15. Wie is de schuld van alle ellende in deze wereld?
Ondanks het feit dat God de mens geschapen heeft is er een opvallende disharmonie in zijn leven waar te nemen: geboorte tegenover sterven, blijdschap tegenover leed, lachen tegenover huilen, leven tegenover dood. Er gaat bijna geen dag voorbij of de mens wordt opgeschrikt door ziekte, epidemieën, hongersnoden, rampen en ongevallen.
Door oorlogen en gewelddaden worden massa‘s mensen in zeer korte tijd van de aardbodem weggerukt. De dood spaart jong noch oud, arm noch rijk. Mensen met verbitterde harten staan in nijd en haat tegenover elkaar, met vreselijk leed als gevolg. Dan zijn er verder nog de eenzamen, de verslaafden, de vergetenen, de teleurgestelden, de wanhopigen, de gekwelden, de gehandicapten, de zwakzinnigen, en ga zo maar door.
De vraag komt op: ’Heeft God de mens voor zulke ellende geschapen, of is Hij niet bij machte aan al dit vreselijke een eind te maken?’
De mens zoekt naar de oorzaak en naar het antwoord. Hij beweert: ’In ieder geval is het allemaal niet mijn schuld!’ Sommigen zeggen dat de overheid de schuldige is omdat zij verplicht is voor orde en zekerheid te zorgen. Anderen stellen: ’De kerk is schuldig want zij behoort zich om alle moeilijkheden te bekommeren’. Men gaat zelfs nog verder en zegt: ’God draagt van dit alles de schuld. Als er een God was zou Hij dit verschrikkelijke niet toelaten. Als God Liefde is dan zou Hij aan alle nood een eind maken’. Ze vragen: ’Waarom doet God niets, waarom grijpt Hij niet in? ’ Weer anderen menen dat iedereen zich maar in z‘n lot moet schikken.
Al deze reacties schijnen, verstandelijk gezien, acceptabel te zijn. Maar om het enige, juiste antwoord te vinden moet de mens stilstaan bij iets heel anders.
De mens van vandaag kan zich nauwelijks voorstellen dat het op deze aarde beter geweest is, dat er eens een tijd was zonder ellende.
Toen God de mens schiep bestond er geen leed op de aarde. In de Bijbel kunnen we lezen: ’Alleen, zie, dit heb ik gevonden: dat God de mens oprecht gemaakt heeft, maar zij hebben vele uitvluchten gezocht’ (Prediker 7:29). God had hem geschapen naar Zijn beeld, en hij bezat alles wat bij een gelukkig leven behoorde. Er was geen ziekte, geen verdriet, geen dood en geen zorg over de dagelijkse behoeften want alles was overvloedig voorhanden.
Hij was gelukkig in de gemeenschap met zijn Schepper en genoot een leven dat alle wensen van de mens van vandaag ver overtreft. God bedeelde de mens met een vrije wil doch gaf hem echter een gebod, waarover we eerder in dit boek al uitgebreid spraken. Maar de mens twijfelde aan de liefde van God; hij geloofde het Woord van God, dat hij dit heerlijke leven alleen door gehoorzaamheid kon behouden, niet. Hij geloofde Satan, de verleider van de mens en de grote tegenstander van God, meer dan zijn Schepper en overtrad Gods gebod.
Omdat God volmaakt heilig en rechtvaardig is moest Hij vanwege de ongehoorzaamheid van de mens het aangekondigde oordeel voltrekken. Daarom verloor de eerste mens zijn gelukkig leven en was hij voortaan niet alleen aan de lichamelijke dood onderworpen maar, wat veel erger is, ook aan de geestelijke dood. Bovendien trok hij zijn hele nageslacht in deze toestand van ‘gescheiden-zijn van God‘ mee. ’Zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen en door de zonde de dood, en zo de dood tot alle mensen is doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben’ (Romeinen 5:12).
Evenals de eerste mens wil ook de mens van vandaag niet dat God over hem gebiedt. Net als toen wil men nu zelf heersen. Door zijn ongehoorzaamheid jegens God raakte de mens onder de heerschappij van Satan en het is deze ’mensenmoorder van het begin’, deze ’leugenaar en vader van de leugen’ (zie Johannes 8:44) die voortaan de mens bestuurt in de richting die hij wil. Deze verleider is de veroorzaker van alle ellende in de wereld. En in zijn hand is de mens een gedwee instrument (zonder dat de mens het weet); de mens is zelfs bereid onder zijn Ieiding te zeggen wat hij niet denkt en te doen wat hij niet wil.
Door deze goddeloze toestand ontbreekt in het leven van de mens de levende verwachting en de ware vreugde. Satan heeft er alle belang bij dat de mensen elkaar vernietigen en elkaar het leven zuur maken. Het is zijn doel zoveel mogelijk mensen, zelfs de religieuze, als zijn werktuig te gebruiken. En dat gelukt hem buitengewoon goed.
Kijkt u maar om u heen en in de kranten, en luister maar naar de vele onheilsberichten. Het is dus niet waar dat God de mens voor leed en dood gemaakt heeft en dat nood en ellende tot de orde van de dag moeten behoren.
Het is alleen de schuld van de mens zelf die door zijn ongehoorzaamheid aan God zijn leven voortzet in onafhankelijkheid van Zijn Schepper (en dus alleen maar tot zonde in staat is, zie hoofdstuk 6) onder de totale overheersing van de Satan.
Hierin ligt de tragiek van het hele mensengeslacht. En naast alle vreselijke dingen die de mens om zich heen ziet gebeuren (en waarvan hij mogelijk het slachtoffer is) moet hij ook nog de lichamelijke dood sterven en alles ondervinden wat het dagelijks leven aan moeite, zwakheid, gebreken en pijn met zich meebrengt.
Maar het mag een troost voor de mens zijn dat hij niet zomaar aan de Satan overgeleverd is. God is er, Die de wereld geschapen heeft en Zich de alleen-heerschappij voorbehoudt. Hij is het Die met wijsheid en macht regeert en de topleiding geen moment uit handen geeft. ’Hij wil dat alle mensen behouden worden’ (1 Timotheus 2:4). Daarom spreekt Hij op vele manieren tot de mensen om hen terug te brengen in de heerlijke gemeenschap met Hem. Het is daarom onbillijk en onbetamelijk God aan te klagen en Hem de schuld te geven van de narigheden en ellende in deze wereld.
Integendeel!!!: Hij heeft Zijn liefde aan de mens bewezen door Zijn Zoon te geven. ’Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft’ (Johannes 3:16).
Hij heeft Hem op het kruis van Golgotha geoordeeld (Zijn volmaakte rechtvaardigheid eiste het oordeel over de zonde) en daardoor kan elke zondaar, die zich bekeert, door het geloof in Hem gered worden (Zijn volmaakte liefde eiste deze reddingsmogelijkheid; zo zien we dat aan het kruis aan de eisen van Gods rechtvaardigheid en liefde voor honderd procent is beantwoord) en in alle moeite Gods kracht en vrede ervaren. Alleen door bekering en door het geloof in de Heer Jezus kan de mens uit de heerschappij van de Satan weer terug in de gemeenschap met God komen.
Helaas zijn er zeer velen op deze aarde die zich niet bekeren en dus trawanten van de duivel blijven, waardoor alle ellende alleen maar schrikbarend toeneemt. De mens zet zich in en geeft miljarden uit om ’de wereld te verbeteren’; maar de nood op onze aarde wordt met de dag groter, want zolang de mens een instrument van Satan is houden de vreselijke toestanden nooit op.
Nogmaals: bekering en geloof zijn de enige mogelijkheden om uit de macht van de duivel te geraken. Het kan best zijn dat ook de gelovigen moeite en zorg niet gespaard blijven, maar zij mogen nu reeds vreugde, vrede en gelukzaligheid putten uit Openbaring 21:4 en Romeinen 8:18: ’En Hij zal elke traan van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschrei, noch moeite zal er meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan’,
’Want ik acht, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet waard is vergeleken te worden met de toekomstige heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden’.
Vreselijk is het als iemand in ongeloof voortleeft, en buiten de gemeenschap met God is. Het doet God pijn als Hij ziet waartoe Zijn schepselen in staat zijn. Hij wacht met verlangen op het ogenblik waarop Hij aan alle ellende een eind kan maken. Alleen Hij kan dat! Hij laat al het verschrikkelijke in deze wereld toe zolang Zijn wijsheid dat nodig acht. God wacht geen seconde te lang.
Spoedig, zeer spoedig worden de gelovigen, de verlostenopgenomen in het hemels Vaderhuis en dan zullen Zijn oordelen (die erger zullen zijn dan al het afschuwelijke dat ooit in deze wereld heeft plaatsgevonden) aan alle ongerechtigheid op deze aarde een krachtig ’halt! ’ toeroepen. Dan houdt voor al Zijn kinderen het lijden op en ontvangt de boze, onrechtvaardige wereld haar rechtvaardig oordeel van een volmaakt rechtvaardig God tegen Wie zij nu klagend haar stem opheft.
Tot dat moment kan een ieder nog door de genadedeur naar binnen gaan; kan een ieder zich nog bekeren. God laat de genadetijd nog steeds voortduren zodat elk mens zich door geloof in de gestorven en opgestane Heiland en Heer Jezus Christus uit de macht van de Sata kan laten redden.
Al bijna tweeduizend jaar wacht Hij in Zijn lankmoedigheid en heeft Hij nog niet met Zijn oordelen ingegrepen. Nog steeds ziet Hij toe, ofschoon een woord genoeg is om alle leed te beëindigen. Zijn liefde dringt Hem de mens nog te verdragen en de kans te geven, want God wil geen oordeel maar redding.
Misschien bent u de laatste die ernstig wordt opgeroepen zich te bekeren. Als God nu op dit ogenblik ingrijpt en u hebt die belangrijke beslissing nog niet genomen, dan is het voor u voor eeuwig te laat. Verschrikkelijk!
Kom naar Hem toe!
Geloof in de Heer Jezus!
Stel het niet uit!
Wie weet hoe spoedig de tijd van genade voorbij is!
Arthur Schweizer
De auteur (Duitser van geboorte) heeft de boekjes
‘Antwort auf 2x 7 Fragen’,
‘Weisst du warum?‘
en ‘Wahrheit Friede Freude’ geschreven.
Deze vraag is er één uit een serie van 20 vragen.
Deze komen – vertaald en bewerkt – uit de vermelde drie boekjes.
Voor meer evangelisatielectuur verwijzen we graag
naar www.uhwdw.nl!