13. Wat is leven?

Een serie van 20 vragen – Arthur Schweizer

Hoe vaak wordt er niet gesproken over de zin en het doel van ons leven. Is ons verblijf op aarde niet een voortdurende vraag naar het ‘waarom’ en het ‘waarheen’?

De meeste mensen vinden geen antwoord op deze belangrijke, nooit verstommende vraag. Velen geloven dat alles maar zinloos en doelloos is en menigeen gooit z’n leven dan ook maar vroegtijdig weg. Er zijn er ook die deze vraag op hun eigen manier beantwoorden. Ze verstaan onder ‘leven’ plezier, vermaak en afwisseling; met volle teugen willen ze naar hun eigen lusten van deze wereld genieten. Weer anderen geloven hun leven inhoud te kunnen geven door naar bezit, hoog aanzien en een hoge positie te streven. Een volgende groep beweert: ‘Mijn leven is muziek, kunst, sport, literatuur, …’.

Zulke mensen hopen in de natuurlijke, onstoffelijke dingen bevrediging te vinden. Het zou te ver voeren alles op te sommen waarmee de mens actief bezig is om zijn leven inhoud en waarde te geven.

In het huwelijk, in geluk, in gezondheid, in lang leven – overal wordt het ware leven gezocht. Ook de religie loopt daarbij niet achterop en biedt de mensen diverse manieren om hun leven inhoud te geven. Toch is er niemand die van al het ‘uitgestalde’ zeggen kan: ‘Daarin heb ik het leven gevonden; dat heeft mijn verwachtingen volledig beantwoord’.
Onze tijd maakt op een bijzondere wijze de onzekerheid en vergankelijkheid in het korte aardse leven duidelijk. De sterkste liefde, de zekerste economische betrekkingen, de beste gezondheid – alles is onderhevig aan verandering en houdt geen stand.
Nee, de zin en het doel van ons leven moet iets anders zijn. Dat hebben zelfs grote mannen en vrouwen van deze wereld, die nu nog als weldoeners, dichters en denkers vereerd worden, dikwijls betuigd.

Goethe riep bijvoorbeeld aan het einde van zijn leven uit:

‘U Die van de hemel bent, die alle leed en smart stilt,
die de ellendige verkwikt, ach, ik ben het leven met al zijn pijn en lust zo moe!
O, zoete vrede kom, ach kom in mijn hart!’

En de dichteres Eleonore Reuss zegt in een lied:

‘Ik heb de mensen gezien, en ze zoeken vroeg en laat,
ze worden geboren, ze komen en gaan, en hun leven is arbeid en moeite.
Ze zoeken wat ze niet vinden, in liefde, eer en geluk,
en komen belast met zonden onbevredigd terug’

Maar God heeft in Zijn wijsheid de mens niet voor het onvolkomene of het ‘onbevredigd zijn’ geschapen. Toch is het menselijk leven in vergelijking met de kracht van een leeuw, de ‘radar’ van een vleermuis, de reuk van een hyena, het oog van de adelaar en het oriënteringsvermogen van een duif fysiek en geestelijk zeer zwak en vatbaar. We lezen in Gods Woord: ‘De dagen van onze jaren: daarin zijn zeventig jaren, of, als wij zeer sterk zijn, tachtig jaren, maar het beste daarvan is moeite en verdriet, want het wordt snel afgesneden en wij vliegen heen’ (Psalm 90:10).

De mens wordt op een bepaalde tijd geboren en heeft geen enkele invloed op geslacht, huidkleur of omgeving. Hij krijgt een aanleg mee die hij niet eens zelf gekozen heeft.
Wat is de zin en het doel van ons aardse bestaan? Is het alleen maar een biologisch proces van ‘geboren worden’ en sterven? Als dat zo was dan was de mens er ondanks zijn verstandelijke vermogens niet beter aan toe dan het dier.

Maar God heeft de mensen niet als de dieren geschapen. ‘Hij blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen’ (Genesis 2:7). ‘Ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd’ (Prediker 3:11).

Daarom heeft de mens dus het eeuwige bestaan dat ook door de lichamelijke dood niet van hem afgenomen wordt. Maar dat eeuwige bestaan betekent nog niet dat de mens leven uit God: het eeuwige leven heeft.

Onder de uitdrukking ‘leven’ verstaan we verschillende dingen. Allereerst is daar het natuurlijke leven dat begint als de mens het levenslicht ziet. De één is een lang leven beschoren, van de ander wordt het al vroeg weggenomen. De één leeft in veel moeite, zorgen en ziekte en de ander leeft zorgeloos en moeiteloos en is van aardse goederen rijkelijk voorzien. Is de vraag naar het waarom, naar de zin en het doel van het leven eigenlijk nu niet het best op z’n plaats? Komt het ware leven niet pas dan tot uiting als het vrij is van angst en zorgen, moeite en ziekte? Ja, zelfs vrij van de dood?

Zo’n volmaakt leven bezat de eerste mens. Hij was vrij van alles wat het korte leven op aarde vaak zo onzegbaar zwaar maakt. Hij had een gelukkig leven dat alle geluk, vrede, vreugde en zorgeloosheid in zich had. God had de mens boven alle andere schepselen een bevoorrechte plaats gegeven. Maar de mens wilde nog meer hebben, hij streefde naar het hoogste: hij wilde als God zijn. Deze ongehoorzaamheid bracht hem ten val en hij moest zijn gelukkig leven in onschuld ruilen voor een leven onder de last en de gevolgen van de zonde, waaronder ook vandaag de mens nog zucht en lijdt.

Door zijn ontrouw verloor de mens zijn gelukkige, door niets verstoorde leven in gemeenschap met God. Bovendien is sindsdien zijn leven aan de lichamelijke dood onderworpen. Maar het vreselijkste gevolg is wel dat hij van de Bron van leven is afgesneden: van God gescheiden is. Hierin ligt de werkelijke kern van de vraag naar de zin en het doel van het leven. De mens mag zich inspannen en hij mag zoeken zoveel hij wil; pas wanneer hij de Bron van het leven teruggevonden heeft krijgt zijn leven weer inhoud, waarde, doel en perspectief. Hoe vindt de mens nu de weg tot deze Bron, tot God Zelf terug? Hoe vindt hij eindelijk dat wat het diepste verlangen van zijn hart is?

Steeds weer doet de mens pogingen om voor God ‘goed voor de dag te komen’. Maar het blijft jammerlijke, tevergeefse moeite. Als al onze gedachten eens zichtbaar werden en in daden zouden worden omgezet dan kwamen we er zelfs voor een aardse rechtbank niet heelhuids af. Maar God heeft de mens lief en kwam hem in Zijn genade te hulp. Hij zond de arme mens Hem, Die het Leven Zelf is: Zijn eniggeboren Zoon.

In 1 Johannes 5:11 lezen we: ‘dat God ons eeuwig leven heeft gegeven, en dit leven is in Zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet’. Hier is de sleutel tot het eeuwige leven dat elk mens wel zou willen hebben en ook verkrijgen kan. ‘En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus Die U hebt gezonden’ (Johannes 17:3).

Dit leven is van een oneindig hogere waarde dan het leven dat Adam voor de zondeval bezat. Niemand hoeft van dit eeuwige leven uitgesloten te zijn want God zegt dat een ieder die in Zijn Zoon gelooft eeuwig leven heeft. Kan God het nog gemakkelijker maken? Toch schenkt de mens in zijn onverschilligheid aan deze gave van God geen aandacht; hij wijst hem zelfs van de hand.

Maar aan wie bereid is zijn ‘oude’ leven op te geven en de Zoon van God in het geloof als zijn Heer en Heiland aan te nemen, zich aan Hem over te geven, uit te leveren en te onderwerpen, schenkt God het ware, eeuwige leven. Het is het leven dat eeuwig duurt en werkelijk inhoud en perspectief heeft. Wie dit leven bezit is terug bij de Bron van het leven waaruit hij gedrenkt wordt met ongestoorde blijdschap, echte vrede, werkelijke zekerheid en beloften die niet leeg zijn maar voor honderd procent vervuld zullen worden.

Al hier op aarde wordt dit leven in en met de Heer Jezus Christus geleefd, zelfs in het zwakke, onvolkomen lichaam. Het wordt geleefd met alles wat het dagelijks leven met zich meebrengt. Maar wat een geweldig verschil met het leven zonder Hem. Zo’n leven is misschien wel schitterend en succesvol, maar het is zonder enige hoop. Het wordt geleefd op een dunne ijskorst: wakken en barsten verhinderen het hart om tot rust te komen en er komen geen antwoorden op de vele ‘waaroms’. Het leven in en met Hem is, ondanks uiterlijke nood en tegenslagen, gegrond op de Rots Die niet wankelt of bezwijkt: op Jezus Christus, de Heer van leven en dood.

Het leven zonder Hem is een ‘genieten’ van de zichtbare dingen van deze wereld; het is een zoeken en vragen, vol angst en hopeloosheid.

Het leven in en met de Heer Jezus is een geloven in hemelse, voor de natuur onzichtbare dingen. Dit leven zal niet meer worden vervuld met de vraag naar het ‘waarom’ maar met de zekerheid dat God hen, die Hem liefhebben, alle dingen doet meewerken ten goede (zie Romeinen 8:28).

Dit leven in en met Hem wordt ook vervuld met de zekerheid dat we van ‘geloven naar aanschouwen’ zullen worden gevoerd en alle leed, moeite en pijn achter ons gelegd zal worden en we het gelukzalige, eeuwige leven in volmaaktheid zullen genieten. Het is moeilijk om te beschrijven hoe het in de eeuwigheid zal zijn. Maar hoe het niet zal zijn zegt God ons in Zijn Woord. Geen leed, geen pijn, geen tranen en geen dood zullen er meer zijn. Als we al op aarde de heerlijke resultaten van de gave van het eeuwige leven genieten kunnen we iets vermoeden van deze toekomstige gelukzaligheid. Dit heerlijke leven nu al te bezitten is de zin en het doel van het aardse bestaan.

Heeft uw leven al een inhoud en een doel? Ja?

Dus u hebt de Heer Jezus Christus als uw Heer en Heiland aangenomen? Dan behoort u bij de gelukkigen die kunnen zingen:

‘Met de vrede Gods in ’t harte ga ik hier door smart en strijd;
eeuw’ge rust vind ik daarboven in des Godslams heerlijkheid’.

(Lied 128:4 uit ‘Geestelijke Liederen / Lofzangen en Geestelijke Liederen’)

Arthur Schweizer

De auteur (Duitser van geboorte) heeft de boekjes
‘Antwort auf 2x 7 Fragen’,
‘Weisst du warum?’
en ‘Wahrheit Friede Freude’ geschreven.
Deze vraag is er één uit een serie van 20 vragen.
Deze komen – vertaald en bewerkt – uit de vermelde drie boekjes.

Voor meer evangelisatielectuur verwijzen we graag
naar www.uhwdw.nl!