47. Markus
47. Markus · uit de ‘Synopsis’ deel 5 van J.N. Darby
Alle delen van deze reeks
- 1. Voorwoord en inleiding op de Synopsis
- 2. Genesis
- 3. Exodus
- 4. Leviticus
- 5. Numeri
- 6. Deuteronomium
- 7. Jozua
- 8. Richteren
- 9. Ruth
- 10. 1 Samuël
- 11. 2 Samuël
- 12. 1 Koningen
- 13. 2 Koningen
- 14. 1 Kronieken
- 15. 2 Kronieken
- 16. Ezra
- 17. Nehemia
- 18. Esther
- 19. Job
- 20. Psalmen deel 1 (Psalm 1-72)
- 21. Psalmen deel 2 (Psalm 73-150)
- 22. Spreuken
- 23. Prediker
- 24. Hooglied
- 25. Inleiding tot de ‘grote profeten’ (Jesaja t/m Daniël)
- 26. Jesaja
- 27. Jeremia
- 28. Klaagliederen
- 29. Ezechiël
- 30. Daniël
- 31. Inleiding tot de ‘kleine profeten’
- 32. Hosea
- 33. Joël
- 34. Amos
- 35. Obadja
- 36. Jona
- 37. Micha
- 38. Nahum
- 39. Habakuk
- 40. Zefanja
- 41. Haggaï
- 42. Zacharia
- 43. Maleachi
- 44. Inleiding tot het Nieuwe Testament
- 45. Mattheüs deel 1 (Mattheüs 1-15)
- 46. Mattheüs deel 2 (Mattheüs 16-28)
- 47. Markus
- 48. Lukas
- 49. Johannes
- 50. Handelingen
- 51. Inleiding tot de Brieven van het Nieuwe Testament
- 52. Romeinen
- 53. 1 Korinthe
- 54. 2 Korinthe
- 55. Galaten
- 56. Efeze
- 57. Filippi
- 58. Kolosse
- 59. 1 Thessalonika
- 60. 2 Thessalonika
- 61. 1 Timotheüs
- 62. 2 Timotheüs
- 63. Titus
- 64. Filémon
- 65. Hebreeën
- 66. Jakobus
- 67. 1 Petrus
- 68. 2 Petrus
- 69. 1 Johannes
- 70. 2 Johannes
- 71. 3 Johannes
- 72. Judas
- 73. Openbaring
Markusevangelie
Het Evangelie van Markus heeft een karakter dat in veel opzichten verschilt van al de andere. Zoals we gezien hebben, heeft ieder Evangelie zijn eigen karakter. Elk beziet de Persoon van de Heer vanuit een ander gezichtspunt. Als een Goddelijk Persoon, de Zoon van God; als de Zoon des mensen; als de Zoon van David, de Messias, de Emmanuel, die aan de joden wordt voorgesteld. Maar Markus houdt zich met geen van deze titels bezig. Hier vinden we de Dienstknecht; de actieve dienst van Christus in het evangelie, vooral als de Drager van het Woord. Wel wordt de heerlijkheid van Zijn goddelijke Persoon op een merkwaardige wijze gezien door heel Zijn dienstwerk heen. En dat als het ware ondanks Hemzelf, zodat Hij de gevolgen ervan ontvlucht. Maar toch is dienen het onderwerp van dit boek. Ongetwijfeld zullen we zien, dat het karakter van Zijn onderwijs zich ontwikkelt, (en als gevolg maakt de waarheid zich los van de joodse vormen waarin ze werd vastgehouden), evenals het verhaal van Zijn dood, waarvan alles afhankelijk is voor de vestiging van geloof. Maar wat dit Evangelie bijzonder kenmerkt is, het karakter van de dienst en de dienstknecht, dat verbonden wordt met het leven van Jezus; het werk dat Hij persoonlijk kwam volbrengen als levende hier op aarde. In verband hiermee wordt de geschiedenis van Zijn geboorte hier niet gevonden.
Hoofdstuk 1
Markus begint met de aankondiging van het begin van het evangelie. Johannes de Doper is de aankondiger, de voorloper, van Hem die deze blijde boodschap aan de mens zou brengen.
De boodschap is nieuw, ten minste in het absolute en volkomen karakter dat hij aanneemt en ook in zijn directe en onmiddellijke toepassing. Door berouw en terugkeer tot de Heer, zouden niet de joodse voorrechten worden verkregen. De Heer zou komen volgens Zijn belofte. En om de weg voor Hem te bereiden, predikte Johannes bekering tot vergeving van zonden. Dat hadden zij nodig. Vergeving van zonden voor hen die zich bekeerden, was de grote zaak, het formele doel van de zending van Johannes.
Bekering en vergeving van zonden, staan duidelijk in verbinding met de verantwoordelijkheid van de mens, en dus hier van Israël in zijn natuurlijke toestand voor God. Dit duidelijk makende ten opzichte van de toestand van de mens in zijn verhouding tot God, maakt hem zedelijk en in overeenstemming met zijn verantwoordelijkheid bekwaam voor de aanneming van de zegen die God had bereid. Zedelijk, doordat hij in beginsel de zonden oordeelt zoals God het doet, en naar zijn verantwoordelijkheid, doordat God ze alle vergeeft. Daarom is vergeving ook noodzakelijk een tegenwoordig werkelijk feit. Er is een vergeving in verbinding met de regeringswegen van God, en er is een die rechtvaardigt. Maar het beginsel is hetzelfde, en de laatste is de grondslag voor de eerste. Waar de vergeving wordt verkregen in de regeringswegen van God, gaat ze mogelijk gepaard met verschillende begeleidende handelingen van God, maar de zonde wordt toch niet toegerekend waar het de tegenwoordige verhouding met God betreft. Wat de vergeving betreft die rechtvaardigt, die heeft eeuwige kracht.
En deze vergeving (zoals in Romeinen 4, door het gebruik van Psalm 32 het algemene karakter tonende van het niet toerekenen van de zonde), is gegrond op het werk van Christus en daarom absoluut en onveranderlijk. De zonde wordt niet meer toegerekend en zal ook nooit meer toegerekend worden, omdat het werk dat de zonde wegdeed van voor Gods ogen, volbracht en voleindigd is. Dat werk, (eeuwig absoluut en onveranderlijk in zichzelf), is de grondslag van alle handelingen van God in genade met de mens. De genade heerst door gerechtigheid. Hebreeën 9-10 tonen dat aan, als het gaat om het geweten en het nader treden tot God in het Heilige der heiligen. We zien hetzelfde in Romeinen 3-5, waar het vraagstuk gerechtelijk wordt bezien; een zaak van oordeel, toorn en rechtvaardiging. Het is de grondslag van de zegeningen. Maar hoe groot ook – vrede met God en verzoening, – het is niet het einde van de zegen.
Hier was het de grond van alle zegen die Israël zal genieten door het Nieuwe Verbond, gegrond op de dood van Christus. Maar waar Hij verworpen werd, gaan zij die geloven nu in betere en hemelse zegeningen in. In Exodus 32:14 en 34 hebben we de vergeving overeenkomstig de regeringswegen van God, en dus geen rechtvaardiging. Toen David zijn grote zonde had begaan, werd deze vergeven zodra ze was erkend. De ongerechtigheid ervan werd weggedaan, maar een ernstige tuchtiging was met de vergeving verbonden, omdat David de vijanden van de Heer gelegenheid had gegeven om de Naam van de Heer te lasteren. De heerlijkheid van God moest in gerechtigheid voor de wereld worden gehandhaafd (2 Samuel 12:13-14).
Hier in Markus werd aan Israël een tegenwoordige vergeving aangeboden, die in de laatste dagen zal worden voltooid. En dan, als hun langdurige verwerping geëindigd zal zijn in een vergeving naar de regeringswegen van God, zullen ze ook, tenminste het overblijfsel, door de dood en bloedstorting van Christus, vergeving ontvangen en gerechtvaardigd worden, voor het genieten van de beloften onder het Nieuwe Verbond (vergelijk Handelingen 3).
De profeten hadden inderdaad vergeving aangekondigd, als het volk tot de Heer terugkeerde, maar hier was de vergeving het werkelijke doel van de prediking. In grote menigte gaat het volk tot Johannes om er deel aan te krijgen. Minstens werd het geweten geraakt. En hoe hoogmoedig de leidslieden van het volk ook waren, de toestand van Israël werd toch door het volk gevoeld, zodra er iets buiten de sleur van hun gewone godsdienstige handelingen, inwerkte op hun hart en geweten; dat wil zeggen: als God sprak. Ze belijden hun zonden. Bij sommigen was het mogelijk alleen het natuurlijke geweten en niet een werkelijk leven gevend werk. Maar in elk geval was het gewerkt door het getuigenis van God.
Maar Johannes, streng van het volk gescheiden en afgezonderd van de menselijke samenleving levende, kondigt een Ander aan, machtiger dan hij, Wiens schoenriem hij niet waardig was te ontbinden. Deze zou niet alleen bekering prediken, die men aannam door de doop met water, maar Hij zou de Heilige Geest, de kracht, geven aan hen die Zijn getuigenis aannamen. En dan gaat Markus vlug over tot de dienst van Hem, die Johannes zo aankondigde. Hij laat alleen in grote lijn zien, wat de Heer tot deze dienst inleidde.
De Heer neemt Zijn plaats in te midden van hen uit Zijn volk, die berouw hebben. En, terwijl Hij Zich onderwerpt aan de doop van Johannes, ziet Hij de hemel boven Zich open gaan en de Heilige Geest op Hem neerdalen als een duif. De Vader erkent Hem als Zijn Zoon op aarde, in Wie Hij Zijn welbehagen heeft. Daarna wordt Jezus door de Heilige Geest in de woestijn geleid, waar Hij gedurende 40 dagen de verzoeking van satan ondergaat. Hij is met de wilde dieren en de engelen dienen Hem. Hier zien we Zijn gehele positie – het karakter dat de Heer op aarde inneemt. Alle trekken ervan en de verbindingen met wat Hem omringde, vinden we in deze twee of drie verzen beschreven. In Mattheüs hebben we de verschillende details daarvan al besproken.
Daarna verdwijnt Johannes van het toneel, om plaats te maken voor de openlijke dienst van Christus, van Wie hij alleen de heraut was. Christus Zelf verschijnt in de plaats van het getuigenis, verklarende dat de tijd vervuld was. Het was nu geen kwestie meer van profetieën of van toekomende tijden. God ging nu Zijn koninkrijk oprichten, en zij moesten zich bekeren en de blijde boodschap aannemen die hen op datzelfde ogenblik werd verkondigd.
De evangelist komt nu snel 1 tot elk deel van de dienst van Christus. Eerst stelt hij de Heer voor als Degene die nu Zijn openlijke dienst begint, door welke de mensen geroepen worden om de blijde boodschap aan te nemen als een huidig feit, omdat de tijd van de vervulling van de wegen van God was gekomen. Daarna laat hij Hem zien als Degene die anderen roept om in Zijn Naam hetzelfde werk te doen door Hem te volgen. Zijn woord mist zijn uitwerking niet. Die door Hem worden geroepen, verlaten alles en volgen Hem 2. Hij gaat op de sabbat in de stad om te onderwijzen. Zijn woord bestaat niet uit verstandelijke bewijsvoeringen die getuigen van menselijke onzekerheid. Hij komt met het gezag van Iemand die de waarheid die Hij verkondigt kent. Het is een gezag dat in werkelijkheid van God was, die de waarheid kan bekendmaken. Hij spreekt ook als Iemand die dit gezag bezit en Hij geeft daarvan ook de bewijzen. Het woord dat zo tot de mens komt, heeft macht over de duivelen (demonen). Er was een mens die door een boze geest was bezeten. De boze geest gaf, ondanks zichzelf, getuigenis van Hem die sprak en Wiens aanwezigheid hij niet kon verdragen. Maar het woord dat hem verontrustte, had macht om hem uit te werpen. Jezus bestraft hem, beveelt hem te zwijgen en van de mens uit te gaan. En de boze geest onderwerpt zich en gaat uit, na zijn werkelijke aanwezigheid en boosheid getoond te hebben. Zo’n macht bezat het woord van Christus. Het is niet te verwonderen dat het gerucht van deze handeling door het gehele land werd verspreid. Maar de Heer gaat voort met Zijn weg van dienst waar Hij ook maar werk vindt. Hij gaat in het huis van Petrus, wiens schoonmoeder met koorts te bed lag. Hij geneest haar onmiddellijk. En toen de sabbat voorbij was, brachten ze allen tot Hem die ziek waren. En Hij, altijd bereid om te dienen, (dierbare Heer!) geneest ze allen.
Maar de Heer werkte niet om een schare om zich heen te vergaderen. En in de morgen, lang voor het dag werd, ging Hij naar de woestijn om te bidden. Dat was het kenmerk van Zijn dienst die uitgeoefend werd in gemeenschap met Zijn God en Vader en in afhankelijkheid van Hem. Hij gaat alleen in een eenzame plaats. De discipelen vinden Hem en vertellen dat allen Hem zoeken; maar Zijn hart is bij Zijn werk. Het algemene verlangen van de schare brengt Hem niet terug. Hij vervolgt Zijn weg, om het werk te vervullen dat Hem was opgedragen. Hij predikt de waarheid onder het volk, want dat was het werk waaraan Hij Zich had gewijd.
Maar, hoezeer ook aan dit werk gewijd, werd Zijn hart niet star en streng door vooringenomenheid; Hij was altijd Zichzelf met God. Een arme melaatse kwam tot Hem, Zijn macht erkennende, maar niet zeker van Zijn wil, van de liefde die deze macht uitoefende. Zijn verschrikkelijke ziekte maakte niet alleen dat de man overal buitengesloten was, maar hij verontreinigde ook ieder die hem maar aanraakte. Maar niets kan Jezus verhinderen de dienst uit te oefenen waartoe Zijn liefde Hem roept. De melaatse was ongelukkig; een uitgeworpene door zijn medemensen en buitengesloten van het huis van Jahweh. Maar de macht van God was aanwezig. De melaatse moest worden verzekerd van de welwillendheid waarop zijn bedrukt hart niet durfde rekenen. Wie zou zorg hebben voor een ellendige zoals hij was? Hij had geloof in de macht die in Christus was. Maar zijn gedachten over zichzelf hielden voor hem de grootheid van de liefde verborgen die hem had bezocht. Jezus strekt Zijn hand uit en raakt hem aan.
De nederigste van alle mensen nadert tot de zonde en tot datgene wat er een teken van was, en neemt het weg. De Mens, die in de macht van Zijn liefde de melaatse aanraakte zonder zelf verontreinigd te worden, was de God die alleen de melaatsheid kon wegnemen, waardoor degene die erdoor was aangetast een ellendige en uitgeworpene was.
De Heer spreekt met een gezag dat ogenblikkelijk Zijn liefde en Godheid bewijst: “Ik wil, word gereinigd”. “Ik wil”, ziehier de liefde waaraan de melaatse twijfelde en de macht van God, die alleen het recht heeft om te zeggen: “Ik wil”. Het resultaat volgde op het uitspreken van Zijn wil. Zo is het altijd als God spreekt. En wie genas melaatsheid dan Jahweh alleen? Was Hij Degene die laag genoeg was neergedaald om dit besmette schepsel aan te raken, dat ieder ander verontreinigd zou hebben die met hem in aanraking kwam? Ja, Hij was de Enige. Maar het was God die neergekomen was; liefde die zo laag reikte, en die zo zich machtig toonde voor ieder die op Hem vertrouwde. Het was onbesmetbare reinheid in macht, en die daarom in liefde de meest verontreinigde kon dienen en daarin Zijn vreugde vond. Hij kwam tot verontreinigde mensen, niet om door het contact met hen verontreinigd te worden, maar om de verontreiniging weg te nemen. Hij raakte de melaatse in genade aan, en de melaatsheid was verdwenen.
De Heer onttrekt zich aan menselijke bijval, en gebiedt de man die Hij genezen had om zich, naar de wet van Mozes, aan de priesters te tonen. Maar deze onderworpenheid aan de wet, liet feitelijk zien dat de Heer Jahweh was. Want onder de wet reinigde Jahweh alleen, in Zijn soevereiniteit, de melaatse. De priester was alleen de getuige dat het gebeurd was. De genezing van de melaatse bracht de gehele schare op de been, maar Jahweh onttrok Zich en ging naar de woestijn.
Hoofdstuk 2
Enige dagen later gaat Hij weer in de stad en direct komt de schare bijeen. Wat een sprekend voorbeeld van het leven van dienst van de Heer! Hij predikt tot hen, want dat was Zijn doel en Zijn dienst (zie 1:38). Maar weer komen Zijn goddelijke rechten aan het licht, in Zijn dienst, Zijn liefde, als Hij Zich wijdt aan de nederige vervulling van de Hem opgedragen dienst. Want wie kan dienen als God, wanneer Hij Zich verwaardigt dit te doen? Hij weet de werkelijke oorzaak van al deze kwalen en kan er ook het geneesmiddel voor brengen. “Uw zonden worden vergeven”, zei Hij tot de arme geraakte, die tot Hem gebracht was met een geloof dat alle moeilijkheden overwon en ondanks deze moeilijkheden volhardde. Deze volharding van het geloof wordt gevoed door het gevoel van de nood en door de zekerheid dat kracht te vinden is bij Hem die gezocht wordt. Op de overleggingen van de schriftgeleerden geeft Hij een antwoord dat elke tegenspreker tot zwijgen brengt. Hij oefent de macht uit, die Hem het recht geeft, de vergeving van de arme lijder uit te spreken 3.
De murmurering van de schriftgeleerden liet leerstellig duidelijk zien wie daar aanwezig was. Zoals de uitspraak van de priesters, die de melaatsen rein verklaren; het zegel van hun gezag zettend op de waarheid, dat Jahweh, de Geneesheer van Israël, aanwezig was. Dat wat Jezus doet is Zijn werk, Zijn getuigenis. De uitwerking daarvan maakt openbaar, dat Jahweh aanwezig is en Zijn volk heeft bezocht. Psalm 103 wordt vervuld, ten opzichte van de rechten en de openbaring van de Persoon die werkzaam was.
Jezus verlaat de stad. Het volk komt tot Hem en opnieuw onderwijst Hij hen. De roeping van Levi geeft gelegenheid voor een nieuwe ontvouwing van Zijn dienst. Hij was gekomen om zondaars te roepen en niet rechtvaardigen. Daarna verklaart Hij hen, dat Hij de nieuwe goddelijke energie die in Hem werd gezien, niet in de oude vormen van de farizeeërs kon leggen. Daar was nog een andere reden voor, namelijk de aanwezigheid van de Bruidegom. Hoe konden de bruiloftskinderen vasten, terwijl de Bruidegom bij hen was? Maar Hij zou van hen worden weggenomen, en dan zou het de tijd zijn om te vasten. De Heer legt nog verder de nadruk op de onverenigbaarheid van de joodse vormen en de kracht van het evangelie. Dit laatste zou slechts het Judaïsme, waarmee zij het wilden verbinden, verderven. Dat wat gebeurde toen de discipelen door de korenvelden gingen, bevestigde deze leer.
Inzettingen verloren hun recht, bij de aanwezigheid van de Koning die door God was verordend, hoewel verworpen en een pelgrim op aarde. Bovendien was de sabbat, (het teken van het verbond tussen God en de joden), gemaakt voor de mens en niet de mens voor de sabbat. Daarom was Hij, de Zoon des mensen, Heer van de sabbat. Omdat Hij, als Zoon van David verworpen was, verloren de inzettingen hun kracht en waren ondergeschikt aan Hem. Als Zoon des mensen in de ogen van God de bezitter van alle rechten die God aan de mens had gegeven, was Hij de Heer van de sabbat die voor de mens was gemaakt. In beginsel waren de oude dingen voorbijgegaan. Maar dat was niet alles. In feite waren het de nieuwe dingen van genade en macht, die niet pasten bij de oude orde van zaken. Maar de vraag was, of God in genade kon handelen en in soevereiniteit zegenen kon in het midden van Zijn volk. Of Hij Zichzelf zou moeten onderwerpen aan het gezag van mensen, die zich tegen Zijn goedheid beriepen op Zijn inzettingen, of dat Hij goed kon doen naar Zijn eigen macht en liefde als Degene die boven alles was verheven. Moest de mens het werk van Gods goedheid beperken? En dit was in waarheid de nieuwe wijn die de Heer aan de mens bracht.
Hoofdstuk 3
Hetzelfde vraagstuk kwam weer aan de orde in de synagoge, toen de man met de verdorde hand werd genezen. De Heer stelt de vraag openlijk voor hun geweten; maar noch hart, noch geweten antwoordde Hem. Daarna handelt Hij in Zijn dienst naar de goedheid en de rechten van God en geneest de man 4. De farizeeërs en de Herodianen, hun vijanden, (want allen waren tegen God en hierin één), houden tezamen raad, hoe ze Christus zullen ombrengen. Jezus gaat dan naar de kust van de zee van Tiberias. Maar de schare volgt Hem vanwege alles wat Hij had gedaan, zodat Hij genoodzaakt is in een schip te gaan om buiten het gedrang van de schare te zijn. De geesten zijn Hem onderworpen, en zijn verplicht te erkennen dat Hij de Zoon van God is. Maar Hij verbiedt hen, dat bekend te maken.
Dienen in prediken en het zoeken van zielen, zich aan allen toewijden, door Zijn daden bewijzen dat Hij goddelijke macht bezat, zichzelf verbergen voor de opmerkzaamheid van de mens, opdat Hij, ver van hun bijval, het werk kan volbrengen dat Hij wilde doen: daaruit bestond Zijn menselijk leven op aarde. Liefde en goddelijke macht werden in de dienst gezien, die die liefde Hem drong te volbrengen en in de volvoering waarvan die macht werd uitgeoefend. Maar dat kon niet binnen de grenzen van het jodendom worden gesloten, hoezeer de Heer onderworpen was aan de inzettingen die God de joden had gegeven.
Maar nu God op deze wijze is geopenbaard, vertoont zich ook weldra de vleselijke tegenstand van de mens 5. Hier eindigt dan de beschrijving van de dienst van Christus en is de uitwerking ervan openbaar. Dit resultaat is ontwikkeld in dat wat spoedig volgt, met het oog op, beide de ongerechtigheid van de mens en de raadsbesluiten van God.
Intussen kiest de Heer twaalf van Zijn discipelen om Hem te vergezellen en in Zijn Naam te prediken. Hij kon niet alleen wonderen doen, maar ook deze macht meedelen aan anderen, en dat met gezag. Hij gaat terug in het huis, en de schare komt daar weer samen. En hier ontvouwen zich tegelijkertijd de gedachten van de mens en de gedachten van God. Zijn vrienden zoeken Hem, in de mening dat Hij uitzinnig is. De schriftgeleerden, die als geleerden invloed hebben, schrijven een macht die ze niet kunnen loochenen aan satan toe. De Heer antwoordt hen door op te merken, dat in het algemeen alle zonden vergeven kunnen worden. Maar het erkennen van de macht, en deze liever aan satan toe te schrijven dan Hem te erkennen die ze bezat, was de plaats innemen van een tegenstander en niet van een onwetende ongelovige. Dat was het lasteren van de Heilige Geest – een zonde die nooit vergeven kon worden. De “sterke man” was aanwezig, maar Jezus was sterker dan hij, want Hij wierp de duivelen uit. Zou satan zijn eigen huis willen verwoesten? Het feit dat Jezus Zijn macht op deze wijze openbaarde, liet hen zonder een enkele verontschuldiging. Gods “sterke man” was gekomen. Israël verwierp Hem en de oversten lasterden tegen de Heilige Geest en brachten zichzelf daardoor onder een hopeloos oordeel. De Heer maakt daarom onmiddellijk onderscheid tussen het overblijfsel dat Hem ontvangt, en Zijn woorden heeft aangenomen, en alle natuurlijke verwantschap die Hij met Israël had. Zijn moeder of Zijn “broeders” zijn de discipelen die rond Hem staan en die de wil van God doen. Hierdoor wordt Israël in werkelijkheid op dat ogenblik terzijde gesteld.
Hoofdstuk 4
Hier zien we het ware karakter en resultaat van de eigen dienst van de Heer, en tevens de gehele geschiedenis van de dienst die tot in een verre toekomst zou worden uitgeoefend. Ook de verantwoordelijkheid van Zijn discipelen met het oog op het aandeel dat zij daarin zouden hebben, en de rust van hen, die, terwijl ze zo werkten, op God vertrouwden. Verder de stormen die zouden voorkomen om het geloof te beproeven, terwijl Jezus schijnbaar geen aandacht aan hen schonk, en ook het juiste geloofsvertrouwen en de kracht die dit geloof ondersteunt. Het gehele karakter van het werk op dat ogenblik, en tot de wederkomst van Christus, wordt in dit hoofdstuk beschreven.
De Heer begint hier weer Zijn gewone werk van onderwijzen. Maar Hij doet dat in verband met de ontwikkeling die zo juist heeft plaatsgehad in Zijn verhouding tot de joden. Hij zaait. In Zijn wijngaard zoekt Hij niet langer vrucht. In vers 11 zien we, dat het onderscheid tussen de joden en Zijn discipelen wordt onderstreept. Aan de laatsten was het gegeven om de verborgenheden van het koninkrijk te weten. Maar tot hen die buiten waren, werden al deze dingen gezegd in gelijkenissen. Wat ik van deze gelijkenis in Mattheüs gezegd heb, ga ik nu niet herhalen. Maar wat in vers 21 volgt, behoort kenmerkend tot het Evangelie van Markus.
We hebben gezien dat de Heer het evangelie van het koninkrijk predikte en ook anderen met die prediking had belast. Hij was een zaaier en Hij zaaide het Woord. Dat was Zijn dienst en ook van die anderen. Maar steekt men een kaars aan om die te verbergen? Bovendien zou niets verborgen blijven. Als de mens de waarheid niet openbaarde, die hij van God had ontvangen, dan zou God alles in het licht stellen. Moge iedereen daaraan denken!
In vers 24 past de Heer dit beginsel toe op Zijn discipelen. Ze moesten acht geven op wat ze hoorden, want God zou tegenover hen handelen naar hun trouw in het rentmeesterschap over het woord dat hen was toevertrouwd. De liefde van God zond het woord van genade en van het koninkrijk tot de mens. En het doel van de dienst die aan de discipelen was toevertrouwd, was, dat het woord de gewetens zou treffen. Christus gaf hen dat woord. En zij moesten het, in al zijn volheid, bekend maken aan anderen. Naarmate zij de vrije loop gaven aan dit getuigenis van liefde, overeenkomstig de gave die ze hadden ontvangen, naar die maat zou hen ook teruggemeten worden in de regering van God. Als zij acht gaven op wat Hij hen gaf, zouden ze meer ontvangen. Want, als een algemeen beginsel, zou hij, die verwezenlijkte wat hem gegeven was, meer ontvangen, en van hem die het zich niet waarlijk toeeigende, zou het weggenomen worden.
Dan laat de Heer zien hoe het met Hemzelf zou gaan. Hij had gezaaid. En zoals het zaad opkomt zonder enige handeling van de zaaier, zo zou Christus het evangelie zich laten verspreiden in de wereld zonder op een kenbare wijze tussenbeide te komen. Want het kenmerkende van het koninkrijk zou zijn, dat de koning er niet aanwezig was. Maar als de oogst komt, heeft de zaaier er opnieuw mee te maken.
Zo zou het zijn met Jezus. Hij zou terugkomen om zich met de oogst bezig te houden. Bij het zaaien en bij het maaien is Hij persoonlijk betrokken. In de tussentijd wordt alles schijnbaar aan zichzelf overgelaten, werkelijk zonder dat de Heer persoonlijk tussenbeide komt.
De Heer maakt gebruik van een andere gelijkenis om het karakter van het koninkrijk te beschrijven. Het kleine zaad dat Hij zaaide, zou een groot systeem worden, dat hoog verheven zou zijn op aarde. Het zou in staat zijn tijdelijke bescherming te geven aan hen die er toevlucht in zochten. We hebben hier dus samengevat: de prediking van het Woord; de verantwoordelijkheid van de arbeiders aan wie de Heer de prediking zou toevertrouwen gedurende Zijn afwezigheid; Zijn eigen arbeid in het begin en aan het einde, in de zaaitijd en in de oogst, terwijl Hij in de tussentijd op een afstand blijft; en de vorming van een grote aardse macht, als het resultaat van de door Hem gepredikte Waarheid, en waardoor een kleine kern rondom Hemzelf werd vergaderd.
Maar nu moest nog getoond worden wat er met Zijn volgelingen zou gebeuren. Ze zouden zeer grote moeilijkheden op hun weg vinden. De vijand zou een storm tegen hen verwekken en schijnbaar zou Christus geen acht op hun situatie slaan. Ze roepen Hem aan en wekken Hem door hun angstkreten, die Hij in genade beantwoordt. Hij spreekt tot de wind en de zee en er komt grote stilte. Tegelijk berispt Hij hun ongeloof. Ze hadden op Hem en op Zijn goddelijke macht moeten vertrouwen en niet moeten denken dat Hij door de golven verzwolgen zou worden. Ze hadden zich hun eigen verbinding met Hem moeten herinneren – dat ze, door genade, met Hem waren verbonden. Wat een rust bezat Hij! De storm verwart Hem niet. Toegewijd aan Zijn werk, nam Hij Zijn rust op het ogenblik dat Zijn dienst niet werd vereist. Hij rustte tijdens de overtocht. Zijn dienst veroorloofde Hem slechts deze korte ogenblikken, dat Hij door de omstandigheden niet kon werken. Zijn goddelijke rust, die geen wantrouwen kende, liet Hem toe te slapen te midden van de storm. Zo was het niet met de discipelen. Zij vergaten Zijn macht en waren onbewust van de heerlijkheid van Hem die bij hen was. Ze dachten alleen aan zichzelf, alsof Jezus hen had vergeten. Maar één woord van Hem bewijst dat Hij de Heer van de schepping is.
Dit toneel schildert ons de ware toestand van de discipelen als Israël terzijde gesteld is. De storm steekt op. Jezus schijnt er niet op te letten. Maar nu zou geloof eraan gedacht hebben, dat ze met Hem in hetzelfde schip waren. Dat wil zeggen: als Jezus het zaad dat Hij gezaaid had ook laat opgroeien tot de oogst, zonder dat Hij er Zich schijnbaar mee bemoeit, zo is Hij toch in hetzelfde schip. Hij deelt niet minder waarlijk het lot van Zijn volgers, of beter gezegd: zij delen in het Zijne. De gevaren zijn de gevaren waarin Hij en Zijn werk zich bevinden, dat wil zeggen in werkelijkheid is er geen gevaar. En hoe groot is de dwaasheid van ongeloof! Stelt u een ogenblik voor: de Zoon van God is in de wereld gekomen om het werk van de verlossing te volbrengen en de raadsbesluiten van God uit te voeren. En nu zou Hij en geheel Zijn werk, door een in de ogen van mensen toevallige storm, onverwachts zinken in de zee?! Wij zijn in dezelfde boot met Hem, geprezen zij Zijn Naam! Als de Zoon van God niet zinkt, dan zinken wij ook niet.
Hoofdstuk 5
Maar op een andere wijze gezien, zijn de discipelen niet met Hem. Ze worden tot dienst geroepen als Hij het arbeidsveld verlaat. We leren dat in de geschiedenis van de bezetene Legioen, die uit zijn ellendige toestand wordt verlost.
De mens, en vooral Israël, was geheel onder de macht van de vijand. Wat het werk van Zijn macht betreft, heeft Christus hem te wiens behoeve deze macht werd uitgeoefend volkomen bevrijd. Hij is nu bekleed (niet naakt) goed bij zijn verstand, en zit aan de voeten van Jezus om naar Zijn woord te horen. Maar de bewoners van die streek zijn bevreesd en zenden Jezus weg – hetzelfde wat de wereld met Christus heeft gedaan. En in de geschiedenis van de kudde zwijnen hebben we een beeld van Israël, nadat het overblijfsel genezen is. Ze zijn onrein en satan jaagt ze naar het verderf. Nu, als Jezus weggaat, wil de man die de machtige gevolgen van Zijn liefde had ervaren, graag bij Hem blijven. Maar Jezus stond hem dat niet toe. Hij moest naar huis gaan en aan allen daar getuigenis geven van alles wat Jezus had gedaan. Hij moest dienen terwijl Jezus afwezig was. In al deze geschiedenissen zien we het werk en de toewijding van de dienstknecht, maar tegelijk de goddelijke macht van Jezus in deze dienst geopenbaard.
In de omstandigheden die volgen op de genezing van de bezetene, vinden we de ware positie van de Heer Jezus afgebeeld in Zijn werk. Hij wordt geroepen om de dochter van Jaïrus te genezen – zoals Hij kwam om de joden te genezen, als dat mogelijk was geweest. Als Hij naar het huis van Jaïrus gaat om dit werk te doen, raakt een arme ongeneeslijke vrouw in het geloof de zoom van Zijn kleed aan, en wordt terstond genezen. Dit gebeurde eveneens gedurende de wandel van Jezus onder de joden. In de schare die Hem omringde, raakten enkele zielen door genade Hem in het geloof aan. Inderdaad was hun ziekte op zichzelf ongeneeslijk. Maar, naar de macht van God, had Jezus leven in Zichzelf. En het geloof bracht de kracht daarvan te voorschijn, door Hem aan te raken. Ze waren gebracht tot de erkenning van hun ware toestand, maar tevens genezen. Uiterlijk gezien, was Hij in het midden van geheel Israël. Maar alleen het geloof genoot de zegen, omdat het een besef had van eigen nood en van de heerlijkheid van Zijn Persoon.
Maar voor de persoon, die nu het doel van Zijn reis was, kon geen enkel middel meer baten. Hij vindt haar dood, maar het doel van Zijn reis wordt toch bereikt. Hij wekt haar op, want Hij kan leven geven. Zo is het ook met Israël. Terwijl Jezus op de weg was, werden zij die in Hem geloofden genezen, hoe ongeneeslijk ziek ze in zichzelf ook waren. Maar in feite was Israël als geheel dood in overtredingen en zonden. Ogenschijnlijk sloot dit het werk van de Heer af. Maar de genade zal tenslotte aan Israël het leven geven.
We zien de volkomen genade van Jezus het gevolg tegenhouden, van de droeve boodschap die vanuit het huis van Jaïrus wordt overgebracht, waar dan nog bij wordt gezegd het de Meester niet moeilijk te maken. Jezus zegt: “Wees niet bang, geloof alleen”. Hoewel de Heer in het eind van de eeuwen het leven zal teruggeven aan een dood Israël, is het toch door geloof dat het zal gebeuren. Hoewel het voorval met de arme vrouw, in de directe toepassing niet verder gaat dan de joden, is het in beginsel toch toepasselijk op ieder uit de volken die er door genade toegebracht is de Heer Jezus in het geloof aan te raken. Deze geschiedenis geeft ons dus het karakter van de dienst van Jezus. De wijze waarop die, vanwege de toestand van de mens, vervuld moet worden.
Hoofdstuk 6
In wat nu volgt, wordt de geschiedenis van Zijn dienst voortgezet. Maar we zien Hem al verworpen door een verblind volk, in weerwil van de macht die Hij had geopenbaard en die getuigde van de heerlijkheid van Zijn Persoon. Toch zet Hij Zijn dienstwerk voort. Geen enkele poging mag worden verzuimd. Daarom zendt Hij Zijn discipelen uit, maar met het getuigenis van het oordeel dat hen wachtte, die schuldig zouden zijn aan de verwerping van Zijn zending – een verwerping die in feite al plaatsvond. De Heer gaat echter voort, met in genade en goedheid het bewijs te leveren, dat Jahweh, die medelijden met Zijn volk had, aanwezig was; totdat Hij ten slotte Zijn discipelen moest voorbereiden op het zekere resultaat van Zijn werk, namelijk Zijn dood door de hand van de heidenen aan wie de overpriesters Hem zouden overleveren.
Voor de joden was Jezus de timmerman, de zoon van Maria. Door hun ongeloof werd de zegenende hand van God voor henzelf tegengehouden. Maar Jezus zet Zijn werk elders voort en zendt Zijn discipelen uit. Dit is een handeling, die het bezit van goddelijke macht vooronderstelt. Toch was het nog altijd tot Israël dat de zending die ze van Hem hadden ontvangen hen zond. Maar overal waar hun getuigenis werd verworpen, moesten ze het oordeel uitspreken over het land van Emmanuel, het land van Israël als een onrein land. Ze moesten uitgaan in vertrouwen op de machtige bescherming van Hem, die hen had gezonden en het zou hen aan niets ontbreken. Hij was de soevereine Heer. Alle dingen stonden tot Zijn beschikking. Christus kan niet alleen zegen meedelen als Zelf het kanaal van de zegen zijnde, maar Hij kan ook de discipelen macht geven om duivelen uit te werpen. En de discipelen vervullen hun taak. Deze passage laat op een merkwaardige wijze de positie en de heerlijkheid van Christus zien. Hij is de Dienstknecht en voor de ogen van de mensen de zoon van de timmerman. In Zijn nieuwe dienst neemt Hij geen andere plaats in, dan dat Hij doet wat de Vader Hem te doen heeft gegeven. Hij kón daar geen grote werken doen vanwege hun ongeloof. Hij was altijd tot dienen bereid, maar Hij werd in de uitoefening van Zijn liefde beperkt, waar de deuren niet werden geopend om de invloed ervan te ondergaan. En de natuur, die altijd oordeelt naar wat te zien is, doet dat nooit. Alleen waar behoefte was werkte Zijn onvermoeide liefde – moest zij werken. De weinige zieken profiteerden van een liefde die niemand veracht, omdat ze nooit zichzelf zoekt.
Maar in de volgende verzen, geeft Hij, die geen grote werken kon doen, (omdat Zijn dienst afhankelijk was van goddelijke voorwaarden, waarop God Zijn verkeer met de mens kon gronden en voortzetten om Zichzelf te openbaren) aan anderen macht over alle onreine geesten, een macht die goddelijk is. Iedereen kan wonderen doen, als God hem de macht daartoe geeft. Maar God alleen kan deze macht geven. Het zou hun aan niets ontbreken, want Emmanuel was aanwezig. En als hun boodschap werd verworpen, moesten zij het oordeel aankondigen. Goddelijke liefde had Hem geheel tot een afhankelijke Dienstknecht gemaakt; maar de afhankelijke Dienstknecht was God, in genade en gerechtigheid aanwezig.
Maar tengevolge van al deze openbaringen van macht, wordt het geweten van de koning die toen over Israël regeerde, wakker geschud. De evangelist laat ons de moorddadige tegenstand zien van de machthebbers in Israël tegen de getuigen van de waarheid. Herodes had Johannes ter dood gebracht, om de ongerechtigheid van een vrouw te bevredigen die hem behaagde – een ongerechtigheid waaraan hijzelf met haar deel had. Een dans was voor hem meer waard dan het leven van de profeet van God. Dat was de heerser van Israël.
De apostelen komen terug. Jezus onttrekt hen aan de nieuwsgierige en behoeftige schare, door naar een woeste plaats te gaan. Maar de schare volgt Hem. En hoewel Hij verworpen was door het land dat Hij liefhad, had Hij toch medelijden met de armen van de kudde. Daarom openbaart Hij voor hun behoeften de macht van Jahweh, om hen te zegenen overeenkomstig Psalm 132. Hij verzadigt de armen met brood. Nadat Hij het volk heeft weggezonden, gaat Hij te voet over de zee, en als Hij Zich bij Zijn discipelen voegt, gaat de wind liggen. Over de betekenis hiervan hebben we in Mattheüs gesproken. Hun werk was geëindigd. En wat henzelf betreft, hun harten waren, na al Zijn wonderen, nog steeds verhard en ze vergaten ze, de een na de ander. Maar de Heer zet Zijn zegenend werk voort. Men had Hem slechts aan te raken, om genezen te worden.
Hoofdstuk 7
Zoals we gezien hebben, had de regerende macht van de joden zich vijandig betoond tegen het getuigenis van God, en hem, die Hij in de weg van de gerechtigheid tot hen gezonden had, ter dood gebracht. De schriftgeleerden, en zij die beweerden de gerechtigheid te volgen, hadden het volk door hun onderwijs bedorven en de wet van God verbroken. Ze reinigden bekers en kannen, maar niet hun harten. En als de priesters (de godsdienst) er voordeel van hadden, zetten zij de plichten van kinderen tegenover hun ouders geheel opzij. Maar God ziet het hart aan. En uit het hart van de mens komt alle soort van ongerechtigheid, onreinheid en gewelddadigheid voort. Daardoor wordt de mens verontreinigd, en niet omdat hij geen gewassen handen heeft. Dat is het oordeel over godsdienstigheid zonder geweten en godvrezendheid, en de ware onderscheiding van wat het hart van de mens in het oog van God is. Die te rein van ogen is om het kwaad te zien.
Maar God moet ook Zijn eigen hart laten zien. En als Jezus het hart van de mens oordeelt met het oog van God, en Gods wegen en getrouwheid tegenover Israël openbaart, laat Hij toch door dit alles heen zien, wat God voor hen was die gevoelden dat ze behoefte aan Hem hadden, en die tot Hem kwamen in het geloof, terwijl ze Zijn volmaakte goedheid erkenden en daarin rustten.
Uit de landstreek van Tyrus en Sidon komt een vrouw van een vervloekt ras. Ze is uit de volken (niet-joden), een Syro-Fenicische. Op haar vraag of de Heer haar dochter wil genezen, antwoordt de Heer, dat de kinderen (de joden) eerst verzadigd moeten worden. Het is niet recht het brood van de kinderen te nemen om het aan de honden te geven. Het zou voor de vrouw een verpletterend antwoord geweest zijn, als het gevoel van haar nood en van de goedheid van God daar niet bovenuit gegaan was, en elke andere gedachte had verdreven. Deze twee dingen maken haar ootmoedig van hart, en bereid om de soevereine gunst van God voor Zijn volk, dat Hij verkoren had in deze wereld, te erkennen. Had Hij geen recht om een eigen volk te verkiezen? En zij behoorde niet tot dat volk. Maar daardoor werd Zijn goedheid en liefde niet tenietgedaan. Zij was maar een hond uit de volken, maar de goedheid van God was zó groot, dat Hij zelfs brood had voor de honden. Christus, de volmaakte uitdrukking van God, de openbaring van God Zelf in het vlees, kon Gods goedheid niet verloochenen, kon niet zeggen, dat het geloof hogere gedachten van God had dan waar was, want Hij was Zelf die liefde. De soevereiniteit van God werd erkend, en er werd geen enkele aanspraak gemaakt op rechten. De arme vrouw steunde alleen op de genade. Haar geloof legde, met een van God gegeven inzicht, de hand op de genade die uitging boven de beloften die aan Israël waren gegeven. Ze dringt door tot het hart van de God van liefde, zoals Hij geopenbaard is in Jezus, (evenals Hij doordringt in onze harten), en ze geniet de vrucht ervan. Want nu was dit ingevoerd: Godzelf in directe tegenwoordigheid en verbinding met de mens, en deze zoals hij was voor God. Dus geen regel of systeem voor de mens meer, om zichzelf toe te bereiden God te ontmoeten.
In het volgende wonder zien we hoe de Heer door dezelfde genade, het gehoor en de spraak geeft aan een man die doof was en zelfs niet in staat om zijn gedachten uit te drukken. Hij kon geen vrucht van het woord van God ontvangen en Hem ook niet prijzen. De Heer is hier teruggekeerd in de landstreek waar Hij als het licht van Israël was verschenen. Hier handelt Hij met het overblijfsel alleen. Hij zondert de man af van de schare. Het is dezelfde genade, die de plaats inneemt van alle pretenties van gerechtigheid in de mens, en zich openbaart aan hulpelozen. Hoewel ze hier wordt uitgeoefend ten gunste van het overblijfsel, is de vorm die ze aanneemt zowel voor de toestand van de jood als de heiden gepast. Het is genade die voor beiden hetzelfde is. Hij neemt de man apart, opdat het werk van God gedaan kan worden. De schare van deze wereld heeft daaraan geen deel. We zien Jezus hier met een bewogen hart, vanwege de toestand van de mens, maar meer nog vanwege de toestand van Zijn altijd door geliefd Israël, waarvan deze arme lijder een treffend beeld is. Hij doet de dove horen en de stomme spreken. Zo was het nu persoonlijk, en zo zal het in de toekomst zijn met het gehele overblijfsel van Israël. Hij handelt zelf en Hij doet alle dingen goed. De macht van de vijand wordt vernietigd. De doofheid van de man en zijn onbekwaamheid om zijn tong te gebruiken zoals God hem die gegeven had, zijn weggenomen door de liefde van Hem die met de macht van God handelt.
Het wonder van de broden getuigde van de aanwezigheid van de God van Israël, overeenkomstig Zijn beloften. De genezing van de doofstomme getuigde van de genade, die, van Gods kant, ver uitgaat boven de grenzen van deze beloften. God oordeelt de toestand van hen, die naar gerechtigheid, recht op de beloften menen te bezitten en ook die van de mens in het algemeen, die boos is in zichzelf. Maar Zijn genade bevrijdt de mens en zegent hem in liefde, hem ontrukkende aan de macht van satan, en bekwaam makende om de stem van God te horen en Hem te prijzen.
Er zijn nog enkele merkwaardige dingen in dit gedeelte van de geschiedenis van Christus, waarop ik graag de aandacht wil vestigen. Zij openbaren de geest waarin de Heer op dat ogenblik werkte. Hij verlaat de joden, na de holheid en de huichelarij van hun eredienst, en de ongerechtigheid van elk menselijk hart als een bron van verdorvenheid en zonde, te hebben aangetoond.
Op dit ernstige ogenblik, dat ons de verwerping van Israël voor ogen stelt, verwijderde de Heer Zich ver van het volk. Hij ging naar een plaats, waar er geen gelegenheid was om in hun midden te dienen, namelijk naar de grenzen van de vreemde en Kanaänietische steden Tyrus en Sidon (7:24). Zijn bedrukt hart wilde niet dat iemand wist waar Hij was. Maar God was te duidelijk in Zijn goedheid en macht geopenbaard, dat Hij verborgen kon blijven als er ergens werkelijke behoefte was. Het gerucht van wat Hij was, had zich verbreid, en het opmerkzame oog van het geloof onderscheidde wat alleen in haar behoefte kon voorzien. En dat geloof vond Jezus, op het ogenblik dat allen die uiterlijk recht hadden op de beloften, door deze pretentie en door hun voorrechten werden misleid. Het geloof kent zijn eigen behoefte en kent dat alleen, en het weet tevens dat Jezus de enige is die ze vervullen kan. Wat God voor het geloof is, wordt geopenbaard aan hem die er behoefte aan heeft, naar de genade en de macht die in Jezus is. Voor de joden verborgen, is Hij genade voor de zondaar.
Daarom, toen Hij de dove van zijn doofheid en van de belemmering in zijn spraak genas, voerde Hij hem ook buiten de schare, zag op naar de hemel, en zuchtte. Terneergedrukt door het ongeloof van het volk, neemt Hij de persoon waaraan Hij Zijn macht wil uitoefenen terzijde, ziet op naar de hemel, naar de soevereine Bron van alle goedheid, van alle hulp voor de mens, en is bedroefd als Hij denkt aan de toestand waarin de mens zich bevindt. Dit geval stelt meer in het bijzonder voor de verkiezing van de genade ten opzichte van het overblijfsel onder de joden, dat door de goddelijke genade afgezonderd is van de massa van het volk, terwijl het geloof bij deze enkelen werkzaam is. Het hart van Christus is er ver van verwijderd Zijn aardse volk te verstoten. Zijn ziel is overstelpt door het gevoel van het ongeloof, dat hen van Hem en van de verlossing scheidt. Toch neemt Hij van sommigen het dove hart weg en maakt hun tong los, opdat de God van Israël verheerlijkt moge worden.
Zo is het ook bij de dood van Lazarus. Christus voelt smart over de droefheid die de dood brengt in het hart van de mens. Daar echter was het een openbaar getuigenis.
In hoofdstuk 8:23 vinden we een ander voorbeeld van wat zo juist is opgemerkt. Jezus leidt de blinde buiten de stad. Hij verlaat Israël niet waar ook maar geloof is, maar zondert hem die het bezit af van de massa en brengt hem in verbinding met de macht, de genade, de hemel, vanwaar de zegen komt – een zegen die zich dientengevolge tot de volken uitstrekt. Te midden van openlijk ongeloof, werd geen macht uitgeoefend. Dit toont duidelijk de positie van Christus tegenover het volk. Hij zet Zijn dienst voort en trekt Zich als gevolg van Israëls ongeloof op God terug: maar het is tot de God van alle genade. Daar vond Zijn hart een schuilplaats tot het grote uur van de verzoening.
Hoofdstuk 8
Naar het me toeschijnt, wordt daarom hier het tweede wonder van de vermenigvuldiging van de broden meegedeeld. De Heer handelt opnieuw ten gunste van Israël. Hij oefent niet langer de Messiaanse macht uit te midden van het volk, dat, zoals we vroeger gezien hebben, door het getal twaalf wordt uitgedrukt. Maar ondanks Zijn verwerping door Israël, gaat Hij voort, op een goddelijke wijze en buiten de mens om, zijn macht uit te oefenen. Het getal zeven, 6 heeft altijd de betekenis van bovenmenselijke volmaaktheid – dat wat volledig is. Maar dit slaat zowel op wat volledig is in de macht van het kwaad, als wel in het goede, als het niet menselijk is en onderworpen aan God. Hier is het goddelijke volmaaktheid. Het voornaamste doel van de herhaling van dit wonder is, de onvermoeibare tussenkomst van God, naar Zijn eigen macht, voor te stellen.
Daarna wordt de toestand voorgesteld, zowel van de oversten van Israël als van het overblijfsel. De farizeeërs begeren een teken. Maar aan dat geslacht zou geen teken worden gegeven. Het was enkel ongeloof. De overvloedige bewijzen van wie Hij was, lagen voor hen, en die hadden juist aanleiding gegeven voor de vraag. De Heer gaat van hen weg. Maar de blinde en de inzichtloze toestand van het overblijfsel wordt ook openbaar. De Heer waarschuwt hen, om zich te wachten voor de geest en het onderwijs van de farizeeërs, die een heilige ijver voor God voorwenden. En ook voor die van de Herodianen, de slaafse aanhangers van de geest van de wereld, die, om de keizer te believen, God geheel terzijde stelden.
Het gebruik van het woord “zuurdeeg” is de aanleiding, dat de discipelen hun tekort aan geestelijk inzicht openbaren. De joden hadden niets geleerd uit de wonderen van de Heer, en vroegen om tekenen. Maar zelfs de discipelen realiseerden zich de goddelijke macht niet die onder hen was geopenbaard. Ik twijfel er niet aan, dat deze toestand wordt voorgesteld in de blinde man van Bethsaïda. Jezus neemt hem bij de hand, en leidt hem buiten de stad, weg van de schare. Dan gebruikt Hij, om de genezing te bewerken, datgene wat van Hemzelf was en de werkzame kracht bezat van Zijn eigen Persoon 7. Het eerste gevolg schildert treffend de toestand van de discipelen. Ongetwijfeld zagen ze, maar onduidelijk! Ze zagen “de mensen als bomen wandelen”. Maar de liefde van de Heer wordt niet moe door hun ongelovige traagheid van inzicht. Hij handelt naar de macht van Zijn eigen voornemen met hen en maakt dat zij duidelijk zien. Daarna wordt (verwijderd van Israël) de onzekerheid van het ongeloof gezien in tegenstelling met de zekerheid van het geloof, hoe klein ook zijn inzicht moge zijn. Jezus verbiedt Zijn discipelen te spreken over wat ze zeker geloofden, omdat de tijd voorbij was om Israël te overtuigen van de rechten van Christus als Messias. Hij kondigt aan, wat er voor de vervulling van de voornemens van God in genade met Hem zou gebeuren als Zoon des mensen, nadat Israël Hem verworpen had 8. Alles is nu, om zo te zeggen, op zijn ware plaats. Israël erkent in Jezus niet de Messias. Daarom spreekt Hij het volk niet meer in dat karakter aan. Zijn discipelen geloven dat Hij de Messias is, en Hij spreekt hen over Zijn dood en opstanding.
Nu, er kan waar geloof zijn, (en dit is een bijzonder belangrijke praktische waarheid), zonder dat het hart gevormd is naar de volle openbaring van Christus en zonder dat het vlees praktisch is gekruisigd, in evenredigheid aan de mate van de kennis die men heeft van het voorwerp van het geloof. Petrus erkende inderdaad, door het onderwijs van God, dat Jezus de Christus was. Maar hij was er ver van af een onvermengd hart te hebben naar Gods gedachten in Christus. En als de Heer Zijn verwerping, vernedering en dood ten aanschouwen van de gehele wereld aankondigt, toont het vlees van Petrus – gekwetst door het denkbeeld van een zo verachte en verworpen Meester – zijn energie, door het te wagen de Heer Zelf te bestraffen. Deze poging van satan, om de discipelen te ontmoedigen door de schande van het kruis, brengt het hart van de Heer in beroering. Al Zijn genegenheid voor Zijn discipelen en de aanblik van deze arme schapen voor wie de vijand een steen des aanstoots legde, bracht een scherpe berisping over Petrus als het werktuig van satan zijnde en voor hem sprekende. Helaas, voor ons! De reden voor de bestraffing lag voor de hand. Petrus bedacht de dingen van de mens en niet die van God. Want in het kruis ligt al de heerlijkheid van God besloten. De mens verkiest de heerlijkheid van de mens en wordt zo door satan geregeerd. De Heer roept dan het volk en Zijn discipelen en laat hen duidelijk zien dat, als ze Hem willen volgen, zij hun kruis moeten dragen en deel hebben met Hem. Want door zo het leven te verliezen, zouden ze het behouden. En de ziel was alles waard. En bovendien, als iemand zich voor Jezus en Zijn woorden schaamde, zou de Zoon des mensen zich voor hem schamen, als Hij zou komen in de heerlijkheid van Zijn Vader met de heilige engelen. Want de heerlijkheid kwam Hem toe, hoe diep Zijn vernedering ook mocht zijn. Dit stelt Hij Zijn voornaamste discipelen voor, om hun geloof te versterken.
Hoofdstuk 9
In Mattheüs zagen we de verheerlijking op de berg aangekondigd in uitdrukkingen, die in verbinding stonden met het onderwerp van dat Evangelie: de verworpen Christus die Zijn heerlijke positie als Zoon des mensen inneemt. In elk Evangelie, staat de verheerlijking in verbinding met het ogenblik dat deze verandering van positie van Christus in die van Zoon des mensen duidelijk voorgesteld wordt; maar in ieder geval met een bijzonder karakter.
In Markus zagen we de nederige en toegewijde dienst van Christus in het prediken van het koninkrijk, wat ook de goddelijke heerlijkheid mocht zijn die door deze vernedering heen scheen. Daarom wordt hier de openbaring van de overgang tot heerlijkheid aangekondigd als de komst van het koninkrijk in kracht. Er is geen wezenlijk verschil tussen de mededelingen van Mattheüs en Markus, behalve dat hier de afzondering van Jezus en de drie discipelen sterker uitkomt in vers 2, en dat de feiten zonder enige toevoeging worden gegeven. Als ze van de berg zijn afgedaald, gelast de Heer hen, om aan niemand iets te zeggen van wat ze gezien hadden, tot na Zijn opstanding uit de doden.
We kunnen hier opmerken, dat het hier inderdaad het koninkrijk in kracht is, dat wordt geopenbaard. Het is niet de kracht van de Heilige Geest, die de zondaar als een heilig lid van het lichaam in verbinding brengt met Christus het Hoofd, terwijl aan dat lid de hemelse heerlijkheid van Christus wordt geopenbaard, zoals Hij aan de rechterhand van de Vader is. Christus is hier op aarde. Hij is daar in verbinding met de grote getuigen van de joodse bedeling (de wet en de profeten), maar die geheel plaats moeten maken voor Hem, hoewel ze met Hem delen in de heerlijkheid van het koninkrijk. Maar Christus is geopenbaard in heerlijkheid op de aarde. De Mens in de heerlijkheid wordt erkend als de Zoon van God, zoals Hij ook gekend is in de wolk. Het was de heerlijkheid zoals deze op de aarde zal worden geopenbaard; de heerlijkheid van het koninkrijk; en God blijft in de wolk, hoewel Hij Zijn heerlijkheid daarin openbaart. Dat is niet onze positie, zonder voorhangsel. Wat onze verbinding met God aangaat, is de voorhang gescheurd van boven tot beneden, en wij hebben vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Christus. Maar dat is een geestelijk voorrecht, en niet openlijke ontvouwing. Ons voorhangsel, ons lichaam, is wat dat betreft, niet gescheurd. Maar dat van Christus, als het recht van ingaan, is dat wel 9.
Maar deze positie van heerlijkheid kon door de Heer niet worden ingenomen, noch de heerlijke regering worden gevestigd, dan in een nieuwe orde van zaken. Christus moest opstaan uit de doden, om dit te vestigen. Want het kwam niet overeen met Zijn toenmalige voorstelling als Messias. Daarom beveelt Hij Zijn discipelen, er niet over te spreken tot na Zijn opstanding. Dan zou het een krachtige bevestiging zijn van de leer van het koninkrijk in heerlijkheid. Deze openbaring van de heerlijkheid bevestigde het geloof van de discipelen op dat ogenblik, (zoals Gethsemane hen de werkelijkheid van Zijn lijden toonde en Zijn strijd met de vorst van de duisternis). En het zou later een onderwerp zijn van hun getuigenis en dat bevestigen, als Christus Zijn nieuwe positie zou hebben ingenomen.
Het karakter van deze openbaring en de verhouding tot het aardse koninkrijk in heerlijkheid, waarvan de profeten gesproken hadden, kunnen we zien in 2 Petrus 1:19. We lezen daar: “En [zo] hebben wij het profetische woord des te vaster”.
De discipelen waren bij de drempel van deze heerlijke openbaring blijven staan. Hoewel hun ogen geopend waren, zagen zij in werkelijkheid “de mensen als bomen wandelen”. Wat zou dit opstaan uit de doden betekenen, zo vroegen ze onder elkaar. De opstanding was hun bekend; de gehele sekte van de farizeeërs geloofde daaraan. Maar van deze macht, die verloste uit de toestand waarin de mens en zelfs de gelovigen gevonden werden, en vooronderstelde dat anderen in die toestand bleven terwijl deze macht werkzaam was: daarvan waren ze totaal onkundig. Dat er een opstanding was waar God ten laatsten dage al de doden zou opwekken, daaraan twijfelden zij niet. Maar dat de Zoon des mensen de opstanding en het leven was, de volkomen overwinning van de laatste Adam over de dood; dat Hij de Zoon van God was die leven had in Zichzelf en dat openbaarde door Zijn opstanding uit de doden (een verlossing die op zijn tijd ook aan de gelovigen vervuld zal worden), van dat alles begrepen zij niets. Ongetwijfeld namen ze de woorden van de Heer als waarheid aan, als gezaghebbend, maar wat Hij bedoelde, begrepen zij niet.
Nu weet het ongeloof altijd moeilijkheden te vinden die het in eigen ogen rechtvaardigen, als het de goddelijke bewijzen van de waarheid niet wil aannemen. Schijnbaar zijn het dan grote moeilijkheden, die ook de geest van hen die door genade geneigd zijn om te geloven, of van hen die al geloven maar daarin nog zwak zijn in verwarring kunnen brengen. De profeten hadden verklaard dat eerst Elia moest komen. De schriftgeleerden legden daar de nadruk op. Getroffen door de heerlijkheid, die onmiskenbaar de aanspraken van Christus bevestigde, spraken de discipelen met Hem over deze moeilijkheid. De overtuiging die het gezicht van de heerlijkheid in hun geest had gewerkt, bracht hen ertoe deze moeilijkheid uit te spreken. Vroeger hadden ze erover gezwegen, omdat ze toen de moed niet hadden de vraag te stellen. Maar nu is het bewijs van Zijn heerlijkheid sterk genoeg om hen vrijmoedigheid te geven deze moeilijkheid onder ogen te zien.
Inderdaad sprak het Woord erover en Jezus neemt het aan als de waarheid. Elia zou eerst komen en alle dingen herstellen. En hij zal inderdaad komen vóór de openbaring van de heerlijkheid van de Zoon des mensen. Maar eerst moest de Zoon des mensen lijden en verworpen worden. Dat was ook geschreven, evenals de zending van Elia. Maar bovendien had God, vóór de openbaring van Christus waardoor de joden in hun verantwoordelijkheid op de proef waren gesteld, niet gefaald hen een getuigenis te zenden in overeenstemming met de geest en de kracht van Elia. Maar ze hadden met hem gedaan al wat zij wilden. Er stond evenzo geschreven, dat de Zoon des mensen vóór Zijn heerlijkheid moest lijden, dan dat Elia moest komen. Maar, zoals we al hebben gezegd, hij, die zedelijk de plaats van Elia innam, was al gekomen, en zij hadden hem behandeld zoals zij ook de Heer zouden behandelen. Zo had ook Johannes de Doper getuigd, dat hij Elia niet was. Hij had Jesaja 40 aangehaald, dat over het getuigenis spreekt. Maar nooit heeft hij Maleachi 4 aangehaald, dat op Elia persoonlijk betrekking heeft. De Heer (zie Mattheüs 11:10) past Maleachi 3:1 toe, maar Johannes zelf Jesaja.
Toen Jezus van de berg was afgedaald, liep het volk op Hem toe. Ze waren ogenschijnlijk verwonderd over deze geheimzinnige afwezigheid van Zijn discipelen. Ze groeten Hem met de eerbied die Zijn gehele leven hun inboezemde. Maar wat gebeurd was tijdens Zijn afwezigheid, bevestigde alleen maar de ernstige waarheid, dat Hij moest heengaan, zoals zo juist door een heerlijker getuigenis was aangetoond.
Zelfs het overblijfsel, zij die geloofden, wisten niet hoe ze gebruik konden maken van de macht die nu op aarde was. Zelfs het geloof van de gelovigen verwerkelijkte niet de aanwezigheid van de Messias; de macht van Jahweh, de Heelmeester van Israël. Waarom zou Hij dan nog langer bij het volk en de discipelen blijven?
De arme vader geeft op een treffende wijze uiting aan zijn droefheid. Zijn woorden openbaren een hart dat door het gevoel van de nood in de juiste toestand is gebracht, maar heel zwak is in het geloof. Hij vertelt de ellendige toestand waarin zijn kind zich bevindt en zijn hart is een treffend beeld van de toestand van het overblijfsel; een geloof dat steun nodig heeft, vanwege het ongeloof waaronder het bedolven is. De toestand van Israël was niet beter dan van het arme kind. Maar de kracht die alles vermag was aanwezig. Daarin lag de moeilijkheid niet. De vraag was, of er geloof was dat er gebruik van wist te maken. De bedroefde vader zegt: “Als U iets kunt”. De Heer past hetzelfde woord toe op zijn geloof: “Als u kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk”. De arme vader, een oprecht hart, belijdt met droefheid zijn eigen toestand en zoekt daarvoor hulp bij de goedheid van Christus. Zo wordt de toestand van Israël duidelijk naar voren gebracht. Almachtige kracht was aanwezig om hen te genezen en te bevrijden uit de macht van satan. Maar dat moest door het geloof geschieden, want de ziel moest tot God terugkeren. En er was geloof bij hen die, door het getuigenis van Zijn macht getroffen en aangeraakt door de genade van God, in Jezus redding zochten voor hun ellende, en de grondslag van hun hoop. Hun geloof was zwak en weifelend. Maar waar het ook aanwezig was, handelde Jezus met de soevereine macht van Zijn eigen genade en van de goedheid van God die haar grenzen vindt in zichzelf. Hoever het ongeloof ook mocht gegaan zijn in hen die gebruik hadden moeten maken van de genade van de toenmalige bedeling: de Heer komt toch tegemoet aan elke behoefte, als het vertrouwen op Hem is gericht. En dat is een grote barmhartigheid en aanmoediging voor ons. Maar als deze macht door de mens moet worden uitgeoefend, (waartoe God hem riep), dan was het nodig dat hij heel dicht tot God naderde. Dat hij, aan wie deze macht wordt opgedragen, zich gewent aan de gemeenschap met God, door zich te onttrekken aan alles wat hem met de wereld en het vlees verbindt.
Laten we hier de beginselen van dit gedeelte nog eens samenvatten, met het oog op hun algemene toepassing. De Heer zou weggaan. Hij zou niet meer gezien worden door de wereld, totdat Hij in heerlijkheid kwam. Hij vindt, als Hij van de berg van de verheerlijking afdaalt een geval van de macht van satan over de mens, over het joodse volk. Het was nagenoeg vanaf de geboorte van het kind al zo geweest. Het geloof, dat de tussenkomst van God in Christus erkent en daar een toevlucht zoekt tegen het aanwezige kwaad, is zwak en wankel. Vanaf het begin nagenoeg alleen bezig met het kwaad, verbergt de aanblik ervan in grote mate de macht die erboven staat en het wegneemt. Maar toch is het gevoel van de nood diep genoeg, om tot deze macht de toevlucht te nemen.
Het is het ongeloof dat niet weet hoe men de aanwezige macht kan gebruiken, dat een eind maakt aan de verbindingen van Christus met de mens. Niet de ellende van de mens veroorzaakt dat einde, want juist deze ellende bracht Hem naar de aarde. Maar de almachtige kracht is aanwezig en er is alleen geloof nodig om er nut van te hebben. Als het hart zich, vanwege de macht van de vijand tot Jezus keert, kan het, dank zij God, zijn ongeloof als al het andere tot Hem brengen. Er is liefde en macht bij Hem voor elke zwakheid. Aangetrokken door de macht van de vijand, liep het volk tezamen. Kan de Heer hem genezen? Maar kan Hij toelaten dat het getuigenis van satans macht hun harten in bezit neemt? We zien hier de nieuwsgierigheid van de mens, wiens verbeelding vervuld is met de gevolgen van de tegenwoordigheid van de vijand. Maar, hoe groot het ongeloof van de mens ook mocht zijn, Christus was aanwezig, het getuigenis van een macht die, in liefde tot de mens, de gevolgen van de macht van de vijand vernietigt. Het volk schaart zich rond Hem. Hij ziet het en met één woord drijft Hij de vijand uit. Hij handelt naar de eis van Zijn macht en de bedoeling van de liefde van God. Zo veroorzaakt de werkzaamheid van de vijand de tussenkomst van Jezus, hoewel de zwakheid van het geloof van de vader dit dreigde te verhinderen. Toch, als we al onze gebreken en onze ellende tot Christus brengen, antwoordt Hij naar de volheid van Zijn macht. En anderzijds, als het vlees zich mengt met de gedachten van het geloof, belemmert het ons inzicht in de wegen van God. Gedurende de reis verklaart Christus Zijn sterven en Zijn nieuwe plaats in de opstanding. Waarom bestrafte Hij het gebrek aan inzicht van de discipelen, dat dit alles verborg en hun gemoed vervulde met gedachten van aardse en Messiaanse heerlijkheid? De oorzaak van hun gebrek aan inzicht was gelegen in wat volgt. De Heer had duidelijk genoeg tot hen gesproken. Maar op de weg hadden zij twist met elkander, wie wel de eerste plaats in het koninkrijk zou hebben. De gedachten van het vlees vervulden hun hart, als zij aan Jezus dachten. En dat was juist het tegenovergestelde van de gedachten van God in verbinding met Hem. Zwakheid die aan Jezus beleden wordt, vindt een antwoord in kracht en soevereine genade. Maar het vlees en haar begeerten verbergen, zelfs als we aan Hem denken, de gehele omvang van de gedachten van God. Ze zochten hun eigen heerlijkheid in het koninkrijk, maar het Kruis, de ware weg tot heerlijkheid, was onbegrijpelijk voor hen.
Na deze dingen, spreekt de Heer weer verder met Zijn discipelen, over het onderwerp dat op dit ogenblik voor Zijn aandacht stond, en dat nu in alle opzichten in een beslissend stadium was gekomen. Hij zou verworpen worden, en zondert Zich daarom met Zijn discipelen af van de schare, want Hij wil hen over dit punt onderwijzen. Maar zij begrijpen Hem niet, omdat ze te zeer bezig zijn met Zijn heerlijkheid, Zijn rechten als Messias. Zelfs hun geloof, zoals het was, verblindt hen voor al het andere. Het verbond zich terecht aan de Persoon van Christus. Maar hun hart, waarin dat geloof aanwezig was, verbond met Christus de vervulling van datgene wat hun vlees begeerde en voor zichzelf in Hem zocht. Hoe arglistig is toch het hart! In hun twisten om voorrang werd dat openbaar. Hun geloof is te zwak om mededelingen te verdragen die in strijd zijn met hun denkbeelden. En deze denkbeelden worden openlijk gezien als ze onder elkaar zijn. Jezus vermaant hen, en geeft hun een klein kind als voorbeeld, zoals Hij al zo dikwijls had gedaan. Hij die Christus wil volgen, moet een gezindheid hebben die tegengesteld is aan die van de wereld; een geest behorende bij het zwakke en het door de hoogmoed van de wereld verachte. Wie zo iemand ontving, zou Christus ontvangen, en in het ontvangen van Christus ontving men de Vader. Het ging hier om eeuwige dingen en dan moest de gezindheid van een mens die van een kind zijn.
De wereld was zo tegen de Heer, dat, wie niet tégen Hem was, vóór Hem was 10. De Zoon des mensen zou verworpen worden. Geloof in Zijn Persoon was nu het feit waarop het aankwam en niet persoonlijke dienst voor Hem. Helaas, de discipelen dachten nog altijd aan zichzelf: “Hij volgt ons niet”, zeiden ze. Ze moesten in Zijn verwerping delen, en als iemand hun een beker koud water gaf, zou God dit niet voorbijzien. Alles wat in hun wandel aanleiding tot struikelen zou kunnen geven, zelfs als het hun eigen rechteroog of hand was, moesten ze uittrekken of afhouwen. Want het ging nu niet om dingen die met een aardse Messias verbonden waren, maar om de dingen van de eeuwigheid. En alles zou in oordeel op een of andere wijze beproefd worden door de volmaaktheid van God. Ieder zou met vuur gezouten worden, zowel de goede als de boze. Waar leven aanwezig was, zou het vuur alleen het vlees verteren, want: “als wij geoordeeld worden, dan worden wij door <de> Heer getuchtigd, opdat wij niet met de wereld veroordeeld worden” (1 Korinthe 11:32). Als het oordeel de bozen bereikt, (en het zal hen zeker bereiken), dan is het verdoemenis; een vuur dat niet wordt uitgeblust. Maar voor de goeden was er ook nog iets anders: Ze zouden met zout gezouten worden. Hem die God was toegewijd en wiens leven een offer was voor Hem, zou de kracht van heilige genade niet ontbreken, die de ziel met God verbindt en innerlijk bewaart voor het kwaad. Zout stelt niet het vriendelijke voor, dat aangenaam is, (wat zonder twijfel door de genade wordt voortgebracht), maar die kracht van God in ons, die alles wat in ons is met God verbindt en het hart aan Hem toewijdt, het aan Hem bindende in het gevoel van verplichting en verlangen, terwijl het alles verwerpt wat in ons in strijd is met Hem. Deze verplichting vloeit voort uit de genade, maar werkt daarom juist krachtiger. Dus praktisch gezien betekent het zout de onderscheidende genade, de energie van de heiligheid, die ons scheidt van alle kwaad, maar, door ons voor God af te zonderen. Zout was goed: hier wordt het in de ziel teweeggebrachte resultaat, de toestand van de ziel zelf, zo genoemd, als ook de genade die deze toestand teweeg brengt. Dus werden zij, die zich offerden aan God, afgezonderd voor Hem: zij waren “het zout van de aarde”. Maar wanneer het zout zijn kracht verliest, waarmee kan het dan nog gezouten worden? Men gebruikt het om andere dingen te zouten. Maar als het zout zelf gezouten zou moeten worden, waarmee zou dat gedaan kunnen worden? Zo zou het ook met de christenen gaan, als zij die van Christus waren, daarvan niet dit getuigenis zouden afleggen. Want waar zou, buiten de christenen, iets gevonden kunnen worden, om dit getuigenis aan hen terug te geven of het in hen op te wekken?
Nu, dit gevoel van verplichting tegenover God dat van het kwaad afzondert, dit oordeel over al het boze in het hart, moet in ieder persoonlijk gevonden worden. Het is niet een kwestie van het oordelen van anderen, maar van zichzelf voor God te stellen, waardoor men “zout” wordt en het in zichzelf heeft. Ten opzichte van anderen moet men de vrede zoeken. En werkelijke afzondering van het kwaad maakt bekwaam om in vrede met elkaar te wandelen. Kortom: Christenen moeten afgescheiden blijven van het kwaad en innerlijk dicht bij God blijven. Ze moeten met God wandelen, in vrede onder elkaar. Geen onderwijs kan eenvoudiger, belangrijker of van meer waarde zijn. Het oordeelt en bestuurt het gehele christelijke leven in enkele woorden.
Maar het einde van de dienst van de Heer naderde. Nadat Hij in deze beginselen de eisen van de eeuwigheid en het karakter van het christelijke leven voorgesteld heeft, brengt Hij al de verhoudingen van God met de mens terug tot hun oorspronkelijke beginselen. Hij stelt de wereld en haar heerlijkheid terzijde – ook de joodse heerlijkheid, wat betreft de directe vervulling. Hij wijst aan, dat de weg naar het eeuwige leven in het kruis ligt en in de reddende kracht van God. Toch neemt Hij temidden van dit alles de plaats in van gehoorzaamheid en dienst: de ware plaats van de mens. Anderzijds wordt God Zelf voorgesteld in Zijn waar karakter als God, in Zijn natuur en Zijn goddelijke rechten. De speciale heerlijkheid die bij de bedelingen behoort, en de ware daarmee verbonden verhoudingen, worden weggelaten.
Hoofdstuk 10
Hier wordt ons een treffend beginsel voorgesteld. De natuurlijke verhoudingen, zoals God ze in den beginne geschapen heeft, worden opnieuw in hun oorspronkelijk gezag gevestigd, terwijl het hart geoordeeld wordt en het kruis voorgesteld als het enige middel om tot God te naderen, Die de scheppende bron van al deze verhoudingen is geweest. Op aarde kon Christus aan hen die Hem volgen niets anders dan een kruis aanbieden. De heerlijkheid waartoe het kruis zou leiden was aan sommigen van hen getoond, maar wat Hemzelf betreft, nam Hij de plaats van een dienstknecht in. De kennis van God door Hem, zou hen vormen voor – en leiden naar – die heerlijkheid. Want in waarheid was dat het eeuwige leven. Alle andere tussenvormen waren, in de handen van de mens, vijandig geworden tegen God die ze gegeven had. En dus ook tegen Zijn openbaring in de Persoon van Christus.
In de verzen 1-12 vinden we de oorspronkelijke verhouding tussen man en vrouw, zoals deze door de scheppende hand van God was gevormd. In verzen 13-16 zien we de belangstelling die Jezus had voor jonge kinderen, en de plaats die ze innemen in de barmhartige ogen van God, en ook de zedelijke waarde van datgene wat ze voorstellen voor de mens. In vers 17 komen we bij de wet, bij de wereld, en bij wat het menselijk hart is in de aanwezigheid van beide. Maar tevens zien we, dat Jezus een welbehagen heeft in wat beminnelijk is in het schepsel als schepsel: een beginsel van het grootste belang, zoals het hier in dit hoofdstuk wordt verklaard. Maar toch past Hij de toetssteen zedelijk toe op datzelfde hart. De jongeman had de wet onderhouden, voor zover het natuurlijk hart dat kon zien; dus de uiterlijke handelingen die de wet eiste. En dat met een natuurlijke eerlijkheid en oprechtheid, die de Heer kon waarderen, als een goede menselijke hoedanigheid. Waar deze bestaan, hebben ook wij ze altijd te erkennen. Het is belangrijk eraan te denken, dat Hij die als Mens volkomen afgezonderd was voor God (en dat, omdat Hij de gedachten van God had), de onveranderlijke verplichtingen van de door God gevestigde verhoudingen kon erkennen, en ook alles wat beminnelijk en aantrekkelijk was in het schepsel van God als zodanig. Hij had de gedachten van God, ja, was God geopenbaard in het vlees. Hoe kon Hij anders dan erkennen wat van God was in Zijn schepping? En terwijl Hij dat deed, moest Hij tevens de plichten handhaven van de verhoudingen waarin Hij Zijn schepsel had geplaatst. En ook Zijn tederheid tonen die Hij voor de kinderen had, als voorbeelden van de geest die Hij zo op prijs stelde. Hij kon niet anders dan de natuurlijke oprechtheid liefhebben, die zich in het schepsel kan openbaren. Maar Hij moest tevens de ware toestand van de mens die ten volle openbaar was geworden, oordelen. En ook de gehechtheid aan voorwerpen die hem door satan werden voorgehouden. En de wil, die verwierp en zich afkeerde van de openbaring van God, die hem opriep om al deze ijdelheden te verzaken en Hem te volgen, en zo het hart van de jongeling zedelijk op de proef stelde.
Jezus stelt ook nog op een andere manier de absolute volmaaktheid van God in het licht. De rijke jongeling zag de uiterlijke kant van de volmaaktheid van Christus. Vertrouwende op de kracht van de mens om het goede te doen, en ziende de praktische verwezenlijking in Jezus, wendt hij zich – menselijk gesproken – met oprechtheid tot Hem, om van Hem de weg te leren die naar het eeuwige leven leidt; van Hem in Wie hij zoveel volmaaktheid zag, hoewel hij Hem alleen als een rabbi zag. Dit wordt gezien in zijn oprechte en hartelijke begroeting. Hij loopt op Hem toe en knielt neer voor de leraar, die zedelijk zo hoog in zijn achting stond, en roept uit: “Goede Meester”. De menselijke grens van zijn gedachten over deze goedheid, en zijn vertrouwen in de krachten van de mens, worden openbaar in de woorden: “Wat moet ik doen om eeuwig leven te beërven?” De Heer, ingaande in de gehele draagwijdte van zijn woorden, antwoordt: “Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed dan Eén: God”. Hij die God kent, zal wat God geschapen heeft eerbiedigen, als het zich als zodanig op zijn ware plaats stelt. Maar God alleen is goed. De mens die verstandig is, zal zich tegenover God niet goed noemen, noch dromen van menselijke goedheid. De jongeling had op zijn minst de hoop goed te worden door de wet 11, en hij geloofde dat Jezus als mens goed was. Maar de grootste voorrechten die het vlees kan erkennen en die aan zijn natuur beantwoorden, sluiten nog te doeltreffender de poorten van het leven en de hemel voor de mens. Het vlees gebruikte de wet tot eigengerechtigheid, omdat de mens niet goed, maar een zondaar is. Als we moeten zoeken naar gerechtigheid, wil dat feitelijk zeggen, dat we ze niet bezitten; dat wil zeggen dat we zondaars zijn en in onszelf deze gerechtigheid niet kunnen bereiken. En de wereldse voorrechten, die schijnbaar de mens meer gelegenheid geven goed te doen, binden nog te meer zijn hart aan vergankelijke dingen, versterken zijn zelfzucht, en doen hem weinig waarde hechten aan het beeld van God.
Maar de onderwijzingen van dit hoofdstuk houden zich nog meer bezig met de toestand van de mens voor God. De gedachten van het vlees vergezellen en geven hun vorm aan de genegenheden van het hart, bij iemand die al levend gemaakt is, door de Geest van genade, werkende door de aantrekkingskracht van Christus, totdat de Heilige Geest zelf aan die genegenheden de kracht meedeelt van Zijn tegenwoordigheid, door hun de heerlijkheid van Christus in de hemel als hun voorwerp voor te stellen. Tegelijkertijd laat de Heilige Geest, voor het hart van de gelovigen, het licht van die heerlijkheid schijnen op het kruis, bekledende het met de gehele waarde van de daar tot stand gebrachte verlossing, en van de goddelijke genade die de bron ervan was, en gelijkvormigheid aan Christus werkende in ieder die dat kruis met Hem draagt.
Petrus begreep niet hoe iemand behouden kon worden, als zulke voorrechten als de joden bezaten in hun verbinding met God, (en die speciaal aanwezig waren bij deze jongeling), alleen maar de weg tot het koninkrijk van God versperden. De Heer ontmoet hem juist op deze grond, want het ging er nu om, wie de mens was in de tegenwoordigheid van God. Voorzover het van de mens afhangt is het, vanwege zijn toestand, onmogelijk om behouden te worden. Dit is een tweede ernstige waarheid. Niet alleen was er niemand goed dan God alleen, maar niemand kon ook behouden worden naar wat de mens was. Welke voorrechten hij ook als middelen mocht bezitten, ze zouden hem niet helpen in zijn toestand van zonde. Maar de Heer laat nu een andere bron van hoop zien: “Alles is mogelijk bij God”.
In dit gehele gedeelte zien we het joodse stelsel terzijde gesteld, omdat het gegrond was op een proefneming of het mogelijk was door het bezitten van door God gegeven inzettingen, gerechtigheid te verkrijgen en een plaats voor God die nog niet was geopenbaard. Deze terzijdestelling openbaarde God en bracht de mens en het hart van de mens, van aangezicht tot aangezicht tegenover God, als een tegenwoordig feit. Weliswaar in genade, maar toch van aangezicht tot aangezicht, zoals hij was. De discipelen, die nog niet de Heilige Geest ontvangen hadden, waren nog steeds onder de invloed van het oude stelsel, en zagen de mensen nog “als bomen wandelen”. Dat wordt in dit hoofdstuk duidelijk ontwikkeld. Ze konden wel aan het koninkrijk denken, maar nog steeds met vleselijke gedachten.
Maar het vlees, de vleselijke geest, wil nog verder doordringen in de loop van het genadeleven. Petrus herinnert de Heer eraan, dat de discipelen alles verlaten hebben om Hem te volgen. De Heer antwoordt, dat ieder 12 die dit gedaan had honderdvoudig alles zou ontvangen wat hem gelukkig kon maken in zijn maatschappelijke verhoudingen, zoals God die had gevormd en de gehele wereld kon geven wat het werkelijk genot betrof, samen met de tegenstand die Hijzelf in de wereld ondervond. Maar in de toekomende wereld, (en daaraan dacht Petrus niet), zou hij niet het een of ander persoonlijk voordeel ontvangen, maar eeuwig leven. Zo ging de Heer verder dan de beloften die met een Messias op aarde verbonden waren, om in te gaan en anderen te doen ingaan, in dat wat eeuwig was. Wat het persoonlijke loon betreft, daarover kon niet geoordeeld worden naar de uiterlijke schijn. Vele eersten zullen laatsten en laatsten eersten zijn.
De discipelen volgden werkelijk Jezus, en dachten aan het loon, maar weinig aan het kruis dat erheen leidt. Daarom waren ze verbaasd en bevreesd, toen ze Jezus opzettelijk naar Jeruzalem zagen gaan, waar men Hem zocht te doden. Hoewel ze Hem volgden, waren ze er ver van verwijderd zich te realiseren alles wat die weg inhield. Jezus beijvert Zich, om het hun te verklaren. Hij spreekt van Zijn verwerping en Zijn ingaan door de opstanding in de nieuwe wereld. Johannes en Jakobus, weinig getroffen door de mededelingen van de Heer, gebruiken hun geloof in het koningschap van Christus, om de vleselijke begeerten van hun hart bekend te maken, namelijk het zitten in de heerlijkheid aan Zijn rechter- en linkerhand. Opnieuw verzekert de Heer hen, dat ze het kruis met Hem zullen delen, en neemt Zelf de plaats in van de vervulling van Zijn dienst en van het brengen van anderen in gemeenschap met Zijn lijden. Wat de heerlijkheid van het koninkrijk betreft: die zou gegeven worden aan hen voor wie de Vader het had bereid. De beschikking hierover lag niet in Zijn handen, laat staan in die van hen. Het is de plaats van dienst, van vernedering, en van gehoorzaamheid, waarin dit Evangelie Hem altijd voorstelt. En dat behoorde ook de plaats van Zijn discipelen te zijn.
We hebben gezien, wat het vlees was in een oprechte jongeman, wie Jezus liefhad en in Zijn discipelen, die zich niet wisten te verplaatsen in de ware positie van Christus. De tegenstelling hiervan met de volle heerschappij van de Heilige Geest, zoals we die bij vergelijking van Markus 10 met Filippi 3 vinden, is opmerkelijk.
Saulus was een man die, uiterlijk naar de wet, onberispelijk was, evenals de jongeling in Markus 10. Maar hij had Christus in heerlijkheid gezien, en door het onderwijs van de Heilige Geest de gerechtigheid leren kennen naar welke Christus inging in de heerlijkheid, en waarin Hij Zich openbaarde aan hem. Alles wat voor hem gewin was geweest, achtte hij nu schade om Christus’ wil. Zou Paulus een vleselijke, een menselijke gerechtigheid willen hebben, gesteld dat hij die kon verkrijgen, nu hij een gerechtigheid had gezien die schitterde met de heerlijkheid van Christus? Hij bezat de gerechtigheid die van God was, door het geloof. Welke waarde had de gerechtigheid nog, waardoor hij zich zo had ingespannen, nu hij de volmaakte gerechtigheid bezat die God door geloof gaf? Niet alleen waren de zonden weggedaan, maar de menselijke gerechtigheid was daardoor waardeloos gemaakt. Zijn ogen waren hiervoor geopend door de Heilige Geest en door het zien van Christus. Er waren dingen, die het hart van de rijke jongeling terughielden in de wereld, die Christus prijs gaf en die in Hem God verwierp. Maar konden deze dingen iemand terughouden, die Christus in de andere wereld had gezien? Ze waren alleen maar drek voor hem. Hij had alles prijsgegeven om deze Christus te bezitten. Ze waren zonder enige waarde voor hem. De Heilige Geest had, door Christus aan hem te openbaren, hem volkomen vrijgemaakt.
Maar deze openbaring aan het hart van de verheerlijkte Christus, gaat nog verder. Hij die op deze wijze met de wereld breekt, moet Hem volgen, Wiens heerlijkheid hij bereiken wil. En dat wil zeggen: zich stellen onder Zijn kruis. De discipelen hadden alles verlaten om Hem te volgen. Genade had hen met Christus verbonden, opdat ze Hem zouden volgen. De Heilige Geest had hen nog niet verbonden met Zijn heerlijkheid. Hij ging nu op naar Jeruzalem. Ze zijn daarover verbaasd, en terwijl ze Hem volgen zijn ze bevreesd, hoewel Hij voor hen uitging en zij Zijn leiding en aanwezigheid hebben. Paulus daarentegen, zocht de kracht van Zijn opstanding te kennen. Hij verlangt gemeenschap te hebben met Zijn lijden en gelijkvormig te worden aan Zijn dood. In plaats van verbaasdheid en vrees, is er bij hem volledig geestelijk inzicht, en verlangen naar gelijkvormigheid aan die dood, die de discipelen vreesden. Dit was, omdat Paulus daarin zedelijk Christus vond en het de weg was tot de heerlijkheid die hij had gezien. Maar bovendien reinigt dit zien van Christus de begeerten van het hart, zelfs ten opzichte van die heerlijkheid. Johannes en Jakobus begeerden voor zich de beste plaats in het koninkrijk. Het was een begeerte die voordeel zocht te behalen, (met een vleselijk en zelfzuchtig doel), van wat het geloof had verstaan: een eenzijdig inzicht, dat het koninkrijk terstond zocht en niet de heerlijkheid en de toekomende wereld. Paulus had Christus gezien. Zijn enige begeerte voor de heerlijkheid was Hem te bezitten: “opdat ik Christus mag winnen”, en in een toestand te zijn die daarbij paste. Hij begeerde niet een goede plaats bij Hem in het koninkrijk, maar Hemzelf. Dat is waarlijk bevrijding – het gevolg van de tegenwoordigheid van de Heilige Geest die een verheerlijkte Christus openbaart.
We kunnen hier opmerken, dat de Heer in al deze gevallen het kruis invoert. Het is de enige weg uit deze natuurlijke wereld tot de wereld van heerlijkheid en van eeuwig leven 13. Aan de jongeling toont Hij het kruis, aan de discipelen die Hem volgen, eveneens. Aan Johannes en Jakobus, die een goede plaats zochten in het koninkrijk, stelde Hij de beker voor die ze zouden moeten drinken als ze Hem volgden. Eeuwig leven, hoewel nu ontvangen, was, voor zover het ging over het bezit en het genot ervan, overeenkomstig Gods raadsbesluiten, aan de andere zijde van het kruis.
Merk tevens op, dat de Heer zó volmaakt en goddelijk was boven de zonde waarin de natuur lag, dat Hij alles wat van God was in die natuur kon erkennen, terwijl Hij tegelijk de onmogelijkheid aantoonde van elke verbinding tussen God en de mens op de grondslag van wat de mens was. Voorrechten waren alleen hinderpalen. We moeten gaan door wat de dood is voor het vlees. Goddelijke gerechtigheid moeten we bezitten en in de geest, (straks in werkelijkheid), een andere wereld binnengaan om Hem te volgen en bij Hem te zijn, opdat wij “Christus winnen”! Ernstige les!
Daarom is God alleen goed. En omdat de zonde inkwam, is het onmogelijk, als God wordt geopenbaard, dat de mens met Hem in verbinding kan zijn. Maar bij God zijn alle dingen mogelijk. Het kruis is de enige weg tot God. Christus brengt erheen, en we moeten Hem volgen op die weg, die de weg van eeuwig leven is. Hij die een kinderlijke gezindheid bezit, betreedt door genade deze weg. De geest van dienen en zelfverloochening kan daar wandelen. Christus ging deze weg en gaf Zijn leven tot een losprijs voor velen. Hier eindigt dit gedeelte van het onderwijs van de Heer. De nederigheid van dienen is de plaats waar Christus ons brengt. Daar heeft Hij gewandeld. Dit hoofdstuk is alle aandacht waard die een christen door genade eraan kan wijden. Het spreekt van de grond waarop een mens kan staan; over de vraag in hoeverre God iets erkent van wat van de natuur is; en over de weg van de discipel hier beneden.
In vers 46 begint een ander onderwerp. De Heer gaat op de weg van Zijn laatste verbinding met Israël. Hij stelt Zich meer voor als Koning, Emmanuel, dan als de Profeet die gezonden zou worden. Als de Profeet was Zijn dienst geëindigd. Zoals Hij tegen Zijn discipelen zei, was Hij gezonden om te prediken. En, zoals we gezien hebben, bracht dit Hem naar het kruis. Het was noodzakelijk, dat Hij deze gevolgen aan hen die Hem volgden voorstelde. Nu stelt Hij Zich weer met Israël in verbinding, maar als de Zoon van David. Hij nadert Jeruzalem, vanwaar Hij was uitgegaan en waar Hij verworpen moest worden en de kracht van God openbaart zich in Hem. Langs de weg van Jericho, de stad van de vloek, nadert Hij die zegen aanbrengt ten koste van de overgave van Zichzelf. De arme blinde man 14 (en zo was het volk inderdaad in zichzelf) erkende Jezus van Nazareth als de Zoon van David. De genade van Jezus antwoordt in kracht op de nood van Zijn volk, die zich in geloof openbaart en daarin volhardt, ondanks de hinderpalen die in de weg worden gelegd door de grote menigte, die deze nood niet voelt. Zij volgden Jezus alleen omdat ze aangetrokken werden door de openbaring van Zijn macht, zonder met Hem verbonden te zijn door het geloof van het hart. Dat geloof voelt de nood. Jezus staat stil en roept hem, en openbaart dan voor de ogen van al het volk de goddelijke macht, die in het midden van Israël het geloof beantwoordt, dat in Jezus van Nazareth de ware Zoon van David, de Messias erkent. Het geloof van de arme man heeft hem genezen, en hij volgt Jezus op de weg zonder zich te verbergen en zonder te vrezen. Want het geloof dat toen Jezus als de Christus beleed was goddelijk geloof, al wist het misschien niets van het kruis dat Hij zo juist Zijn discipelen had aangekondigd als het gevolg van Zijn getrouwheid en dienst, en op welke weg het geloof Hem moest volgen als het oprecht was.
Hoofdstuk 11
Hier stelt Jezus Zich aan Jeruzalem voor als Koning. Zijn ontvangst toont hoe diep het door Hem afgelegde getuigenis had ingewerkt op de harten van de eenvoudigen. Daarom had God bepaald dat deze ontvangst zou plaatsvinden. Er is weinig verschil tussen het verhaalde hier en in Mattheüs. Alleen het koninkrijk wordt hier eenvoudiger voorgesteld. Het is: “het komende koninkrijk van onze vader David”.
Met wat een waardigheid neemt Jezus, als de Rechter van alles, kennis van al wat in de tempel werd gedaan, er dan uitgaande zonder iets te zeggen. De Heer had Zijn tempel bezocht, zoals Hij ook naar Zacharia 9:9 de stad was binnengegaan, rijdende op het veulen van de ezelin waarop nog nooit iemand had gezeten. Hij oordeelt Israël in het vervloeken van de vijgenboom 15.
De heerlijkheid van de Heer, van het huis van Jahweh, wordt met gezag gehandhaafd. Het is een gezag dat Hij voor Zichzelf opeist, en in eigen Persoon uitoefent. De schriftgeleerden en overpriesters trekken zich terug, voor het overwicht dat Zijn woord Hem over het volk had gegeven, en Hij verlaat de stad zonder dat Hem letsel is toegebracht, ondanks hun boosheid. Als de volgende dag Zijn discipelen verwonderd zijn bij het zien van de verdorde vijgenboom, verzekert Hij hen dat alles wat ze in het geloof zouden begeren, geschieden zou. Maar ze moesten in genade handelen, als ze dit voorrecht wilden genieten. De schriftgeleerden, priesters en oudsten zijn in verwarring, en vragen Hem naar Zijn gezag. Zijn woorden richten zich tot hun geweten, maar zo, dat hun onbevoegdheid om Hem zo’n vraag te stellen, duidelijk aan het licht komt en tegelijk hun onoprechtheid. Ze konden niet beslissen over de doop van Johannes. Met welk recht konden ze Hem dan ondervragen, over Zijn eigen aanspraken? Toen hen de vraag werd voorgelegd, hadden ze geen antwoord. Ze moesten, of door hun antwoord Zijn werk wettigen, of hun gezag verliezen bij het volk, door te loochenen dat de doop van Johannes, die getuigenis had gegeven van Christus, uit de hemel was. Het ging er niet meer om, deze mensen te winnen. Hoe hol en leeg is de wijsheid van de mens in de tegenwoordigheid van God en Zijn wijsheid!
De verandering van bedeling en de zonde die de Koning verwierp, zien we meer in Mattheüs. In Markus is het meer de dienst van Christus als de Profeet. Daarna stelt Hij Zichzelf voor als de Koning, zoals we al hebben gezien. En in beide Evangeliën zien we, dat het Jahweh is die de dienst vervult, welke Hij Zich verwaardigd had op Zich te nemen.
Als gevolg daarvan, vinden we in Mattheüs meer persoonlijke beschuldigingen tegen de joden, zoals in de gelijkenis van de twee zonen (21:28-32) en de bijzonderheden van de verandering van bedeling in de gelijkenis van het bruiloftsfeest (22:1-14). Beide gelijkenissen komen in Markus niet voor. Daarin wordt ons door de Heilige Geest voor ogen gesteld, de onveranderlijke waardigheid van Zijn Persoon, en het eenvoudige feit dat de Profeet en Koning werd verworpen; een verwerping die het oordeel over Israël bracht. Overigens is het hetzelfde algemene getuigenis dat we in Mattheüs hebben gezien.
Hoofdstuk 12
Daarna geeft de Heer de korte inhoud weer van de gehele wet, als het beginsel van zegen tussen het schepsel en God, en dat wat de toetssteen vormt voor het hart in het verwerpen van Christus. Ik zeg, voor het hart, omdat het inderdaad het hart was dat beproefd werd, hoewel het openbaar werd in het verstand. Zelfs als er werkelijk orthodoxe (rechtzinnige) gedachten aanwezig waren, (Christus verworpen zijnde), kon het hart dat niet aan Zijn Persoon gehecht was, Hem niet volgen in de weg waartoe Zijn verwerping leidde. Het geheel van de raadsbesluiten van God, dat afhing van die verwerping, was een moeilijkheid. Zij die aan Zijn Persoon gehecht waren, volgden Hem, en zagen zich op die weg geplaatst zonder dit van tevoren goed begrepen te hebben. Zo geeft de Heer de kern van de wet, (de gehele wet als wezenlijk goddelijk onderwijs) en laat het overgangspunt zien, waarop de raadsbesluiten van God overgebracht zijn in de nieuwe sfeer, waar ze buiten de boosheid of de boze wil van de mens om vervuld zullen worden. Deze enkele verzen (hoofdstuk 12:28-37) stellen ons dus voor: de wet en de Zoon van David en hoe deze laatste Zijn plaats inneemt als Zoon des mensen, als Heer, aan de rechterhand van God. Dit was het geheim van alles wat gaande was. De vereniging van Zijn lichaam, de Gemeente, met Hemzelf, was het enige dat nog niet ter sprake kwam. Alleen in Markus zien we, dat de Heer als Profeet de zedelijke toestand, onder de wet, erkent die gaat in de richting van ingaan in het koninkrijk van God. Deze schriftgeleerde had de geest van inzicht.
De tekening van de toestand die het oordeel zou brengen, zoals in Mattheüs 23, wordt in Markus niet gegeven. Dat is zijn onderwerp niet. Hier waarschuwt Jezus, steeds als Profeet, Zijn discipelen zedelijk. Maar het oordeel over Israël vanwege de verwerping van de Zoon van David, staat hier niet op dezelfde wijze voor Zijn aandacht als in Mattheüs. Dat wil zeggen: het is niet het onderwerp waarover de Heilige Geest hier spreekt. Het ware karakter van de vroomheid van de schriftgeleerden wordt hier aangetoond, en de discipelen worden tegen hen gewaarschuwd. De Heer maakt hen ook duidelijk, wat in de ogen van God werkelijk waarde geeft aan de offeranden die naar de tempel worden gebracht.
Hoofdstuk 13
In dit hoofdstuk behandelt de Heer meer de dienst van de Apostelen, in de omstandigheden waarin ze zich zouden bevinden, dan de ontwikkeling van de bedelingen en van de wegen van God ten opzichte van het koninkrijk. Dit laatste zien we meer in Mattheüs.
We zien dat de discipelen alleen een algemeen overzicht vragen van het onderwerp waarmee ze zich bezig hadden gehouden. Ze vragen wanneer het oordeel over de tempel zal komen en al deze dingen zullen worden vervuld. En verzen 9-13 hebben meer verbinding met Mattheüs 10 dan met Mattheüs 24, hoewel we er ook enkele omstandigheden uit dit laatste hoofdstuk vinden. Het gaat hier over de dienst die de discipelen zouden vervullen in het midden van Israël, en over het getuigenis tegen de overheid die hen zou vervolgen. Intussen zou het evangelie gepredikt worden aan alle volken, voor het einde kwam. Ze moesten als predikers de plaats innemen, die Jezus onder het volk had ingenomen. Het getuigenis zou zich echter veel verder uitstrekken. Het zou afgelegd worden te midden van alle mogelijke verdrukking en de ergste vervolgingen.
Maar er zou een ogenblik komen waarop deze dienst moest eindigen. Het bekende teken van de gruwel die verwoesting aanbrengt, zou dat ogenblik aangeven. Dan moesten ze vluchten. Dat zouden dagen zijn van een ongeëvenaarde beproeving en van tekenen en wonderen, die, als dat mogelijk zou zijn, zelfs de uitverkorenen zouden misleiden. Daarom werden ze nu gewaarschuwd. Na die tijd zou alles bewogen worden en zou de Zoon des mensen komen. Macht zou de plaats innemen van getuigenis en de Zoon des mensen zou Zijn uitverkorenen uit Israël bijeenvergaderen uit alle delen van de aarde. Het schijnt me toe dat in dit Evangelie, meer dan in één ander, de Heer het oordeel over Jeruzalem dat ophanden was, samentrekt met wat nu nog toekomstig is, hoewel Hij de aandacht het meest vestigt op het laatste, omdat Hij meer bezig is met het gedrag van Zijn discipelen gedurende die gebeurtenissen. Israël, het gehele systeem waarin de Heer gekomen was, zou voorlopig terzijde worden gesteld, om de Gemeente en het koninkrijk in zijn hemels karakter in te voeren. Daarna zou het duizendjarig rijk komen, dat is de Gemeente in haar heerlijkheid en het koninkrijk in macht gevestigd, als het stelsel van de wet en Israël onder het eerste verbond definitief zijn terzijde gesteld. In deze beide tijdvakken zou de algemene positie van de discipelen dezelfde zijn. Maar de gebeurtenissen in het laatste tijdvak zouden belangrijk en beslissend zijn; en over die spreekt de Heer in het bijzonder. Maar dat wat het meest aanstaande was, en waardoor voor de tegenwoordige tijd Israël en het getuigenis terzijde gesteld werden, vereiste dat er een waarschuwing werd gericht tot de discipelen met het oog op het onmiddellijke gevaar dat hen bedreigde. Daarom wordt hen die waarschuwing gegeven.
De pogingen van de joden om in de tijd van het einde in weerwil van God hun stelsel weer op te richten, zal slechts leiden tot openlijke afval en een definitief oordeel. Dat zal de tijd zijn van de grote verdrukking waarvan de Heer spreekt. Maar vanaf de tijd van de eerste verwoesting van Jeruzalem onder Titus tot de komst van de Heer, worden de joden gezien als terzijde gesteld en onder dit oordeel, tot welke hoogte het ook op bepaalde ogenblikken vervuld zal zijn.
De discipelen wordt bevolen te waken, want zij weten het uur niet. De Heer heeft hier vooral hun gedrag in dit opzicht voor ogen. Van die grote dag en van het uur waarop die komen zal, weten de engelen, en zelfs de Zoon als Profeet niets. Want Jezus moet zitten aan de rechterhand van God, totdat Zijn vijanden gezet zijn tot een voetbank van Zijn voeten. De tijd wanneer Hij opstaan zal is nog niet geopenbaard. Jezus zegt dat de Vader die in Zijn eigen macht gesteld heeft. In Handelingen 3 zien we, dat Petrus de wederkomst van de Heer aan de joden voorstelt. Ze verwerpen zijn getuigenis, en nu wachten ze op de volledige vervulling van alles wat gezegd is. Intussen worden de dienstknechten achtergelaten om tijdens de afwezigheid van de Meester te dienen. Vooral aan de deurwachter beveelt Hij te waken, want niemand weet in welk uur de Meester terugkomt. Dit ziet op de discipelen in hun verbindingen met Israël. Maar tevens is het een algemeen beginsel dat de Heer aan allen voorstelt.
Hoofdstuk 14
Dit hoofdstuk vat de draad van de geschiedenis weer op, maar met de ernstige omstandigheden die verbonden zijn met het eind van het leven van de Heer. De schriftgeleerden en farizeeërs beraadslagen al hoe ze Hem met list zouden kunnen vangen en doden. Ze vreesden de invloed van het volk, dat de werken, de goedheid en de zachtmoedigheid van Jezus bewonderde. Daarom willen zij vermijden, dat Hij tijdens het feest, als de schare naar Jeruzalem kwam, gevangen genomen zou worden. Maar God had andere plannen. Jezus moest ons Paaslam zijn – gezegende Heer! – en Hij offert Zichzelf als zoenoffer. En nu de raadsbesluiten van God en de liefde van Christus daarop gericht waren, ontbrak het satan niet aan geschikte tussenpersonen om alles uit te voeren wat hij tegen de Heer kon doen. Terwijl Jezus Zichzelf voor het volk offert, wordt dit er spoedig toe gebracht om Hem, door Wie ze zo waren aangetrokken, over te leveren, zelfs aan de volken. En het verraad zou niet ontbreken, om Hem zonder moeite in de handen van de priesters over te leveren. Toch zouden de regelingen van God, die Hem erkende en openbaarde in genade, de voorrang hebben. Het avondmaal te Bethanië, als ook dat in Jeruzalem zouden voorafgaan, het een aan de aanleiding tot en het ander aan de uitvoering van Judas’ daad. Want hoe groot de boosheid van de mens ook mag zijn, God neemt altijd de plaats in die Hij verkiest. Hij laat nooit toe dat de macht van de vijand Zijn wegen voor het geloof verbergt, noch laat Hij Zijn volk zonder het getuigenis van Zijn liefde.
Dit deel van de geschiedenis is zeer opmerkelijk. God laat de gedachten en de vrees van de leidslieden van het volk aan het licht komen, opdat wij ze zouden kennen. Maar alles is onvoorwaardelijk in Zijn handen. De boosheid van de mens, het verraad van Judas en de macht van satan mogen nog zo krachtig werken, (en nog nooit waren ze zo actief geweest), ze doen niets anders dan de raadsbesluiten van God vervullen voor de heerlijkheid van Christus. Vóór het verraad van Judas, ontvangt Hij het getuigenis van de liefde van Maria. God drukt het zegel van deze liefde op Hem, die op het punt staat verraden te worden. En anderzijds kan Hij, voordat Hij verlaten en overgeleverd wordt, van al Zijn liefde voor de Zijnen getuigenis geven bij Zijn laatste maaltijd met hen, in de instelling van het avondmaal van de Heer. Wat een prachtig getuigenis van de belangstelling waarmee God voor Zijn kinderen zorgt en hen vertroost in de donkerste ogenblikken van hun ellende!
Laten we ook opmerken, hoe de liefde tot Christus te midden van de Hem omringende duisternis, het licht vindt dat haar gedrag bepaalt, en het juist bepaalt op wat in dat ogenblik passend was. Maria had geen profetische kennis. Maar het onmiddellijk dreigend gevaar waarin de Heer was gekomen door de haat van de joden, doet haar liefde tot zo’n hoogte stijgen, dat ze een daad verricht die overal in de gehele wereld zou worden verkondigd waar de dood van Christus en Zijn liefde tot ons zou gepredikt worden. Dat is waar inzicht, ware leiding in zedelijke dingen. Haar daad wordt een aanleiding tot de verblinding van Judas. Maar door het eigen getuigenis van de Heer is het bekleed met het licht van goddelijk inzicht. Deze liefde voor Christus kan onderscheiden wat passend is en voelt het goede en het boze op de juiste wijze en op de juiste tijd aan. Voor de armen te zorgen is een goede zaak. Maar op dit ogenblik waren al de gedachten van God gericht op het offer van Christus. Zij hadden altijd gelegenheid om de armen te ondersteunen, en het was goed dat te doen. Maar hen naast Jezus te stellen, op het ogenblik toen Hij Zichzelf ging offeren, was hen uit hun ware plaats nemen, en te vergeten alles wat kostbaar was voor God. Judas, die alleen aan geld dacht, beziet de toestand van zaken alleen naar zijn eigen belang. Hij zag niet de kostbaarheid van Christus, maar alleen het verlangen van de schriftgeleerden. Zijn scherpzinnigheid was van satan, zoals die van Maria van God was. Maar de geschiedenis gaat verder. Judas regelt met de schriftgeleerden zijn plan om Jezus voor geld over te leveren. En feitelijk wordt de zaak geregeld overeenkomstig zijn en hun gedachten. Toch is het opmerkelijk te zien, op welke wijze God Zelf de toestand beheerst, als ik zo mag spreken. Hoewel op dit ogenblik de boosheid van de mens zijn toppunt bereikt, en de macht van satan zich tot het uiterste inspant, wordt toch alles vervuld op het juiste ogenblik, op de juiste wijze, en door de van God gewilde instrumenten. Niet het minste ontgaat Hem. Niets wordt vervuld dan alleen wat Hij wil, als Hij het wil en wanneer Hij wil. Wat een troost voor ons. En, in de omstandigheden die we overdenken, wat een treffend getuigenis. Daarom vermeldt de Heilige Geest ook het gemakkelijk te begrijpen verlangen van de overpriesters en schriftgeleerden, om de gelegenheid van het feest te vermijden. Nutteloos verlangen! Dit offer moest gebracht worden juist op die tijd. En het werd volbracht.
Maar intussen naderde het ogenblik van het laatste paasfeest, dat plaatsvond gedurende het leven van Jezus – dat waarvan Hijzelf het Lam zou zijn. Hij zou geen andere herinnering voor het geloof achterlaten, dan alleen die van Zichzelf en van Zijn werk. Daarom zendt Hij Zijn discipelen heen om alles wat voor het feest nodig was te bereiden. Als het avond geworden is, zit Hij met hen aan om Zich met hen te onderhouden, en als hun Metgezel hen voor het laatst Zijn liefde te betuigen. Maar Hij moet hen tevens aankondigen, (want Hij moest alles lijden), dat één van hen Hem zou verraden. En de harten van elf discipelen antwoorden vol droefheid bij deze gedachte 16. Eén dergenen die met Hem uit dezelfde schotel at zou dat doen, maar wee deze mens! Maar noch de gedachte aan zo’n ongerechtigheid, noch de droefheid van Zijn eigen hart, kon het uitstromen van Christus’ liefde stuiten. Van die liefde geeft Hij hun een onderpand in het Avondmaal van de Heer. Voortaan moesten ze niet meer terug denken aan een tijdelijke verlossing, maar aan Hemzelf en aan Zijn offer! Alles was nu in Hem, en wel in Hem stervende op het kruis, verenigd. Als Hij hen daarna de beker geeft, legt Hij (figuurlijk) de grondslag van het Nieuwe Verbond in Zijn bloed. Hij geeft hen die, als een aandeel in Zijn dood, als ware drank van het leven. Als zij allen daaruit hebben gedronken, kondigt Hij hen aan, dat dat het zegel is van het Nieuwe Verbond, (naar Jeremia 31 een welbekende zaak onder de joden), terwijl Hij erbij voegt, dat dit bloed voor velen vergoten werd. De dood moest intreden om dit Nieuwe Verbond te vestigen, en tot een losprijs voor velen. Hiervoor was de dood noodzakelijk, en werden de banden van een aardse vereniging tussen Jezus en Zijn discipelen ontbonden. Hij zou niet meer drinken van de vrucht van de wijnstok, (het teken van deze aardse vereniging), totdat Hij op een andere wijze deze vereniging met hen zou hernieuwen, in het koninkrijk van God. Als het koninkrijk zou gevestigd zijn, zou Hij weer bij hen zijn, en deze banden van vereniging op een werkelijke wijze met hen hernieuwen, zij het dan in een andere vorm en op een uitnemender wijze. Nu echter, zou alles veranderen. Ze zingen en gaan uit en trekken zich terug naar de gewone plaats op de Olijfberg.
De banden tussen Jezus en Zijn discipelen hier op aarde, zouden inderdaad worden verbroken, maar dit zou niet zijn omdat Hij hen prijsgaf. Hij versterkte, of ten minste, Hij openbaarde de gevoelens van Zijn hart en de kracht (van Zijn zijde) van deze banden, in Zijn laatste avondmaal met hen. Maar zij zouden geërgerd worden door wat met Hem zou gebeuren, en Hem verlaten. Toch was de hand van God in dit alles. Hij zou de Herder slaan (Zacharia 13). Maar als Jezus uit de doden zou zijn opgestaan, zou Hij Zijn verbinding met Zijn discipelen, met de geringen van de kudde, weer herstellen. Hij zou voor hen heengaan naar de plaats waar deze verbinding voor het eerst was ontstaan, waar het licht voor hen was opgegaan overeenkomstig het woord van God (Jesaja 9), naar Galilea; ver van de plaats verwijderd waarop het volk zo trots was.
De dood stond voor Hem. Hij moest die ondergaan, zou er enige verbinding van welke aard ook, tussen God en de mens tot stand kunnen komen. De Herder moest geslagen worden door de Heer van de legermachten. De dood was het oordeel van God. Kon de mens dit oordeel verduren? Er was er maar Eén die dit kon. Petrus, die de Heer te lief had om Hem in zijn hart te verlaten, gaat zo ver in de weg van de dood, dat hij weer terug moet. Hij leverde daardoor het sprekendste bewijs van zijn eigen onbekwaamheid om de afgrond over te gaan, die zich ontsloot voor zijn ogen in de Persoon van zijn verworpen Meester. En toch zag Petrus alleen maar het uiterlijke van wat de dood is. De zwakte, voortgekomen uit zijn vrees, maakte hem ongeschikt om in de afgrond te zien, die de zonde voor onze voeten gegraven had. Op het ogenblik dat Jezus aankondigt wat er gaat gebeuren, neemt Petrus op zich het hoofd te bieden aan alles wat zou komen. Oprecht in zijn liefde, wist hij niet wat de mens was – naakt voor God en in de tegenwoordigheid van de macht van de vijand die de dood als wapen heeft. Eenmaal had hij al gebeefd. Maar het aanschouwen van Jezus, dat de liefde inspireert, zegt niet dat het vlees dat ons verhindert Hem te verheerlijken, in een praktische zin werkelijk dood is. En bovendien wist hij niets van deze waarheid. Het is de dood van Christus die onze toestand in het volle licht heeft geplaatst, en tegelijk het enige redmiddel bewerkte, namelijk dood en leven in opstanding. Zoals de ark alleen de Jordaan inging, opdat Zijn verlost volk er droogvoets door zou kunnen gaan. Nooit tevoren waren ze door die weg gegaan.
Jezus nadert het einde van Zijn beproeving; een beproeving die alleen maar Zijn volmaaktheid en Zijn heerlijkheid aan het licht bracht, en tegelijkertijd God Zijn Vader verheerlijkte. Niets bleef Hem in deze beproeving bespaard, dat de kracht zou kunnen hebben Hem tegen te houden; als tenminste iets dat zou hebben kunnen doen. Ze ging zelfs tot in de dood en tot het dragen van de toorn van God in die dood; een last, die ver uitgaat boven al onze gedachten.
Hij nadert de strijd en het lijden met volkomen kennis van wat het was, en niet met de lichtvaardigheid van een Petrus, die zich erin stortte omdat hij onbekend was met het wezen ervan. Hij stelt zich in de tegenwoordigheid van Zijn God en Vader, waar alles gewogen wordt, en waar de wil van Hem die Hem deze taak oplegde, duidelijk bevestigd wordt in Zijn gemeenschap met Hem. Zó volbrengt Jezus deze taak juist zoals Godzelf ze zag, naar de omvang en de bedoeling van Zijn gedachten en van Zijn natuur en in volmaakte gehoorzaamheid aan Zijn wil.
Dan zondert Jezus Zich af om alleen te bidden. Zedelijk gaat Hij door de gehele uitgestrektheid van Zijn lijden heen, terwijl Hij al de bitterheid ervan smaakte, in gemeenschap met Zijn Vader. Het lijden voor Zich hebbende, brengt Hij het voor het hart van Zijn Vader, opdat, als het mogelijk was, deze beker aan Hem zou voorbijgaan. Zo niet, dan wilde Hij hem tenminste uit de hand van de Vader aannemen. Dit was de godsvrucht, op grond waarvan Hij verhoord werd en Zijn gebeden naar boven opstegen (Hebreeën 5:7). Hij is daar als een mens, verblijd dat Zijn discipelen met Hem waken, verblijd Zich af te zonderen om Zijn hart uit te storten aan het hart van Zijn Vader, in de afhankelijke toestand van een mens die bidt. Wat een tafereel!
Petrus, die wilde sterven voor zijn Meester, is zelfs niet bij machte met Hem te waken. De Heer stelt op een zachtmoedige wijze zijn inconsequentie voor zijn aandacht, erkennende dat zijn geest wel gewillig is, maar dat het vlees waardeloos is in de strijd met de vijand en in geestelijke beproeving.
Het overzicht van Markus, dat zo snel overgaat van de ene omstandigheid (die de gehele zedelijke toestand van de mensen met welke Jezus verbonden was, blootlegt) naar een andere, en zo, dat al deze gebeurtenissen in verband met elkaar worden gezien, is even treffend als de uiteenzetting van de bijzonderheden die in de andere Evangeliën wordt gegeven. Op elke stap die we in ’t verhaal doen, is een zedelijke stempel gedrukt, wat aan het geheel een belangrijkheid geeft, dat door niets kan worden overtroffen, uitgezonderd dat wat boven alle dingen en gedachten verheven is; die Ene, de Persoon van Hem die ons hier wordt voorgesteld. Hij tenminste, waakte met Zijn Vader; want tenslotte, wat kon de mens voor Hem doen, hoewel Hij door genade volkomen afhankelijk was? Volkomen mens als Hij was, moest Hij op niemand steunen dan op God alleen, en zo was Hij de volmaakte Mens. Weer gaat Hij weg om te bidden en vindt terugkomende Zijn discipelen opnieuw slapende. En weer stelt Hij alles aan Zijn Vader voor. Dan wekt Hij Zijn discipelen, want het uur was gekomen waarin ze niets meer voor Hem konden doen. Judas komt met zijn kus. Jezus onderwerpt Zich. Petrus die gedurende het ernstige gebed van zijn Meester sliep, ontwaakt om toe te slaan, als zijn Meester Zich als een Lam ter slachtbank overgeeft. Hij slaat een van de helpers en hakt zijn oor af. Daarna spreekt Jezus met hen, die gekomen zijn om Hem te vangen. Hij herinnert hen eraan, dat, toen Hij menselijk gesproken steeds onder hun bereik was, zij Hem niet hebben gegrepen. Dat ze het nu wel deden, had een heel bijzondere reden, namelijk dat de raadsbesluiten en het Woord van God vervuld moesten worden. Hij was bezig in getrouwheid de dienst te vervullen die Hem was opgedragen. Allen verlaten Hem en vluchten. Want wie, dan Hij alleen, kan dit pad tot het einde toe volgen?
Inderdaad probeert een jongeling de weg verder te gaan, maar zodra de gerechtsdienaars de hand naar hem uitsteken en zijn linnen kleed aangrijpen, vlucht hij, en laat het in hun handen achter. Hoe verder men zich, zonder de kracht van de Heilige Geest, waagt op de weg waar de macht van de wereld en de dood zijn, des te groter wordt de schande waarmee men ontkomt, als God tenminste ontkoming toelaat. Geheel naakt vlucht de jongeling.
De getuigen schieten te kort. Niet wat hun boosheid betreft, maar in de zekerheid van hun getuigenis. Zoals ook het geweld niets tegen Hem kon doen, vóór het ogenblik gekomen was dat God had bepaald. De belijdenis van Christus, Zijn trouw in het uitspreken van de waarheid voor de gehele raad, is de oorzaak van Zijn veroordeling. De mens kan niets doen, hoewel hij alles deed wat zijn eigen wil en schuld betreft. Het getuigenis van Zijn vijanden, de liefde van de discipelen: alles faalt. Dat is de mens! Jezus alleen geeft getuigenis van de waarheid. Jezus alleen waakt in gemeenschap met de Vader. En het is Jezus, die Zich overgeeft aan hen die Hem nooit hadden kunnen gevangen nemen, vóór het van God bepaalde uur gekomen was.
Arme Petrus! Hij ging verder dan de jongeling in de hof. Hier vinden we hem terug: het vlees in de plaats van het getuigenis, op de plaats waar dat getuigenis afgelegd moet worden tegenover de macht van de tegenstander en zijn werktuigen. Helaas! hij zal niet ontkomen. Het woord van Jezus zal waar blijken, zoals dat van Petrus onwaar. Het hart van Jezus is trouw en vol van liefde, dat van Petrus (zoals, helaas, ook het onze) ontrouw en laf. Jezus belijdt de waarheid, en Petrus loochent ze. Maar toch onttrekt de genade van onze gezegende Heer zich niet aan hem, en, door deze getroffen, verbergt hij zijn gezicht en weent.
Maar nu moet het woord van de profeet nog worden vervuld, dat Hij in de handen van de volken zal worden overgeleverd. Daar wordt Hij ervan beschuldigd, een koning te zijn. De erkenning daarvan moet noodzakelijk Zijn dood veroorzaken. Maar het is de waarheid.
De belijdenis die Jezus aflegde voor de overpriesters, staat in verbinding met zijn verhouding tot Israël, zoals we ook al in andere gevallen in dit Evangelie hebben gezien. Zijn dienst was, te prediken in de vergadering van Israël. Inderdaad had Hij Zichzelf voorgesteld als Koning, als Emmanuel. Nu belijdt Hij, dat Hij voor Israël de hoop is van het volk zoals Hij later werkelijk zal zijn. De hogepriester had gevraagd: “Bent U de Christus, de Zoon van de Gezegende?” Dat was, naar Psalm 2, de titel, de heerlijke positie van Hem, die de hoop van Israël was. Maar Jezus voegt eraan toe wat Hij van nu af zou zijn. Dat wil zeggen, welk karakter Hij zou aannemen nu Hij door het volk was verworpen, en waarin Hij Zich aan het opstandige volk zou vertonen. Het is het karakter dat we in Psalm 8, en Psalm 110 en in Daniël 7 zien, met de resultaten, namelijk de Zoon des mensen zittende aan de rechterhand van God en komende op de wolken van de hemel. Psalm 8 stelt Hem echter op een algemene wijze voor. Het is Psalm 110 en Daniël 7 die over de Messias spreken op de bijzondere wijze zoals Christus Zich hier voorstelt. De godslastering waarvan de hogepriester Hem betichtte, was alleen maar het verwerpen van Zijn Persoon. Want wat Jezus gezegd had, stond in het Woord geschreven.
Hoofdstuk 15
Voor Pilatus legt Hij alleen dan een goede belijdenis, een getuigenis voor de waarheid af, als de heerlijkheid van God dit eist en dit getuigenis gesteld moet worden tegenover de macht van de vijand. Op al het andere antwoordt Hij niets.
Hij laat hen hun gang gaan en de evangelist treedt niet in bijzonderheden. Het afleggen van dit getuigenis was de laatste dienst en de laatste plicht die Hij te vervullen had. Het wordt gegeven. Bij hun keuze geven de joden de voorkeur aan de oproerling en moordenaar Barabbas. Pilatus, gehoor gevende aan de stem van de schare, die door de overpriesters overreed was, geeft Jezus over om gekruisigd te worden. De Heer onderwerpt Zich aan de beledigingen van de soldaten, die de trots en onbeschaamdheid van hun beroep verenigen met de hardvochtigheid van de beul, wiens ambt zij vervullen. Droevig beeld van onze natuur! De Christus die kwam om hen te verlossen, was, voor dit ogenblik, in hun macht. Hij gebruikt Zijn eigen macht, niet om zichzelf te verlossen, maar om anderen te bevrijden uit de macht van de vijand. Ten slotte brengen ze Hem naar Golgotha om gekruisigd te worden. Daar bieden ze Hem een verdovend mengsel aan, dat Hij weigert. En dan kruisigen ze Hem met twee rovers, de een aan Zijn rechter- en de ander aan Zijn linkerzijde, zodat ze alles vervulden wat van de Heer geschreven stond, en dat was alles wat ze konden doen. Het was nu het uur van de joden en van de priesters, en zij hadden (wee hen) de wens van hun hart verkregen. Onbewust maken ze de heerlijkheid en de volmaaktheid van Jezus bekend. De tempel kon niet opgericht worden als hij niet eerst werd afgebroken. Als instrument vervulden zij het feit dat Hij had aangekondigd. En verder: Hij verloste anderen, maar niet Zichzelf. Dat zijn de twee delen van de volmaaktheid van de dood van Christus, ten opzichte van de mens.
Maar wat ook de gedachten van Christus en Zijn lijden ten opzichte van de mensen mochten zijn (die honden, deze stieren van Basan), het werk dat Hij moest volbrengen bevatte diepten, die zich oneindig verder uitstrekten dan deze uiterlijke dingen. Duisternis bedekte de aarde: een goddelijk en deelnemend getuigenis van die duisternis, die in veel sterkere mate de ziel overdekte van Jezus, Die vanwege de zonde door God werd verlaten, maar die daar, oneindig meer dan op enige andere tijd, Zijn absolute volmaaktheid openbaarde. En de duisternis liet, als een uiterlijk teken, Zijn gehele afzondering zien van de uiterlijke dingen, want het gehele werk was een zaak tussen Hem en God alleen, overeenkomstig de volmaaktheid van Beiden. Alles had plaats tussen Hem en Zijn God. Weinig begrepen door anderen, was alles tussen Hem en God, en terwijl Hij weer met een grote stem roept, geeft Hij Zijn geest over. Zijn dienst was geëindigd.
Wat had Hij nog meer te doen, in een wereld waarin Hij alleen leefde om de wil van God te volbrengen? Alles was voleindigd en Hij moest noodzakelijk heengaan. Ik spreek hier niet van een lichamelijke noodzakelijkheid, want Hij had Zijn kracht behouden. Maar, daar Hij zedelijk door de wereld was verworpen, was er in die wereld geen plaats meer voor Zijn barmhartigheid tegenover haar. De wil van God was geheel door Hem vervuld. In Zijn ziel had Hij de beker geledigd van de dood en het oordeel over de zonde. Er was niets meer te doen voor Hem dan te sterven. En Hij geeft de geest, gehoorzaam tot het einde toe, om in een andere wereld, (hetzij voor Zijn ziel gescheiden van het lichaam, hetzij in de heerlijkheid), een leven te beginnen waar het kwaad nooit kan inkomen en waar de nieuwe mens volmaakt gelukkig zal zijn in de tegenwoordigheid van God.
Zijn dienst was voleindigd. Zijn gehoorzaamheid had in de dood zijn doel bereikt – Zijn gehoorzaamheid, en dus Zijn leven dat Hij te midden van zondaars had doorgebracht. Wat zou een leven hebben betekend waar geen gehoorzaamheid meer te vervullen was? Door nu te sterven, was Zijn gehoorzaamheid volmaakt geworden, en Hij sterft. De weg in het heiligdom is nu geopend – het voorhangsel is gescheurd van boven tot beneden. De Romeinse hoofdman erkent in de gestorven Jezus de Persoon van de Zoon van God. Tot aan Zijn dood gingen de Messias en het jodendom tezamen. In Zijn dood verwerpt het jodendom Hem, en is Hij de Heiland van de wereld. Het voorhangsel verbergt God niet meer. Dat was, in dit opzicht, alles wat het jodendom heeft kunnen doen. De openbaring van volmaakte genade is er voor de man uit de volken die erkende, (omdat Jezus Zijn leven gaf met een uitroep die getuigde van Zijn volle kracht), dat de Vorst van het leven, de Zoon van God daar hing. Ook Pilatus is verwonderd dat Hij al gestorven is. Hij gelooft het pas, als hij van de hoofdman de verzekering ontvangt dat het zo is. Maar hij is ver van de genade en zelfs van menselijke gerechtigheid. Over geloof bekommert hij zich dus in het geheel niet.
Door de dood werd Jezus niet gescheiden van de harten van de zwakken die Hem liefhadden. Ze waren misschien niet in de strijd geweest, maar de genade had hen nu uit hun schuilplaats gehaald. Tot hen behoorden de godvruchtige vrouwen die Hem waren gevolgd en Hem dikwijls hadden gediend. En ook Jozef die, hoewel al eerder in zijn geweten getroffen, Hem niet had gevolgd, maar die nu gesterkt was geworden door het getuigenis van de genade en de volmaaktheid van Jezus. De oprechtheid van deze raadsheer vindt in het gebeurde geen aanleiding om bevreesd te zijn, maar integendeel een aanleiding om zich te openbaren. En zowel hij als deze vrouwen, houden zich bezig met het lichaam van Jezus. Deze tabernakel van de Zoon van God, die Hij zo juist had verlaten, bleef niet zonder dit dienstbetoon, dat Hem toekwam van de zijde van de mensen. Bovendien had de voorzienigheid van God en Zijn werking in de harten van de mens, voor dit alles gezorgd. Het lichaam van Jezus wordt in het graf gelegd, en allen wachten op het einde van de sabbat om hun dienst eraan te verrichten. De vrouwen hadden kennis genomen van de plaats waar ze Hem gelegd hadden.
Hoofdstuk 16
Het laatste hoofdstuk bestaat uit twee delen. Dit feit heeft zelfs aanleiding gegeven tot twijfel over de echtheid van verzen 9-20. Het eerste gedeelte, verzen 1-8, geeft het einde van de geschiedenis in verbinding met het herstel van wat in dit Evangelie altijd voor onze aandacht stond, namelijk de verbinding van de Profeet van Israël en van het koninkrijk met het volk, of beter gezegd, met het overblijfsel van het uitverkoren volk. De discipelen, en Petrus, die de Heer persoonlijk erkent ondanks (ja in genade, omdat) hij zijn Meester had verloochend, moeten Hem in Galilea ontmoeten, zoals Hij hen had gezegd. Daar werd de verbinding weer aangeknoopt tussen Jezus, de Opgestane, en de armen van de kudde die op Hem wachtten en nu alleen werden erkend als volk voor God.
De vrouwen die aan het graf zijn geweest, zeggen niets tegen de anderen. Het getuigenis van de opgestane Christus werd alleen aan Zijn discipelen opgedragen, aan deze verachte Galileeërs. De voorzienigheid van God gebruikte de vrees om te voorkomen dat de vrouwen iets tegen anderen zeggen, wat ze anders vanzelfsprekend wel hadden gedaan.
In verzen 9-20 hebben we een ander getuigenis. De discipelen worden hier niet gezien als een uitverkoren overblijfsel, maar in het ongeloof dat de natuurlijke mens eigen is. De boodschap wordt gezonden tot de gehele wereld. Maria Magdalena, die vroeger door zeven duivelen was bezeten, (de absolute slaaf van die verschrikkelijke macht), wordt gebruikt om het feit van Zijn opstanding over te brengen aan hen die met Jezus hebben gewandeld. Daarna verschijnt Jezus Zelf aan hen, en geeft hen hun opdracht. Hij zegt hen heen te gaan in de gehele wereld en het evangelie te prediken aan elk schepsel. Het is niet meer speciaal het evangelie van het koninkrijk. Wie, in de gehele wereld, geloofde en zich bij Christus voegde door de doop, zou behouden worden: wie niet geloofde zou veroordeeld worden. Het was een kwestie van behoudenis of verdoemenis: de gelovige werd behouden, wie de boodschap verwierp werd veroordeeld. En bovendien, als iemand overtuigd was van de waarheid, maar weigerde om zich met de discipelen die de Heer beleden te verenigen, zou zijn lot des te erger zijn. Daarom wordt er gezegd: wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn. Tekenen van macht zouden hun die geloven begeleiden en ze zouden worden bewaard voor de macht van de vijand.
Het eerste teken zou zijn hun macht over boze geesten. Het tweede was het bewijs van die genade welke de enge grenzen van Israël overschrijdt en zich tot de gehele wereld richt. Ze zouden in verschillende talen spreken. En ten opzichte van de macht van de vijand die zich openbaarde in het toebrengen van kwaad, zou het slangenvenijn en het vergif geen uitwerking op hen hebben. Op hun woord zouden de ziekten wijken. Kortom, de macht van de vijand over de mens zou omvergeworpen worden, en de boodschap van genade zou aan alle mensen worden gebracht.
Nadat Jezus hun zo hun opdracht heeft gegeven, vaart Hij op naar de hemel en zet Zich aan de rechterhand van God; de plaats vanwaar deze macht om te zegenen zal komen, en vanwaar Hij zal terugkomen om de armen van de kudde in het bezit te stellen van het koninkrijk. In die tussentijd nemen de discipelen Zijn plaats in terwijl ze de kring van dienst uitbreiden tot de einden van de aarde.
En de Heer bevestigde hun woord door de tekenen die volgden.
Men zal misschien zeggen, dat ik in de beschouwing van dit Evangelie te weinig aandacht heb besteed aan het lijden van Christus. Dat onderwerp zal nooit uitgeput zijn! Het is even wijd van omvang als de Persoon en het werk van Christus moeten zijn. God zij daarvoor gedankt! In Lukas hebben we meer bijzonderheden. En ik volg de orde van de gedachten zoals het Evangelie ze ons voorstelt. En het schijnt me dat Markus, in verbinding met de kruisiging van Christus, de voleinding van Zijn dienstwerk op het oog heeft. Zijn grote onderwerp was de Profeet. Noodzakelijkerwijs moest hij de geschiedenis tot het eind geven. En we hebben in een kort verhaal een zeer volledig beeld van de gebeurtenissen die het einde kenmerken van het leven van de Heer; van wat Hij als de Dienstknecht van Zijn Vader had te volbrengen. En deze orde heb ik in dit Evangelie gevolgd.
EINDE EVANGELIE NAAR MARKUS
J.N. Darby
© Uit het Woord der Waarheid · 5.2
De ‘Synopsis’ is een diepgaand commentaar op de hele Bijbel, verschenen in 8 delen bij deze uitgever.
Voor beginners of hen die meer willen lezen verwijzen we naar:
- ‘Gods Woord voor elke dag’, J. Koechlin
- De trouwe dienstknecht, J. Tiesema
- Gekomen om te dienen, W. Kelly
Met dank aan br. H.C.M. ten Haaken voor zijn initiatief en inzet!
Voetnoten:
1 Deze spoed kenmerkt Markus, zoals het gebruik van het woord “terstond”.
2 Zoals in Mattheüs, wordt ook hier alleen het feit als zodanig gegeven. In Lukas zullen we meer gelegenheid hebben om in bijzonderheden te treden in verband met de roeping van de discipelen. Vanaf de dagen van Johannes de Doper, waren ze al min of meer verbonden geweest met de Heer, althans de hier genoemden.
3 We moeten onderscheid maken tussen de tijdelijke (regeringsgewijze) en de eeuwige vergeving van zonden. Vanwege de werkelijke toestand van de mens zou de eerste natuurlijk niet mogelijk zijn geweest zonder de laatste. Maar dat is eerst ten volle duidelijk geworden, toen Christus verworpen en gestorven was.
4 Men ziet duidelijk hoe het oude systeem, dat gegrond is op wat de mens moet zijn voor God, terzijde gesteld wordt en vervangen door wat God is voor de mens. Maar daar het eerste door God was ingesteld, zou niets anders dan de woorden en de werken van de Heer Jezus de joden het recht hebben gegeven het terzijde te stellen. Zoals het was, was het duidelijk tegenstand en haat tegen de volle openbaring van Hem, die deze nieuwe staat van zaken verordende. Vergelijk Johannes 15:22,24.
5 Dit is het geheim van de gehele geschiedenis van Jezus, de Zoon van David. Alle beloften voor de joden waren in Hem en Hij was ook de dienstknecht van elke behoefte en elk verdriet, hoewel Hij God was en God in Hem was geopenbaard. Maar de mens kon dat alles niet verdragen. Wat het vlees bedenkt is vijandschap tegen God.
6 Opgemerkt dient te worden, dat zeven het hoogste getal is onder het getal tien dat ondeelbaar is, en twaalf het meest deelbare.
7 In verbinding met de heiligheid van de rabbijnen, werd speeksel in dit opzicht hoog gewaardeerd door de Joden. Maar hier is de werking ervan verbonden met de Persoon die het gebruikt.
8 We vinden hier niets over de Gemeente, noch over de sleutels van het koninkrijk. Die dingen hangen af van wat hier niet wordt genoemd als deel van de belijdenis van Petrus: “de Zoon van de levende God”. We hebben hier de heerlijkheid van het in kracht komende koninkrijk, in tegenstelling met de verworpen Christus, de Profeet-Dienstknecht in Israël.
9 Het ingaan in de wolk, maakt geen deel uit van wat hier wordt geopenbaard. Dat vinden we in Lukas. De wolk was voor Israël de plaats waar God woonde. Het was (zie Mattheüs 17) een lichtgevende wolk.
10 Sommigen vinden het moeilijk, dit overeen te brengen met: “Wie niet voor Mij is, is tegen Mij”. Maar als de hoofdgedachte in het oog wordt gehouden, is de moeilijkheid weg. Christus was de goddelijke toetssteen voor de toestand van de mens en bracht alles tot een beslissing. De wereld was geheel en absoluut tegen Hem. Als iemand dus niet tégen Hem was, was hij vóór Hem, want er was geen middentoestand. Maar toen eenmaal alle dingen tot een beslissing gekomen waren, behoorde men, als men niet voor Hem was, tot de wereld en dus tegen Hem.
11 Hij vraagt niet: “Wat moet ik doen om behouden te worden.” Hij veronderstelde dat hij door de wet het leven moest ontvangen.
12 Dat gaat zelfs verder dan de verbinding van de discipelen met de joden en laat in beginsel ook de volken toe.
13 Vanaf de verheerlijking op de berg tot op het ogenblik dat er van Zijn rechten als Zoon van David wordt gesproken, wordt het kruis voorgesteld. De dienst van Profeet en Prediker, die Hij tot dat ogenblik had gedaan, eindigt met de verheerlijking op de berg waarin Zijn toekomstige heerlijkheid in deze wereld op het kruis scheen, dat het einde was van Zijn dienst hier beneden. Maar voor Hij het kruis bereikte, stelde Hij Zichzelf voor als Koning. Mattheüs begint met de Koning, maar in Markus zien we in hoofdzaak de Profeet.
14 Ik heb al opgemerkt dat de blinde van Jericho het punt is, waar, in de eerste drie Evangeliën de geschiedenis van de laatste handelingen van Christus met de joden, en van Zijn laatste lijden, begint. Zijn algemene dienst en onderwijs was geëindigd.
15 De vijgenboom stelt de mens voor onder het Oude Verbond, het vlees onder goddelijke eisen. Het zou geen vrucht voortbrengen in eeuwigheid.
16 Er is iets in de vragen van de discipelen dat prachtig en treffend is. Hun harten waren ernstig gestemd, en de woorden van Jezus hebben voor hun hart al het gewicht van een goddelijk getuigenis. Niemand van hen, uitgezonderd Judas, dacht eraan om Hem te verraden. Maar Zijn woord was zeker waar. Hun ziel erkende dat en er was een groot mistrouwen in zichzelf in de tegenwoordigheid van Christus’ woorden. Er was bij hen geen trotse zelfverzekerdheid dat ze het niet zouden doen, maar hun hart boog zich neer voor deze ernstige en vreselijke woorden van Jezus. Judas ontweek de kwestie; maar daarna vraagt hij het schijnbaar om niet anders te zijn dan de anderen, maar alleen om persoonlijk door de Heer te worden aangewezen, een grote opluchting voor de anderen (Mattheüs 26:25).