karakters van Christus genoemd, geen van die in Hem worden opgemerkt als wandelende te midden van de gemeenten. Nog wordt de gemeente als zodanig aangeduid. Het is nog steeds de geschiedenis van de gemeente. Maar nadat de komst van de Heer is genoemd, hebben alle kenmerken van Christus betrekking op wat Hij in het koninkrijk zal hebben. Hij heeft nog steeds de zeven sterren – het oppergezag over de gemeente. Het heeft niet bijzonder betrekking op deze gemeente, maar Hij heeft het over en ten aanzien van alles. Het is in dit karakter dat Hij met Sardis te doen heeft. Hij heeft de zeven geesten, de volheid van de volmaaktheid waarmee Hij over de aarde zal regeren. Aldus is Hij in staat in de gemeente te zegenen, hoewel er geen geregelde gemeentelijke verbinding is. Hij heeft macht over alles en de volheid van de Geest; beide in volmaaktheid. Wat de gemeente ook is, Hij is dit alles. Dit is een grote troost. De gemeente kan niet falen in de positie van getuigenis door gebrek aan volheid van genade in Hem. Noch kan Hij hem in de steek laten die oren heeft om te horen.

Maar de toestand van de gemeente toonde aan dat zij er verre van was hiervan gebruik te maken. Zij had weliswaar de naam dat ze leefde; zij stond hoger in haar pretenties dan het kwaad van Thyatira. Ook waren er geen Izebel en verderf. Maar praktisch gezien was zij dood. Er was geen volkomenheid in haar werken voor God. Het was hier geen kwaad, maar gebrek aan geestelijke energie. Maar dit maakte het mogelijk dat individuele personen hun kleren bevlekten in de wereld. Zij werd vermaand niet haar eerste werken te gedenken, maar wat zij had ontvangen en gehoord, de waarheid die haar was toevertrouwd, het evangelie en het woord van God; zo niet, dan zou zij worden behandeld als de wereld. De Heer zou komen als een dief; want de komst van de Heer wordt er nu steeds in betrokken.

Er is geen dreiging dat de kandelaar zou worden weggenomen: dat was afgedaan. Het oordeel, het terzijde stellen van de gemeente, was vastgesteld. Maar dit lichaam zou worden behandeld als de wereld, niet gemeentelijk als een verdorven gemeente (vergelijk 1 Thessalonika 5). Sommigen echter hadden hun onbevlektheid bewaard en zouden worden erkend; en zij zouden met Christus wandelen als degenen, die gerechtigheid gedaan hadden.

Dit was ook de belofte. Zij hadden zijn naam praktisch beleden voor de mensen, voor de wereld, en hun namen zouden worden beleden voor God wanneer de naam-gemeente zou worden behandeld als de wereld. Zij waren ware christenen te midden van een wereldse belijdenis, en hun namen zouden niet worden uitgewist uit het register, toen slecht bijgehouden op aarde, maar feilloos gerectificeerd door het hemelse oordeel. Ik heb al opgemerkt, dat gelijk met het inbrengen van de komst van de Heer, het oor om te horen komt na het onderscheiden van hen die overwinnen. Dus wordt alleen zo’n overblijfsel beoogd. Ik kan er niet aan twijfelen dat we hier het Protestantisme hebben.

De gemeente te Filadelfia heeft een bijzonder belangwekkend karakter. Er wordt niets gezegd van haar werken, behalve dat Christus die kent. Maar wat belangwekkend in haar is, dat is dat zij bijzonder verbonden is met Christus Zelf. Christus wordt zoals in al deze laatste gemeenten, niet gezien in de karakters waarin Hij wandelde te midden van de gemeenten maar in zodanige die het geloof in het bijzonder herkent wanneer gemeentelijke organisatie het broeinest van verderf is geworden. Hier is het zijn persoonlijk karakter, wat Hij in zijn wezen is, heilig en waarachtig, wat het woord vertoont en vereist en wat het woord van God is in zichzelf – een zedelijk karakter en getrouwheid. Inderdaad omsluit dit laatste woord alles: getrouwheid tegenover God innerlijk en uiterlijk, in overeenstemming met wat geopenbaard is, en getrouw om te volbrengen alles wat Hij heeft aangekondigd.

Christus wordt gekend als de Heilige. Dan tellen uiterlijke gemeentelijke verbindingen of aanmatigingen niet. Er moet dat zijn wat past bij zijn natuur, en getrouwe overeenstemming met dat woord dat Hij zeker zal volbrengen. Hiermee heeft Hij de bediening, en opent Hij en niemand sluit, en sluit en niemand opent. Zie wat zijn weg was op aarde: toen alleen afhankelijk in genade, zoals wij zijn. Hij was heilig en waarachtig, had in de ogen van de mensen kleine kracht, bewaarde het woord, leefde bij ieder woord dat Gods lippen uitging, wachtte met volharding op de Heer, en Hem deed de deurwachter open. Hij leefde in de laatste dagen van een bedeling, als de Heilige en de Waarachtige, verworpen en in de ogen van de mensen zonder sukses bij hen die zeiden, dat zij Joden waren maar een synagoge van satan waren. Zo ook de heiligen hier: zij wandelen op een plaats zoals de zijne; zij bewaren zijn woord, hebben kleine kracht, worden niet gekenmerkt door een Paulinische energie van de Geest, maar verloochenen zijn naam niet. Dit is het karakter en motief van al hun gedrag. Het wordt openlijk beleden, het woord bewaard, de naam niet verloochend. Het schijnt weinig; maar in het algemene verval, de vele aanmatiging en gemeentelijke aanspraken, en bij de velen die vervallen in menselijke redeneringen, is het bewaren van het woord van Hem die heilig en waarachtig is en het niet verloochenen van zijn naam, alles.

En dit element wordt opgemerkt. Christus, de Heilige en Waarachtige, is wachtende. Hier op aarde wachtte Hij met volharding op Jahweh. Het is het karakter van volmaakt geloof. Het geloof heeft een dubbel karakter – energie die overwint, en volharding die op God wacht en Hem vertrouwt (zie het eerste in Hebreeën 11:23-34; het laatste in verzen 8-22). Het is het laatste dat hier gevonden wordt; het woord van de volharding dat bewaard is.

Maar in verbinding met de eerder genoemde wezenlijke eigenschappen, het bewaren van het woord en het niet verloochenen van de naam van Christus (hoewel met kleine kracht) tegenover de gemeentelijke aanmatiging de opvolgende, door God gevestigde godsdienst te zijn, werden beloften gegeven. Christus zou deze aanmatigende personen die aanspraak maakten op Goddelijke successie dwingen te komen en te erkennen dat Hij hen had liefgehad, die zijn woord hadden bewaard. Voor het ogenblik werd er een open deur gegeven en niemand kon die sluiten; net zoals de deurwachter Hem had opengedaan, zodat schriftgeleerden, farizeeërs en priesters het niet konden verhinderen. In de toekomst zouden ze moeten erkennen, dat zij vernederd waren en dat zij die het woord van de Heilige en Waarachtige hadden nagevolgd, degenen waren die Hij had liefgehad. In de tussentijd was zijn goedkeuring voldoende. Dit was de test van het geloof – genoeg te hebben aan zijn goedkeuring, tevreden te zijn met het gezag van zijn woord.

Maar er was ook een belofte ten aanzien van de oordelen van de Heer over de aarde. Christus wacht totdat zijn vijanden gesteld worden tot zijn voetbank. Wij moeten daarop wachten om de wereld op orde gebracht te zien. We hebben voort te gaan daar waar de god van deze wereld zijn weg gaat, hoewel onder Goddelijke beperking. De gedachte dat het goede in deze wereld tot zijn recht moet komen, is het vergeten van het kruis en van Christus. We kunnen onze rechten niet hebben totdat Hij ze heeft, want we hebben geen enkele dan de zijne. Het oordeel (daar Pilatus het had en Christus de Rechtvaardige vóór hem was), is nog niet teruggekeerd tot de gerechtigheid. Tot dan wacht Christus, hoewel aan de rechterhand van God; en wij wachten. Het is geen vervolging en martelaarschap, zoals in Smyrna. Het is misschien een even moeilijke taak, of in ieder geval onze taak nu – volharding en tevredenheid met de goedkeuring van Christus, het bewaren van zijn woord, het niet verloochenen van zijn naam.

Maar vervolgens waren er andere en gezegende bemoedigingen. Er was een ure van verzoeking, die over de hele wereld komen zou om te verzoeken hen die tot de aarde behoorden, die daarop woonden als daartoe behorend. Sommigen zouden misschien worden gespaard, overwinnend in de verdrukking; maar zij die het woord van de volharding van Christus bewaarden, zouden ervoor bewaard worden. Over de hele wereld zou zij komen; en waar waren zij? – Buiten de wereld. Zij hadden er niet toebehoord, toen ze erin waren. Zij hadden gewacht tot Christus zijn macht zou aanvaarden – gewacht op zijn tijd om de wereld te bezitten. Zij behoorden tot de hemel, tot Hem die daar was; en zij zouden worden opgenomen om met Hem te zijn, wanneer de wereld in de tijd van de vreselijke beproeving zou zijn. Er was een bijzondere tijd voordat Hij zijn macht zou aanvaarden; en niet alleen zouden zij uiteindelijk met Hem regeren, maar zij zouden voor dat uur bewaard worden en hadden de zekerheid daarvan in de tijd van hun beproeving.

En daarom wijst de Heer hun op zijn komst als hun hoop; niet als waarschuwing dat wie zich niet bekeerde, zou worden behandeld als de wereld wanneer Hij verscheen.

Hij zou spoedig komen en zij moesten toen naar de kroon uitzien, vasthoudend wat ze hadden, zwak maar geestelijk met Hem verbonden als ze waren, opdat niemand die zou nemen.

We hebben nu de algemene belofte in de hemelse gewesten, gekenmerkt door een bijzondere verbinding met Christus; en zij worden openlijk erkend in datgene waarin zij op aarde niets schenen te hebben. Anderen matigden zich aan het volk van God te zijn, de stad van God – een Goddelijke, religieuze aanspraak te hebben; maar dezen waren alleen maar trouw aan zijn woord en zij wachtten op Christus. Nu, wanneer Christus zijn macht aanvaardt, wanneer de dingen werkelijkheid zijn, in overeenstemming met Hem in kracht, dan hebben zij deze plaats in overeenstemming met God. Het was het kruis en de verachting beneden; het is het tentoonspreiden van Gods naam en de heilige stad boven.

Laten wij hier de belofte onderzoeken aan hen die overwinnen. Hij die maar kleine kracht had, is een pilaar in de tempel van God in wie en met wie hij gezegend wordt. Hij werd misschien beschouwd als buiten de gemeentelijke eenheid en orde; hij is daarin een pilaar in de hemel, en zal daar niet meer uitgaan. Op hem van wie nauwelijks erkend werd dat hij deel had aan de genade, is de naam van de God van zijn verworpen Heiland openlijk geschreven in heerlijkheid. Op hem die nauwelijks geteld werd tot de heilige stad te behoren, is de hemelse naam ervan ook geschreven en de nieuwe naam van Christus – de naam die niet bekend was aan de profeten en de Joden naar het vlees, maar die Hij heeft aangenomen als dood voor deze wereld (waar de valse gemeente zich vestigt) en verhoogd tot hemelse heerlijkheid. Deze zorgvuldige verbinding met Christus is hier opvallend en geeft het karakter ervan aan de belofte. “De tempel van Mijn God”, zegt Christus; “de Naam van Mijn God”, “de stad van Mijn God”, “Mijn nieuwe Naam”. Verbonden in Christus eigen volharding, betrekt Christus datgene op hem, wat hem geheel verbindt in zijn eigen zegening bij God. Dit is van bijzondere zegen en vol bemoediging voor ons.

Laodicea volgt. Lauwheid kenmerkt de laatste toestand van de belijdenis in de gemeente. Zij is walgelijk voor Christus; Hij zal haar uit zijn mond spuwen. Het was niet alleen gebrek aan kracht, het was gebrek aan hart – de ergste van alle kwaden. Deze bedreiging is absoluut, niet voorwaardelijk. Ze bracht onherstelbare verwerping. Bij dit gebrek aan hart voor Christus en zijn dienst, was er veel aanmatiging ten aanzien van het bezit van hulpbronnen en bekwaamheid in henzelf; “Ik ben rijk”, terwijl zij niets van Christus hadden. Het is de belijdende gemeente die zich als rijk beschouwt zonder Christus te hebben als de rijkdommen van de ziel door het geloof. Daarom raadt Hij hen aan van Hem ware en beproefde gerechtigheid te kopen, kleding voor hun zedelijke naaktheid en dat wat geestelijk inzicht gaf; want ze waren, met betrekking tot wat Christus is en voor God geeft, arm, naakt en ellendig en dit in het bijzonder. Dit is het oordeel van Christus over hun voorgewende verworvenheden naar de mens. Zo lang echter de gemeente bestaat, blijft Christus in genade handelen, staat aan de deur en klopt, dringt op de intiemste wijze aan op het geweten Hem te ontvangen. Als iemand, die nog in datgene was wat Hij zou gaan uitspuwen, zijn stem hoorde en opendeed, dan zou Hij hem toestaan bij Hem te zijn en hem een deel in het koninkrijk geven.

Er is hier geen verwijzing naar de wederkomst; ook was die er niet voor het oordeel over Izébel. Daar was het praktisch Babylon; en zij wordt geoordeeld voordat Christus komt. Hier is het het uitgespuwd worden uit de mond van Christus, weggeworpen als waardeloos voor Hem; maar het algemene lichaam wordt geoordeeld als de wereld. De komst van de Heer is in Thyatira voor de heiligen, en in Filadelfia ook. Dat is dat aspect ervan dat betrekking heeft op de gemeente, en dat alleen. Sardis wordt, als het zich niet bekeert, teruggebracht tot de toestand van de wereld, en als zodanig geoordeeld. Wanneer de toestand van Laodicea aanbreekt, wordt de gemeente niet meer erkend en wordt zij door Christus verworpen in dat karakter: maar daarvoor wordt niet over zijn wederkomst gesproken. Hoewel Thyatira doorgaat tot het einde en in gemeentelijk opzicht de geschiedenis van de gemeente afsluit, wordt toch alleen in de eerste drie de gemeente in haar geheel behandeld als dat wat zich bekeren moet. In Thyatira was er aan Izebel tijd gegeven om zich te bekeren en ze deed het niet; en het tafereel moet afgesloten worden en vervangen worden door het koninkrijk. In dit opzicht gaan de laatste vier gemeenten samen. Er is geen vooruitzicht dat de hele gemeente zich bekeert of hersteld wordt. Sardis wordt vermaand vast te houden en zich te bekeren en te gedenken wat ze had ontvangen; maar als ze niet waakt, zal ze behandeld worden als de wereld. Daarom wordt, zoals we gezien hebben de vermaning om te horen tot de overwinnaars gericht na de belofte.

Aan het karakter van Christus in verband met deze gemeente, mogen we niet voorbijgaan. Het doet de overgang uitkomen vanuit de verschillende toestanden van de gemeente naar zijn gezag boven en buiten haar over de wereld. Christus neemt persoonlijk op Zich wat de gemeente heeft opgehouden te zijn. Hij is de Amen, de vervulling en bevestiging van alle beloften, de waarachtige getuige die God en de waarheid openbaart, waar de gemeente dat niet is; en het begin van de schepping Gods – Hoofd over alle dingen en de heerlijkheid en getuige van wat de schepping is als zijnde van God – als de nieuwe schepping. De gemeente had de kracht van de nieuwe schepping door de Heilige Geest ten toon moeten spreiden; zoals indien iemand in Christus is, het een nieuwe schepping is, waar alle dingen van God zijn. Wij als de eerstelingen ervan, zijn herschapen in Hem. De gemeente heeft dus de dingen die blijven (2 Korinthe 3:11). Maar zij is een ontrouwe getuige ervan geweest. Heeft zij er deel aan? Het is, omdat Christus er deel aan heeft, en Hij is het waarachtige begin ervan, daar Hij het werkelijk ten toon gespreid heeft. Nu zij die er door de Heilige Geest de verantwoordelijke getuige van was, gefaald heeft, neemt Christus het op Zich en komt om het daadwerkelijk ten toon te spreiden.

Maar eerst moet de reeks van voorbereidende gebeurtenissen in de wereld worden besproken. En er moet worden opgemerkt, dat hier geen melding wordt gemaakt van het feit van de komst van de Heer voor de gemeente. Er wordt beloofd dat Hij spoedig zal komen; en de gemeente wordt bedreigd uitgespuwd te worden uit zijn mond. Maar het feit van zijn komst voor de zijnen, of de opname van de gemeente op enig tijdstip, wordt niet genoemd. Dit komt geheel overeen met wat we hebben gezien over de dienst van Johannes,5 namelijk dat hij zich bezighoudt met de openbaring van de Heer op aarde en nauwelijks de hemelse beloften aanroert (en dan nog alleen wanneer dat nodig is bij ’t verlaten van de discipelen). In Johannes 14 en 17 doet hij het bij uitzondering. Hier wordt het weggelaten. Zelfs in Openbaring 12, wat opmerkelijk bevestigt wat ik zeg, wordt de opname alleen gezien als geïdentificeerd met de opname van de mannelijke Zoon, Christus Zelf. Daarom wordt er hier geen bepaald relatief tijdstip genoemd voor de wegneming van de heiligen, behalve dat ze worden opgenomen vóór de oorlog in de hemel die leidt tot de laatste drie en een half jaar. Maar anderzijds worden de heiligen, die tot de gemeente behoren of daarvoor, altijd boven gezien wanneer de brieven aan de gemeenten geëindigd zijn. Zij wachten op het oordeel dat hun zal worden gegeven om hun bloed te wreken; maar ze worden nooit op aarde gezien.

Hoofdstuk 4

Maar we moeten nagaan, waar het vierde hoofdstuk de wegen van God begint. Het is niet nodig te veronderstellen, dat de gemeente hier uit de mond van Christus uitgespuwd is. Daarmee was gedreigd; maar het oordeel over Sardis, of zelfs over Thyatira, was nog niet gekomen. Maar het is nadat Christus ermee opgehouden is Zich bezig te houden met de belijdende gemeente als zodanig, die Hij beschouwt als zijn lichtdrager tegenover de wereld. Wat zij zichzelf nog moge noemen, wordt niet vermeld; Hij houdt Zich er niet mee bezig. Een openlijke afval zal komen. Het tijdstip ervan wordt niet geopenbaard; ook het tijdstip van de opname wordt niet geopenbaard. Maar ik concludeer uit 2 Thessalonika 2, dat de opname vóór de afval zal plaatshebben.

Wat we dus hebben vastgesteld is, dat nadat alle bemoeiingen met de gemeenten door Christus zijn afgesloten, de daarop volgende bemoeiingen met de wereld in de Openbaring beginnen. De gemeenten zijn “hetgeen is”, wat volgt is “hetgeen hierna gebeuren zal”.

Christus wordt nu niet gezien als wandelende in hun midden; Hij is het Lam in het midden van de troon. Johannes houdt zich niet bezig met Hem daar te zien, of met het zenden van boodschappen naar de gemeenten, maar wordt opgeroepen naar de hemel waar al de wegen van God nu uitgevoerd worden, en wel ten opzichte van de wereld, niet van de gemeente. We zien ook de troon, niet de priester met het lange kleed. De koningen en priesters over wie we lezen in hoofdstuk 1 zijn nu in de hoge. Anderen mogen hen volgen; maar zij zijn in de hemelse gewesten, gezeten op tronen, of in aanbidding, of bieden hun schalen vol reukwerk aan. Anderzijds is de Heer niet gekomen om de wereld te oordelen, maar staat gereed om de erfenis te ontvangen. De heiligen, die opgenomen zullen worden om Christus te ontmoeten, worden hier daarom alleen in de hoge gezien; zij behoren tot de hemel en er wordt niet langer met hen gehandeld op aarde, maar zij hebben hun eigen plaats in de hemel.

Het verband tussen de twee delen van de Openbaring is dit: Christus, die oordeelde te midden van de belijdende kerk, wordt nu in de hoge gezien, waar Hij het boek van het oordeel over deze wereld opent, waarvan Hij op het punt staat in het openbaar de erfenis in ontvangst te nemen. Van dit tafereel van oordeel zijn de heiligen ver verwijderd. De apostel houdt zich nu niet langer bezig met de gemeente – een belangrijk punt, want de Heilige Geest moet Zich met haar bezighouden zolang de heiligen in haar zijn op aarde – en hij wordt opgenomen naar de hemel, en daar ziet hij God in verband met de schepping op een regeringstroon, met een regenboog eromheen. De dieren huldigen Hem als Schepper, degene tot wie alle dingen geschapen zijn. De troon was geen genadetroon, maar de tekenen van macht en oordeel kwamen daaruit voort; maar eromheen zijn zij die de heiligen voorstellen, opgenomen bij de komst van Christus, de koningen en priesters, gezeten op tronen in een kring rondom de troon. Geen offeraltaar wordt gezien, alsof het een tijd van toenadering zou zijn; het koperen wasvat bevat glas in plaats van water. Het is een vaste, tot volkomenheid gebrachte heiligheid, geen voetwassing. De oudsten zijn gekroond, terwijl het getal vierentwintig herinnert aan de priesterorden. De zeven Geesten van God zijn daar in de tempel, niet die van Christus om daardoor de gemeente te besturen, of die uitgezonden zijn in de wereld, maar de volkomenheid van Gods eigenschappen, die zijn daden in de wereld kenmerkt. Dit is het wat nu licht uitstraalt in de wereld.
Behalve dit zijn er vier dieren, letterlijk in het Grieks: levende wezens (vertaling), in de kring van de troon zelf en rondom de troon. Ze kunnen worden gezien als dat wat de troon vormt, of afzonderlijk ervan, hoewel ermee verbonden als middelpunt. Ze hebben sommige van de eigenschappen van de cherubs, sommige van de serafs, maar enigszins verschillend van beide. Ze waren vol ogen van voren en van achteren, om alle dingen te zien in overeenstemming met God, en van binnen; ze hadden ook zes vleugels; volmaakt in innerlijk inzicht, maar een ontvangen inzicht, en in de snelheid van hun bewegingen. Zij omvatten ook de vier soorten schepselen op de geordende aarde: de mens, het vee, de dieren van het veld, en het gevogelte in de lucht: deze symboliseren de machten of eigenschappen van God, die zelf aangebeden worden door de heidenen, maar hier alleen de werktuigen van de troon zijn. Hem die daarop zat, kenden de heidenen niet. Het verstand, de gestadigheid, de kracht en de snelheid van het oordeel die aan God eigen zijn, werden zoals elders door hen in type voorgesteld. Zij zijn symbolen. Verschillende uitvoerders kunnen de instrumenten van hun activiteit zijn. Maar hoewel er de algemene overeenkomst was met de cherubs, gerechtelijke en regeringsmacht, hadden zij een bijzonder karakter.

De cherubs in de tempel hadden twee vleugels, die de troon vormden; zij zagen op het verbond en werden doordat ze van zuiver goud waren tegelijkertijd gekenmerkt door de Goddelijke gerechtigheid van de troon, waartoe genaderd moest worden. In Ezechiël waren zij de ondersteuning van het uitspansel waarboven de God van Israël was: het was een troon van uitgeoefend oordeel. Zij waren als gepolijst koper, en als vuur – een symbool dat we al hebben besproken. Zij hadden vier vleugels: twee om mee te vliegen, twee om zich mee te bedekken. Uit Ezechiël 10 blijkt, dat zij vol ogen waren (er staat niet “van binnen”); dat was om dat wat buiten was te besturen naar Gods gedachten, niet Goddelijk inzicht van binnen. In Jesaja 6 hebben de serafs (of “branders”) zes vleugels zoals hier; zij zijn boven de troon en roepen zoals hier: heilig, heilig, heilig! Zij reinigden met een gloeiende kool de lippen van de profeet; zij waren boven de troon. De hier gebruikte symbolen worden duidelijker door deze gevallen. De dieren zijn in en rondom de troon; want het is een troon van uitgeoefend oordeel, met de eigenschappen van de cherubs ermee verbonden. Maar het is niet zoals in Israël, alleen een aards oordeel in voorzienigheid, een wervelstorm uit het Noorden. We zien hier vóór ons de regering over de hele aarde, en de uitoefening van het oordeel in overeenstemming met de heiligheid van Gods natuur. Want het oordeel aan het einde was, hoewel in regering en de geschiedenis van de aarde afsluitend, niet alleen dat (cherubijnen), maar in overeenstemming met Gods heiligheid en natuur (serafijns), vooral zoals in Jesaja 6, een gekende God in Israël. Er is niet alleen volkomen inzicht in alles, maar innerlijk inzicht in zedelijk opzicht. Het is geen gouden troon waartoe genaderd moet worden, zoals in de tabernakel. De innerlijke heiligheid van God wordt toegepast op het oordeel. Hij maakt zijn natuur en karakter waar – in de hele schepping. De voorzienigheid zou niet langer een raadsel zijn. Het ging niet om ingewikkelde, onopgeloste eigenschappen, om zo te zeggen, hoewel toegepast op bijzondere omstandigheden; iedere handeling zou het karakter ervan hebben.

Let er hier ook op, dat het niet zoals in het eerste hoofdstuk de God is, die, hoewel Hij verleden en toekomst omvat, God is in Zichzelf, maar de God van de eeuwen, “Die was en Die is en Die komt”. Hij heeft nog alle oudtestamentische namen: Jahweh, Elohim, Sjaddai. Zijn eigenschappen verheerlijken nu zijn volledige naam, als de Heilige die leeft tot in eeuwigheid – die geen voorbijgaande macht of bestaan heeft, zoals de mens in zijn beste toestand ijdelheid. En de heiligen hier vallen neer voor de troon, buigen zich neer voor zijn plaats in heerlijkheid en aanbidden Hem in zijn oneindig wezen, werpen hun ontvangen heerlijkheid neer voor zijn verheven en eigenlijke heerlijkheid en schrijven alle heerlijkheid alleen aan Hem toe, als degene die er alleen waardig voor is, maar die hier, in overeenstemming met de aard van de verheerlijking ervan, de Schepper is door wie alle dingen zijn. In alle veranderingen bleven deze dingen waar.

Het zal hier worden opgemerkt, dat de dieren alleen lofprijzen en verkondigen; de oudsten aanbidden met verstand. De hele Openbaring door geven de oudsten de reden voor hun aanbidding. Er is geestelijk inzicht in hen.

Merk verder op, dat wanneer de donderslagen, bliksemstralen en stemmen, de tekenen van verschrikking in het oordeel, uitgaan van de troon, de oudsten op hun tronen onbeweeglijk blijven; zij zijn op tronen rondom, wanneer de troon van het oordeel wordt voorgesteld. Steeds wanneer Hij het oordeel ter hand neemt, is dit hun positie. Zij zijn deel van de heerlijkheid – gezeten rondom de troon van waaruit de verschrikking ervan uitgaat.

Wanneer Hij die daarop zit verheerlijkt wordt, zijn zij een en al activiteit, erkennen alle heerlijkheid als de zijne, liggen voorover op hun aangezicht en werpen hun kronen voor Hem neer, meer gezegend door de erkenning van zijn heerlijkheid, dan door het bezit van de hunne.
We vinden hier niet de Vader; het is Jahweh. En weliswaar, als we zouden vragen in wie Hij persoonlijk geopenbaard wordt, dan zou het zoals altijd in de Zoon zijn; maar het is op zichzelf eenvoudig de Jahweh van het Oude Testament hier.

Hoofdstuk 5

In dit hoofdstuk vinden we het Lam. Er was een boek in de rechterhand van Hem die op de troon zat. Het bevatte raadsbesluiten, uitgevoerd door zijn macht. Wie kon die openen en die ten uitvoer brengen? Wie had het recht dat te doen? Niemand in de hemel of op aarde behalve Een. De oudsten legden aan de profeet, die weende omdat de wegen van God zouden worden afgesloten, uit, dat de Machtige van Juda, de ware bron van alle beloften aan David, overwonnen had om het te openen en de zegels te verbreken. Dit was het Lam, de verworpen Messias. Hij was meer dan dit, zoals het hoofdstuk vervolgens aantoont; maar Hij is ook dit. De verworpen Messias was in het midden van de Goddelijke troon; en te midden van alle tekenen van voorzienigheid en genade – de dieren en de oudsten – stond een Lam, zoals het geslacht was. Hij had de volheid van macht over de aarde – zeven horens – als van God en de zeven Geesten van God, voor de regering (in overeenstemming met Gods volmaaktheid) over de hele aarde. Wanneer Hij het boek genomen heeft, vallen de dieren en de oudsten voor Hem neer met gouden schalen vol met de gebeden van de heiligen. Zij zijn hier priesters.

Nu wordt een nieuw lied gezongen ter verheerlijking van het Lam. Wat zijn oneer en verwerping op aarde leek, was de grondslag van zijn waardigheid, het boek te nemen. Hij die bij alle lijden en ten koste van Zichzelf al wat God was verheerlijkt had, was in staat en waardig te ontvouwen wat het ten uitvoer bracht langs de weg van regering. Het was niet de regering over Israël, maar over de hele aarde; niet alleen aardse kastijdingen volgens Gods openbaring van Zichzelf in Israël, maar het ten toon spreiden in macht van alles wat God was op de hele aarde. Hij die al wat God was verheerlijkt had en die door het evangelie van wat Hij was door zijn dood uit de hele aarde verlost had, was bekwaam om het in macht uit te voeren. Hij treedt nog niet naar voren; maar zijn werk is het waardige instrument, het Goddelijk motief, voor de tentoonspreiding van dit alles. Hij kan de zegels van Gods wegen en verborgenheden openen. Ik lees het gedeelte zo: “Gij zijt geslacht, en hebt voor God gekocht met Uw bloed uit elk geslacht, enzovoort, en hebt hen gemaakt tot koningen en priesters voor onze God; en zij zullen over de aarde heersen”.

Dus is het niet een bepaalde bijzondere klasse, maar gaat het om de waarde van de daad die het motief voor de lof is, en alles wordt aan Hem toevertrouwd.

Hier treden de engelen op om te loven, niet in het vierde hoofdstuk. Ik kan er nauwelijks aan twijfelen, dat er hier een verandering in bestuurlijke ordening plaats heeft. Totdat het Lam het boek nam, waren zij de bestuurlijke macht; zij waren de instrumenten, waardoor datgene wat de vier dieren voorstelden, werd uitgevoerd op de aarde. “Want niet aan engelen heeft Hij onderworpen het toekomstige aardrijk waarover wij spreken”.

Daarom, zodra het Lam verschijnt en het boek neemt, zodra het feit van de verlossing wordt ingevoerd, worden de dieren en de oudsten met elkaar verbonden en nemen de engelen hun eigen plaats afzonderlijk in. Zoals tevoren de dieren, geven zij geen reden voor hun lof. Als de hoofden van de schepping wat hun natuur betreft, verheerlijken zij met alle schepselen, het recht op heerlijkheid van het Lam en zijn eigen waardigheid, en geven lof aan Hem die op de troon zit en aan het Lam tot in alle eeuwigheid. De vier dieren, dat wil zeggen alle uitoefening van Gods macht in schepping en voorzienigheid, voegen er hun Amen aan toe, en de oudsten aanbidden God in de uitnemendheid van zijn wezen. Maar de dieren en de oudsten zijn verenigd (vers 8) in het neervallen voor het Lam. Ik denk niet dat het de bedoeling is dat ze onderscheiden worden in het laatste deel van het vers, (dat wil zeggen: “hebbende” slaat niet alleen op de oudsten) maar ze gaan op in de oudsten, verschillende dienst voorstellend, maar nu niet twee klassen.

Vers 9 is het algemene feit; niet “zij zongen”, maar “zij zingen”. Dit vindt plaats in de hemel; maar zij die genoemd worden, worden beschouwd in algemene zin. Zo zijn dus de bron van wat volgt, de troon, en de personen, in de hemel voor God betrokken in alles wat er gebeurt, voorgesteld: vanwaar het oordeel uitgaat, wie de troon van God boven omringen, en wie er in de troon is, is voor onze aandacht gebracht; het hemelse tafereel, het koor en de medewerkers.

Hoofdstuk 6

Wat er op aarde gaat volgen, begint nu, wanneer de zegels geopend worden. Men zal hier opmerken, dat Johannes, staande in de ruïne van de gemeente, profetisch alles opnoemt wat er gebeurt vanaf dat falen totdat Christus komt in hoofdstuk 19. Er is geen hemelvaart, geen opname, behalve in zoverre dat hoofdstuk 12:5 beide tezamen geeft.

De eerste zegels zijn eenvoudig; ook heb ik niet veel nieuws over ze te bieden; eerst wereldwijde veroveringen, dan oorlogen, dan hongersnood, dan de pest die met zich meebrengt wat Ezechiël Gods vier zware gerichten noemt (het zwaard, de honger en de pest en het wild gedierte). Zij spreken van de voorzienige loop van Gods handelingen en daarom vestigen de vier dieren er de aandacht op; maar zij hebben Gods stem in zich, de stem van de Almachtige: dat hoort het oor van hem die de Geest heeft. Deze voeren voorzienige plagen uit, als waarover in de Schrift gesproken wordt. Dan volgen de rechtstreekse oordelen; maar deze zijn wat we zouden kunnen noemen voorbereidende maatregelen.

Ik moet erop wijzen dat in de volledige plagen van vers 8 niet de hele Romeinse aarde betrokken is. Het is een vierde, niet een derde. Let erop, dat ook de plagen beperkt zijn in gebiedsomvang, niet algemeen.

De heiligen zijn degenen aan wie God werkelijk denkt en zij komen in herinnering voordat andere taferelen in het licht gesteld worden. Zij die gemarteld waren voor het woord van God en hun getuigenis, vragen hoelang het zou zijn voordat zij gewroken werden; want wij hebben hier steeds te doen met een God van oordeel. Dat zij onder het altaar zijn betekent eenvoudig, dat zij hun lichamen geofferd hadden aan God, als slachtoffers voor de waarheid. De witte klederen zijn het getuigenis van hun gerechtigheid – de verklaring dat God hen goedkeurt; maar de tijd dat zij gewroken zouden worden, was er nog niet. Ik geloof niet dat het geven van witte klederen opstanding betekent. De eerste opstanding is soevereine genade en geeft ons dezelfde plaats met Christus (“altijd met [de] Heer”), als uitvloeisel van zijn werk en van het feit dat Hij onze gerechtigheid is, die gelijk is voor ons allemaal. Witte kleren, zo bezien, zijn de erkenning van de gerechtigheid (gerechtigheden) van de heiligen, – het is zeer goed mogelijk dat het meervoud “gerechtigheden” een Hebraïsme is voor gerechtigheid. Dat is een gewone zaak in zedelijke dingen. In ieder geval slaat het op de heiligen en worden daarom gezien in hoofdstuk 19:8 bij zijn verschijning. “Zij zullen met Mij wandelen in witte [kleren], omdat zij het waard zijn” (hoofdstuk 3:4). Ik ontken niet dat wij gereinigd zijn en dat onze klederen wit gemaakt zijn in het bloed van het Lam. Maar zelfs waar dit gezegd wordt in hoofdstuk 7, denk ik dat het vooral slaat op de wijze waarop zij door het geloof verbonden zijn geworden met de lijdende positie van Christus. Hier worden aan hen witte klederen gegeven – hun dienst wordt erkend; maar voor de wraak moesten zij wachten tot een nieuw tafereel van vervolging hun metgezellen had gebracht die net als zij geëerd en gewroken moesten worden. Toch geeft dit voortgang aan en vindt zijn oorzaak in de handelingen van God om deze nieuwe stand van zaken teweeg te brengen, die uitloopt op het uiteindelijke oordeel en het terzijdestellen van het kwaad. Hier vinden de oordelen plaats in voorzienigheid.

Wat op de ‘oproep tot wraak’ volgt is het verbreken van het hele systeem van aardse regering en de verschrikking van allen op de aarde. Hoe duidelijk zien we hier dat we op een toneel van oordeel zijn en dat God een God van oordeel is! De verlangens van de heiligen zijn als de verlangens van de Psalmen. We hebben niet te maken met kinderen voor de Vader, met genade, met het evangelie en de gemeente, maar met Jahweh, waar God een God van oordeel is en daden door Hem gewogen worden. We zijn op oudtestamentische bodem, dat wil zeggen profetie, niet genade voor de goddelozen, hoewel het oordeel zegening invoert. De opening van het zesde zegel brengt een aardbeving, dat wil zeggen een heftige beroering van de hele structuur van de maatschappij. Alle regerende machten worden daarin bezocht; en wanneer zij alles omgewenteld zien, denken klein en groot (met de slechte gewetens die ze hebben) dat de dag van de toorn van het Lam is gekomen. Maar dat is niet zo, hoewel er voorbereidende oordelen zijn met het oog op zijn koninkrijk.

Hoofdstuk 7

Maar God denkt ook aan zijn heiligen op aarde (waar de gemeente nu nooit gezien wordt, zoals we ons moeten herinneren) vóór de taferelen die volgen, hetzij oordelen over de Romeinse aarde, hetzij de bijzondere werkingen van het kwaad, om hen te beveiligen en te verzegelen voor die dag.

Eerst wordt het volmaakte aantal van het overblijfsel van Israël verzegeld, vóórdat de voorzienige instrumenten van Gods oordelen toegestaan wordt te handelen; 144.000=12x12x1000.

Ze worden veilig gesteld voor de zegening naar Gods bedoelingen en door Hem apart gezet; nog niet gezien in hun zegeningen, maar ervoor veilig gesteld. Daarna wordt de grote schare uit de volken gezien. We moeten hier opmerken, dat er geen eerdere profetische aankondiging is van de zegening van hen die gespaard worden in de grote verdrukking (niet de drie en een half jaar uit Mattheüs 24 – dit heeft betrekking op Joden – maar de periode genoemd in de brief aan de gemeente te Filadelfia).

Daarom wordt ons dit hier volledig gegeven, en ons wordt duidelijk gezegd wie zij zijn. Een schare van volken wordt gezien, niet als staande rondom de troon, maar ervóór en vóór het Lam, hun gerechtigheid erkend en zij zelf overwinnaars. Zij schrijven het heil toe aan God die zo geopenbaard is, dat wil zeggen aan God op de troon en aan het Lam. Zij behoren tot deze aardse tonelen, niet tot de gemeente. Dit wordt beantwoord door de engelen die rondom de troon zijn, de oudsten en de dieren, die allen tezamen het hemelse deel van het tafereel uitmaken, dat al verbonden is met de troon, waarbij de engelen de anderen omgeven, die het middelpunt en onmiddellijke kring van de troon vormen, met de schare in witte klederen ervoor. De engelen spreken hun Amen uit, en verkondigen ook de lof van hun God.

Dit alles behoorde de schare in witte klederen en de engelen toe; alleen de eersten spreken van het Lam, dat ook hun redding was. De engelen voegen hieraan hun Amen toe, maar prijzen hun God. Tevoren hadden zij heerlijkheid en lof toegeschreven aan het Lam, maar het toeschrijven van redding aan het Lam, was natuurlijk niet hun eigen deel van het lied.

Maar de vier dieren en de oudsten aanbidden hier niet, omdat hun eigen relaties anders waren, en over die wordt hier niet gesproken. Die worden, voor zover als het boek gaat, gevonden in hoofdstuk 4-5, waar ze op tronen rondom zitten en hun kronen vóór de troon neerwerpen en Hem aanbidden die leeft tot in alle eeuwigheid. Zij geven de beweegredenen voor hun aanbidding in overeenstemming met de relaties waarin zij staan: de relatie van de engelen is met hun God; die van de schare in witte kleren met de God van de troon en het Lam als degene die recht heeft op de regering en de verlossing van de aarde als een tegenwoordige zaak. Dat het Lam de Zoon was, ja de God die de engelen geschapen heeft, is hier niet het punt, maar dat ieder spreekt in zijn eigen relatie, zodanig dat deze relaties naar voren worden gebracht.

We zien dus de hemelse legerscharen, de verheerlijkte heiligen en de schare in witte klederen, elk in een andere betrekking, maar de eersten en de laatsten meestal samengevoegd, terwijl de verheerlijkte heiligen een afzonderlijke klasse vormen.

Zij aanbidden hier niet. Maar één van de oudsten, die altijd het inzicht van God hebben, legt de profeet uit wie de schare in witte klederen zijn. Het vormde tot dusver geen onderdeel van de profetische openbaring en het was niet de eigen plaats van de gemeente. “Mijn heer, u weet het”, zegt de profeet. Zij waren gekomen uit de grote verdrukking, daarin getrouw geweest, hun klederen wit in het bloed van het Lam. Zij waren geen heiligen uit het duizendjarige rijk, dat wil zeggen in die tijd geboren, en door geboorte onderworpen aan de verantwoordelijkheid van die toestand (waaraan genade tegemoet moest komen). Zij waren gereinigd en als zodanig erkend en waren zich daarvan bewust en hadden de overwinning toen de anderen begonnen; zodat zij, al gereinigd en erkend, altijd voor de troon zijn als een bijzondere klasse, en Hem dag en nacht dienen in zijn tempel.

Dit onderscheidt hen onmiddellijk van de hemelse aanbidders; daar is er geen tempel; de Heere God Almachtig en het Lam zijn de tempel. Hij die op de troon zit, “tabernakelt” (woont) boven hen, zoals eens boven de tabernakel. Zij zijn niet alleen als Israël in de voorhoven, of als de volken in de wereld. Zij hebben een plaats als priester in de tempel van de wereld. De scharen uit het duizendjarige rijk zijn aanbidders, maar dezen zijn priesters. Zoals Anna, de dochter van Fanuël, altijd in de tempel zelf was, zo hebben zij altijd toegang tot de troon. Maar zij hadden ook zegeningen onder het Lam, aan wie zij eveneens hun redding toeschrijven – de goede Herder, uitgeworpen en Zelf door verdrukking gegaan, ook zo groot, zou hen weiden; zij zouden niet meer hongeren en niet meer dorsten, zoals ze vaak gedaan hadden; ook zou hen geen vervolging of verdrukking treffen. Het Lam gekend in deze overgangstijd, maar verhoogd in de troon, zou hen weiden en hen leiden naar de bronnen van de wateren van het leven. Het is niet, zoals aan ons, de belofte van een bron van water, dat springt tot in eeuwig leven en uitvloeit als een rivier; maar zij zouden gevoed, gelaafd en volkomen verzorgd worden door de genade van het Lam, dat zij gevolgd hadden; en God Zelf zou elke traan van hun ogen afwissen. Zij zouden de vertroostingen van God hebben, die al het leed dat ze doorgemaakt hadden, waard waren. Maar hun zegeningen zijn vertroostingen, geen eigenlijke hemelse vreugde. Zij zijn dus een afzonderlijke klasse, onderscheiden van de oudsten of hemelse heiligen, en onderscheiden van de heiligen van het duizendjarige rijk die nooit verdrukking zullen zien en hebben een gekende, in genade vastgestelde positie voor God. Het is een nieuwe openbaring aangaande hen die door de grote verdrukking gaan. De 144.000 van hoofdstuk 14 zijn een soortgelijke klasse afkomstig uit de Joden, die uit hun bijzondere verdrukking komt.

Hoofdstuk 8

Weer brengt de Goddelijke belangstelling in de heiligen, opgewekt door de doeltreffende voorspraak van de grote Hogepriester, oordelen over de wereld. Voor hen die onder het altaar waren, was er geen voorspraak; zij waren tot volmaaktheid gekomen, doordat zij verworpen en geslagen waren zoals Christus. Er zijn heiligen op de aarde die deze voorspraak nog nodig hebben, zodat hun geroep in hun zwakheid gehoord en beantwoord zou worden. De rook van het reukwerk steeg op met de gebeden van de heiligen. De grote Middelaar nam van het vuur van het altaar, deed het in het wierookvat en wierp het op de aarde. De voorspraak veranderde bij het antwoord in oordelen en de tekenen van Gods macht werden openbaar, en er volgde een omwenteling van de ordening op aarde – stemmen, donderslagen, bliksemstralen (zoals toen de troon werd opgericht), en een aardbeving.

Dan volgen er specifieke oordelen, op het teken dat van boven gegeven wordt. Zij kwamen over de Romeinse aarde, het derde deel van de aarde (zie hoofdstuk 12:4). Eerst oordeel uit de hemel, hagel en vuur; en geweld of vernietiging van mensen; op aarde bloed: het gevolg was de vernietiging van de groten van de Romeinse aarde en van alle algemene welvaart. Vervolgens werd er een grote macht, als het oordeel van God in de massa van de volken geworpen – nog steeds, neem ik aan, op de Romeinse aarde; want vernietiging van mensen, en van alles wat behoorde tot hun onderhoud en handel, volgde binnen die grenzen. Vervolgens viel één die een bijzondere bron van licht en orde in regering had moeten zijn, van zijn plaats, en verdierf de zedelijke bronnen van volksmotieven en -gevoelens – dat wat het volk regeert en beheert om hen te karakteriseren. Ze werden bitter en mensen stierven eraan. De laatste van deze vier plagen komt over de regerende machten, en zet hen af in hun ordening als van God: alles binnen de grenzen van de Romeinse aarde. Dit sloot de algemene oordelen af, die omwenteling, rampspoed en verwarring op de Romeinse aarde veroorzaakten, waar zich de macht van het kwaad bevond die tegen de heiligen was. Dan wordt het wee aangekondigd vooral over hen die hun gevestigde plaats op aarde hadden, in tegenstelling tot de hemelse roeping, en die onopgeschrikt en onbewogen waren door de oordelen over de aarde, maar zich ondanks alles aan haar vastklemden als hun thuis.

Een drievoudig wee! De uitdrukking “die op de aarde wonen”, is nog niet eerder gebruikt, behalve in de belofte aan Filadelfia, en in de aanspraken van de zielen onder het altaar, want deze beiden vormden een tegenstelling met dezen. Na al deze handelingen van God zijn zij een onderscheiden en duidelijke klasse, en als zodanig wordt van hen gesproken in wat er op de aarde gebeurt. Tegen deze klasse met haar verdorven ongeloof, worden nu de aardse oordelen van God gericht: het eerste tegen de Joden; het tweede tegen de bewoners van de Romeinse aarde; het laatste algemeen.

Hoofdstuk 9

De vijfde engel blaast; en één die door zijn positie het instrument van licht en regeringsorde over de aarde had moeten zijn, werd gezien als één die zijn plaats verloren had en de macht om de volledige verduisterende invloed van satan vrij te laten, werd hem gegeven. Hij opende de put van de afgrond – de plaats waar het kwaad wordt opgesloten en geketend; niet waar het gestraft wordt, dat wil zeggen de poel van vuur. Het opperste gezag, al het hemelse licht over de aarde en de heilzame invloed van orde, werden verduisterd en hielden op door de boze satanische invloed die vrijgelaten was. Ook was dit niet alles: directe werktuigen van satanische macht kwamen in drommen uit deze boze invloed; menigten van zedelijke sprinkhanen met het venijn van valse leer in hun staart. Maar het was niet om tijdelijke welvaart op de aarde te vernietigen, maar om de goddeloze Joden te verdrukken; niet om hen te doden, maar hen te kwellen en te teisteren. Dit zou vijf maanden duren; want het is niet het uiteindelijke oordeel. De kwelling was erger dan de dood – pijn en angst in het hart. Maar zij leken op een militaire veroveringsmacht, gekroond en met mannelijke kracht tegenover hen die hen ontmoetten; maar zij waren onderworpen en zwak, als men ze van achteren bezag en het geheim ontdekte: hun gezichten waren als de gezichten van mannen, hun haar als het haar van vrouwen. Maar zij waren gewapend in een ijzeren geweten. Zij waren de directe werktuigen van de macht van satan en stonden onder zijn bevelen. De engel van de put van de afgrond – hij die de diepten van de listen van satan beheerst als de heerser van de macht van de duisternis – leidde hen. Wij zijn te ongelovig wat betreft de rechtstreekse invloed van satan in het verduisteren van de gedachten van de mensen (als het hem veroorloofd is), wanneer mensen worden overgegeven aan zijn verduisterende invloed. Wrede teisterende kwellingen, erger dan de dood met verduistering van hun verstand, worden het deel van het eens beminde volk. Eén wee was voorbij.

De zesde engel blaast. Het wee dat volgt, is veel menselijker en veel meer in voorzienigheid. Het is gericht tegen de bewoners van het Romeinse Rijk. De instrumenten ervan worden losgemaakt van over de Eufraat – een ontelbare menigte ruiters. Maar zij waren niet eenvoudig dat. Hun gewetens en hun woorden waren beide in de macht van satan, maar in oordeel van Godswege. Maar nu doodde het mensen. Hun monden braakten de macht van satan uit en hun invloed in leer was satanisch: met beide brachten zij schade toe. Ik geloof niet dat deze dood hier louter tijdelijke dood is (die kan er zijn), maar, naar ik veronderstel, het maken van afvalligen. De overigen, die niet zo afvielen, bekeerden zich niet van hun afgoderij en misdaden.

Hoofdstuk 10

Dit waren voorlopige weeën over het lichaam van Joden en gekerstende heidenen, niet de directe botsing van de macht van het kwaad met God. Dit wordt nu ontvouwd, maar wordt eerst in het geopende boekje op zijn plaats gebracht in de algemene geschiedenis. Het boekje is open als onderdeel van welbekende profetie en wordt nu tot een directe beslissing gebracht op bekende grond; niet de ongeopenbaarde en meer verborgen wegen van God die de uiteindelijke beslissing brengen. Christus daalt neer en bekrachtigt zijn recht op alles beneden; zet zijn rechtervoet op de zee, de linker op de aarde, en verheft de stem van zijn macht, waarop de stem van de Almachtige in kracht antwoordt. Maar de openbaringen ervan werden verzegeld; maar Christus zweert bij Hem die leeft tot in alle eeuwigheid, dat er geen uitstel meer zal zijn. Alle dingen leiden naar een uiteindelijke beslissing. Bij het blazen van de zevende bazuin zou de verborgenheid van God voleindigd worden en zijn directe macht komen. De profeet moet opnieuw profeteren over volken en natiën en talen.

Hoofdstuk 11

Wij zijn hier dadelijk in het middelpunt van de profetische onderwerpen – Jeruzalem, de tempel, het altaar en aanbidders. De aanbidders en het altaar worden door God erkend en aanvaard – zij die binnen aanbidden in het verborgene van God. Het algemene belijdende Jodendom wordt verworpen en niet meer erkend. Het wordt overgegeven om vertreden te worden onder de heidenen en wel gedurende de halve week van benauwdheid. Zij die de plaats van priesters innamen werden erkend. Ware aanbidders, naar de gedachten van God, waren daar en werden erkend; en God gaf ook een passend getuigenis – twee getuigen – wat vereist werd onder de wet; en dag aan dag gaan zij onafgebroken door met getuigen, gedurende de hele periode, of halve week. De getuigen waren in benauwdheid en schande, maar met kracht; zoals Elia en Mozes waren, toen ’t volk in verval en gevangenschap was. Het was niet de wederoprichting van Israël met het koningschap en het priesterschap, zoals het daarna zou zijn – de kandelaar van Zacharia met de twee olijfbomen – maar het toereikend getuigenis ervan. Ook konden zij niet worden aangeraakt zolang de halve week van hun profetie voortduurde; hun woord bracht de dood over hun tegenstanders. We zien priesterschap en profetie in het overblijfsel, natuurlijk niet het koningschap, maar een praktisch getuigenis ervan: lijden toonde de afwezigheid ervan aan, toch kon niemand hen aanraken totdat hun tijd was gekomen. Hierin waren zij als Christus in zijn vernedering te midden van Israël; alleen doodde Hij zijn vijanden niet. In de Psalmen duidt Hij het aan als het deel van het overblijfsel. Volkomen vernedering en het volledige antwoord van God op hun profetisch woord kenmerkte hun toestand. Maar toen zij hun getuigenis voleindigd hadden, was de zaak anders. Zij hadden te maken met het beest uit de put van de afgrond. Zij stonden voor de God van de aarde, niet als predikers van het hemelse evangelie, maar als getuigen van Gods recht op de aarde, van zijn liefde voor zijn volk in verbinding ermee. Zij gaven getuigenis van Gods aanspraken toen vijandige heidenen de bezitters waren. Nu hun uur gekomen is, doodt het beest hen en hun lichamen worden geworpen op de straten van de stad. Die uit de volken verblijden zich over hen en zijn vrolijk. Zij die op de aarde wonen, die de aarde als bezit wilden en er hun gemak wilden nemen, waren verrukt; want de getuigen van de God van de aarde kwelden hen; maar na drie en een halve dag, varen zij, levend gemaakt door de kracht van de Geest van God, op naar de hemel in een wolk, niet zoals Christus deed, verborgen, maar ten aanschouwen van hun vijanden. Een tiende deel van de grote stad van de wereld viel tegelijkertijd in de beroering die plaats had op de aarde; en de overigen worden bevreesd en geven heerlijkheid aan de God van de hemel. Maar God was al bezig te handelen als de God van de aarde. (Het tweede wee was nu voorbij.)

Zo krijgen we de aanduiding van het einde van de halve week; de zevende bazuin zou spoedig geblazen worden, die de verborgenheid van God zou voleindigen. Hij wordt geblazen; en er klonken luide stemmen in de hemel, die zeiden dat het koninkrijk van de wereld van hun Heer (Jahweh) en van zijn gezalfde (Christus) was gekomen – het grootste wee en de grootste verschrikking van alle over de bewoners van de aarde. Het wee van satan was vooral over de Joden geweest; het wee van de mens vooral over de mensen van het Romeinse Rijk; dit is Gods wee wanneer de volken toornig zijn en Gods toorn is gekomen en volledige afrekening en uiteindelijke verlossing komen. We zien hier weer de oudsten die de reden van lof en dankzegging vermelden. Stemmen in de hemel kondigen het feit aan van de regering van Jahweh en van zijn Christus volgens Psalm 2 en dat Hij (want zoals steeds verenigt Johannes beiden in één gedachte) zou regeren tot in alle eeuwigheid; en zo zal het zijn.

Maar zowel het aardse als het eeuwige koninkrijk worden geprezen. Alleen in het eeuwige koninkrijk wordt de onderscheiding van het wereldlijk koninkrijk en van de onderwerping van Christus aan God weggelaten. In de dankzegging van de oudsten wordt ook Jahweh Elohim Sjaddai geprezen; als de grote Koning die zijn macht en regering aanvaardt; want het is Gods koninkrijk. We hebben twee delen in hun woorden: de volken toornig – dit brengt de tijd van Gods toorn; en de tijd van de doden om geoordeeld te worden. Dit is de eerste helft: de toorn van de mens en het oordeel van God. Dan geeft Hij loon aan profeten, heiligen, en allen die zijn naam vrezen en zet hen die de aarde verdierven van haar weg. Dit is zegening. Het eerste deel is algemeen, de tijd van toorn en oordeel; het tweede is loon en verlossing van de heiligen op aarde. Dit sluit geheel de symbolische hoofdgeschiedenis af. De laatste bazuin wordt geblazen en de verborgenheid van God wordt voleindigd.

In wat volgt hebben wij nadere bijzonderheden; het beest, en de verbinding van de gemeente en de Joden ermee; Babylon; en dan de bruiloft van het Lam; oordelen over het beest en de valse profeet; het binden van satan; twee opstandingen en het laatste oordeel; en de beschrijving van de hemelse stad. Maar deze nieuwe profetie begint (hoofdstuk 11:19), wat betreft aardse profetische handelingen, met bijzondere verwijzing naar de Joden. De tempel van God wordt geopend in de hemel, de ark van zijn verbond, die betrekking heeft op Israël, wordt daar gezien. Maar het oordeel kenmerkt die nu; oordelen van allerlei aard, die welke van boven neerdalen en omwenteling en verwarring beneden.6

Hoofdstuk 12

Dit hoofdstuk geeft ons een kort maar zeer belangrijk overzicht van de hele loop van de gebeurtenissen, niet gezien in hun werktuigen op aarde of het oordeel daarover, maar alle in werking zijnde beginselen zoals God ze ziet, de stand van zaken als geopenbaard door God. De eerste symbolische persoon, onderwerp van de profetie en resultaat van al Gods wegen daarin, is een vrouw bekleed met de zon, met een kroon van twaalf sterren, en de maan onder haar voeten. Het is Israël, of Jeruzalem als het middelpunt ervan, zoals het is naar de bedoeling van God (vergelijk Jesaja 9:5 en Psalm 87:6). Zij is bekleed met het hoogste gezag, met de heerlijkheid van volmaakte besturing in de mens, en al de oorspronkelijke weerspiegelde heerlijkheid daarvan onder het oude verbond onder haar voeten. Zij was in barensnood, in benauwdheid en pijn om te baren: aan de andere kant satans macht in de vorm van het Romeinse Rijk, volkomen in vormen van macht, zeven koppen, maar onvolkomen in besturend oppergezag – tien, niet twaalf horens. Maar satan, als de openlijke ontrouwe vijand van God en van Gods macht in Christus, zocht het kind te verslinden, zodra het geboren zou zijn, dat van God de regering over de aarde zou ontvangen. Maar het kind, Christus, en de gemeente met Christus, wordt weggerukt naar God en zijn troon – het ontvangt nog niet de macht, maar wordt geplaatst in de eigenlijke bron ervan, waaruit die macht voortkomt. Het is niet de opname wat betreft de vreugde, want het gaat terug tot Christus Zelf; maar het is het zetten van Hem en de gemeente in en met Hem in de zetel waaruit de macht voortkomt voor de oprichting van het koninkrijk. Hiervoor is geen tijd aangegeven: Christus en de gemeente zijn samen één. Maar de vrouw, de Joden, vluchten hierna in de woestijn, waar God een plaats voor hen heeft bereid gedurende de halve week.

De gemeente of hemelse heiligen (let wel, evenals Christus), varen op naar de hemel om van het toneel weg te zijn. De Joden of aardse heiligen worden op aarde beschermd door voorzienige zorg. Dit geeft de hele stand van zaken en degenen om wie het in dit tafereel gaat en hun afzonderlijke plaatsen. Zij die heerlijkheid en macht zal bezitten op de aarde, wordt verjaagd. Het kind dat macht zal bezitten in en vanuit de hemel, wordt van tevoren daarin opgenomen. Dit maakt de toestand zeer duidelijk.

De historische loop van de gebeurtenissen wordt nu vervolgd, waarbij het kind verondersteld wordt al opgenomen te zijn. Er is oorlog in de hemel, en de duivel en zijn engelen worden uitgeworpen en hebben daar geen plaats meer. Dit toont nog duidelijker het onderscheid tussen de hemelse heiligen en het joodse overblijfsel. De hemelse heiligen hadden de aanklager overwonnen door het bloed van het Lam en het woord van hun getuigenis; het zaad (nageslacht) van de vrouw heeft de geboden van God en het getuigenis van Jezus Christus, dat wil zeggen, de Geest van de profetie. Wat zij van God in het woord hebben is oudtestamentisch.

Maar – zo volgen we het laatste gedeelte van het hoofdstuk – een luide stem kondigt in de hemel aan dat het koninkrijk van onze God en het gezag van zijn Christus is gekomen – nog steeds het getuigenis van de tweede Psalm; alleen werd het tot dusver alleen vanuit de hemel aangekondigd, waar de macht van het koninkrijk al tot stand was gebracht door het neerwerpen van satan. Satans antipriesterlijke macht was voor altijd voorbij; als koning en profeet zou hij zich nog kunnen voordoen, maar zijn hemelse plaats was voorbij. De heiligen van de hemelse plaatsen hadden hem overwonnen door datgene wat hun geweten en hun recht op de hemel bevestigde – het bloed van het Lam, en het woord van hun mond, Gods zwaard door de Geest – en gaven hun leven over in de dood. De hemelen en die daarin woonden, konden zich nu verheugen; maar het was wee over de bewoners van aarde en zee, want de duivel was neergekomen, wetende dat hij maar een korte tijd had. Ik denk dat vers 11 betekent, dat er heiligen zijn die gedood worden na de opname, maar die toch tot de hemel behoren. Als er zodanigen waren die gedood werden om hun getrouwheid, en werden dezen niet opgenomen, dan zouden ze aarde en hemel verliezen, hoewel ze meer toegewijd waren dan zij die de aarde hadden. We zien hen bovendien in hoofdstuk 20 in de eerste opstanding. De zielen onder het altaar hadden ook te wachten op anderen – hun broeders, die gedood moesten worden zoals zij; en we moeten hier opmerken dat zij die gelukkig geprezen worden, de gedoden zijn, geen anderen. Toch is het vóór de laatste drie en een half jaar.

We zien dus dat het om deze drie groepen gaat: de stem van hen die in de hemel zijn; (onze) hun broeders die overwonnen hadden; en zij die in de drie en een half jaar van de woede van satan zouden zijn, die nog niet begonnen waren. Nu, als de mannelijke zoon in de hemel, zoals wij het hebben beschouwd, Christus en de opgenomen heiligen is, dan zou de stem zijn van hen die daar al zijn,7 en alles wordt vanzelf duidelijk: de opgenomen heiligen verbonden met Hem vieren het neerwerpen van de aanklager en de verlossing van hen die tot de hemel behoorden, terwijl ze hen “onze broeders” noemen – de broeders wier conflict met de aanklager voorbij was, omdat hij nu neergeworpen was, maar die hem hadden moeten weerstaan als een hemelse machtspersoon, een antipriester, welk gedeelte geheel een verborgenheid voor Johannes is – en zij die nu in verdrukking zouden zijn, wanneer hij in woede op aarde zou optreden als koning en profeet. Want de draak, op de aarde geworpen en niet in staat in de hemel aan te klagen of heiligen aan te vallen die een hemelse roeping hebben (en het priesterschap heeft hierop betrekking, niet op éénmaking), vervolgt de Joden en tracht hun getuigenis te vernietigen; maar God gaf kracht, niet om te weerstaan – de Heer moet komen om hen te verlossen – maar om te vluchten en te ontkomen en een schuilplaats te vinden waar zij gevoed werd gedurende de hele halve week buiten het bereik van de slang. Hij tracht haar te achtervolgen; vleugels heeft hij niet, maar hij gebruikt een rivier, de volksbewegingen onder invloed van een bijzondere beweeggrond en leiding, om de vrouw mee te sleuren. Maar de aarde, dit georganiseerde systeem waarin de mensen leven, verzwolg de wateren. Deze invloed was tevergeefs – werd niet tegemoet getreden door een leger, een tegenkracht, maar werd tenietgedaan. Er was een zodanige beschikking of verloop op aarde dat de poging geheel verijdeld werd. Zo verordende God in zijn voorzienigheid; en de draak ging weg om individueel het getrouwe overblijfsel van haar nageslacht te vervolgen – de Joden die vasthielden aan het Woord.

Hoofdstuk 13

In dit hoofdstuk zien we de duidelijke en volledige ontwikkeling van satans werktuigen van het kwaad. Er zijn er twee – het beest met de tien horens en dat met de twee horens. Aan het eerste gaf de draak, die met zijn staart een derde deel van de sterren op de aarde wierp – satan in de vorm van het Romeinse Rijk – zijn troon en groot gezag.8 Het tweede beest oefende niet alleen de eerste macht voor hem uit als zijn vertegenwoordiger, maar was de actieve macht van het kwaad om de mensen ertoe te brengen het eerste beest te erkennen en daardoor de draak. Het beest is het oorspronkelijke Romeinse Rijk, maar sterk gewijzigd en in een nieuwe hoedanigheid. Het is volmaakt volkomen in zijn regeringsvormen of koppen, maar bestaat uit tien koninkrijken, wat ongetwijfeld ook wijst op onvolmaakte volkomenheid in besturing. Het heeft geen twaalf horens; het is onvolkomen. Zeven zou volkomenheid zijn van een hogere soort. Het Lam had zeven horens; de vrouw had twaalf sterren op haar hoofd. Het ene is volmaaktheid in zichzelf; het andere in regering in de mens. Zeven is het hoogste priemgetal (het is ondeelbaar); twaalf is het volmaaktst deelbaar, samengesteld uit dezelfde elementen als zeven, maar dan vermenigvuldigd, niet opgeteld als een eenvoudig getal. Zo wijst vier op eindige volmaaktheid, zoals in een vierkant en nog meer een kubus, in alle richtingen volmaakt hetzelfde maar eindig. Maar het beest had namen van lastering. Het was de openlijke vijand van God en zijn Christus. Het omvatte de voorafgaande wereldrijken en vertegenwoordigde die. De draak, satans directe macht in de vorm van het heidense Romeinse Rijk, gaf zijn troon en macht aan dit nieuwe beest. Het was niet van God. God erkende geen macht op aarde nu de gemeente weggenomen was, totdat Hij zijn eigen macht aanvaardde. De aarde was in oorlog met Hem.

Een van de koppen van het beest (ongetwijfeld de keizerlijke regeringsvorm) werd gezien als tot de dood gewond, maar genezen. De keizerlijke kop werd hersteld en de wereld stond in bewondering; en zij aanbidden de draak, omdat hij aan het beest zijn gezag geeft. Niets is in hun ogen aan het beest gelijk; maar God is geheel aan de kant gezet op aarde. Het beest wordt gegeven de grootste aanmatigingen te uiten in zijn woorden en grootspraak tegen God. Hij lasterde God, zijn naam en woonplaats, en de hemelse heiligen – de hele Christenheid en de God ervan. De draak was uit de hemel geworpen; de opgenomen heiligen waren daar ontvangen. Hij lasterde, maar kon niet meer dan hen lasteren.

Wat betreft hen die op de aarde woonden (want de verdeling was nu niet alleen een geestelijke), allen aanbaden het beest, behalve de uitverkorenen – zij die van de grondlegging van de wereld af geschreven waren in het boek van het leven van het Lam. Menselijke tegenstand door geweld was niet de weg van de gehoorzaamheid.

Hier werden de volharding en het geloof van de heiligen getoond. Hij die het zwaard opnam, zou erdoor vergaan; dat is nooit de weg van Christus, maar volharding zonder tegenstand; maar het beest dat dat deed, zou vergaan. Dit was dus de keizerlijke macht, een godslasterlijke macht opgericht door satan, met de plaats van het oude Romeinse Rijk, die alle vier vertegenwoordigde, gewijzigd in vorm, maar de keizerlijke kop hersteld. Maar er was een tweede beest; het steeg niet op uit de volkenmassa (de zee) om een wereldrijk te zijn, maar uit de al gevormde organisatie waarmee God als zodanig had te doen. Het had de vorm van het koninkrijk van Messias op aarde, met twee horens als een lam; maar het was de directe macht van satan. Hij die het met een door God onderwezen oor hoorde spreken, hoorde onmiddellijk de stem van satan. Het oefent al de macht van het eerste beest voor diens ogen uit; het is met diens macht diens minister, en maakt dat de aarde en die erop wonen het aanbidden (dat wil zeggen, het Romeinse Rijk waarvan de kop hersteld is). Het is de antichrist, de valse christus van satan, die de aarde onderwerpt aan het satanische Romeinse Rijk. Het doet grote wonderen, om de mensen een goed bewijs te geven van het recht van het beest boven de mensen, zoals Elia dat gaf van het recht van Jahweh. Vergelijk 2 Thessalonika 2, waar de mens van de zonde dezelfde (hoewel leugenachtige) bewijzen geeft als Jezus gaf om aan te tonen dat Hij de Christus was. Hij verleidt hen die op de aarde wonen door zijn wonderen, door hen een beeld voor hem te laten maken. Aan dit beeld geeft hij adem, zodat het spreekt en laat hen doden die het niet aanbidden.

Evenzo werden allen verplicht om het zegel en het merkteken aan te nemen van het dienen van het beest in hun werk, of openlijk getuigenis, en niemand mocht handel drijven die niet de naam van het beest als merkteken had.

Dat is de macht die het karakter van het koninkrijk van Messias heeft in de vorm daarvan, die wordt bezield met de grootste energie van satan en die de openbare macht erkent die satan in de wereld heeft opgericht, iedereen daarvoor zal laten buigen, en niemand handel laat drijven die die macht niet erkent; en allen zullen dat doen behalve de uitverkorenen. De antipriesterlijke macht van satan in de hemelen is voorbij; koningschap en profetie blijven nog in hem over, in de tegenstand tegen Christus die nog niet verschenen is. Deze waardigheden neemt hij aan; maar hij stelt de macht van de heidenen niet terzijde en kan dat ook niet – dat blijft aan Christus om te doen – maar hij richt die op als zijn vertegenwoordiger; en zoals de afvallige Joden van vroeger, zo buigt nu dat volk, behalve het uitverkoren overblijfsel, als zijn werktuigen voor die macht en dienen die. Zo ziet men alle macht van satan uitgeoefend. Maar bij het aanstellen van zijn messias, is hij gedwongen te verleiden; en bevordert door zijn wonderen van verleiding dat wat hij niet terzijde kan stellen – de heidense macht, en onderwerpt de Joden aan afgoderij en aan de heidenen; en al de heidenen zelf, die op de aarde wonen, onderwerpt hij aan de bewaarder van het gezag van satan – het eerste beest.

Dit is een bijzondere stand van zaken, ver van joodse gevoelens en moderne heidense verwachtingen; maar de onreine geest van afgoderij zal naar zijn huis terugkeren. Tekenen, niet de waarheid, zullen de bijgelovige gedachten van de mens beheersen; zij zullen worden overgegeven om een leugen te geloven. Hier is het, hoewel hij het karakter aanneemt van Christus in zijn koninkrijk, hoofdzakelijk zijn invloed op de heidenen waarover gesproken wordt; de Joden worden in één met hen gezien zoals we zien in Jesaja 66 en Daniël. Het is een tijd van vrijheid, maar een van de grootst mogelijke tirannie wat betreft allen die niet buigen voor de macht van satan en de door hem ingestelde verordeningen. Wat die tijd kenmerkt is de afwezigheid van de waarheid.

Wat betreft het getal van het beest, twijfel ik er niet aan dat het erg eenvoudig zal zijn voor de godvruchtigen, wanneer het beest er is en de tijd komt, om dat geestelijk te beoordelen en die naam zal een praktische gids zijn voor hen die met hem te maken hebben. Tot dat tijdstip zijn de speculaties van de mensen van niet veel waarde; de oude van Irenaeus, Latijnse man, is even goed als welke andere ook.

Hoofdstuk 14

In dit hoofdstuk zien we de handelingen van God met het kwaad, na echter eerst het overblijfsel erkend en afgezonderd te hebben. Het overblijfsel behoort geheel tot de vernieuwde aarde: zij worden gezien op datgene wat het middelpunt daarop is van heerschappij en heerlijkheid – de berg Sion, waar het Lam zal regeren. Zij hadden zijn naam en de naam van zijn Vader op hun voorhoofden; dat wil zeggen, door hun openlijke belijdenis van God en het Lam waren zij er getuigen van geweest en hadden zij geleden zoals Christus geleden had in zijn leven doordat Hij God als zijn Vader erkende: alleen hadden zij de dood niet doorgemaakt. Het was een nieuw begin, niet de gemeente, niet hemels, maar de zegening van een verloste aarde in haar eerstelingen in hen die hadden geleden door daarvan te getuigen. De hemel prijst dit met een stem van vele wateren en als van een donderslag, maar met vreugde. Deze stem was de stem van harpen. Een nieuw lied wordt gezongen voor de troon, de dieren en de oudsten. Hier is dit feit het belangrijke punt. Er was een lied geweest in en van de hemel in hoofdstuk 5, in verbinding met de verlossing; maar zij die daar verlost waren, werden gemaakt tot koningen en priesters. Hier was het verlossing in verbinding met aardse zegeningen, niet met het koningschap en het priesterschap in de hoge; en het wordt gezongen vóór het hemelse gezelschap en de troon. De hemel is echter direct verbonden met het lied. Het was verbonden met de triomf over de macht van het kwaad door het met volharding verdragen van het lijden.

Wat hen bijzonder kenmerkte was, dat zij rein bleven van de verontreiniging die hen omringde. Dit doormaken van benauwdheid en dit overwinnen verbindt hen direct met de hemelse overwinnaars. Het was niet het nieuwe lied van de hemelse verlossing; toch was het overwinning daar zij afgedaald waren tot de poorten van de dood, hoewel zij er niet werkelijk in waren. Het was “als was het een nieuw lied”. Dit kan niemand leren behalve zij die het aardse lijden van het Lam hadden gedeeld en nu zijn metgezellen in zijn aardse koningschap zouden zijn; zij hadden Hem gevolgd, zij zouden Hem volgen waar Hij ook heenging. Zij zijn de eerstelingen van het nieuwe tafereel. Zij hadden zich niet bevlekt waar allen dat deden. Zij behoorden niet tot hen die een leugen liefhadden of uitspraken, of daaraan toegaven. Voor bevlekking en leugen waren zij gevrijwaard gebleven, terwijl zij openlijk de waarheid beleden. Zij hadden niet de hemelse positie, maar zij zijn onberispelijk en zij delen in de aardse positie en heerlijkheid van het Lam en vergezellen Hem waar Hij ook heengaat, in de tentoonspreiding van die heerlijkheid. Voor alles wat tot deze voorrechten leidde, was geen plaats toen het koninkrijk eenmaal was opgericht. Het was toen te laat om op deze wijze getrouwheid te tonen. Er is een verbinding met de hemelse heiligen die er niet is in hoofdstuk 7. De schare in witte klederen stond voor de troon en het Lam. Zij zijn voor de troon van God, zij aanbidden in zijn tempel en het Lam troost hen. Hier is er een bijzondere verbinding met het Lam op aarde, in hun weg en in hun dienovereenkomstige plaats. Het is het overblijfsel van de Psalmen (vooral Psalm 1-41). Maar hoewel op aarde met de Koning, worden zij verlost uit de mensen voordat Christus op aarde komt; en het lied dat zij leren zingen, wordt gezongen voor de oudsten en de dieren. Zij zijn niet bij hen, maar zij zingen het lied dat voor hen gezongen wordt; dat wil zeggen, de schare uit de volken wordt toegelaten tot bijzondere voorrechten voor God en het Lam; het joodse overblijfsel wordt verbonden met het Lam op aarde en, in zekere zin, met de hemel.

De voortgang van Gods wegen volgt – een waarschuwing tot de aarde de afgoderij te verlaten; want het uur van Gods oordelen was gekomen. Het eeuwig evangelie is het getuigenis van de macht van Christus sinds het Paradijs, als in tegenstelling tot de bijzondere verkondiging van de gemeente en de blijde boodschap daarmee verbonden. Dan wordt aangekondigd dat Babylon gevallen is; dreigementen en waarschuwingen voor ieder die het beest zou erkennen; maar de tijd is nu gekomen dat het sterven in de Heer zou ophouden; alleen hun gelukzaligheid bleef voortaan. Sterven en verdrukking waren voorbij. Zij worden gezien als één geheel lichaam; en waar enigen nog moesten sterven, daar stierven zij in de Heer, niet in rust en zegening. Nu is hun rust gekomen en hun loon.

Dan maait Christus de aarde – scheiding, bijeenvergadering en oordeel; en treedt de wijnpersbak, oefent onvermengde wraak uit over de goddelozen. Daarom is het in dit laatste oordeel de engel die de macht over het vuur had die erom roept; het was een volledig Goddelijk oordeel. Dit oordeel was niet binnen de grenzen van Babylon – was niet in de sfeer waarin de mens zijn organisatie in verzet tegen God had gevormd en ingesteld. Dit sluit het hele tafereel af van datgene wat de geschiedenis was begonnen door het opnemen van het mannelijk kind in de hemel. Hij was met wraak teruggekeerd.

Hier doet zich een interessante vraag voor – Wat is de wijnstok van de aarde? Het is datgene wat de vruchtdragende organisatie is, of zou moeten zijn (dat is de gedachte daarin) in openlijke verbinding met God, als zijn planting op de aarde. Israël was de wijnstok die uit Egypte gebracht was. Christus op aarde was de ware wijnstok. Het is niet een verbinding met Hem in de hemel. Daar worden we als volmaakt gezien, niet om vrucht te dragen en gesnoeid te worden. Maar in overeenstemming daarmee ging het door nadat Hij was opgevaren naar de hoge, en belijdende christenen zijn de takken.

Maar hier is het de wijnstok van de aarde, datgene wat daarop zijn karakter en groei heeft, maar met de aanmatiging door opvolging de godsdienstige plaats op aarde in te nemen. De ware heiligen zijn naar de hoge gegaan, of zijn een vervolgd, individueel overblijfsel. Ik twijfel er niet aan dat de Joden dan het middelpunt van dat systeem zullen zijn, maar zij zullen vermengd zijn met heidenen, zich tot afgoderij gekeerd hebben en zeven geesten hebben bozer dan dat; afvallige heidenen zullen volledig verbonden zijn met dit alles (zie Jesaja 34, 63, 65, 66).

Hoofdstuk 15

Dit hoofdstuk is een nieuw visioen. Het ontrolt voor de profeet een ander tafereel, de laatste plagen of oordelen van God en vooral dat over Babylon, vóórdat Christus komt. Het voornaamste onderwerp van het visioen waren de zeven engelen, die de zeven laatste plagen hadden; maar zoals altijd worden de heiligen die met dit tafereel te maken hebben, in veiligheid gezien vóórdat de oordelen beginnen. Zij zijn gereinigd, maar zijn ook door het vuur van de verdrukking heen gekomen. Zij staan op een met vuur gemengde zee. Zij hebben behoord tot de tijd dat het beest en zijn beeld aan de macht waren, maar zij hadden de overwinning erover behaald. Het leek misschien of zij ten onder waren gegaan – in werkelijkheid was het overwinning.

Hun lied is zeer bijzonder. Het lied van Mozes is een triomf over de macht van het kwaad door Gods oordelen. Het lied van het Lam is de verhoging van de verworpen Messias, van de Lijdende, als wie zij geleden hadden; want het is het gedode overblijfsel te midden van het ontrouwe en afvallige Israël, dat we hier vinden. Het lied prijst God en het Lam, maar door triomferende lijdenden, die tot de hemel behoren. Wat zij prijzen zijn de werken van Jahweh Elohim Sjaddai (de God van het Oude Testament), maar die Zich nu in oordeel geopenbaard heeft, gekend door zijn werken die openbaar zijn voor het volk. Hij maakte Mozes zijn wegen bekend, de kinderen Israëls zijn daden. Zijn daden worden nu geprezen. Het zijn de daden van Jahweh Elohim Sjaddai, de Rechter van de hele aarde. Maar zijn wegen worden ook geprezen. Er was inzicht in hen, althans zover als het rechtvaardig oordeel ging. Deze wegen in oordeel waren rechtvaardig en waarachtig. Israël zou de verlossing verstaan en hoe die tot stand kwam; maar Mozes kende Gods wegen. Maar dit is alles. Het is niet slechts een prijzen van eigenschappen en hoedanigheden, zoals de engelen doen, maar ook niet de volledige kennis van Gods werk in de behoudenis door het bloed van het Lam. Het is niet het hart dat opgaat in de betekenis van zijn eigen betrekking, maar een prijzen van de heerlijkheid van de Heer, die nu zou worden aangebeden door de volken, want zijn oordelen waren openbaar geworden. Het was inzicht toen de oordelen openbaar gemaakt waren, niet toen alles nog geleerd moest worden binnen het voorhangsel.

Nadat deze lofprijzing van wat juist tevoorschijn trad uitgesproken was, werd de tempel van de tabernakel van het getuigenis in de hemel geopend; niet alleen de tempel met de ark van het verbond werd gezien. Dat maakte het resultaat voor het geloof zeker, wanneer het kwaad met kracht op de aarde woedde; de ark van Gods verbond stelde Israël veilig. Het was een getuigenis dat geopend werd, niet een verbond dat veilig stelde in het uur van het kwaad, maar een getuigenis dat tot stand bracht wat de ark van het verbond waarborgde; want de tempel werd geopend en de boodschappers van het oordeel kwamen tevoorschijn – Gods oordeel tot herstel en zegening van Israël door het oordeel over de heidenen en over allen die de aarde verdierven. Reinheid in Gods ogen en Goddelijke gerechtigheid kenmerkte en bezielde dit oordeel – rein, blinkend linnen en gouden gordels; ik vat het eerste op als een antwoord op de verdorvenheid in datgene wat dat had moeten hebben – Babylon (vergelijk hoofdstuk 19:8). Dat wil zeggen, het was een oordeel dat het vereiste en dat in overeenstemming was daarmee en ook met de Goddelijke gerechtigheid. Het is niet koper dat in het vuur verbrandt – eenvoudig de uitvoering van het oordeel met betrekking tot de mensen, hoewel dat plaatsvond – maar God die zijn eigen natuur en karakter gestand doet tegen de verdorvenheid, het wezenlijke karakter van de eeuwige God, dat de gemeente had moeten ten toon spreiden, terwijl Babylon geheel het tegenovergestelde was en het beest ook. De zeven engelen oordelen alles in overeenstemming met deze karakters van God, omdat het werkelijk de wraak was van wat God was, zoals dit volledig geopenbaard is aan de gemeente; maar het witte linnen heeft ongetwijfeld vooral betrekking op Babylon, hoewel de mensen met het merkteken van het beest onder het oordeel zouden komen. Een van de vier dieren geeft de schalen; want het is de gerechtelijke macht van God in de schepping, nog niet het Lam. Gods heerlijkheid in het oordeel vervulde de tempel en niemand kon in aanbidding tot Hem spreken of tot Hem naderen terwijl deze plagen werden uitgevoerd. Het was de volledige openbaring van God in oordeel.

Hoofdstuk 16

De eerste vier plagen hebben dezelfde objecten als de oordelen van de eerste vier bazuinen – het hele terrein van symbolische aard, maar hier direct met betrekking tot de mensen: aarde, zee, rivieren en zon; de geordende profetische sfeer van Gods handelingen, de volksmassa’s als zodanig als ongeorganiseerd gezien, de zedelijke beginselen die de drijfkracht geven aan hun bewegingen en soeverein gezag. Maar het is hier niet een derde (dat wil zeggen, de Romeinse aarde) maar in het algemeen.

De eerste schaal van de grimmigheid bracht de grootste benauwdheid en schandelijke ellende over allen die het merkteken van het beest hadden aangenomen.

De tweede bracht de macht van de zedelijke dood over de volkerenzee; allen die onder hen waren, binnen de grenzen van de profetische aarde, stierven – dat wil zeggen neem ik aan, dat zij de louter uitwendige belijdenis opgaven. Wij hebben hier een voorbeeld van het gebruik van symbolen dat goed is opgemerkt te worden. Al de schalen worden uitgegoten op de aarde, dat wil zeggen, worden aangewend in de sfeer van de al tot stand gebrachte betrekking met God. Maar hierin zou er een bijzondere betrekking kunnen zijn waarin de mensen met God te maken hadden in deze wereld (dat wil zeggen dat zij bewoners van de aarde waren) óf de volkerenzee binnen die sfeer.

De derde schaal werd uitgegoten op alle bronnen van volksinvloed en werkzaamheid, en zij werden absoluut dodelijk. Het schijnt me toe dat de dodelijke invloed in vervreemding van God, binnen de sfeer van de profetie, hier sterk wordt aangeduid. De dood wordt algemeen gebruikt als de uitdrukking van de macht van satan. Dan wordt het opperste gezag gemaakt tot een verschrikkelijke kwelling. Dit waren de eerste vier schalen van rechtstreeks oordeel volgens de gebruikelijke indeling.

De vijfde schaal treft de troon van het beest, de zetel en standvastigheid van zijn gezag, die de satan hem gegeven had, en zijn koninkrijk werd vol duisternis. Alles was verwarring en ellende, en geen uitkomst: zij kauwden hun tongen van pijn en lasterden God.

De zesde engel giet zijn schaal uit op de Eufraat – vernietigt, denk ik, de veilige grenslijn van de westelijke profetische machten; niet de zetel van hun macht, maar hij brak hun grens, opdat de weg van de koningen van het Oosten bereid zou worden. Ik zie dit eenvoudig als het inbrengen van de machten van Azië in de strijd met het oog op de algehele vernietiging van de machten. De zesde schaal zendt drie onreine geesten uit, het totaal van alle boze invloeden: die van satans directe macht als tegenstander van Christus; die van de macht van het laatste wereldrijk, het beest; en die van het tweede beest uit hoofdstuk 13, voortaan bekend als de valse profeet, satans invloed als de antichrist, een afgodische, wonderdoende macht; en de koningen van de wereld werden bijeenvergaderd tot de oorlog van de grote dag van God Almachtig. De toespeling is op Richteren 5:19-20.

Bij de zevende schaal is er een algemene afbraak en omwenteling en komt Babylon in het oordeel. En de hagel van God, het oordeel van God, kwam uit de hemel op de mensen (vergelijk Jesaja 32-33). Alle verschillende, onafhankelijke belangen en gevestigde machten verdwenen. Dit was over de aarde, Gods oordelen door voorzienigheid en werktuigen, maar het Lam was nog niet gekomen. De bijzonderheden van de oordelen over Babylon worden bewaard tot de volgende hoofdstukken.

Hoofdstuk 17

De kenmerken van Babylon worden het eerst geschilderd. Net als het beest is zij slechts één onderdeel in het oordeel, maar zedelijk is zij belangrijker dan heel de rest. Het algemene kenmerk is de grote actieve afgodische vrouw die invloed heeft uitgeoefend over de volkerenmassa; vervolgens, dat de koningen van de aarde in een misdadige intimiteit met haar geleefd hebben en haar gunsten gezocht hebben, terwijl zij die op de aarde wonen door haar verderfelijke en dronken makende invloed hun zinnen hebben verloren. Dit is de algemene idee die eerst gegeven wordt, een kenmerk eenvoudig genoeg om het Roomse of Paapse systeem aan te duiden.

Maar meer bijzonderheden volgen. Er was een vrouw, een godsdienstig systeem, gezeten op een beest met wereldmacht, vol namen van lastering, dat de vorm had die bewees dat het Romeins was. De vrouw was prachtig en als een wereldmacht uitgedost, had elke menselijke heerlijkheid en versiering aan zich en een rijke beker met hoererij en grove afgoderijen in haar hand. “Gruwelen” zijn gewoon afgoden; “de onreinheden van haar hoererij” is al de verschrikkelijke verdorvenheid die ermee gepaard gaat. Haar beker was er vol van. Zij was in de woestijn; geen fonteinen van God waren daar. Het was om zo te zeggen niet Gods terrein, geen hemels land. Voor hen die geestelijk begrip hadden droeg zij op haar voorhoofd haar karakter (echter één dat alleen bekend was wanneer het geestelijk bekend was), dat van de grote stad van het verderf, bron van alle verleiding van de mensen en van alle afgoderij op aarde; dat was het Papisme.

Maar dit was niet alles. Al het bloed van de heiligen werd in haar gevonden: zij was de vervolgende moordenares van hen in wie God behagen had en die van Jezus getuigden. Het is belangrijk op te merken dat de formele godsdienst, die berust op oude aanspraken als vaststaand, en die met het oog op de waarheid verlaten wordt door anderen die die hebben ontvangen, gewoonlijk de aanstichter van vervolging is, hoewel anderen de vervolgers kunnen zijn. Zo was het met de Joden, zo ook in de algemene geschiedenis van de wereld. Zij wordt altijd vals wat betreft de waarheid, hoewel zij misschien bepaalde belangrijke waarheden vasthoudt. De waarheden die het hart en zijn gehoorzaamheid beproeven, zijn daar niet.

De profeet was verbaasd – want dat was het waartoe de gemeente gekomen was.

De engel beschrijft dan het beest waarop zij zat. Het was geweest, had opgehouden te bestaan, en dan stijgt het weer op uit rechtstreekse duivelse bronnen – het stijgt op uit de afgrond. Het herstelde Romeinse Rijk, dat verdwenen was, is lasterlijk en duivels van aard, en in dit karakter gaat het ten verderve: toch zullen allen behalve de uitverkorenen op aarde ervoor in bewondering staan, wanneer zij het beest zien dat was, niet is, en aanwezig zal zijn. Op zichzelf duidt het het Romeinse of Latijnse Rijk aan, alleen dat het meer formeel zal herverschijnen. Maar Rome wordt meer onderscheiden aangeduid. Het is de stad van de zeven heuvels. Zelfs was dit niet alles. Het was het bestaande gezag in de tijd van de profetie: vijf van de regerende machten ervan waren gevallen; één was er; er was er toen één die nog voor een korte tijd moest komen en dan zou het beest uit de afgrond, de laatste duivelse toestand van het rijk, verschijnen, en dat zou vernietigd worden. De laatste is echter geen nieuwe vorm; het is een uit de zeven, hoewel een achtste. Mijn indruk is, dat de eerste Napoleon en zijn korte rijk de zevende is, en dat we nu hebben te wachten op de ontwikkeling van de laatste. Het beest, hoewel een wereldmacht, heeft tien horens, tien onderscheiden koninkrijken. Zij hebben hun macht, en voor dezelfde tijd, met het beest. Maar zij geven allen hun macht aan het beest en voeren oorlog tegen Christus, de verworpene op aarde; maar Hij zal hen overwinnen. Want, veracht als Hij moge zijn, het oppergezag behoort Hem en er zijn anderen die met Hem komen, niet alleen engelen maar geroepenen, zijn heiligen. Dan worden er bijzonderheden toegevoegd. De wateren worden uitgelegd als volken, scharen, naties en talen – bevolkingsmassa’s in hun verschillende verdelingen. Daarna haten de tien horens, de koninkrijken die met het beest verbonden zijn en het beest (want zo moet het gelezen worden) de hoer en eten haar vlees en verbranden haar met vuur (eerst nemen zij al haar inhoud en vetheid weg en daarna vernietigen zij haar); want zij zullen hun koninkrijk aan het lasterlijke beest geven totdat Gods woorden vervuld zijn. En dan wordt ons uitdrukkelijk gezegd dat de vrouw (niet “de hoer” – dat is haar verdorven afgodische karakter – maar “de vrouw”), die als gezeten op het beest dat moest zijn, Rome is. Dit hele hoofdstuk 17 is beschrijving.

Hoofdstuk 18

Dit hoofdstuk kondigt het oordeel aan. De enige moeilijkheid hier is vers 4, wegens het verband waarin het staat; maar zoals iedere moeilijkheid in de Schrift voert het tot verder licht. De vernietiging van Babylon is eenvoudig genoeg. Zij valt door Gods oordeel vlak voordat Christus komt om de aarde te oordelen; en wordt, na misschien eerst haar macht en invloed te verliezen, vernietigd door de horens en het beest. De vergelijking met hoofdstuk 14:8 en de plaats die het inneemt, hoofdstuk 16:19; 18:8 en het begin van 19, maken dit duidelijk. Hoofdstuk 18 is een waarschuwing uit de hemel, niet de engel van het oordeel op de aarde. Het volgt niet op gebeurtenissen, maar veronderstelt geestelijk begrip van de hemelse bedoeling. Dit is het geval wanneer het gewoon een stem uit de hemel is. Deze oproep was dus een geestelijke oproep, niet een openbaar oordeel. Het is misschien meer dringend en rechtstreeks vlak vóór het oordeel, en ik twijfel niet dat het dat zal zijn: zoals de oproep in Hebreeën is om buiten de legerplaats te gaan omdat de dag van Jeruzalem nabij was. Daarom geloof ik dat dit altijd geldt wanneer wij zien dat het systeem Babylon is en het besef van haar ongerechtigheden op het geweten wordt gebonden.

Het hoofdstuk gaat dan verder tot de daadwerkelijke uitvoering van het oordeel overeenkomstig hoofdstuk 17:16. De horens of koninkrijken verbonden met het beest hebben haar verwoest. De koningen rouwen over haar; zo doen ook zij die winst, gemak en handel op aarde hebben nagejaagd. Het koninklijke en het handelssysteem worden in stukken uiteengeslagen door de omverwerping van het systeem. Wat haar kenmerkt, datgene waarvoor zij geoordeeld wordt, is afgoderij, verdorvenheid, wereldsgezindheid en vervolging. Zij wordt geoordeeld en vernietigd en de welvaart van de wereldlingen wordt door haar val neergeslagen en de verwachtingen van de koningen die handel met haar dreven. Het bloed van alle heiligen werd in haar gevonden, zoals in Jeruzalem in haar dag. Vervolging komt voort uit godsdienst die verbonden is met werelds winstbejag. Maar wat een schildering hebben we hier van de wereld, de relaties van de koningen en van de heiligen met Babylon!

Hoofdstuk 19

Het tweede vers in dit hoofdstuk toont duidelijk in welk opzicht Babylon geoordeeld wordt – de grote hoer die de aarde verdorven heeft; en God wreekt het bloed van zijn slaven. Dit oordeel over Rome is de grote vreugde van de hemel. Halleluja en heil wordt er gezongen. De oudsten en de vier levende wezens vallen neer en aanbidden en de stem van de grote schare kondigt de aanvang van de bruiloft van het Lam aan, wanneer de valse vrouw terzijde gesteld is. Tot op dat ogenblik was de gemeente dus, hoewel ondertrouwd, nog niet werkelijk verenigd in de hemelse bruiloft van het Lam. Toch was er niets dat een grotere gebeurtenis zou kunnen zijn dan een oordeel over Rome. Ongetwijfeld moest het beest vernietigd worden. Een macht zou dat spoedig doen, wanneer God die de vrije teugel liet. Maar hier werd de oude verderfster en vervolgster voor eeuwig terzijde gesteld. De hemel is vol vreugde. Er is geen vreugdeviering zoals deze in de Openbaring.

De rest van het boek is eenvoudig en duidelijk genoeg, want de verborgenheid van God is afgesloten. Ik voor mij hecht geen enkel belang aan de onderscheiding als een klasse van hen die geroepen worden om deel te nemen aan de vreugde van die dag. Het betekent geloof ik alleen dat, net als in de gelijkenis van de bruiloft van de koningszoon, de gasten degenen zijn die deel hebben aan de bruiloftsvreugde. Maar verschillende punten moeten opgemerkt worden: God is in kracht gekomen om zijn regering op te richten.

De ware, hoewel op dit ogenblik niet de openlijke zetel van de macht van het kwaad, is geoordeeld en vernietigd. Twee kenmerken van het kwaad, de leugen of bedrieglijke verdorvenheid en het geweld, hebben bestaan sinds satan zelf zijn loopbaan begon; leugenachtig in zichzelf was hij moordenaar van anderen. De verborgenheid van de wetteloosheid omvatte beide, hoewel zij het tweede verborg en daar anderen voor gebruikte. Maar zij was nog altijd gekenmerkt door verdorvenheid en door wat leugenachtig was. Rechtstreeks geweld was in handen van het beest. De vernietiging daarvan zou ongetwijfeld de aarde verlossen van onderdrukking; maar voor de hemel en alles wat hemels gezind was, was de vernietiging van deze Christus onterende, zielenverslavende en zielen naar benedenhalende verdorvenheid, vreugde en blijdschap, en getuigde ervan dat Goddelijke macht gekomen was. Deze had het ergste kwaad terzijdegesteld, dat verdierf wat van God was met de aanmatiging datgene te zijn wat Christus voor Zich verworven had, het ene kostbare voorwerp van zijn bijzondere liefde. Zij zingen ‘Halleluja! Want [de] Heer, <onze> God, de Almachtige, heeft Zijn koningschap aanvaard!’

Dit maakte de weg vrij voor de invoering van wat van Hemzelf was – de openlijke macht van zijn Christus. Maar daarvóór moest de gemeente haar plaats van verbinding met Hem daarin hebben – moest Hemzelf hebben: de bruiloft van het Lam is gekomen. Totdat de boze vrouw terzijde was gesteld, kon dit niet gebeuren. Dit is het kenmerk van hemelse vreugde en verlossing waardoor wij daarin worden ingevoerd. De mens op aarde is eerst goed en geeft dan toe aan de verleiding. Verlossing veronderstelt eerst kwaad en zelfs slavernij eraan, maar dan bevrijding ervan en onze erbuitenstelling, terwijl God zijn macht aanvaard heeft. De gemeente wordt aan Christus voorgesteld zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, gereinigd en wit, geschikt voor Christus. Bij het zien van al deze zegen stond de apostel op het punt neer te vallen en hem te aanbidden die het had geopenbaard. Zijn gemoed was tot diepe eerbied gebracht bij deze taferelen. Het onmiddellijke voorwerp van deze eerbied was de hemelse boodschapper en hij wil zich voor hem neerbuigen, maar het wordt verboden. Hij was een medeslaaf en hetzelfde voor allen die het getuigenis van Jezus hadden; want de geest van de profetie wordt ons gezegd, is het getuigenis van Jezus. Het getuigenis geen ondergeschikte wezens te aanbidden, is de laatste waarschuwing voor een in verval geraakte gemeente, zoals het om zo te zeggen ook één van de eerste was (in Kolosse).

Wij komen nu tot de grote aankondiging van de komst van Christus in kracht. De hemel die geopend was boven Jezus en voor Stefanus, gaat nu open voor Jezus als Koning van de koningen en Heer van de heren. Als heilig en waarachtig was Hij door het geloof gekend en als de getrouwe en waarachtige Getuige. Dit laatste is Hij nu; niet als getuige, maar in oordeel, behalve dat het oordeel zelf de getuige van zijn getrouwheid en waarachtigheid is. De kenmerken waarmee Hij verschijnt zijn eenvoudig maar zeer belangrijk. Eerst is het in een algemeen oordeel maar in de vorm van oorlog, niet wat we een rechtszitting zouden kunnen noemen, maar een overwinnende macht. Een rechtszitting hebben we in hoofdstuk 20 vanaf vers 4. Zijn ogen hebben de doordringendheid van het Goddelijk oordeel. Hij had vele kronen, die getuigden van zijn veelzijdige en universele heerschappij. Maar hoewel Hij zo geopenbaard werd als mens, had Hij een heerlijkheid waarin niemand kon indringen; zo was het met betrekking tot zijn Persoon en dienst. Niemand kende de Zoon dan de Vader. Het was het geheim van zijn verwerping. Hij was dat en dus noodzakelijkerwijs dat in de wereld. Maar de wereld, onder de invloed van satan, wilde dat niet. In zijn vernedering werd zijn Goddelijke heerlijkheid gehandhaafd in de onpeilbare diepten van zijn Persoon. Nu wordt Hij geopenbaard in heerlijkheid; maar daar bleef altijd datgene wat niemand kon naspeuren of doorgronden – zijn eigen Persoon en natuur. Zijn geopenbaarde naam was het Woord van God. Als degene die God openbaarde in genade of macht met het doel Hem bekend te maken, als zodanig kennen wij Hem. Maar zijn Persoon als Zoon blijft altijd onnaspeurlijk. Zijn naam is geschreven, zodat wij weten dat die onkenbaar is – niet onbekend maar onkenbaar. Maar Hij maakte nu het karakter en de eisen van God waar ten aanzien van de mensen – wat zij bij God hadden moeten zijn, en wat God voor hen was in hun natuurlijke betrekking, geopenbaard met het oog op hun verantwoordelijkheid. Het oordeel heeft betrekking op dezen en op onszelf; waarvan Hij de bewuste macht had, maar die niet geopenbaard was. Hij was de bloedwreker – zijn kleed was gedoopt in bloed. We kunnen hier opmerken dat alles Hem kenmerkte in overeenstemming met datgene waarin Hij geopenbaard wordt door het oordeel zelf. Het was de Openbaarder, het Woord van God – zijn eeuwig karakter – wat Hij vóór de schepping was; en die dit nu in oordeel waarmaakt.

De legerscharen in de hemel hadden geen kleren in bloed gedoopt. Zij triomfeerden en zij volgden Hem in zijn triomf, rein en volmaakt, zijn uitverkorenen, geroepenen en getrouwen. De wraak over Iduméa was niet hun deel, hoewel zij delen in zijn overwinning over het beest. De wraak in Edom had een meer aards karakter en staat meer in verbinding met Juda. Het gaat daar om de Assyriër (zie Psalm 83), niet om het beest. Het beest en de valse profeet worden vernietigd door Hem als degene die uit de hemel komt. Hij slaat de volken met de roede van zijn mond, Hij hoedt hen met een ijzeren roede: dit zullen de heiligen met Hem bezitten (hoofdstuk 2:26-27). Ook treedt Hij de wijnpersbak. Ook dit doet Hij alleen; niet dat de heiligen niet bij Hem zouden kunnen zijn als zijn hofhouding om zo te zeggen, maar de uitvoering van het oordeel ligt in zijn handen. In Jesaja wordt alleen gezegd dat er van het volk niemand bij Hem was. Bij de rechtszitting wordt het oordeel aan hen gegeven. Dit is het deel dat meer aards is, zoals Jesaja 63 toont. Zo werpt Hij die op de wolk zit zijn sikkel op de aarde. Het was een engel die de druiven in de wijnpersbak wierp, en de wijnpersbak werd getreden.

Ik heb al opgemerkt dat de oogst een onderscheidmakend oordeel is: er is tarwe voor de graanschuur. De wijnpersbak is wraak, rechtvaardige wraak – er wordt niet gezegd: door iemand die op de wolk zit. Het karakter van het oordeel over het beest en de valse profeet is hemels – het is het Woord van God, de Heer uit de hemel; de wijnpersbak is aards. Hij is openlijk, officieel en in Zichzelf de Koning van de koningen en Heer van de heren. Het beest en de valse profeet worden levend in de poel van vuur geworpen: dit was een eindoordeel op dat moment – de overigen werden gerechtelijk gedood. Van het eindoordeel van deze verleide mensen wordt niet gezegd dat het hier plaatsvindt.

Hoofdstuk 20

Satan wordt nog niet in de poel van vuur geworpen, maar in de afgrond, waar het legioen duivelen de Heer bezwoer hen niet heen te zenden. Hij wordt daar gebonden om de volken duizend jaar lang niet te verleiden. Er zal geen verleiding door satan zijn gedurende de duizend jaar.

We komen nu, nadat de boze macht terzijdegesteld is, tot de uitvoering van gerechtelijk gezag in vrede; en dit wordt opgedragen aan de heiligen. De profeet ziet niet alleen de tronen zoals ze gezet zijn in Daniël 7, maar ook hen die daarop zaten. Behalve allen aan wie in het algemeen oordeel wordt gegeven, worden er twee bijzondere klassen genoemd, omdat het zou kunnen lijken alsof ze te laat zijn of hun deel verloren hebben: degenen die (nadat de gemeente opgenomen was, want het gaat om het tijdvak van de Openbaring) onthoofd zijn om het getuigenis van Jezus; en degenen die het beest niet aangebeden hadden (vergelijk hoofdstuk 6:9-11; 13:15). Dezen, alsook de heiligen die daarvóór waren heengegaan, hadden hun deel aan het leven en het regeren met Christus, duizend jaar. Maar zij die niet van Christus waren, de overige doden, werden niet weer levend, vóórdat de duizend jaren voorbij waren. Het moge hier worden opgemerkt, dat volgens de juiste lezing het leven en regeren zeker opstanding betekent. “De overigen van de doden werden niet levend voordat”, enzovoort; zodat het hier duidelijk gebruikt wordt voor opstanding, zoals de volgende woorden bevestigen: “Dit is de eerste opstanding”. De eersten werden definitief bevrijd van de tweede dood. De eerste dood hadden zij ondergaan, het natuurlijke loon van de zonde, maar in getrouwheid; aan de tweede dood, het eindoordeel tegen de zonde, zouden zij geen deel hebben. Deze kon geen macht over hen hebben. Integendeel, zij stonden in een bijzondere betrekking tot God en Christus, zij waren priesters van God en van Christus en zouden duizend jaar met Hem regeren. Zij zijn óók priesters en koningen. Merk op, hoe God en Christus hier verenigd zijn in één gedachte, zoals voortdurend in de geschriften van Johannes. Zo zijn dan het beest en de valse profeet in de poel van vuur, hun legers gedood en is satan gebonden in de afgrond en de opgestane heiligen zijn priesters van God en Christus en regeren duizend jaar met Christus. Let wel, de bijzonderheden en resultaten worden hier niet gegeven. Het doel is de plaats van de heiligen aan te duiden en vooral van de lijdenden, gedurende de tijd van dit boek. Het overige volgt als een algemeen feit, er waren er die gezeten waren op tronen van oordeel; maar de getrouwen van de profetie worden speciaal genoemd.

Wanneer de duizend jaren voleindigd zijn, wordt satan weer losgelaten. Hij komt op over de aarde, maar komt nooit meer in de hemel. Maar de volken worden beproefd door zijn verleiding. Zelfs niet dat zij Christus gezien hebben en de vruchten van zijn heerlijkheid genoten hebben, geen enkel middel kan het hart van de mens beveiligen, als men zich erop moet verlaten; en de mensen, in aantal als het zand van de zee, vallen in de handen van satan zodra zij verleid worden. Zij genieten zegening, waar ontrouw een direct verlies (misschien verdelging) betekend zou hebben, en er niets was om hen te verleiden; maar ze zijn ontrouw zodra ze verleid worden, zodra het hart beproefd wordt. Het was de laatste en noodzakelijke beproeving van de mens; noodzakelijk omdat zij uiteindelijk God niet hadden kunnen genieten met natuurlijke harten en het natuurlijke hart was niet getest waar directe zegening voortvloeide uit het erkennen van een aanwezige, zichtbare, verheerlijkte Christus. De misleide schare, nu niet beperkt tot een derde deel van de aarde of tot een bijzonder profetisch gebied maar opkomend over de breedte van de aarde, trok op tegen de legerplaats van de heiligen en omsingelde die en de geliefde stad, Jeruzalem. Het is hier opmerkelijk, dat er geen bijzondere aanwezigheid van Christus onder hen is. Kennelijk worden zij overgelaten aan de omsingeling door hun vijanden. De Heer heeft al deze beproevende afscheiding van de persoonlijke getrouwheid toegelaten. Was Hij verschenen, dan hadden deze vijandige legers natuurlijk niet kunnen opkomen, en ook zou de zware beproeving van het hart de getrouwheid van de heiligen niet bewezen hebben, die de verleidingen van satan niet zouden volgen. Zij komen onder druk, worden omsingeld door de vijand, maar zijn getrouw. Zodra deze afscheiding en de volledige test voltooid waren, viel Gods oordeel op hen uit de hemel en vernietigde hen. De duivel werd toen in de poel van vuur geworpen, waar het beest en de valse profeet al waren, waar zij tot in alle eeuwigheid gepijnigd worden.

Dit sloot de uitoefening van de toorn, van de vernietiging van de vijandelijke macht af – een wonderlijk tafereel – dat God vijanden in deze wereld zou hebben! Nu begint de gerechtelijke macht als zodanig, gezeten in zijn eigen recht. Het zij opgemerkt, dat de uitoefening hiervan over de levenden, geen onderdeel van de inhoud van dit boek vormt. De vijandelijke macht van het beest werd vernietigd door Hem die oordeelt en oorlog voert, terwijl de hemelse heiligen in de heerlijkheid opgenomen zijn. De menigten afvalligen aan het eind van de duizend jaar worden door vuur uit de hemel vernietigd. Maar het oordeel van Mattheüs 25 wordt hier niet gevonden, tenzij er een mogelijke verbinding is met het oordeel van hoofdstuk 20:4.

Nu komt het oordeel over de doden. Er is hier geen wederkomst. Een grote witte troon wordt opgericht; het oordeel wordt uitgevoerd in overeenstemming met de reinheid van Gods natuur. Het was geen handelen met de aarde of met de macht van het kwaad, maar met zielen. Hemel en aarde – allemaal louter oordeelstonelen – verdwijnen. De verborgenheden van de harten van de mensen worden geoordeeld door Hem die ze alle kent. Hemel en aarde vluchten weg voor het aangezicht van Hem die op de troon zat en de doden, kleinen en groten, staan voor de troon.

Het oordeel gebeurde naar de werken, zoals het geschreven was in de registers. Nog een ander element kwam naar voren. Alleen soevereine genade had de behoudenis bewerkt naar het raadsbesluit van God. Dus het raadsbesluit van God en de verantwoordelijkheid van de mens worden nooit verward, maar staan sinds de twee bomen in de hof tegenover elkaar; het leven wordt in de wet in verbinding gebracht met de verantwoordelijkheid, waarbij de verantwoordelijkheid voorop gesteld wordt, en zo wordt het bewijs gegeven dat de mens voor God niet kan standhouden; maar het vraagstuk wordt alleen opgelost in Christus, die onze zonden droeg, voor de zonde gestorven is voor ons en het leven is. Eerst komen de raadsbesluiten en de belofte van het leven in Christus, dan de verantwoordelijkheid in het schepsel op aarde, dan de genade die de raadsbesluiten in gerechtigheid uitvoert door het kruis. Er was een boek van het leven. Al wie daarin niet geschreven was, werd in de poel van vuur geworpen. Maar het was het uiteindelijke afsluitings- en afscheidingstafereel voor het hele menselijk geslacht en voor deze wereld. En hoewel zij geoordeeld werden een ieder naar zijn werken, had alleen soevereine genade er toch enkelen verlost; en al wie niet gevonden werd in het boek van de genade, werd geworpen in de poel van vuur. De zee gaf de doden die in haar waren; de dood en de hades gaven de doden die in hen waren. En voor eeuwig werd er door het Goddelijk oordeel een eind gemaakt aan de dood en de hades. De hemel en de aarde gingen voorbij, maar zij zouden herleven; maar de dood en de hades nooit. Voor hen was er alleen Goddelijke vernietiging en oordeel. Zij worden gezien als de macht van satan. Hij heeft de macht over de dood en de poorten van de hades; en daarom worden deze voor eeuwig gerechtelijk vernietigd. Zij zullen nooit meer macht hebben. Zij worden gepersonifieerd, maar natuurlijk is er geen sprake van dat ze gepijnigd of gestraft worden: wanneer de duivel zelf in de hel geworpen wordt, is daar wel sprake van. Maar de dood was toen niet vernietigd; want de goddeloze doden waren nog niet opgewekt ten oordeel. Nu waren zij dat; en de laatste vijand wordt vernietigd. De kracht van het beeld is ongetwijfeld dat alle doden die nu geoordeeld waren (de hele inhoud van de hades, waarin de macht van de dood geweest was), geworpen werden in de poel van vuur, zodat dood en hades, die geen bestaan hadden dan in hun toestand, geheel en gerechtelijk tot een eind kwamen doordat zij in de poel geworpen werden. De heiligen waren al lang tevoren uit hen gekomen; maar zij bleven bestaan in de goddelozen. Nu werden deze, volgend op het oordeel voor de witte troon, in de poel van vuur geworpen – de tweede dood. De grenslijn en de maatstaf voor ontkoming was het boek van het leven.

Hoofdstuk 21

Maar er was een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; maar geen zee meer – geen scheiding, en geen deel van de wereld dat niet in een geordende aarde wordt gebracht voor God. Hier vinden wij geen middellijk koninkrijk. Het Lam is niet op het toneel. God is alles in allen. Geen smart of geschrei, geen aards volk van God onderscheiden van hen die op de aarde wonen. Dezen zijn Gods volk, en God is Zelf bij hen, maar tevens is zijn tabernakel bij hen. Dit is de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem. De gemeente heeft haar eigen karakter, is de woonplaats van God op een bijzondere wijze, wanneer de onveranderlijke toestand komt, en alles nieuw gemaakt wordt. God is het eind, evenals het begin. Wie nu dorst heeft zal God laven met de bron van het water van het leven – wie overwint zal alle dingen beërven. De wereld is nu voor de christen een groot Rafidim. Dit is het tweeledige aandeel in de uiteindelijke gelukzaligheid: hij zal God als zijn God hebben en zijn zoon zijn. Zij die deze weg vreesden, die de wereld en satan niet overwonnen hadden, maar in ongerechtigheid gewandeld hadden – hun deel zou zijn de poel van vuur. Dit sluit de geschiedenis van Gods wegen af. Wat volgt is de beschrijving van de hemelse stad, zoals we eerder die van Babylon hadden. Het hemelse karakter ervan en de verbinding ervan met de aarde in het duizendjarige rijk wordt geopenbaard. Een van de zeven engelen, evenals in het geval van Babylon, komt om de profeet de bruid, de vrouw van het Lam te tonen. Het gevolg van het oordeel over de aarde is de invoering van betere en hogere zegeningen. De profeet wordt net als Mozes meegevoerd om het toneel van de belofte te zien, en ziet het Nieuwe Jeruzalem dat van God neerdaalt uit de hemel. Dit was het dubbele karakter ervan uit God: Goddelijk in oorsprong en ook hemels (vergelijk 2 Korinthe 5:1). Het zou van God en aards kunnen zijn. Het zou hemels en van engelen kunnen zijn. Het was geen van beide: het was Goddelijk van oorsprong en hemels van aard en karakter. Het was bekleed met Goddelijke heerlijkheid: het moest dat zijn als gegrond op het werk van Christus. Het was een doorzichtige jaspis; jaspis wordt gebruikt als een symbool van Goddelijke heerlijkheid (hoofdstuk 4:3). Het is veilig, want het heeft een grote muur. Het heeft twaalf poorten. Engelen zijn de gewillige poortwachters geworden van de grote stad, de vrucht van het verlossingswerk van Christus in heerlijkheid. Dit duidde ook aan, dat zij, doordat de mens zo in de gemeente tot heerlijkheid gebracht, de hoogste plaats in de schepping en in de voorzienige orde van God innam, waarvan engelen tevoren de bedienaars geweest waren. De twaalf poorten zijn vol menselijke volmaaktheid in regerende, besturende macht. De poort was de plaats van het oordeel. Twaalf betekent, zoals we vaak gezien hebben, volmaaktheid en regeringsmacht. Het karakter ervan wordt aangegeven door de namen van de twaalf stammen. God had deze zo geregeerd. Zij waren niet het fundament maar dit kenmerk van macht werd er gevonden. Er waren twaalf fundamenten, maar dit waren de twaalf apostelen van het Lam.

Zij waren in hun werk het fundament van de hemelse stad. Zo zijn dan de tentoonspreiding van macht in schepping en voorzienigheid en in regering (Jahweh) en de gemeente die eens gesticht werd in Jeruzalem, alle samengebracht in de hemelse stad, de georganiseerde zetel van de hemelse macht. Zij wordt niet voorgesteld als de bruid, hoewel het de bruid is, de vrouw van het Lam. Het is niet in het Paulinisch karakter van nabij Christus te zijn in zegening. Het is de gemeente als gesticht in Jeruzalem onder de twaalven – de georganiseerde zetel van de hemelse macht, de nieuwe en nu hemelse hoofdstad van Gods regering. Zij hadden geleden en het Lam gediend in het aardse, en stichtten onder Hem het hemelse Jeruzalem. Het is even uitgestrekt als volmaakt en geheel gemeten en erkend door God. Het is nu niet een overblijfsel dat gemeten wordt; het is de stad. Het heeft geen Goddelijke volmaaktheid (dat zou onmogelijk zijn), maar het heeft een door God gegeven volmaaktheid. Het is een kubus, aan iedere zijde gelijk, eindige volmaaktheid. Zo was ook de muur (het zijn alleen maar symbolen) volmaakt, 12×12. De muur die het beschermde, was de Goddelijke heerlijkheid.

Zoals geschreven staat van het aardse Jeruzalem: “God stelt heil tot muren en vestingwallen”. (Jesaja 26:1).

De stad was naar haar aard gevormd uit Goddelijke gerechtigheid – goud doorzichtig als glas. Dat wat nu door het woord gewrocht was in, en aangebracht was aan de mensen beneden, was precies het karakter van de hele plaats (vergelijk Efeze 4:24). De kostbare stenen, dat is de verschillende uitingen van Gods natuur die licht is, in verbinding met het schepsel (gezien in de schepping, Ezechiël 28; in genade in het borstschild van de hogepriester), straalden nu in voortdurende heerlijkheid en versierden de fundamenten van de stad. De poorten hadden de zedelijke schoonheid die Christus aantrok in de gemeente en op een heerlijke wijze. Datgene waarop de mensen liepen, was in plaats van gevaar voor verontreiniging op te leveren, zelf rechtvaardig en heilig; de straten, alles waarmee de mensen in aanraking kwamen, waren gerechtigheid en heiligheid – goud doorzichtig als glas. Er was geen verberging van Gods heerlijkheid in datgene wat ontzag inboezemde door de tentoonspreiding ervan – geen tempel waarin mensen naderden maar waar zij niet dichtbij konden komen, waar God verborgen was. De Heere God Almachtig en het Lam waren haar tempel. Men naderde tot Hen in hun eigen karakter en heerlijkheid, alleen omringd door datgene wat dit volkomen tentoonspreidde. Ook was er hier geen behoefte aan geschapen licht; de heerlijkheid van de Goddelijke natuur verlichtte alles, en ’t Lam was de lichtdrager daarin. Merk hierop, dat we hier niet de Vader als de tempel zien. Het is de geopenbaarde Regeerder van de bedelingen, de waarachtige God en het Lam dat zijn heerlijkheid waargemaakt heeft. Dit was het karakter van de stad.

Het visioen gaat verder met te tonen in welke betrekking de stad staat tot hen die op de aarde zijn en tot haar bewoners; een schijnbare tegenstrijdigheid, maar geen werkelijke want de stad wordt gezien als de toestand van de bruid. Waar over de bewoners gesproken wordt, is het de individuele zegening. De volken die gespaard zijn in de oordelen op aarde, wandelen in haar licht; in zekere mate wandelt de wereld nu in het licht van de gemeente. Dan zal de heerlijkheid volkomen zijn. De stad geniet binnenin het rechtstreekse licht; de wereld geniet het overgedragen licht van de heerlijkheid. Aan haar brengen de koningen van de aarde hun eer en heerlijkheid. Zij erkennen de hemelen en het hemelse koninkrijk als de bron van alles en brengen daar de hulde van hun macht. Nacht is er daar niet, en haar poorten zijn altijd open; geen verdediging tegen het kwaad is er nodig, al laat de Goddelijke bescherming geen toenadering van het kwade toe. De koningen zelf brengen haar hun vrijwillige hulde. Maar ook de heerlijkheid en de eer van de volken wordt haar toegebracht. De hemel wordt gezien als de bron van alle heerlijkheid en eer voor deze wereld. Daarom zijn deze nu echt. Niets verontreinigends komt daarbinnen, noch iets wat afgoden en leugen met zich meebrengt. Noch het kwaad van de mens, noch de verleiding van satan kunnen daar bestaan of enige verdorvenheid teweegbrengen. Hoe dikwijls weet het bezorgde hart, wanneer nu iets goeds wordt opgericht, dat het kwaad zal binnenkomen, en dat satan zal verleiden en verderven! Daar hebben wij de zekerheid dat dat nooit kan gebeuren. Het was niet alleen de afwezigheid van kwaad, maar de onmogelijkheid van de intrede ervan, die de heilige stad kenmerkte. Er was datgene wat zijn bron had in volkomen genade en daardoor alle gezegende genegenheden in verbinding met het Lam opwekt in hen die binnenin de stad zijn. Alleen zij van wie de namen in het boek van het leven van het Lam waren, vonden een plaats in de stad.

Hoofdstuk 22

De verbinding van de heilige stad met de aarde, hoewel zij daar niet op is, wordt overal gezien. De rivier van God verkwikte de stad, en de boom van het leven, waarvan de altijd rijpe vruchten voedsel waren voor haar hemelse bewoners, droeg in zijn bladeren genezing voor de volken. Alleen de verheerlijkten aten altijd de vrucht van voortdurende groei; maar wat daarbuiten geopenbaard en tentoongespreid werd, zoals de bladeren van een boom, was zegen voor hen die op de aarde waren. We zien genade die de gemeente in heerlijkheid kenmerkt. Het volk en het koninkrijk dat ’t aardse Jeruzalem niet zal dienen, zal volkomen ten verderve gaan – het bewaart zijn aardse koninklijke karakter; de gemeente het hare. De bladeren van de boom waar zij van eet zijn tot genezing. Er is geen vervloeking meer. De troon van God en het Lam zijn in haar. Dit is de bron van zegen, niet van vloek; en zijn slaven dienen Hem; dikwijls kunnen zij hier niet zoals zij zouden willen. Merk hier ook weer op, hoe over God en het Lam als over één gesproken wordt, zoals voortdurend in de geschriften van Johannes. Zijn slaven zullen het grootste voorrecht van zijn voortdurende aanwezigheid hebben, zullen zijn aangezicht zien; en dat zij Hem toebehoren als zijn eigendom zal duidelijk zijn aan allen. Daar is er geen nacht, noch behoefte aan licht, want de Heere God geeft het; en wat hun staat betreft, zullen zij regeren niet tijdens de duizend jaar zoals zij dat over de aarde doen, maar tot in alle eeuwigheid. Dit sluit de beschrijving van de hemelse stad en van het hele profetische deel af. Wat volgt bestaat uit waarschuwing, of de laatste uitdrukking van de gedachten van de gemeente over en haar betrekking tot Christus.

De engel spreekt de waarheid van deze dingen uit en dat de Heere God van de profeten – niet als de God en Vader van de Heer Jezus Christus, noch als Degene die rechtstreeks de gemeente onderwijst als in haar wonend door de Geest – de Heere God van de profeten zijn engel gezonden heeft om zijn slaven over deze gebeurtenissen in te lichten. “Zie”, zegt Christus, sprekend als van ouds door de profetische geest opklimmend tot zijn nu persoonlijk getuigenis, “Zie, Ik kom spoedig. Gelukkig hij die de woorden van de profetie van dit boek bewaart”. De gemeente wordt niet gezien als het onderwerp van de profetie, maar als “hetgeen is”, zonder dat de tijd geteld wordt, vooral de tijd die komt. Zij die het boek bewaren, zijn degenen om wie het daarin gaat, die gewaarschuwd worden dat Christus spoedig zal komen. Ongetwijfeld kunnen wij er allen winst mee doen, maar wij horen niet tot de taferelen waarover het spreekt. Johannes, onder de indruk van de waardigheid van de boodschapper, viel neer en zou hem hebben aangebeden. Maar de heiligen van de gemeente zelfs als zij tot profeten gemaakt werden, mochten niet terugkeren tot de onzekerheid van vroeger dagen. De engel was een eenvoudige engel, een medeslaaf van Johannes en van zijn broeders de profeten: hij moest God aanbidden. Ook mochten de woorden niet verzegeld worden, zoals bij Daniël: de tijd was nabij.

Wanneer het zijn getuigenis afsloot, zouden de mensen in dezelfde toestand blijven voor het oordeel of de zegening. En Christus zou spoedig komen en iedereen zou ontvangen naar dat zijn werk was. Vers 7 was een waarschuwing in de vorm van zegen, voor hen die in de betreffende omstandigheden waren, om de woorden van het boek te bewaren, maar dit vers 12 is de vermelding van de komst van Christus voor het algemene oordeel over de levenden.

Tenslotte maakt Christus, na in vers 12 persoonlijk het woord genomen te hebben, Zich bekend als de alpha en omega, het begin en het einde – God voor en na alle dingen – en de tussenperiode vervullend. Ik denk dat we als de juiste lezing moeten beschouwen: “Gelukkig zij die hun lange kleren wassen, opdat zij recht hebben op de boom van het leven en zij door de poorten de stad binnengaan”. De verlosten, de gereinigden, kunnen daar binnengaan en eten van de boom van het leven; want ik denk dat het hier de vrucht is. Buiten zijn de onreinen en de gewelddadigen en zij die satanische leugen en afgoderij liefhebben, zonde tegenover reinheid, tegenover hun naaste, tegenover God en die satan volgen.

Dit sluit de opsomming af. De Heer Jezus openbaart Zich nu in zijn eigen Persoon, terwijl Hij tot Johannes en de heiligen spreekt en verklaart wie Hij is, in welk karakter Hij verschijnt om het hun te zeggen. “Ik ben de Wortel en het Geslacht van David”, de oorsprong en erfgenaam van de tijdelijke beloften aan Israël; maar veel meer dan dat: Hij is de blinkende morgenster. Het is datgene wat Hij vóór zijn verschijning is, in beide opzichten; alleen betreft het eerste Israël, geboren uit het zaad (nageslacht) van David naar het vlees. Maar de Heer heeft een ander karakter aangenomen. Hij is nog niet opgegaan als de zon der gerechtigheid over deze verduisterde aardbol; maar voor het geloof is de dageraad er, en de gemeente ziet Hem in de nu vergevorderde nacht als de morgenster, kent Hem, terwijl zij naar zijn eigen woord waakt, in zijn stralende hemelse karakter – een karakter dat een slapende wereld niet wekt, maar dat de vreugde en blijdschap is van hen die waken. Wanneer de zon opgaat zal Hij niet op die wijze gekend worden: de aarde zal Hem zo nooit kennen, stralend als de dag moge zijn. Wanneer Christus in deze positie is, woont de Geest beneden in de gemeente en heeft de gemeente haar eigen betrekking. Zij is de bruid van Christus en haar verlangen gaat naar Hem uit.

Daarom staat er: “De Geest en de bruid zeggen: Kom”. Het is niet een waarschuwing van één die komt als rechter en beloner maar de openbaring van Zichzelf die het verlangen van de bruid opwekt overeenkomstig de betrekking waarin de genade haar gebracht heeft. Ook is het niet louter een gevoel of wens: de Geest die in de gemeente woont, leidt en wekt haar gedachte. Maar de Geest en het hart van hem die de betrekking geniet, wendt zich ook tot anderen. “Wie het hoort” – wie de stem van de Geest in de gemeente hoort – sluite zich aan bij deze roep, en zegge: Kom. Het is één gemeenschappelijke verwachting, het zou ons gemeenschappelijk verlangen moeten zijn; en het besef van wat er op aarde komen gaat, en het besef van verval in wat nu is, zouden, hoewel het in wezen een minderwaardig motief is, de roep in allen slechts moeten versterken. Maar terwijl hij nog hier is, heeft de heilige ook een andere positie. Niet alleen stijgen zijn verlangens op tot God en de hemelse Bruidegom, maar hij weerspiegelt Gods gekende karakter, doordat hij diens natuur en Geest heeft zoals ook geopenbaard in de liefde van Christus en in het bezit van het levende water, hoewel niet van de Bruidegom. Hij gaat rond en nodigt anderen uit: “Laat hij die dorst heeft, komen”, en verkondigt het dan verder aan de wereld: “Laat hij die wil, [het] levenswater nemen om niet”. Dus de hele positie van de hemelse heilige, die zich bewust is van de positie van de gemeente, wordt in dit vers uiteengezet, vanaf zijn verlangen naar de komst van Christus tot zijn oproep tot al wie wil komen.

De ongeschondenheid van het boek wordt gehandhaafd door een ernstige waarschuwing voor het gevaar een aandeel in de boom van het leven en de heilige stad te verliezen. De juiste lezing hier is “boom”, niet “boek”, maar het boek van het leven is geen leven en ook is het feit dat we daarin geschreven staan, niet beslissend, hoewel het een prima facie register is, tenzij wij daarin inderdaad geschreven staan vóór de grondlegging van de wereld; maar zelfs in dat geval is het niet hetzelfde als het bezit van leven.

Daarna bemoedigt Christus het hart van de heilige door te verzekeren dat Hij spoedig zal komen; en het hart van de ware heilige antwoordt met een ongeveinsd en ernstig verlangen: “Amen, kom, Heer Jezus”. En daarna eindigt het boek met de genadegroet en laat zo de belofte en het verlangen als de laatste woorden van Jezus in het hart.

Laat de lezer hier opmerken, dat wij in het begin en het eind van het boek voor en na de profetische uitspraken, op een schone wijze de bewuste positie van de heiligen zien. Het eerste, aan het begin van het hele boek, geeft de individuele, bewuste zegen door wat Christus heeft gedaan; het laatste geeft de hele positie van de gemeente en onderscheidt daardoor duidelijk de heiligen onder het evangelie van degenen wier omstandigheden hun profetisch bekend gemaakt worden in dit boek. “Hem die ons liefheeft en ons van onze zonden gewassen heeft in zijn bloed, en ons gemaakt heeft tot een koningschap, tot priesters voor zijn God en Vader”. Zodra Christus genoemd wordt (en dit is in beide gevallen zo) wekt dit in de heiligen het bewustzijn van de liefde van Christus op en hun eigen positie in verbinding met Hem. Zij zijn al van hun zonden gewassen in zijn bloed, en tot koningen en priesters gemaakt voor God en zijn Vader – zij hebben een onwrikbare positie en staat, voordat ook maar iets van het profetisch gedeelte ontwikkeld wordt en in het toekomstige koninkrijk zullen zij niet een plaats van zegen ónder Christus genieten, maar van verbondenheid met Hem. Hier hebben zij hun plaats eenvoudig in het koninkrijk en het priesterschap; het is het individuele recht dat het gevolg is van zijn eerste komst. Zij zijn geliefd, gewassen in zijn bloed, en verbonden met Hem in het koninkrijk.

Aan het eind van het boek wordt Christus geopenbaard als de morgenster, een positie die geen deel uitmaakt van de profetie, maar die waarin de gemeente die op Hem gewacht heeft, met Hem verbonden is voor haarzelf en met het koninkrijk (vergelijk de belofte aan de overwinnaars in Thyatira). Vergelijk de plaats van de lichte wolk in Lukas 9. Daar is het de stem van de Vader. Dit brengt daadwerkelijke liefde teweeg (niet zoals tevoren eenvoudig het geliefd zijn en datgene waartoe wij gemaakt zijn) – liefde die eerst op Christus gericht wordt in de gekende betrekking van de gemeente tot Hem, daarna op de heiligen die horen, daarna op de dorstigen, daarna op de hele wereld. Het verlangen van de gemeente, als de bruid met wie de Geest is, wordt gericht op de tweede komst van Christus voor haarzelf – op het bezitten van de morgenster; dan wendt de Geest Zich tot de heiligen en roept hen op tot Jezus te zeggen: Kom – en zich bij dit verlangen aan te sluiten. Maar wij hebben de Geest hoewel niet de Bruidegom; daarom wordt wie dorst heeft, opgeroepen om te komen en te drinken, en zo wordt het evangelie alom verkondigd: “Laat hij die wil, [het] levenswater nemen om niet”. Het is liefde die in de heiligen alom in het rond werkzaam is, vanuit Christus tot zondaars in de wereld.

EINDE OPENBARING

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 8.13

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 Dit was zedelijk waar vanaf Handelingen 3, waar de joodse leiders het getuigenis verwierpen van een verheerlijkte Christus die zou terugkeren, zoals zij ook een vernederde Christus hadden verworpen. Handelingen 7 sluit bij monde van Stefanus Gods handelingen met hen in getuigenis af en de hemelse bijeenvergadering begint, als zijn geest in de hoge ontvangen is. De verwoesting van Jeruzalem sloot de joodse geschiedenis gerechtelijk af.

2 Paulus wordt natuurlijk op geen enkele wijze genoemd. Voor hem behoorde de gemeente tot de hemel en was het lichaam van Christus, het huis van God. Hij was een bouwmeester.

3 En daarom in afzonderlijke gemeenten, die natuurlijk konden worden geoordeeld en weggedaan. Er is hier een ander punt van Goddelijke wijsheid. Hoewel ik er niet aan twijfel dat we hier de hele geschiedenis van de gemeente hebben tot haar einde in deze wereld, wordt die weergegeven door toestanden die toen aanwezig waren, zodat men de komst van de Heer niet van zich af zou schuiven. Zo zijn in de gelijkenissen de maagden die inslapen dezelfde als die ontwaken; de slaven die de talenten ontvangen zijn dezelfde als die gevonden worden bij de wederkomst van de Heer, hoewel we weten dat er eeuwen verlopen zijn en de dood tussenbeide is gekomen.

4 Let op dit uiterst belangrijke beginsel: de kerk gericht door het woord, niet de kerk als rechter; en de individuele christen vermaand om acht te geven op dit oordeel. De kerk (ik gebruik dit woord hier met opzet omdat het gebruikt wordt om op dit gezag aanspraak te maken) kan geen gezagsorgaan zijn wanneer de Heer mij, als ik oren heb om te horen, vermaant om te horen en het oordeel aan te nemen dat door Hem over haar wordt uitgesproken. Ik oordeel haar toestand door de woorden van de Geest, ben verplicht dat te doen: zij kan daarom in die toestand geen gezag vanwege de Heer over mij hebben. Het gaat hier niet om de tucht, maar om de kerk die gezag uitoefent.

5 Zijn eigenschappen zijn ook met het oog op het oordeel te midden van de gemeenten en de gemeente op aarde; niet zijn eigen bruid, maar het uiterlijk lichaam hier op aarde.

6 Waar de troon gezet is voor het oordeel, wordt die alleen gekenmerkt door wat direct van God uitgaat. Daar zijn geen aardbevingen en hagel; hier zijn ze er wel.

7 Ik blijf er niet bij de stem als die van Christus te beschouwen. De toepassing op Hem is te twijfelachtig.

8 We moeten daarom niet verbaasd zijn, als het beest aan het eind alleen plaatselijke heerschappij had, hoewel God oorspronkelijk universele heerschappij aan de beesten had gegeven; hoe wijd die uitgeoefend werd, weten we.