55. Galaten

55. Galaten · uit de ‘Synopsis’ deel 7 van J.N. Darby

Alle delen van deze reeks

Inleiding

De brief aan de Galaten brengt ons onder de aandacht wat de grote oorsprong was van de verdrukkingen en de conflicten van de apostel in de streken waar hij de blijde boodschap verkondigd had. En wat tegelijk ook het voornaamste middel was dat de vijand gebruikte om het evangelie te verbasteren. Het is waar dat God in Zijn liefde het evangelie geschikt gemaakt heeft voor de behoeften van de mens. Maar de vijand verlaagt dat wat dan nog wel de naam ervan draagt tot het peil van de trotse wil van de mens en de verdorvenheid van het natuurlijke hart. Zo wordt het christendom veranderd in een godsdienst die met dat natuurlijke hart in overeenstemming is, in plaats dat het de uitdrukking is van het hart van God – een al-heilig God – en de openbaring van wat Hij in Zijn liefde gedaan heeft om ons in gemeenschap met Zijn heiligheid te brengen. Dit judaïsme is de loochening van de volle verlossing en verwacht nog iets goeds van het vlees en de wil van de mens. Het zoekt naar kracht in de mens om gerechtigheid in hemzelf voor God te bewerken. We zien tegelijkertijd het verband tussen de Judaïstische leer van hen die het werk van de apostel hinderden en de aanvallen die voortdurend op zijn dienst werden gedaan, omdat deze dienst zich rechtstreeks beriep op de kracht van de Heilige Geest en op het onmiddellijke gezag van de verheerlijkte Christus en bovendien de mens als verdorven volkomen terzijde stelde en ook het judaïsme dat met die mens te maken had. Bij het bestrijden van het werk van de Judaïsten zet de apostel noodzakelijkerwijs de elementaire beginselen van de rechtvaardiging door genade uiteen. In een groot aantal passages in Korinthe, Filippi, Kolosse, Timotheüs en historisch in de Handelingen zijn zowel sporen te vinden van deze strijd tegen de geest van het judaïsme, waardoor satan probeerde het echte christendom te gronde te richten, als van de handhaving van deze vrijheid en van het gezag van zijn dienst door de apostel. In Galaten worden beide onderwerpen op een rechtstreekse en formele manier behandeld. Maar als gevolg daarvan wordt het evangelie herleid tot zijn eenvoudigste beginselen en de genade tot haar eenvoudigste vorm. Maar met betrekking tot de dwaling wordt de kwestie met des te meer beslistheid opgelost en wordt het onverzoenlijke verschil tussen de beide principes, het judaïsme en het evangelie, met des te groter duidelijkheid aangetoond.

God liet deze aanval op Zijn gemeente toe in de vroegste tijd van haar bestaan, opdat wij het Goddelijk geïnspireerde antwoord zouden hebben op deze zelfde beginselen, als ze tot ontwikkeling zouden zijn gekomen in een gevestigd systeem dat de onderwerping van Gods kinderen zou eisen omdat zij de kerk zou zijn die Hij had opgericht en de enige bediening die Hij erkende. Maar in deze brief wordt duidelijk uiteengezet wat de rechtstreekse bron van ware dienst is volgens het evangelie dat Paulus aan de volken predikte en hoe onmogelijk het is de wet en dit evangelie met elkaar te combineren. Onderwerping aan de inzettingen van de wet en het onderhouden van dagen kan niet samengaan met de heilige en hemelse vrijheid waarin we gebracht zijn door de opgestane Christus. Het is onmogelijk – ik herhaal het – de godsdienst van het vlees te verbinden met die van de Geest. Dat wordt ons hier duidelijk gemaakt.

Hoofdstuk 1

De apostel begint gelijk al met de onafhankelijkheid van de dienst die hij uitoefende ten opzichte van alle andere mensen. Hierbij wijst hij op de werkelijke Bron ervan, van Wie hij zijn dienst had ontvangen zonder de tussenkomst of de bemiddeling van enig ander instrument. En om te laten zien dat de Galaten het gemeenschappelijke geloof van de heiligen verloochenden voegt hij eraan toe: “…en al de broeders die bij mij zijn”. Verder verklaart de apostel onmiddellijk als hij het onderwerp van zijn brief aansnijdt, dat de leer die de judaïsten onder de Galaten invoerden een ander evangelie was, niet het evangelie van Christus. In feite was het helemaal geen evangelie.

Hij begint dus met de uitspraak dat hij geen apostel is vanwege mensen, noch door een mens. Hij kwam niet namens mensen alsof die hem uitzonden en hij had zijn opdracht niet door enig mens ontvangen, maar door Jezus Christus en God, de Vader, die Hem uit de doden heeft opgewekt. Zijn zending was door Jezus Christus, toen hij op weg was naar Damaskus. En door de Vader (zoals me toeschijnt) toen de Heilige Geest zei: “Zondert Mij nu Barnabas en Saulus af”. Maar de apostel zegt dit om de oorsprong van zijn dienst terug te voeren tot de enige Bron van al het ware goede en van alle wettige gezag 1.

Zoals gebruikelijk wenst hij de gemeente genade en vrede toe van God in Zijn karakter als Vader, en van Jezus in Zijn karakter als Heer. Maar hij voegt hier aan de Naam van Jezus toe wat hoort bij dat kenmerk van het evangelie dat de Galaten uit het oog hadden verloren, namelijk dat Christus Zichzelf gegeven had voor onze zonden om ons te trekken uit de tegenwoordige boze eeuw. De natuurlijke mens, in zijn zonden, behoort tot deze eeuw. De Galaten wilden ernaar terugkeren onder het voorwendsel van een gerechtigheid volgens de wet. Maar Christus heeft Zichzelf gegeven voor onze zonden om ons daaruit te trekken, want de wereld is geoordeeld. Als in het vlees gezien maken we er deel van uit. Nu heeft de gerechtigheid van de wet te maken met mensen in het vlees. De mens in het vlees moet de wet vervullen en de sfeer van het vlees is in deze wereld. De gerechtigheid die de mens tot stand zou brengen in het vlees wordt bepaald door de eerste beginselen van deze wereld. Gerechtigheid door de wet, de mens in het vlees, en de wereld hangen met elkaar samen. Maar Christus heeft ons gezien als zondaars die geen gerechtigheid hadden en Hij heeft Zichzelf gegeven voor onze zonden, om ons te verlossen uit deze veroordeelde wereld waarin de mensen proberen gerechtigheid tot stand te brengen door zich te plaatsen op de grondslag van het vlees dat dit nooit kan volbrengen. Deze verlossing is ook naar de wil van onze God en Vader. Hij wil een hemels volk hebben, dat verlost is in overeenstemming met die liefde die ons een plaats daarboven heeft gegeven bij Hemzelf, en een leven waarin de Heilige Geest werkt om ons het genot daarvan te geven en ons te laten wandelen in de vrijheid en de heiligheid die Hij ons geeft in deze nieuwe schepping, waarvan Jezus Zelf als de opgestane en verheerlijkte Mens het Hoofd en de heerlijkheid is.

Zonder inleiding begint de apostel met zijn onderwerp. Hij was er vol van en de toestand van de Galaten drong hem ertoe zijn hart uit te storten. Hij was zo beangst en – ik mag wel zeggen – verontwaardigd omdat de grondslagen van het evangelie werden losgelaten. Hoe was het mogelijk dat de Galaten zo vlug degene in de steek lieten die hen door de kracht van de genade van Christus had geroepen en overgingen naar een ander evangelie? Door deze roeping van God hadden ze deel aan de heerlijke vrijheid en aan de behoudenis die in de hemel verwerkelijkt wordt. Door de verlossing die Christus volbracht had en de genade die in Hem ons deel is genoten ze hemelse blijdschap als christenen. Maar nu wendden ze zich tot een totaal ander getuigenis – een getuigenis dat geen ander evangelie was, geen andere ware blijde boodschap. Het bracht hun gedachten alleen maar in verwarring, doordat het het echte evangelie verdraaide. “Maar”, zegt de apostel en hij herhaalt zijn woorden op dit punt: als een engel uit de hemel, of hij (Paulus zelf), iets predikte naast het evangelie dat hij hun al verkondigd had, die zij vervloekt! Merk hier op dat hij niets wil toelaten ter aanvulling van wat hij gepredikt had.

Formeel loochenden ze Christus niet. Maar ze wilden de besnijdenis toevoegen. Maar het evangelie dat de apostel had gepredikt was het hele en complete evangelie. Er kon niets aan worden toegevoegd zonder het te wijzigen, zonder te zeggen dat het niet het volledige evangelie was, zonder er werkelijk iets aan toe te voegen dat van een ander karakter was en het bederf ervan betekende. Want wat Paulus hun had onderwezen was de hele hemelse openbaring van God. Hij had in zijn onderwijs de kring van de leer van God afgesloten. Als men daar iets aan toevoegde loochende men de volkomenheid ervan en als men het karakter ervan veranderde betekende dat het bederf ervan. De apostel spreekt niet over een leer die er openlijk mee in strijd was, maar over dingen buiten het evangelie dat hij gepredikt had. Daarom zegt hij dat er geen ander evangelie kan zijn. Het was een andersoortig evangelie. Maar er bestond geen echte blijde boodschap behalve wat hij gepredikt had. Het was alleen maar een verbastering van het echte evangelie, waardoor men de zielen in verwarring bracht.

Daarom kon de apostel uit liefde voor de zielen deze vloek uitspreken over hen die hen van de volle waarheid afbrachten die hij hun gepredikt had. Het was het evangelie van God Zelf. Al het andere was van Satan. Als Paulus zelf een ander evangelie bracht, hij zij vervloekt! Het zuivere en volledige evangelie was al verkondigd en het handhaafde zijn eisen uit naam van God tegenover alles wat er aanspraak op maakte zich met dat evangelie te verbinden. Probeerde Paulus door zijn evangelie de gedachten van mensen tevreden te stellen of mensen te behagen? Beslist niet! Dan zou hij geen dienstknecht van Christus zijn.

Dan spreekt hij over de geschiedenis van zijn dienst en over de vraag of de mens er iets mee van doen had. Zijn evangelie was niet naar de mens, want hij had het ook niet van een mens ontvangen. Het was hem niet onderwezen. Wat hij bezat behoorde hem toe door de rechtstreekse openbaring van Jezus Christus aan hem. En toen het God, die hem vanaf de moederschoot afgezonderd en door Zijn genade geroepen had, behaagde Zijn Zoon in hem te openbaren, had de openbaring onmiddellijk al haar bijzondere kracht. Hij ging met niemand te rade. Hij stelde zich niet in verbinding met de andere apostelen, maar handelde onmiddellijk los van hen, omdat hij rechtstreeks door God was onderwezen. Pas drie jaar later ging hij op naar Jeruzalem om kennis te maken met Petrus en ontmoette hij ook Jakobus. De gemeenten van Judea kenden hem niet persoonlijk, alleen verheerlijkten ze God om de genade die hem was bewezen. Bovendien was hij maar vijftien dagen in Jeruzalem. Daarna ging hij naar Syrië en Cilicië.

Hoofdstuk 2

Na verloop van veertien jaar ging hij weer op naar Jeruzalem met Barnabas en nam ook Titus mee. Het verslag hiervan vinden we in Handelingen 15. Maar Titus die een niet-jood was, was niet besneden. Dit was een duidelijk bewijs van de vrijheid waarin de apostel openlijk stond. Het was een moedige stap van hem om Titus met zich mee te nemen en op die manier de kwestie tussen hemzelf en de judaïserende christenen te beslissen. Hij ging op vanwege valse broeders, die de vrijheid wilden bespieden waarin Paulus (die deze vrijheid genoot in de Geest) de gelovigen bracht. En hij ging ook op grond van een openbaring.

We kunnen hier opmerken hoe mededelingen van God ons gedrag innerlijk kunnen leiden, hoewel we toegeven aan motieven die anderen aanvoeren. In Handelingen 15 vinden we de uiterlijke gang van zaken, hier zien we wat het hart van de apostel bestuurde. Het was Gods wil dat de zaak in Jeruzalem zou worden beslist, om elke mond te stoppen en om de eenheid te bewaren. Daarom liet Hij niet toe dat de apostel het pleit in Antiochië won of daar een regeling trof voor de wandel van de gemeente die in die plaats was gevormd. Evenmin liet Hij toe dat hij zijn eigen overtuiging voor zich hield, maar Hij liet hem naar Jeruzalem opgaan en aan de voornaamste apostelen meedelen wat hij leerde, zodat er op dit belangrijke punt gemeenschap van getuigenis zou zijn. En zodat ze ook zouden erkennen dat Paulus onafhankelijk van hen door God was onderwezen en verder dat zijn dienst door God was gezonden en dat hij net zoals zijzelf uit naam van God handelde. Want hoewel God wilde dat hij hun meedeelde wat hij anderen leerde, ontving hij niets van hen. Het gevolg van zijn mededeling was dat zij de genade erkenden die God hem had gegeven en de dienst die hij had ontvangen voor de volken, en dat zij hem en Barnabas de rechterhand van de gemeenschap gaven.

Als hij eerder was opgegaan, zouden de bewijzen van zijn speciale en onafhankelijke dienst er nog niet zijn geweest – ook al was zijn kennis nog zo groot geweest. Maar nu had hij jarenlang met vrucht gewerkt zonder dat hij enige opdracht van de andere apostelen had gekregen, zodat ze zijn apostelschap wel moesten erkennen als een rechtstreekse gave van God, evenals de waarheden die God hem had meegedeeld. De bewijzen waren aanwezig. God had dit apostelschap erkend, evenals Hij het ook had gegeven. De twaalven konden het alleen maar erkennen, als ze God erkenden als de Bron van al deze uitnemende gaven. Paulus was een apostel van God zonder tussenkomst van hen. Ze konden zijn dienst erkennen en daarin de God erkennen die hun had gegeven wat ze zelf uitoefenden.

Bovendien was Paulus altijd onafhankelijk opgetreden bij de uitoefening van zijn opdracht. Toen Petrus naar Antiochië kwam weerstond hij hem openlijk, omdat hij te veroordelen was. Hij moest, wat Paulus betrof, niet als een meerdere worden beschouwd tegenover wie zijn ondergeschikten een eerbiedig zwijgen moesten bewaren. Hoewel God krachtig in Petrus had gewerkt kon Paulus, die in apostelschap niet bij hem achterstond, geen vervalsing van het evangelie toelaten dat aan zijn eigen zorg was toevertrouwd door de Heer Zelf. Hij was trouw aan Hem die hem had geroepen. Hoewel Petrus vurig was, gaf hij altijd te veel om de mening van anderen. Nu is de mening die in deze wereld heerst altijd van invloed op het menselijk hart. En deze mening geeft de mens naar het vlees altijd een zekere eer. Maar Paulus had onderwijs van boven ontvangen en was vervuld met de kracht van de Geest, die hem door de openbaring van hemelse heerlijkheid had laten beseffen dat alles wat het vlees verheerlijkt moest leiden tot verduistering van die hemelse heerlijkheid en tot vervalsing van het evangelie dat deze heerlijkheid bekend maakte. Paulus leefde in de nieuwe schepping waarvan de verheerlijkte Christus het Middelpunt is. Dat was het terrein waar hij zich bewoog. En hij was zowel standvastig als vurig, omdat hij zijn oog richtte op de dingen die men niet ziet. En aan zijn standvastigheid paarde hij een scherp inzicht, omdat hij leefde in het besef van geestelijke en hemelse dingen in Christus. Voor hem was het alleen van belang of hij Christus won die daar in de heerlijkheid was. Daarom zag hij duidelijk dat de wandel van de apostel van de besnijdenis vleselijk was. Hij werd niet afgeleid door de mens. Hij was bezig met Christus die zijn alles was en met de waarheid. Hij kon iemand die deze waarheid omverwierp niet sparen, welke positie hij ook mocht hebben in de gemeente.

Het was huichelarij van Petrus. Toen hij alleen op de plaats was waar de invloed van de hemelse waarheid de overhand had, at hij met de gelovigen uit de volken. Zo kreeg hij de reputatie dat hij in dezelfde vrijheid wandelde als anderen. Maar zijn houding veranderde toen er bepaalde personen van Jakobus uit Jeruzalem kwamen, waar hijzelf normaal woonde en dat het centrum was waar het godsdienstige vlees en zijn gebruiken nog steeds een grote invloed hadden (onder de geduldige toelating van God). Hij durfde niet langer gebruik te maken van de vrijheid die veroordeeld werd door deze christenen die nog joods in hun gevoelens waren. Hij onttrok zich. Wat is de mens toch zwak! En we zijn zwakker naarmate we belangrijker zijn voor het oog van de mensen. Maar als we niets zijn kunnen we alles doen, voor zover menselijke meningen een rol spelen. We zien hier tegelijk ook dat we een ongunstige invloed op anderen uitoefenen naarmate we zelf door anderen beïnvloed zijn – naarmate we toegeven aan de invloed die de wens om onze reputatie onder hen te bewaren op ons hart uitoefent. Zo wordt alle achting die men – zelfs terecht – voor ons heeft, een middel waardoor het kwaad wordt bevorderd 2. Petrus, die bang was voor hen die uit Jeruzalem kwamen, sleepte ook de andere joden en zelfs Barnabas met zich mee in zijn huichelarij.

Alleen Paulus bleef oprecht. Energiek en trouw, door genade, bestrafte hij Petrus in het bijzijn van allen. Waarom dwong hij de volken naar joodse wijze te leven om deel te kunnen hebben aan de volle christelijke gemeenschap, terwijl hij die een jood was zelf de vrijheid had gehad te leven zoals de volken? Ze waren zelf van nature joden en geen arme zondaars uit de volken, maar ze hadden de wet opgegeven als een middel om de gunst van God te verwerven en ze hadden hun toevlucht tot Christus genomen. Maar als ze nu het gebouw van wettische plichten weer wilden oprichten om gerechtigheid te verwerven, waarom hadden ze het dan afgebroken? Door zo op te treden toonden ze zelf dat ze overtreders waren toen ze het afbraken. En wat erger was: Dan was Christus een dienaar van de zonde. Want ze waren gestopt met het verwerven van gerechtigheid door de wet om tot Christus te komen – in ruil voor de kracht waarvan ze vroeger hadden gedacht dat die in de wet aanwezig was als middel tot rechtvaardiging. Zijn leer had dus overtreders van hen gemaakt! Want door het gebouw van de wet weer op te richten maakten ze duidelijk dat ze het niet hadden moeten afbreken, en Christus had hen juist daartoe gebracht.

Wat een ernstig gevolg van de zwakheid die – om mensen te behagen – terugging naar die dingen die tot bevrediging van het vlees waren! Hoe weinig vermoeden had Petrus daarvan! En hoe weinig vermoeden hebben veel christenen ervan! Bouwen op inzettingen is vertrouwen op het vlees. In de hemel zijn geen inzettingen en als Christus – die daar is – alles is kunnen we dat niet doen. Christus heeft inderdaad inzettingen gegeven die Zijn volk onderscheiden van de wereld. Aan de ene kant de doop die betekent dat de Zijnen niet van de wereld zijn, maar met Hem voor de wereld gestorven zijn. En aan de andere kant het avondmaal om hen te vergaderen op de grondslag van dat wat alleen in staat is hen allen te verenigen – op de grondslag van het kruis en van het volbrachte verlossingswerk, in de eenheid van Zijn lichaam. Maar als we ons vertrouwen daarop stellen, in plaats van ze met dankzegging te gebruiken naar Zijn wil, verlaten we de volheid en de genoegzaamheid van Christus. Dan bouwen we op het vlees dat zich zo met deze inzettingen kan bezighouden, dat ze tot schade van onszelf voedsel voor het vlees worden en een voorhangsel vormen dat de volkomen Verlosser verbergt. Terwijl deze inzettingen juist zo duidelijk tot ons spreken van Zijn dood wat betreft Zijn verbinding met deze wereld en met de mens zoals hij leeft in het vlees. Vertrouwen op christelijke inzettingen is eigenlijk het loochenen van de kostbare en ernstige waarheid die ze ons voorstellen, dat er niet langer gerechtigheid naar het vlees is omdat Christus gestorven en opgestaan is.

Dit voelde de apostel heel diep. Dit was juist wat hij de mensen moest voorhouden door de kracht van de Heilige Geest. Het was zijn roeping dit onder de aandacht van de mensen te brengen en het aan hun geweten voor te stellen. Hoeveel lijden en hoeveel strijd kostte hem die taak! Het vlees van de mens wil graag geëerd worden. Het kan het niet verdragen als het als verdorven beschouwd wordt en niet in staat tot iets goeds. Het kan het niet hebben als het uitgeschakeld wordt en tot verdwijning veroordeeld wordt, niet door pogingen om zichzelf weg te cijferen (waardoor het juist al zijn betekenis zou herwinnen), maar door een werk dat het laat voor wat het werkelijk is, namelijk volkomen waardeloos. Dit werk heeft het absolute oordeel van de dood over het vlees uitgesproken, zodat het alleen maar heeft te zwijgen nu vast staat dat het niets dan zonde is. Als het werkzaam is, is het alleen om kwaad te doen.

Het heeft geen betere plaats dan dood te zijn. We hebben zowel het recht als de kracht om het zó te zien, omdat Christus gestorven is en wij nu leven door Zijn opstandingsleven. Hij Zelf is ons leven geworden. Omdat ik levend ben in Hem, behandel ik het vlees als dood. Ik ben er geen schuldenaar van. God heeft de zonde in het vlees veroordeeld, doordat Zijn Zoon kwam in een gedaante gelijk aan het vlees van de zonde en voor de zonde. Dit grote beginsel van ons gestorven zijn met Christus zet de apostel uiteen aan het eind van het hoofdstuk. Alleen erkent hij eerst de kracht van de wet om het geweten onder het beslag van de dood te brengen. Hij had ontdekt dat het leven onder een wet betekende dat hij zichzelf ter dood veroordeeld zag. Hij had in zijn geest de hele kracht van dit beginsel ondervonden, zijn ziel had de dood in al zijn kracht beseft. Hij was gestorven. Maar als dat zo was, was hij ook aan de wet gestorven. De kracht van een wet reikt niet over de grens van de dood. Als het slachtoffer ervan eenmaal gestorven is heeft de wet geen zeggenschap meer over hem. Nu, Paulus had deze waarheid erkend. Hij onderschreef ten volle het principe van de wet en beleed dat hij door de wet gestorven was – maar daarmee ook aan de wet gestorven. Maar hoe was dat mogelijk? Door zelf de eeuwige gevolgen van het overtreden van de wet te ondergaan? Want de wet doodde niet alleen, maar veroordeelde bovendien (zie 2 Korinthe 3). Dat was volstrekt onmogelijk. Het is hier iets heel anders. Hij ontkende het gezag van de wet niet, hij erkende de kracht ervan in zijn ziel, maar met de dood als gevolg, opdat hij voor God zou leven.

Maar waar kon hij dit leven vinden, als de wet hem alleen maar doodde? Dit legt hij uit. In zijn eigen verantwoordelijkheid, blootgesteld aan de uiteindelijke gevolgen van het overtreden van de wet, was hijzelf niet in staat om leven te vinden. Maar Christus was gekruisigd. Christus kon de vloek van Gods wet en de dood ondergaan en toch opstaan in een machtig en heilig leven, dat door niets kon worden weggenomen en dat het onmogelijk maakte dat de dood Hem vasthield, hoewel Hij die in genade smaakte.

De apostel (die het voorwerp was van deze genade) had dit naar waarheid erkend als een arme zondaar, onderworpen aan de dood. Hij dankte de God die hem de genade van het leven had geschonken en hem in Christus aangenaam had gemaakt om niet. In Gods raadsbesluiten was hij met Christus verenigd in Zijn dood en hij verwerkelijkte dit nu door het geloof. Het was praktisch waar geworden doordat Christus, die gestorven en weer opgestaan was, zijn leven geworden was. Hij was met Hem gekruisigd, zodat de veroordeling van de wet voor Paulus had afgedaan. Christus was getroffen door de dood onder de wet. De wet had Saulus de zondaar in werkelijkheid getroffen in de Persoon van Hem die Zichzelf voor hem had overgegeven. En ze had Saulus zelf getroffen in zijn geweten en daar de dood gebracht – maar de dood van de oude mens (zie Romeinen 7:9,10) – en nu had ze geen enkel recht meer op hem. Want het leven waarmee de heerschappij van de wet was verbonden had zijn eind gevonden op het kruis 3. Toch leefde hij. Maar niet hij, maar Christus, in dat leven waarin Christus opstond uit de doden – Christus leefde in hem.

Zo verdween de heerschappij van de wet over hem (terwijl hij de wet al haar kracht toeschreef). Want die heerschappij was verbonden met het leven ten opzichte waarvan hij zichzelf gestorven rekende in Christus, die werkelijk de dood had ondergaan met dit doel. Paulus leefde nu uit dat machtige en heilige leven, waarin Christus in volmaaktheid en kracht was opgestaan uit de doden, nadat Hij de vloek van de wet had gedragen. Hij leefde voor God en hield het verdorven leven van zijn vlees voor dood. Zijn leven ontleende zijn hele karakter, zijn hele bestaansvorm aan de Bron waaruit het voortkwam.

Maar het schepsel moet een Voorwerp hebben om voor te leven. Voor de ziel van Paulus was het zo dat hij leefde door het geloof in Jezus Christus. Hij leefde werkelijk door het geloof in Hem. Christus die de Bron van zijn leven was, Christus die zijn leven was, was ook het Voorwerp daarvan. Dit is altijd wat het leven van Christus in ons kenmerkt: Hij Zelf is het Voorwerp ervan, Hij alleen. Doordat Hij uit liefde voor ons gestorven is heeft Hij – die ertoe in staat was, de Zoon van God – ons, zo verlost van de zonde, dit leven gegeven als ons eigen leven.

Omdat dit feit steeds voor onze aandacht staat is Hij in ons oog bekleed met de liefde die Hij ons zo heeft bewezen. We leven door het geloof in de Zoon van God, die ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven. Het is hier persoonlijk leven, persoonlijk geloof dat ons met Christus verbindt en Hem kostbaar voor ons maakt als het Voorwerp van het innige geloof van de ziel. Zo wordt de genade van God niet tenietgedaan. Want als de gerechtigheid tot stand zou komen op de grondslag van de wet, was Christus tevergeefs gestorven. Dan zouden we door zelf de wet te houden in eigen persoon gerechtigheid verwerven.

Hoofdstuk 3

Wat een vreselijk en onherstelbaar verlies lijden we als we zo’n Christus, zoals we Hem onder de genade hebben leren kennen, en zo’n gerechtigheid en zo’n liefde verliezen! De Zoon van God die ons deel is, ons leven, de Zoon van God die Zichzelf voor ons heeft overgegeven en aan ons heeft toegewijd! Dit is inderdaad wat zulke sterke gevoelens van verontwaardiging bij de apostel oproept: “O onverstandige Galaten, wie heeft u betoverd?” Christus was hun toch als gekruisigd voor ogen geschilderd. Daarom scheen hun dwaasheid nog verwonderlijker bij de gedachte aan wat ze hadden ontvangen, aan wat ze genoten door het evangelie, en bij de gedachte aan hun lijden ter wille van dat evangelie. Hadden ze de Geest ontvangen door werken die ze hadden gedaan op de grondslag van de wet, of door een getuigenis dat ze door het geloof hadden aangenomen? Als ze waren begonnen door de kracht van de Geest, wilden ze nu verder gaan en tot volmaaktheid komen door het verdorven vlees?

Ze hadden voor het evangelie geleden, voor het zuivere evangelie dat niet met het judaïsme en de wet was vermengd. Was dat dan allemaal tevergeefs? Nogmaals: Hij die hun de Geest verleende en krachten onder hen werkte, was dat door werken op de grondslag van de wet of in verbinding met een getuigenis dat door het geloof was aangenomen? Zoals ook Abraham God geloofde en het hem tot gerechtigheid werd gerekend. Want dat was de grondslag die God in het geval van de vader van de gelovigen had gegeven. Daarom waren zij die zich door genade op de grondslag van het geloof stelden “zonen van Abraham”. En de Schrift die voorzag dat God de volken door het geloof zou rechtvaardigen, predikte dit evangelie van tevoren aan Abraham door te zeggen: “In u zullen alle volken gezegend worden”.

Deze brief houdt zich noodzakelijk met elementaire onderwerpen bezig, want de Galaten verlieten het fundament en de apostel legt daar de nadruk op. We vinden de volgende grote beginselen, verbonden met de gekende tegenwoordigheid van de Geest: De belofte uit genade in tegenstelling tot en vóór de wet; Christus de vervulling van de belofte, terwijl de wet er in de tussentijd bijkwam. Zo werden de volken erfgenamen in Christus, de ware en enige Erfgenaam van de belofte, en kregen de joden de positie van zonen.

We hebben hier dus de grondslag waarop Abraham voor God stond en de verklaring dat de volken in hem zouden worden gezegend. Daarom worden zij die op grond van het geloof zijn gezegend met de gelovige Abraham. Terwijl de wet een uitdrukkelijke vloek uitsprak over hen die ze niet op elk punt hielden. Dit gebruik van Deuteronomium 27 hebben we elders overdacht. Ik wil er alleen aan herinneren dat we in dat hoofdstuk niets dan vervloekingen vinden. De twaalf stammen moesten worden verdeeld in twee groepen, elk van zes stammen. De ene groep moest de zegen uitspreken en de andere de vloek. Maar alleen de vervloekingen worden opgenoemd, de zegeningen worden helemaal weggelaten. Dit is een treffende bijzonderheid die de apostel gebruikt om het ware karakter van de wet aan te tonen. Tegelijk maakte de Schrift ook duidelijk dat niemand door werken van de wet gerechtvaardigd werd. Want ze zei: “De rechtvaardige zal op grond van geloof leven”. Nu was de wet niet op grond van geloof, maar “hij die deze dingen gedaan zal hebben, zal door die dingen leven”. Maar moest dit gezag van de wet niet worden gehandhaafd als afkomstig van God? Zeker! Maar Christus had de vloek van de wet gedragen, toen Hij hen had vrijgekocht en verlost die tevoren onderworpen waren aan het vonnis van de wet en nu in Hem geloofd hadden. Opdat de zegen van Abraham door Hem tot de volken zou komen, zodat allen die geloofden – zowel joden als niet-joden – de Geest zouden ontvangen die beloofd was.

Christus had voor de gelovige – die eerst onderworpen was aan de wet en schuldig was aan het overtreden ervan – heel de vloek weggenomen die de wet over de schuldige uitsprak. De wet die Israël onderscheidde had haar macht verloren over de jood die in Jezus geloofde, door de daad die juist het treffendste getuigenis aflegde van haar gezag. Daarom bestond de grens niet langer en kon de vroegere belofte van zegen onbelemmerd (volgens de voorwaarden waarop ze aan Abraham was gedaan) tot de volken stromen door het kanaal van Christus, die de vloek had weggenomen die de wet op de joden legde. En kon zowel de jood als de niet-jood door het geloof in Hem de Heilige Geest ontvangen – het onderwerp van Gods beloften – in de tijd van zegen.

Na zo dit punt te hebben aangeroerd behandelt de apostel nu, niet de uitwerking van de wet op het geweten, maar de wederzijdse relatie die tussen de wet en de belofte bestond. Nu was de belofte eerst gegeven, en niet alleen gegeven maar ook bekrachtigd. Zelfs al was het maar een menselijk verbond geweest dat plechtig bekrachtigd was, dan zou niemand er iets aan kunnen toevoegen noch het ongeldig kunnen maken. Maar God had Zichzelf ten opzichte van Abraham verbonden door de belofte, 430 jaar voor de wet. Hij had de zegen van de volken om zo te zeggen gedeponeerd in de persoon van Abraham (Genesis 12). Deze belofte werd bekrachtigd aan zijn zaad (nageslacht) 4 (Izaäk, Genesis 22), maar alleen aan één. Hij zegt niet: “En aan de zaden”, maar: “En aan uw Zaad”. En Christus is dit Zaad. Een jood zou dit laatste punt niet ontkennen. Nu kon de wet, die zoveel later was gekomen, de belofte niet tenietdoen die God vroeger gedaan en plechtig bekrachtigd had, zodat ze zou vervallen. Want als de erfenis op grond van (de) wet zou zijn, was ze niet meer op grond van de belofte. Maar God gaf ze aan Abraham door belofte. Waartoe was dan de wet, als de onveranderlijke belofte van God al was gegeven en de erfenis ten deel zou vallen aan het voorwerp van die belofte, terwijl de wet niet bij machte was er in enig opzicht verandering in te brengen? Het was omdat er een andere kwestie tussen de ziel en God was, of zo u wilt tussen God en de mens, namelijk die van de gerechtigheid. De genade die verkiest om zegen te schenken en die van tevoren belooft, is niet de enige bron van zegen voor ons. De kwestie van de gerechtigheid moest met God in orde worden gebracht – de kwestie van de zonde en van de schuld van de mens. Nu bracht de belofte die kwestie van de gerechtigheid niet ter sprake. Want de belofte was onvoorwaardelijk en ze was aan Christus gedaan. Toch was het noodzakelijk dat deze kwestie aan de orde zou worden gesteld en in de eerste plaats door gerechtigheid te eisen van de mens, die verantwoordelijk was om die voort te brengen en daarin voor God te wandelen. De mens had rechtvaardig moeten zijn voor God. Maar de zonde was al in de wereld gekomen en de wet werd nu in werkelijkheid gegeven om de zonde aan het licht te brengen. De zonde was inderdaad aanwezig, de wil van de mens was in opstand tegen God. Maar de wet openbaarde de kracht van die boze wil en manifesteerde zijn volkomen minachting voor God door het overtreden van de grens die het verbod van God tussen hem en zijn begeerten stelde. De wet werd er bijgevoegd ter wille van de overtredingen. We hebben dit al gezien toen we de brief aan de Romeinen overdachten, waar hetzelfde onderwerp behandeld wordt. De wet werd niet toegevoegd opdat er zonde zou zijn, maar opdat er overtredingen zouden zijn, waardoor de gewetens van de mensen geraakt zouden worden en het vonnis van de dood en de veroordeling duidelijk voelbaar zou worden in hun oppervlakkige en zorgeloze harten. Daarom werd de wet gegeven tussen de belofte en de vervulling ervan, opdat de werkelijke morele toestand van de mens aan het licht zou komen. Nu maakten de omstandigheden waaronder ze werd gegeven het heel duidelijk dat de wet volstrekt niet het middel was voor de vervulling van de belofte.

Integendeel, ze plaatste de mens op een totaal andere grondslag, waardoor hij zichzelf leerde kennen en tegelijk ook ging begrijpen dat hij voor God niet kon bestaan op de grondslag van zijn eigen verantwoordelijkheid. God had een onvoorwaardelijke belofte aan het zaad van Abraham gedaan. Hij zal die onfeilbaar vervullen, want Hij is God. Maar bij het geven van de wet kwam er niets eenvoudig rechtstreeks van God. Ze werd verordend door de hand van engelen. God verplichtte Zich daar niet eenvoudig door het spreken van Zijn eigen woord tegenover de persoon ten gunste van wie de belofte vervuld moest worden. De engelen van de heerlijkheid, die geen deel hadden aan de beloften, omgaven door de wil van God de proclamatie van de wet met de luister van hun waardigheid. Want het waren engelen die straalden in de heerlijkheid van de Sinaï, zie Psalm 68. Maar de God van de engelen en van Israël hield Zich op een afstand, verborgen in Zijn heiligdom van wolken en vuur en dikke duisternis. Hij was bekleed met heerlijkheid, Hij maakte Zich vreselijk in Zijn majesteit, maar Hij openbaarde Zichzelf niet. Hij had persoonlijk de belofte gegeven. Maar een middelaar bracht de wet. En het bestaan van een middelaar veronderstelt noodzakelijkerwijs twee partijen. Maar God was één, en dat was het fundament van de hele joodse godsdienst. Er was dus nog een partij van wie de bestendigheid afhing van het verbond dat op de Sinaï was gesloten. En in feite ging Mozes op en neer om de woorden van Jahweh aan Israël over te brengen en het antwoord van Israël, dat zich verplichtte te volbrengen wat Jahweh hun oplegde als voorwaarde voor het genot van het resultaat van Zijn belofte.

“Als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt”, zei Jahweh. “Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen”, antwoordde Israël door middel van Mozes. Maar wat waren de gevolgen? Het lijkt me dat de apostel niet op die vraag ingaat en dat hij met een treffende fijngevoeligheid niet de noodzakelijke conclusies uit zijn betoog trekt. Zijn doel was het verschil tussen de belofte en de wet te laten zien, zonder daarbij onnodig de gevoelens te kwetsen van het volk dat hij liefhad. Hij probeert daarentegen gelijk te voorkomen dat er enige ergernis zou ontstaan door wat hij gezegd had, terwijl hij tegelijk ook zijn stelling verder uitwerkt. Was de wet in strijd met de beloften van God? Volstrekt niet! Als er een wet was gegeven die leven moest schenken, dan zou de gerechtigheid – want dat is ons onderwerp in dit gedeelte – door de wet zijn geweest. De mens zou, in het bezit van Goddelijk leven, rechtvaardig zijn geweest door de gerechtigheid die hij had volbracht. De wet beloofde de zegen van God op voorwaarde dat de mens gehoorzaam zou zijn. Als ze tegelijk ook leven had kunnen geven, zou deze gehoorzaamheid er zijn geweest en zou de gerechtigheid tot stand zijn gekomen op grond van de wet. Dan zouden zij aan wie de belofte gedaan was de vervulling ervan hebben ontvangen op grond van hun eigen gerechtigheid. Maar in feite gebeurde juist het tegenovergestelde. Want elk mens, hetzij jood of niet-jood, is ten slotte een zondaar van nature. Zonder de wet is hij een slaaf van zijn ongebreidelde hartstochten. En onder de wet toont hij hun kracht door de wet te breken. De Schrift heeft allen onder de zonde besloten, opdat deze belofte door het geloof in Jezus Christus vervuld zou worden ten gunste van hen die geloven.

Maar voordat het geloof kwam, dat wil zeggen het christelijk geloof als de grondslag van de relatie met God, waren de joden in bewaring onder de wet, opgesloten met het oog op het genot van dit voorrecht dat moest komen. Dat was de situatie voordat het bestaan van de duidelijke voorwerpen van het geloof in de Persoon, het werk en de heerlijkheid van Christus als Mens het middel was geworden om het geloof van het evangelie te grondvesten. De wet had voor de joden dus de taak van een opvoeder van kinderen gehad tot op Christus, opdat ze gerechtvaardigd zouden worden op de grondslag van het geloof. Ondertussen waren ze niet zonder beteugeling. Ze werden apart gehouden van de volken, hoewel ze niet minder schuldig waren dan zij. Maar ze werden apart gehouden voor een rechtvaardiging, waarvan de noodzaak duidelijker was aangetoond door de wet die ze niet vervulden, maar die gerechtigheid van de mens eiste en daarmee aangaf dat God deze gerechtigheid eiste. Maar toen het geloof eenmaal gekomen was, waren zij die tot dan toe aan de wet onderworpen waren niet langer onder de voogdij van deze wet, die hen alleen in bewaring hield tot de komst van het geloof. Want dit geloof plaatste de mens rechtstreeks in Gods tegenwoordigheid en maakte de gelovige tot een zoon van de Vader der heerlijkheid. Daarom was er geen plaats meer voor de leiding van de tuchtmeester die gebruikt was tijdens de onmondigheid van degene die nu in vrijheid gesteld was en in rechtstreekse relatie met de Vader stond.

De gelovige is dus een zoon in rechtstreekse verbinding met zijn Vader, met God (God Zelf nu geopenbaard). Hij is een zoon, omdat allen die gedoopt zijn om deel te hebben aan de voorrechten die in Christus zijn, Christus hebben aangedaan. Ze staan niet als joden of niet-joden voor God, als slaaf of vrije, als man of vrouw. Maar ze zijn voor God overeenkomstig hun positie in Christus. Allen zijn één in Hem, want Christus is voor allen de gemeenschappelijke en enige maatstaf van hun relatie met God. Maar Christus was, zoals we gezien hebben, het ene Zaad van Abraham. En als de volken in Christus waren, kwamen ze dus in deze bevoorrechte positie. Ze waren, in Christus, het zaad van Abraham en erfgenamen volgens de belofte die aan dat zaad was gedaan.

Hoofdstuk 4

We hebben hier dus een duidelijke uiteenzetting van het verschil in positie tussen de jood – ook al was hij godvruchtig – voor de komst van Christus en de gelovige jood of niet-jood toen Christus geopenbaard was. In het begin van dit hoofdstuk vat de apostel samen wat hij gezegd heeft. Hij vergelijkt de gelovige voor de komst van Christus met een minderjarig kind dat geen rechtstreekse relatie met zijn vader heeft wat betreft de gedachten van de vader. Het krijgt bevelen van de vader zonder dat die hem de reden ervan uitlegt, evenals een slaaf ze zou krijgen. Het staat onder voogden en beheerders tot op de tijd door de vader vooraf bepaald. Zo stonden ook de joden niet in verbinding met de Vader en Zijn raadsbesluiten in Jezus, hoewel ze erfgenamen waren van de beloften. Ze waren onderworpen aan beginselen die behoorden tot het systeem van de tegenwoordige wereld die alleen een verdorven en gevallen schepping is. Hun wandel was door God in dat systeem bepaald, maar ging daar niet buiten. Ik spreek over het systeem waardoor ze werden geleid, wat voor Goddelijk licht ze van tijd tot tijd ook mochten ontvangen om de hemel aan hen te openbaren, om hun hoop te versterken, terwijl dit het systeem dat hen beheerste nog donkerder maakte. Onder de wet waren ze dus nog in slavernij, hoewel ze erfgenamen waren. Maar toen de tijd vervuld was en er rijp voor was zond God Zijn Zoon – een daad die voortvloeide uit Zijn soevereine goedheid om Zijn eeuwige raadsbesluiten te vervullen en om heel Zijn karakter te openbaren. God deed dat, Hij was werkzaam. De wet eiste de werkzaamheid van de mens en bracht aan het licht dat de mens juist het tegenovergestelde was van wat hij moest zijn volgens de wet. Maar de Zoon van God kwam van God. Hij eiste niets. Hij werd in de wereld geopenbaard in verbinding met de mensen onder het tweevoudig aspect van een mens geboren uit een vrouw en een mens onder de wet.

Is de zonde en de dood in de wereld gekomen door een vrouw? Christus kwam ook in deze wereld door een vrouw! Lag de mens onder het oordeel door de wet? Christus stelde Zich ook onder de wet! Onder dit dubbele aspect nam Hij de plaats in waarin de mens zich bevond. Hij nam die in genade in zonder zonde, maar met de verantwoordelijkheid die daaraan verbonden was – een verantwoordelijkheid waaraan Hij alleen heeft voldaan. Maar het doel van Zijn zending ging nog veel verder dan de openbaring in Zijn Persoon van de Mens zonder zonde, te midden van het kwaad en in het bezit van de kennis van goed en kwaad. Want Hij kwam om hen die onder de wet waren vrij te kopen, opdat zij die geloofden – wie ze ook mochten zijn – het zoonschap zouden ontvangen. En dat de gelovigen uit de volken ook waren toegelaten om te delen in het zoonschap bleek uit het feit dat de Geest in hun hart was gezonden om hen te doen roepen: “Abba, Vader!” Want omdat ze zonen waren had God de Geest van Zijn Zoon in hun hart gezonden, evenals in dat van de joden – zonder onderscheid te maken. De niet-jood die een vreemde was voor het huis en de jood die in zijn onmondigheid in niets verschilde van een slaaf hadden beiden de positie gekregen van zonen in rechtstreekse relatie met de Vader. De Heilige Geest was in hen de kracht en de getuige van deze relatie. Deze positie was het gevolg van de verlossing die de Zoon ten behoeve van hen tot stand had gebracht en die de jood onder de wet evenzeer nodig had als de niet-jood in zijn zonden. Maar de uitwerking ervan was dat de gelovige geen slaaf meer was, maar een zoon. En als hij een zoon was, dan was hij ook een erfgenaam van God door Christus.

De gelovigen uit de volken waren vroeger ook in slavernij geweest. Inderdaad niet onder de wet, maar onder dat wat van nature geen God was. Ze kenden God niet en waren slaven van alles wat de naam van God aan zich trok en zich daarop beroemde, om het hart van de mens te verblinden die van de waarachtige God en van de kennis van Hem vervreemd was. Maar wat deden deze niet-joden die christenen waren geworden nu? Ze wilden opnieuw in slavernij zijn onder deze arme wereldse en vleselijke beginselen waaraan ze vroeger onderworpen waren geweest. Deze dingen waarvan de vleselijke mens zijn godsdienst kon maken zonder een enkele morele of geestelijke gedachte te hebben – deze dingen die de eer die God toekwam in uiterlijke inzettingen plaatsten, die een ongelovige en een heiden die God niet kende zijn godsdienst kon noemen en waarop hij trots kon zijn.

De echte waarde van deze inzettingen was dat ze beelden waren die God gebruikte om vooraf te getuigen van de werkelijkheid die in Christus is. God wist het gebruik van deze beelden, die nuttig zijn voor het geloof, te verenigen met een godsdienstig systeem dat de mens in het vlees op de proef stelde en dat ertoe diende om de vraag te beantwoorden of de mens, met alle mogelijke hulp, in staat zou zijn voor God te bestaan en Hem te dienen. Maar nu God de onbekwaamheid van de mens had aangetoond om voor Hem rechtvaardig te worden, kon men niet teruggaan naar deze inzettingen die voor de mens in het vlees waren gegeven. De werkelijkheid van deze schaduwen was nu gekomen. Teruggaan naar die dingen betekende een terugkeer naar de positie van de mens in het vlees. En het betekende dat men die positie innam zonder dat enige opdracht van God dat wettigde. Het was in feite een terugkeer naar het terrein van de afgoderij, dat wil zeggen naar een vleselijke godsdienst die door de mens was ingesteld zonder enig gezag van God en die de mens volstrekt niet met Hem in verbinding bracht. Want dingen die in het vlees worden volbracht hebben zeker niet dat resultaat. “U onderhoudt dagen en maanden, tijden en jaren”. Dat deden de heidenen in hun menselijke godsdiensten ook. Het judaïsme was een menselijke godsdienst die door God was ingesteld. Maar als men daarnaar terugging terwijl Gods inzettingen niet langer van kracht waren, was dat niets anders dan een terugkeer naar het heidendom waaruit ze waren geroepen om met Christus deel te hebben aan hemelse dingen.

Er is niets wat zo frappeert als deze uitspraak over wat het ritualisme is na het kruis. Het is eenvoudig heidendom, een terugkeer naar de godsdienst van de mens, als God volkomen geopenbaard is. “Ik ben bang voor u, dat ik misschien tevergeefs aan u heb gearbeid”, zegt de apostel. Maar zij verweten hem dat hij geen trouwe jood was volgens de wet, dat hij zich onttrok aan haar gezag. “Weest zoals ik”, zegt hij daarop, “want ook ik ben als u” (namelijk: vrij van de wet). Ze hadden hem geen onrecht aangedaan door dit van hem te zeggen. Het was zijn gebed dat het met hen net zo zou zijn.

Dan herinnert hij hen aan de doorn in zijn vlees. Dat was iets dat hem verachtelijk maakte in zijn dienst. Toch hadden ze hem aangenomen als een engel van God, als Christus Jezus. Wat was er nu over van dat geluk? Was hij hun vijand geworden omdat hij hun de waarheid had gezegd? IJver was goed. Maar als het doel ervan een goede zaak was geweest, dan hadden ze moeten volharden in hun ijver en die niet alleen moeten tonen toen hij bij hen was. Deze nieuwe leraars waren erg ijverig om de Galaten als hun volgelingen te winnen en hen uit te sluiten van de gemeenschap met de apostel, zodat ze hen aan zich zouden binden. Dit maakte dat hij opnieuw in barensnood kwam, opdat Christus als het ware weer gestalte zou krijgen in hun hart. Dit is een treffend bewijs van de kracht van zijn liefde voor hen, die Goddelijk van karakter was. Ze werd niet zwakker door de teleurstelling die voortvloeide uit hun ondankbaarheid, omdat ze niet werd beïnvloed door de aantrekkingskracht van de voorwerpen ervan. De bron van deze liefde lag daarbuiten. Mozes zei: “Ben ík soms zwanger geweest van heel dit volk? Of heb ík het gebaard, zodat U tegen mij zou kunnen zeggen: Draag het in uw schoot?” (Numeri 11:12). Maar Paulus was bereid om een tweede keer in deze barensnood te komen.

Hij wist niet wat hij moest zeggen. Hij wilde wel dat hij bij hen was, zodat hij zijn woorden kon aanpassen aan hun toestand als hij hen zag, want ze hadden werkelijk het terrein van het christendom verlaten. De apostel vraagt hun dan, omdat ze onder de wet wilden zijn, of ze ook naar de wet luisterden? Want daarin konden ze de beide systemen zien, in het type van Hagar en Sara: Dat van de wet dat slaven baart en dat van de genade dat vrijen voortbrengt. En dat niet alleen, maar de zoon van de slavin werd ook duidelijk buitengesloten van de erfenis. Beide systemen konden niet samengaan, het ene sloot het andere uit. De zoon van de slavin was geboren naar het vlees, de zoon van de vrije volgens de belofte. Want de wet en het verbond van de Sinaï stonden in verband met de mens in het vlees. De grondslag van de relatie van de mens met God op grond van de wet was dat er een relatie werd gevormd – als dat mogelijk was geweest – tussen de mens in het vlees en de rechtvaardige God. Maar wat de mens betrof betekenden de wet en de inzettingen alleen maar slavernij. Het doel ervan was de wil van de mens te beteugelen zonder dat die veranderd werd. Het is van het grootste belang te begrijpen dat de mens onder de wet de mens in het vlees is. De mens die opnieuw geboren is, die gestorven en opgestaan is, is niet meer onder de wet, die alleen heerschappij heeft over de mens zolang hij hier beneden leeft.

Lees in vers 26: “Het Jeruzalem dat boven is, is vrij en dat is onze moeder”. En niet: … “hetwelk is ons aller moeder”. Het Jeruzalem dat boven is staat hier in tegenstelling tot het Jeruzalem op aarde, waarvan de grondslag overeenkwam met de Sinaï. En merk op dat de apostel hier niet spreekt over het overtreden van de wet, maar over de grondslag ervan. De wet zelf brengt de mens in een toestand van slavernij. Ze wordt opgelegd aan de mens in het vlees die zich ertegen verzet. Alleen al door het feit dat hij een eigen wil heeft komen de wet en die wil met elkaar in botsing. Eigenwil is geen gehoorzaamheid.

Vers 27 is voor velen wat moeilijk te begrijpen, omdat het meestal verward wordt met Hagar en Sara. Maar het is een apart argument dat voortvloeit uit het begrip het Jeruzalem dat boven is. Dit vers is een aanhaling uit Jesaja 54, dat de vreugde en de heerlijkheid van het aardse Jeruzalem bezingt bij het begin van het duizendjarig rijk. De apostel haalt het aan om aan te tonen dat Jeruzalem meer kinderen had in de tijd van haar eenzaamheid dan toen ze een man had. In het duizendjarig rijk zal Jahweh, de HEERE, haar man zijn. Hij was dat vroeger ook geweest. Op dit ogenblik is ze eenzaam, ze baart niet. Toch zijn er meer kinderen dan vroeger toen ze getrouwd was. Zo zijn de wonderbare wegen van God. Als de aardse dingen hun loop hernemen worden alle christenen gerekend tot de kinderen van Jeruzalem. Maar van het Jeruzalem dat geen man had en eenzaam was! En de Galaten moesten het dus niet erkennen alsof God het nog erkende! Het gaat hier niet om Sara, want die was niet zonder man. Dit vers brengt een andere gedachtegang naar voren. Terwijl Jeruzalem geen man heeft en eenzaam is, zodat ze strikt genomen geen kinderen heeft, heeft ze nu meer kinderen dan in de mooiste dagen van haar geschiedenis, toen Jahweh haar man was. Want wat de belofte betrof kwam het evangelie uit haar voort. De gemeente is niet door belofte. Zij was een raadsbesluit dat verborgen was in God, waarover de beloften nooit hadden gesproken. Haar positie is hoger, maar het onderwijs van de apostel reikt hier niet tot die hoogte. Maar we zijn ook kinderen van de belofte; en niet van het vlees. De kinderen van Israël naar het vlees hadden geen andere pretentie dan dat ze kinderen van Abraham waren, naar het vlees. Wij zijn dat alleen door belofte. Nu verjaagde het Woord van God het kind van de slavin, dat naar het vlees geboren was, opdat het niet zou erven met het kind van de belofte. Maar wat ons betreft: wij zijn kinderen van de belofte.

Hoofdstuk 5

In deze vrijheid, de vrijheid van Christus – waarbij hij doelt op de vrije en het Jeruzalem dat boven was en dat vrij was – moesten ze vast staan en zich niet opnieuw onder het juk van de wet stellen. Als ze op die grondslag gingen staan namen ze zelf de plicht op zich om de wet te houden. Dan hadden ze de verantwoordelijkheid die persoonlijk en helemaal te vervullen en zou Christus hun niets baten. Ze konden niet op het werk van Christus vertrouwen om gerechtigheid te verkrijgen en dan de verantwoordelijkheid op zich nemen om zelf de gerechtigheid te vervullen volgens de wet. Deze beide dingen zijn in tegenspraak met elkaar. Daarom zou het ook niet langer de genade zijn waarop ze stonden. Ze verlieten de genade om te voldoen aan de eisen van de wet. Maar dat is niet de positie van de christen.

De positie van de christen is als volgt. Hij zoekt geen gerechtigheid voor God als iemand die ze niet bezit. Want hij is gerechtigheid van God in Christus en Christus is Zelf de maatstaf van die gerechtigheid. De Heilige Geest woont in hem. Het geloof rust in deze gerechtigheid, evenals God erin rust, en dit geloof wordt gesterkt door de Heilige Geest. De Geest richt het hart dat op deze gerechtigheid vertrouwt op de heerlijkheid die het loon ervan is, zodat we weten wat die gerechtigheid verdient. Christus heeft dat loon al ontvangen. Hij is in de heerlijkheid op grond van de gerechtigheid, van het werk door Hem volbracht. We kennen deze gerechtigheid op grond van wat Hij tot stand heeft gebracht, omdat God Zijn werk heeft erkend en Hem aan Zijn rechterhand heeft geplaatst in de hoge. De heerlijkheid waarin Hij is, is de rechtvaardige beloning en het bewijs van die gerechtigheid. De Geest openbaart deze heerlijkheid en verzegelt voor ons de gerechtigheid waarop het geloof bouwt. De apostel drukt het zo uit: “Wij verwachten door de Geest op grond van geloof de hoop (de verwachte heerlijkheid) van de gerechtigheid”. Voor ons is het door het geloof, want we hebben nog niet wat we verwachten, namelijk de heerlijkheid die verbonden is met de gerechtigheid die ons deel is. Maar Christus bezit deze heerlijkheid, zodat we weten wat we verwachten. We kennen deze heerlijkheid door de Geest en door Hem hebben we ook de zekerheid van de gerechtigheid die ons recht geeft op het bezit ervan. We verwachten dus niet de gerechtigheid, maar de hoop die ermee verbonden is – door de Geest en in het geloof. Het is door het geloof, want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch het onbesneden zijn, maar geloof dat door liefde werkt. Er moet morele werkelijkheid zijn.

Het hart van de apostel is angstig als hij denkt aan wat ze verwierpen en aan het kwaad dat deze leer stichtte. Zijn hart loopt over en midden in zijn betoog onderbreekt hij zichzelf met de woorden: “U liep goed; wie heeft u tegengehouden, dat u <de> waarheid niet zou gehoorzamen?” Het was niet het werk van Hem die hen geroepen had, dat ze zich zo gemakkelijk lieten overreden door deze Judaïstische leer, die alleen maar een fatale vergissing was. Dat was niet de manier waarop ze door genade christen waren geworden. Een beetje zuurdeeg bedierf het geheel.

Toch herwint de apostel het vertrouwen dat hij had door omhoog te zien. Door te vertrouwen op de genade die in Christus is ten opzichte van de Zijnen kan hij zichzelf geruststellen met betrekking tot de Galaten. Hij was in twijfel als hij aan hen dacht. Maar als hij aan Christus dacht vertrouwde hij dat zij niet anders gezind zouden zijn. Als ze zo door genade verlost waren van het kwaad en allen die wilden gehoorzamen tot gehoorzaamheid waren teruggebracht, stond hij klaar om alle ongehoorzaamheid te bestraffen. Zo gebeurde dat bij de Korinthiërs in een kwestie van morele aard en zo was het ook hier. Elk hart dat ontvankelijk was voor de waarheid werd teruggebracht tot de kracht van de waarheid van Christus. Maar zij die actief waren in het kwaad en hen in onrust brachten door valse leer, die opzettelijk betrokken waren bij het verbreiden van dwaalleer, zouden hun oordeel dragen. Het is heel mooi de ongerustheid van de apostel te zien – die trouwens ook de vrucht was van zijn liefde voor hen – als hij denkt aan wat mensen deden en hoe hij zijn vertrouwen dan herwint zodra zijn hart zich verheft tot de Heer. Maar zijn abrupte stijl, de afgebroken en losse zinnen, laten zien hoe diep het zijn hart raakte. De dwaling die de ziel van Christus scheidde was voor hem erger dan de droevige gevolgen van een praktische scheiding. We vinden deze tekenen van opwinding niet in de brief aan de Korinthiërs. Maar hier ging het om het fundament van alles. In het geval van de Galaten stond de heerlijkheid van Christus de Heiland op het spel, het enige dat een ziel in verbinding met God kon brengen. En aan de andere kant was het ook een systematische poging van satan om het evangelie van Christus, zoals dat nodig was voor de redding van mensen, te gronde te richten.

Hier onderbreekt hij zichzelf weer en voegt eraan toe: “Maar ik, broeders, als ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik dan nog vervolgd?” Het is duidelijk dat in feite de joden meestal de aanstichters waren van de vervolging die de apostel ondervond van de kant van de volken. De geest van het judaïsme, de godsdienstige geest van de natuurlijke mens, was het grote instrument van satan in zijn strijd tegen het evangelie. Zo is het steeds geweest de eeuwen door. Als Christus maar Zijn goedkeuring zou hechten aan het vlees, zou het vlees zich wel willen schikken en zo godsdienstig zijn als u maar wenste en zich op zijn vroomheid laten voorstaan. Maar in dat geval zou het niet de echte Christus zijn. Christus kwam juist om ervan te getuigen dat de natuurlijke mens verloren, verdorven en zonder hoop is, dat hij dood is in zijn misdaden en zonden en dat er verlossing nodig is en een nieuwe mens. Hij kwam in genade, maar dat was omdat de mens niet verbeterd kon worden. Daarom moest alles wel louter genade zijn en van God uitgaan. Als Christus maar met de oude mens te maken wilde hebben zou alles in orde zijn. Maar ik herhaal dat Hij dan niet langer Christus zou zijn. In werkelijkheid is het zo dat de wereld, de oude mens, Hem niet verdraagt. Toch is er het geweten, er is de behoefte aan godsdienst, er is het prestige van een oude godsdienst die door de vaders is overgeleverd en die misschien wel juist was in zijn oorspronkelijke grondslagen, maar verdorven is. Op die manier zal de overste van deze wereld een vleselijke godsdienst gebruiken om het vlees te prikkelen, dat als het eenmaal ontwaakt is een bittere vijand is van de geestelijke godsdienst die er het oordeel over uitspreekt.

Het betekent eenvoudig dat men iets toevoegt aan Christus. Maar wat? Als het niet Christus en de nieuwe mens is, is het de oude mens, de zondige mens. Dan krijgt u in plaats van een noodzakelijke en volbrachte verlossing en een volkomen nieuw leven van boven, een getuigenis dat er een compromis tussen beiden mogelijk is. Een getuigenis dat de genade niet nodig is, hooguit als een beetje hulp – dat de mens nog niet verloren is en dood in zijn misdaden en zonden – dat het vlees niet wezenlijk en absoluut verdorven is. Zo wordt de Naam van Christus dienstbaar gemaakt aan het vlees, dat zichzelf graag siert met de eer van Zijn Naam, om het evangelie helemaal te gronde te richten. Er is geen enkel probleem meer als u maar de besnijdenis predikt, als u maar de godsdienst van het vlees accepteert. De wereld zal uw evangelie aannemen. Maar het zal niet het evangelie van Christus zijn. Want het kruis toont zelf de totale verdorvenheid van de mens, het is het bewijs dat de mens een vijand van God is. Daarom is het kruis en de volkomen verlossing, die door genade volbracht is, altijd een struikelblok voor iemand die het vlees nog wat eer wil gunnen. De apostel ziet hier hoe het hele evangelie bezwijkt voor de list van het judaïsme en de zielen te gronde gericht worden. Dit brengt hem tot de uitroep: “Och, lieten zij die u opstoken zich maar verminken!” Maar wat hebben we sinds de dagen van de apostel gezien? Waar is de heilige verontwaardiging gebleven die hem kenmerkte?

Daarna spreekt de apostel over de praktische gevolgen van zijn leer en legt hij uit hoe de leer van volkomen genade verbonden was – zonder de wet – met een wandel die het volk van God waardig was. “U bent geroepen om vrij te zijn”, zegt hij. Maar gebruik die vrijheid nu niet als een aanleiding voor het vlees! Want dat zou het vlees maar al te graag willen. God gaf de wet om de mens te overtuigen van zonde. Wat deed het vlees? Het wilde er gebruik van maken om zijn eigen gerechtigheid te bewerken. God openbaarde Zich in genade om ons te verlossen van de heerschappij van de zonde en ons erboven te plaatsen. Wat deed het vlees? Het wilde de genade gebruiken als een aanleiding om onbeperkt te zondigen. Maar de christen is werkelijk vrij van het juk van de zonde en het oordeel erover, omdat de opgestane Christus zowel zijn leven als zijn gerechtigheid is en de Geest de kracht en de gids is van zijn wandel, die naar de heerlijkheid leidt en die in overeenstemming met Christus is. In plaats dat hij een dienstknecht is van de begeerten van het vlees, probeert hij anderen te dienen, omdat hij vrij is om dat uit liefde te doen. Op die manier wordt ook de wet vervuld, zonder dat we onder het juk ervan zijn. Want de hele praktische wet wordt samengevat door dit ene woord: “U zult uw naaste liefhebben als uzelf”.

Maar als ze toegaven aan het vlees en elkaar opaten, doordat ze hen die niet besneden waren aanvielen, moesten ze oppassen dat ze elkaar niet zouden verslinden. Maar de apostel wilde hen iets leren wat positiever was. Na zijn onderwerp onderbroken te hebben gaat hij verder met de woorden: “Maar ik zeg: wandelt door [de] Geest, en u zult [de] begeerte van [het] vlees geenszins volbrengen”. Als we ons onder de wet plaatsen hebben we geen kracht om de zonde te weerstaan. De kracht van de christen is de Geest, die ons is gegeven op grond van de verhoging van Christus, die onze gerechtigheid is, aan Gods rechterhand. Nu staan deze beide krachten, het vlees en de Geest, als vijanden tegenover elkaar. Het vlees spant zich in om te verhinderen dat we naar de Geest zullen wandelen en de Geest weerstaat de werking van het vlees om te voorkomen dat het zijn wil uitvoert. Er staat niet “zodat”, maar “opdat u niet doet wat u wilt”. Maar als we door de Geest worden geleid zijn we niet onder de wet. Evenals de gerechtigheid niet gegrond is op de wet, komt de heiligheid – ware heiligheid – niet tot stand door de wet. En het is ook niet moeilijk om te zien wat van het vlees en wat van de Geest is. De apostel noemt eerst de droevige vruchten van het vlees op en hij voegt er het zekere getuigenis aan toe, dat wie zulke dingen doen het koninkrijk van God niet zullen beërven. De vruchten van de Geest zijn even duidelijk van aard en tegen zulke dingen is zeker geen wet. Als we naar de Geest wandelen zal de wet niets in ons vinden wat ze veroordeelt. Want zij die van Christus zijn, hebben het vlees gekruisigd met de hartstochten en begeerten. Zo is het, dat kenmerkt hen, omdat ze christenen zijn. Als deze Galaten werkelijk leven hadden was dat door de Geest. Maar dan moesten ze ook door de Geest wandelen.

Dit is het antwoord – toen en nu – op de bewering dat de wet de maatstaf voor onze heiliging en onze leefregel zou zijn. Zowel de kracht als de maatstaf voor heiligheid is in de Geest. En de Geest wordt niet gegeven door de wet. Bovendien blijkt hier duidelijk dat deze pretenties van het houden van de wet de vrije teugel hadden gegeven aan de trots van het vlees. Daarom worden de gelovigen vermaand niet te streven naar ijdele eer, waardoor men elkaar zou tergen en zou benijden.

Hoofdstuk 6

Als iemand door zorgeloosheid een overtreding had begaan, was het de taak van de christen dit lid van Christus te herstellen. Want het was iemand die kostbaar was voor Christus en voor de christen in overeenstemming met de liefde van Christus. En hij moest dit doen in een geest van zachtmoedigheid, door eraan te denken dat hijzelf ook kon vallen. Als ze een wet wilden hebben moesten ze zich hieraan houden: elkaars lasten dragen en zo de wet van Christus vervullen, dat wil zeggen de regel van heel Zijn eigen leven hier beneden. Als men roemt, terwijl men niets is, krijgt men geen echte eer. Dan misleidt men zichzelf alleen maar, zegt de apostel met woorden die door hun eenvoud een onuitsprekelijke smaad werpen op hen die dat deden. Deze wettische mensen roemden veel over zichzelf en legden anderen lasten op. Ze omgaven zichzelf met hun Judaïstische leer, door anderen lasten op te leggen die ze zelf niet hielpen dragen, maar waarop zij zich konden beroemen. Zo roemden ze in hun judaïsme en onderwierpen anderen daaraan. Maar wat was hun werk? Hadden ze werkelijk voor de Heer gewerkt? Absoluut niet. Laten ze hun eigen werk beproeven, dan zouden ze reden hebben om te roemen over wat ze zelf gedaan hadden. Als er tenminste een christelijk werk was geweest waartoe zij het instrument waren geweest! Dat was zeker niet het geval met wat ze nu deden. Want het was iemand anders die het werk van Christus in Galatië gedaan had. En ten slotte was het zo dat ieder zijn eigen pak zou dragen.

De apostel voegt er nog enkele praktische woorden aan toe. Wie onderwezen werd moest hen die hem onderwijs gaven ondersteunen in de tijdelijke dingen. Verder had God – hoewel de genade volmaakt is en de verlossing volkomen, zodat de gelovige de Heilige Geest als zegel daarvan ontvangen heeft – onfeilbare gevolgen verbonden aan iemands wandel, hetzij die naar het vlees is of naar de Geest. De gevolgen waren in overeenstemming met de oorzaak en ze konden God niet bespotten door de genade en het christendom te belijden, maar toch niet te wandelen naar de geest ervan, kortom zich niet te laten leiden door de Heilige Geest die de praktische kracht ervan is. Uit het vlees zouden ze verderf oogsten, uit de Geest het eeuwige leven. Overigens moesten ze als christenen geduld hebben om te oogsten en niet moe worden in goeddoen, want de oogst was zeker. Laten de gelovigen dus goeddoen aan allen, vooral aan hen die tot het huis van God behoren.

Paulus had deze brief eigenhandig geschreven, wat een ongebruikelijke zaak voor hem was. Hij gebruikte meestal anderen, zoals bijvoorbeeld Tertius voor de brief aan de Romeinen. Hij dicteerde hun wat hij wilde zeggen en voegde daar eigenhandig een zegenwens aan toe, om de juistheid van het geschrevene te garanderen (1 Korinthe 16:21; 2 Thessalonika 3:17). Dit is een opmerkelijk bewijs van het belang dat de apostel aan zijn geschriften hechtte en dat hij ze niet stuurde als normale brieven van mens tot mens, maar voorzien van een gezag dat het gebruik van zulke voorzorgen vereiste. Ze waren zorgvuldig bekleed met zijn apostolische gezag. Maar in dit geval schreef hij de hele brief zelf, omdat hij vol droefheid was en voelde dat de fundamenten waren aangetast. Nadat hij dit heeft gezegd komt hij dan ook onmiddellijk terug op het onderwerp dat hem ertoe gebracht had dit te doen.

Zij die zich mooi wilden voordoen naar het vlees dwongen de gelovigen uit de volken zich te laten besnijden, om de vervolging te ontgaan die verbonden was aan de leer van het kruis, aan de verlossing om niet door Christus. De besnedenen waren joden, ze maakten deel uit van een godsdienst die in deze wereld werd erkend en zelfs werd aangenomen. Maar om discipelen van een Gekruisigde te worden, die men als een boosdoener had opgehangen, en Hem als de enige Verlosser te belijden – wie kon verwachten dat de wereld dat zou aannemen? Maar de smaad van het kruis was het leven van het christendom. De wereld was geoordeeld, ze was dood in haar zonde. De overste van deze wereld was geoordeeld, hij had alleen de macht over de dood, hij was (met zijn volgelingen) de machteloze vijand van God. Bij zo’n oordeel was het jodendom in de ogen van de wereld hoogstaande wijsheid. Satan was wel bereid om een aanhanger te worden van de leer van een enig God. Zo zien we dat zij die erin geloofden zich verbonden met hun vroegere tegenstanders, de aanbidders van de demonen, om deze nieuwe vijand te bestrijden, die smaad wierp op het hele gevallen mensdom door het aan te klagen als in opstand tegen God en verstoken van het leven dat alleen in Jezus geopenbaard was. Het kruis was het doodvonnis over de natuur en voor de jood in het vlees was het een ergernis, nog meer dan voor de niet-jood, omdat hij de eer verloor waarmee hij in het oog van anderen bekleed was geweest door zijn kennis van de ene ware God.

Het vleselijke hart houdt er niet van te lijden en de goedkeuring van de wereld te verliezen, waarin een bepaalde mate van licht wel geaccepteerd of getolereerd wordt door verstandige mensen – en oprechte mensen als er niet meer licht aanwezig is. Er is verdraagzaamheid zolang men niet komt met beweringen die de hele wereld veroordelen en alles oordelen wat het vlees begeert en waaraan het zijn aanzien ontleent. De wereld is bereid tot een compromis dat het vlees min of meer accepteert, dat het niet veroordeelt als dood en verloren, dat de wereld en het vlees – al is het nog maar zo weinig – als uitgangspunt neemt. Ze kan niet hopen zich met succes te verzetten tegen de waarheid die het hele geweten beoordeelt en neemt daarom een godsdienst aan die de geest van de wereld tolereert en zich aanpast aan het vlees. Ze zal het vlees sparen, zelfs al moeten er pijnlijke offers worden gebracht. Als het vlees zelf maar niet volkomen terzijde gesteld wordt! De mens zal van zichzelf een fakir maken, zijn leven opofferen en alle mogelijke ontbering en kastijding verdragen. Als het maar het eigen ik is dat het doet! En God niet alles uit genade gedaan heeft, door het vlees te veroordelen als onbekwaam tot enig goed en verstoken van enig goed in zichzelf!

De besnedenen hielden de wet niet – dat zou te moeilijk zijn geweest. Maar ze wilden roemen in proselieten die ze wonnen voor hun godsdienst. De apostel had in de wereld niets dan ijdelheid, zonde en dood gezien. De geest van de wereld, van de vleselijke mens, was moreel ontaard, verdorven en schuldig. De mens roemde in zichzelf omdat hij God niet kende. Maar ergens anders had Paulus genade gezien, liefde, reinheid, gehoorzaamheid en toewijding om de Vader te verheerlijken en arme zondaars gelukkig te maken. Het kruis openbaarde hem deze beide dingen, het toonde wie de mens was en het toonde Wie God was en wat heiligheid en liefde waren. Maar het was de diepste vernedering in de ogen van de wereld en het vernietigde al haar trots. Het was een Ander die daar ten koste van Zijn eigen leven en van elk mogelijk lijden het werk volbracht dat aan het licht bracht wie de mens was en Wie God was, zodat de apostel al de gevoelens van zijn hart de vrije loop kon laten zonder zichzelf ergens op te beroemen. Integendeel, hij vergat zichzelf. We roemen niet in onszelf als we zien op het kruis van Christus, we leggen het eigen ik af. Hij die aan het kruis hing was groot in de ogen van Paulus. De apostel zag de wereld die Hem gekruisigd had daardoor in haar ware karakter en zo ook de Christus die op het kruis geleden had in Zijn ware karakter. Daarom wilde hij roemen in dat kruis. Hij was blij dat hij door middel daarvan voor de wereld gestorven was en dat de wereld daardoor voor zijn hart had afgedaan, geoordeeld, gekruisigd en te schande was gemaakt, zoals ze dat verdiende. Het geloof in de gekruisigde Zoon van God overwint de wereld.

Voor de gelovige heeft de wereld haar ware karakter. Want in Christus Jezus heeft het besneden zijn of niet besneden zijn in werkelijkheid niet de minste waarde. Dat alles is verdwenen met een gestorven Christus. Maar wat waarde heeft is een nieuwe schepping en in overeenstemming daarmee zien we alle dingen zoals God ze ziet. De apostel wenst hen die naar de beginselen van deze nieuwe schepping wandelen, de ware kinderen van God, vrede toe. Israël dat naar het vlees was besneden was niet het Israël van God. Als er uit dat volk waren die naar het hart besneden waren, die roemden in het kruis in overeenstemming met de gevoelens die van de nieuwe schepping zijn, waren zij het Israël van God. Bovendien behoorde elke ware christen tot hen volgens de geest van zijn wandel.

Ten slotte moest niemand hem moeite aandoen met betrekking tot zijn dienst. Want hij droeg de littekens van de Heer. Het is bekend dat men een slaaf merktekens gaf met een heet ijzer om aan te geven aan welke persoon hij toebehoorde. De wonden die Paulus waren toegebracht toonden heel duidelijk Wie zijn Meester was. Laat niemand voortaan dus zijn recht betwijfelen om zichzelf een dienstknecht van Christus te noemen. Dit is een treffend beroep dat de apostel doet, terwijl zijn hart verwond was doordat hij merkte dat zijn dienst voor de Meester die hij liefhad in twijfel getrokken werd. Overigens moesten ze door Satan, die deze merktekens gegeven had, wel erkend worden – deze mooie initialen van Jezus.

In overeenstemming met de Goddelijke liefde die hem dringt wenst hij dat de genade van Christus met hen zal zijn. Want ze waren kostbaar voor Christus, hoe hun toestand ook mocht zijn. Maar we zien hier niet dat hij zijn hart uitstort door hartelijke groeten aan christenen te richten. Het was een plicht – een liefdeplicht – die hij vervulde. Maar wat voor liefdebanden kon hij verder hebben met mensen die hun roem in het vlees zochten en accepteerden wat tot oneer van Jezus was en de roem van Zijn kruis verzwakte en zelfs tenietdeed? Zonder dat hij dat wenste was de stroom van de liefde tot staan gekomen. Zijn hart ging uit naar Christus die onteerd was, hoewel hij al de Zijnen liefhad in Hem. Dat is eigenlijk het gevoel dat in de laatste verzen van deze brief ligt opgesloten.

In de brief aan de Galaten zien we inderdaad dat Christus in ons leeft, in tegenstelling tot het vlees of het “ik” dat in het vlees leeft. Maar als systematische waarheid vinden we noch dat de gelovige in Christus is, noch dat Christus in de gelovige is. We hebben de praktische toestand van de christen aan het eind van hoofdstuk 2. Verder is de hele brief een veroordeling van alle terugkeer naar het jodendom, als gelijkwaardig met heidense afgodendienst. De wet en de mens in het vlees stonden in wederzijds verband met elkaar. De wet werd gegeven tussen de belofte en Christus, het Zaad. En de wet was een heel nuttig instrument om de mens op de proef te stellen, maar als ze werkelijk werd gekend bracht ze hem ter dood en veroordeelde ze hem. Nu werd hierin uit genade volkomen voorzien door het kruis – het eind van de mens in het vlees door de dood, het eind van de zonde doordat Christus tot zonde gemaakt werd. Alle terugkeer naar de wet was een prijsgeven van de belofte zowel als van het werk van de genade in Christus. Het was een terugkeer naar het vlees dat gebleken was zondig en verloren te zijn, alsof er een relatie tussen God en het vlees mogelijk zou zijn. Het was een loochening van de genade en zelfs van de ware uitwerking van de wet en ook een loochening van de werkelijke toestand van de mens zoals het kruis die aan het licht had gebracht. Het was heidendom. En het houden van dagen en jaren enzovoort was verbonden met de mens die in het vlees leefde, het hield geen rekening met het eind van de oude mens door genade op het kruis. Verder hebben we Christus als ons leven, want zonder dat zou de dood ons natuurlijk zonder hoop laten. Maar we vinden hier niet de christelijke positie: wij in Christus en Christus in ons. Deze brief behandelt het werk dat ons daar brengt en laat ons zien waar de mens is. In dit opzicht is Galaten van vitaal belang. De mens in het vlees staat volkomen buiten elke relatie met God en er kan geen enkele gevormd worden. Er is een nieuwe schepping nodig.

EINDE BRIEF AAN DE GALATEN

J.N. Darby

© Uit het Woord der Waarheid · 7.3

De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.

Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:

Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!


Voetnoten:

1 “Niet vanwege mensen”, dat zouden zij die zichzelf de clerus noemen wel beamen. Maar ze kunnen niet instemmen met de woorden “niet door een mens”. Want daardoor wordt hun bestaan als zodanig in de wortel aangetast. Ze zijn trots op hun afkomst van een mens, maar het is opmerkelijk genoeg dat niemand die terugvoert tot Paulus, de ware dienaar van de gemeente. Waar men de meeste nadruk erop legt beroept men zich juist op Petrus, de apostel van de besnijdenis. Petrus was helemaal niet de apostel voor de volken en voor zover we weten ging hij nooit naar hen toe.

2 Het is van praktische betekenis om op te merken dat als een godvruchtig man wereldsgezindheid of iets anders toelaat wat niet uit God is, het kwaad dat hij toelaat verergerd wordt door de grootte van zijn godsvrucht.

3 Christus had ook zijn zonden gedragen. Maar over dit onderwerp wordt hier niet gesproken. Het gaat hier om de heerschappij van de wet over hem terwijl hij leefde op aarde.

4 We moeten hier lezen: “Aan Abraham nu werden de beloften gedaan en aan zijn zaad”, en niet: “Aan Abraham en aan zijn zaad”. De beloften met betrekking tot de tijdelijke zegeningen van Israël werden aan Abraham en aan zijn zaad gedaan, met de toevoeging dat dit zaad zou zijn als de sterren in menigte. Maar hier spreekt Paulus niet over de beloften die aan de joden waren gedaan, maar over de zegen die aan de volken werd geschonken. De belofte van zegen voor de volken werd alleen aan Abraham gedaan, zonder zijn zaad te noemen (Genesis 12). En, zoals de apostel hier zegt, deze belofte werd bekrachtigd aan zijn zaad, zonder Abraham te noemen (Genesis 22). We zien daar dat de belofte alleen bekrachtigd werd in de persoon van Izaäk, het type van de Heer Jezus die werd opgeofferd en weer opgewekt uit de doden, zoals dit in beeld met Izaäk gebeurde. De belofte werd dus bekrachtigd, niet in Christus, maar aan Christus het ware Zaad van Abraham. Op dit feit dat de beloften aan Christus werden bekrachtigd rust het hele betoog van de apostel. De betekenis van het feit dat het type ons voorstelt, dat de belofte aan Izaäk werd bekrachtigd nadat hij in beeld was gestorven en opgestaan, is duidelijk. Ongetwijfeld maakte de vervulling van dit type de belofte zeker voor David, maar tegelijk werd hierdoor de scheidsmuur van de omheining weggebroken en kon de zegen tot de volken stromen – en laten we hieraan toevoegen ook tot de joden – op grond van de verzoening die door Christus was aangebracht. Zo kon ieder die geloofde en gerechtigheid van God was geworden in Hem – verzegeld worden met de Heilige Geest die beloofd was. Als men eenmaal de betekenis van Genesis 12 en 22 heeft begrepen in verbinding met de beloften van zegen voor de volken, ziet men heel duidelijk de grondslag waarop het betoog van de apostel rust.