43. Maleachi
43. Maleachi · uit de ‘Synopsis’ deel 4 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
De profetie van Maleachi handelt over het volk Israël nadat het uit de Babylonische ballingschap teruggekeerd was. Het is bijzonder belangrijk, omdat het ons de zedelijke toestand van het volk na die terugkeer beschrijft.
De laatste verzen van het boek zijn klaarblijkelijk het slot van het getuigenis van Jahweh aan Zijn volk, tot aan de komst van hem die de wegbereider van Jahweh zou zijn, dus tot de tijd van Johannes de Doper. De wet en de profeten hebben tot op Johannes geprofeteerd en Maleachi is, én als profeet, én krachtens het karakter van zijn profetie, de laatste.
Het grote zedelijke beginsel dat in dit boek ontvouwd wordt, is de ongevoeligheid van het volk voor wat Jahweh voor hen was en geweest was, en voor hun eigen ongerechtigheid ten opzichte van Jahweh – hun totaal gebrek aan eerbied voor God, hun verachting voor Jahweh. Helaas had deze ongevoeligheid zo’n hoogtepunt bereikt dat zij, toen hun de daden waaruit die verachting duidelijk bleek onder ogen werden gebracht om hun geweten wakker te maken, er absoluut geen kwaad in konden zien. Dit veranderde echter helemaal niets aan Gods doel en raadsbesluiten, hoewel het Zijn oordelen bracht over hen die zich aan deze dingen schuldig maakten (zie hoofdstuk 1:2, 6; 2:14; 3:7, 13).
Ook onderscheidt Maleachi het overblijfsel en wat hen kenmerkt, terwijl hij intussen de straf over de goddelozen verkondigt en de roepstem van God laat horen tot hen die oren hadden om te horen, om hen tot berouw terug te brengen. Zijn dienst had tot doel de zedelijke verhouding in de harten van ouders en kinderen te herstellen – die verwantschap waaruit, als zij gehandhaafd en beoefend wordt, alle vreedzame aardse orde naar Gods gedachte voortvloeit. Het is die verhouding waarop God hier het oog heeft en waar Hij rekening mee houdt.
In het begin van de profetie brengt Jahweh Zijn liefde voor Israël in herinnering – helaas geminacht door een ondankbaar volk! Toch had Hij die bewezen door het feit dat Hij hen vanaf het begin als Zijn volk verkoren had. En zelfs waar Hij hun hun treurige ondankbaarheid als volk voor ogen stelt, blijft Jahweh toch getrouw aan Zijn voornemens tegenover hen. Hij wil Israël zegenen en Edom oordelen, ondanks de hoogmoed van dit laatste volk.
De zonde van Israël en daarnaast hun ergerlijke onverschilligheid in de dienst van hun God, worden getoond in de verzen 6-10. Dit geeft aanleiding tot een andere mededeling van Zijn genade, namelijk het bekendmaken van de Naam van Jahweh onder alle volken. Dus te midden van, ja zelfs naar aanleiding van de zonde van het herstelde overblijfsel, wordt de verkiezing van Israël en Gods barmhartigheid tegenover de volken geproclameerd. Ook de verzen 12-14 spreken van hun overtredingen tegen Jahweh en het verachten van Zijn majesteit.
Hoofdstuk 2:1-9 stelt het diepe verval van de priesters in het licht, die als getrouwe dienaren Gods gedachten en wegen in hun harten hadden moeten bewaren. De verzen 10-12 tonen hun wangedrag tegen hun broeders en hun vertrouwelijke omgang met afgodendienaars, terwijl 13-16 de lichtzinnigheid beschrijven waarmee zij, alsof het de gewoonste zaak was, naar welgevallen hun huwelijken verbraken.
Maar Jahweh’s komst nadert. Hier zien wij opnieuw de eerste komst van de Heer 1 verbonden met het volle resultaat van Zijn tweede komst. De komst van Johannes de Doper wordt eerst aangekondigd, als Zijn boodschapper om de weg voor Hem te bereiden. Daarna zou de Engel van het verbond komen, naar Wie zij zo vurig verlangden. Maar dat zal zijn om te oordelen, om het volk te louteren en al hun onreinheden weg te nemen. Dan zal hun graanoffer in Jeruzalem een offer in gerechtigheid zijn en Jahweh welbehagelijk.
Maar allen die in het kwade zouden volharden, zullen geoordeeld worden. Want God is een God Die nooit verandert, noch in gerechtigheid noch in genade. Dit was uiteindelijk voor Israël de zekerheid dat zij niet verteerd werden, wat er ook gebeurde. Laat Israël dan terugkeren tot Jahweh; dan zal Jahweh tot hen terugkeren.
Maar hierdoor is Israëls trots geprikkeld en zij vragen: “In welk opzicht moeten wij terugkeren?” Dan worden hun zonden met betrekking tot de offers en de goddelijke voorschriften hun voor ogen gehouden. Maar tegelijk openbaart de genade zich opnieuw doordat zij het gezegende vooruitzicht voorstelt van hun terugkeer uit hun praktische afdwaling van God. Als zij Gods goedheid wilden ervaren, hoefden zij zich alleen maar tot Hem te keren.
Te midden van de hoogmoed van de goddelozen in hun schijnbare succes zien wij het ware overblijfsel onderscheiden. Ze waren met elkaar verbonden door hun gemeenschappelijke geestelijke nood en gevoelens, die voortkwamen uit de vreze des Heren, die hen allen kenmerkte. In hun droeve omstandigheden spraken zij vaak met elkaar over deze dingen 2. En Jahweh merkte het op, hoorde het en schreef het in Zijn boek. Én zij zullen op die dag een eigendom van de HEERE zijn. Daarna zullen zij het onderscheid zien tussen de rechtvaardige en de goddeloze, tussen wie God dient en wie Hem niet dient. Want de dag zal komen die als een oven zal branden, wanneer elke hoogmoedige en al wie goddeloosheid doet, als een stoppel zal zijn. Maar voor hen die de Naam van Jahweh vrezen, zal de Zon der Gerechtigheid opgaan.
Het zal niet langer de treurige nacht van duisternis en benauwdheid en van de heerschappij van de vijand zijn, maar een dag die God zal doen schitteren door de glans van de tegenwoordigheid van Zijn Zoon en door de regering van Zijn Geliefde over de aarde. De rechtvaardigen zullen in de morgen heerschappij over de wettelozen hebben, want die tijd zal een tijd van oordeel zijn en de goddelozen zullen als as zijn onder de zolen van hun voeten.
Men zal hier opmerken dat dit alles in verband staat met het gezag van Jahweh en Zijn toekomstige bedoelingen met Israël, en met de houding van Israël als natie tegenover hun God. Dat wat verband houdt met de eerste komst van Christus en de gevolgen daarvan voor Israël, wordt hier buiten beschouwing gelaten. Johannes de Doper wordt hier gezien als de voorloper van Jahweh, Die ongetwijfeld Christus Zelf is, maar Die hier wordt voorgesteld als de Engel van het verbond, Die plotseling naar Zijn tempel zal komen; Die alles en allen in Israël door het vuur en door Zijn oordelen zal louteren, opdat het offer van Juda Jahweh welbehagelijk zal zijn, zoals in de dagen van weleer. De overtredingen waarover hier gesproken wordt, zijn die van het volk dat uit Babel teruggekeerd is, begaan tegen Jahweh. Hier is geen sprake van de volken en hun wereldrijk. Alles speelt zich af tussen Israël alleen en Jahweh, de God van hun vaders, Die hen liefhad. Jahweh kan geen vreemde god naast Zich dulden. Zijn verbond was met Levi; en de priesters hadden de ware kennis van Jahweh in hun harten moeten koesteren en met hun lippen moeten verkondigen.
Er wordt hier zelfs niet over een koning gesproken, behalve dan dat Jahweh, Wiens naam vreselijk is onder de heidenen, hun Koning is. Ten slotte wordt het volk (Israël) geboden tot de wet van Mozes terug te keren, die op Horeb voor heel Israël was gegeven.
We vinden hier dus Jahweh’s onveranderlijke liefde voor het volk, dat Hij bij Horeb tot Zich vergaderd had; Zijn twisten met hen over hun zonden; de onderscheiding van een getrouw overblijfsel; en het zenden van een boodschapper, voor de voltrekking van het oordeel. Israël wordt gezien als natie, in hun bijzondere verwantschap met Jahweh, als teruggekeerd van de ballingschap, en in afwachting van het oordeel van hun God, Die echter Zijn boodschapper zendt, om hen van tevoren te waarschuwen.
Alle omstandigheden waren ten tijde van de zending en het optreden van Johannes de Doper voorbereid, om het volk geestelijk op de proef te stellen, met het oog op de vervulling van dit alles; maar Israël had geen oren om te horen en daarom was alles verloren. De volkomen en algehele vervulling zal pas aan het einde plaatsvinden, nadat dat andere glorierijke werk van God in verband met de gemeente volbracht is.
Gods lankmoedigheid ten opzichte van Israël is groot geweest. Toen zij Zijn Zoon hadden verworpen, heeft Hij hun – op grond van de voorspraak van diezelfde veelgeliefde Verlosser aan het kruis – door de mond van Petrus de blijde boodschap gezonden dat de Christus die zij gedood hadden, zou terugkomen als zij zich bekeerden. Maar hun leiders waren meer dan doof voor zo’n genade van Gods kant, zodat hun huis nog steeds leeg en woest is.
In de tijd van het einde zal Elia komen. Het was Elia’s zending een afgevallen Israël, dat Jahweh de rug had toegekeerd en Hem niet meer in waarheid wilde erkennen, tot bekering te roepen. En dat door de soevereine genade van God, hoewel in verbinding met de wet en met die “Berg Horeb,” waarheen hij vluchtte om de zware last van zijn profetische ambt neer te leggen, omdat het door het ongeloof van het volk nutteloos geworden was. Nu, Elia zal zijn zending op een volkomen en doeltreffende wijze volbrengen, voordat die grote en vreselijke dag van Jahweh aanbreekt, zodat de vloek van God het geliefde land van Zijn welbehagen niet treft, wanneer Hij Zijn eindoordelen ten uitvoer zal brengen.
Daarom wordt van Johannes de Doper als Elia gesproken, als Israël het wilde aannemen. Want hij beantwoordde aan wat over die profeet in hoofdstuk 3:1 gezegd wordt. Tegelijkertijd ontkende hij zelf dat hij Elia was; want wat in hoofdstuk 4:5-6 voorspeld wordt, werd absoluut niet door hem vervuld. (Vergelijk Lukas 1:17 en 76).
De profetie richt zich tot de gewetens van hen die leefden toen zij uitgesproken werd (hoofdstuk 3:10) en toont dan aan dat aan het eind van die tijden Israël op de proef gesteld zou worden door de boodschap van genade. Maar dan gaat zij voort tot de laatste dagen, waarin God Zijn onveranderlijke liefde voor Zijn volk en Zijn rechtvaardig oordeel tegen het kwaad zou tonen, door een overblijfsel voor Zichzelf af te zonderen, om het te zegenen, en door Zijn oordeel te voltrekken over de weerspannige tegenstanders.
Over de volken wordt niet gesproken, noch zelfs over de verhouding van Zijn volk tot Christus, als Hij als mens naar deze aarde komt.
Deze drie profeten, die na de ballingschap gesproken hebben, geven ons dus drie verschillende onderwerpen, die echter één geheel vormen.
In Haggaï is het genade ten opzichte van het teruggekeerde overblijfsel, terwijl Gods Geest nog in hun midden werkt, en dat alles in verband met het huis en de dienst van Jahweh: de tempel. De toekomstige heerlijkheid van dit huis zal groter dan de eerste zijn. De koninkrijken van de heidenen zullen neergeworpen worden en Zerubbabel (dat is Christus) zal als een zegelring aan Jahweh’s hand zijn. In Jeruzalem zal vrede heersen.
Zacharia behandelt twee onderwerpen: ten eerste, de koninkrijken van de heidenen en Gods voorzienige wegen met Israël – de tijden van de volken. Jeruzalem wordt erkend maar geoordeeld door God en in haar ware karakter als Babylonisch bestempeld; maar aan het einde zien wij de Spruit, de Heer Jezus, de getrouwen kronen schenken in de plaats van vasten, – nadat Babel al geoordeeld is, – en vreemdelingen zullen komen en de tempel van de HEERE helpen bouwen.
Vanaf hoofdstuk 7 tot het einde zien we de verbinding van Israël met Christus, en Zijn verwerping en de gevolgen daarvan in het LAATSTE oordeel over Jeruzalem. Maar desondanks zal Jahweh, zoals we al vaak gezien hebben, vóór al deze dingen alle volken die zich tegen haar verzameld hebben, definitief oordelen. Het overblijfsel zal tot bekering en berouw gebracht worden en Jeruzalem zal de heiligheid van de Heer zijn en niet meer door vreemden worden verontreinigd.
Ten slotte hebben wij Maleachi, die ons de droevige toestand laat zien waarin de Joden spoedig na hun terugkeer waren vervallen, met geringschatting van alles wat de Heer welgevallig was, en onverschillig en gevoelloos ten opzichte van de wijze waarop zij elk rechtschapen gevoel schonden. Verder de praktische afzondering van hen die de HEERE vreesden en de komst van de HEERE ten oordeel en ter verlossing. Intussen de roepstem om terug te keren naar het gezag van de wet, en de komst van Elia, voordat de grote en vreselijke dag van de Heer komt, om hun harten in genade te richten op de weg van de vrede.
EINDE MALEACHI
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid · 4.17
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’, J. Koechlin
- Gods bemoeiingen met Israël en de volken (over de kleine profeten), H. Rossier
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
Voetnoten:
1 Merk goed op, dat het de komst van Jahweh is.
2 Wij zien dit liefelijke tafereel in de eerste twee hoofdstukken van het Evangelie van Lukas, voor hij begint met het algemene onderwerp van zijn Evangelie. Alleen zien wij daar, dat de Heiland was verworpen en het overblijfsel dus een plaats ontving in de gemeente, omdat de verlossing van Israël wordt uitgesteld tot de komst van de Heer in kracht. Hier in Maleachi wordt het overblijfsel van Israël beschouwd in verband met de toekomstige verlossing.