Verhardt uw harten niet
De Brief aan de Hebreeën – J.C. Reumerman
- 1. Waarom wordt de schrijver van de Brief aan de Hebreeën niet vermeld?
- 2. Vergelijking van het Nieuwe Testament met de vijf Boeken van Mozes
- 3. Overzicht van de Hebreeënbrief
- 4. Hebreeën 1:1
- 5. Zeven heerlijkheden van de Zoon
- 6. U bent Mijn Zoon, Ik heb u heden verwekt?
- 7. Psalm 45 geciteerd in Hebreeën 1
- 8. Psalm 102 geciteerd in Hebreeën 1
- 9. Hoe zullen wij ontkomen?
- 10. De Heer Jezus smaakte de dood voor alles
- 11. Door lijden volmaakt
- 12. Uit slavernij verloste mensen
- 13. Verhardt uw harten niet
- 14. Blijf niet achter!
- 15. Het Woord van God is krachtig
- 16. Het hogepriesterschap van de Heer Jezus
Hebreeën 3:7 en 8: ‘Daarom, zoals de Heilige Geest zegt: Heden, als u Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet zoals bij de verbittering, in de dag van de verzoeking in de woestijn’.
‘Daarom’. Het woordje ‘daarom’ in vers 7 geeft de reden aan waarom de apostel Paulus over de woestijnreis van het volk Israël spreekt. Ook is er een duidelijk verband met Mozes. We hebben immers in de eerste zes verzen van dit hoofdstuk meerdere malen over Mozes gelezen. Nadat in het eerste vers de aandacht werd gevestigd op de Heer Jezus als de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis, werd er vervolgens in het tweede, derde en vijfde vers direct gesproken over Mozes.
We zagen eerder dat de Heer Jezus over het huis (dat is het huis van God) Zoon is en dat Hij het is Die het huis gemaakt heeft, terwijl Mozes slechts dienstknecht was in het huis. Met dat huis wordt bedoeld: de woning van God in de woestijn, de Tabernakel. Het is onder andere een beeld van het heelal, waarbij de Voorhof een beeld is van de aarde, het Heilige een beeld van de hemelen, en het Heilige der heiligen een beeld is van de tegenwoordigheid van God. Zo lezen wij in hoofdstuk 4:14 over de Heer Jezus als onze ware Hogepriester: ‘Daar wij nu een grote Hogepriester hebben, Die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God’.
Eenmaal per jaar, op de Grote Verzoendag, ging de hogepriester vanuit de Voorhof door de eerste voorhang heen in het Heilige en ten slotte – niet zonder bloed en reukwerk – in het Heilige der heiligen. Zo is de Heer Jezus als onze ware Hogepriester de hemelen doorgegaan om te verschijnen voor het aangezicht van God (vergelijk 9:24).
Maar de Heer Jezus is tevens de Schepper, Die niet alleen aanwijzingen heeft gegeven voor de tabernakel in de woestijn, maar Hij heeft ook datgene gemaakt waarvan de tabernakel een beeld is: het heelal! Er wordt vervolgens in vers 6 gezegd: ‘Wiens huis wij zijn’, dat zijn de gelovigen op aarde: toen waren dat de gelovige Hebreeën, nu zijn dat de gelovigen die bij de Gemeente horen.
‘Zoals de Heilige Geest zegt’. De schrijver (de apostel Paulus) denkt terug aan de ernstige vermaningen in verband met het volk Israël. Daarom wordt er hier in dit verband, geïnspireerd door de Geest van God, nader op ingegaan. Er wordt daarbij een gedeelte van Psalm 95 aangehaald, maar we lezen niet: ‘daarom lezen wij in Psalm 95’ of ‘daarom zegt de Psalmist’, maar er wordt teruggegrepen naar de Bron, de Goddelijke Auteur, en dat is de Heilige Geest!
Ook voor ons is het belangrijk om er bij het lezen van de Bijbel aan te blijven denken dat wij niet zomaar een willekeurig boek voor ons hebben, zomaar enkele woorden, maar dat God de Heilige Geest het is Die door het Woord tot ons spreekt!
Voordat we ingaan op verschillende details van dit gedeelte, willen we ter verduidelijking nog enkele algemene opmerkingen over het karakter van deze Brief maken. De Hebreeënbrief behoort tot de zogenaamde ‘woestijnbrieven’. Deze uitdrukking is ontleend aan wat we van de geschiedenis van het volk Israël kennen.
Dat volk werd verlost uit Egypte, trok gedurende veertig jaar door de woestijn en kwam ten slotte aan in het beloofde land, Kanaän. In de woestijn ondervonden zij de beproevingen van het geloof, de test of vuurdoop van het geloof, en daar kwam dus aan het licht of hun geloof waarachtig was. Er was helaas ook heel veel falen te zien, heel veel tekortkomingen en helaas ook veel blijken van ongeloof. Dat kwam allemaal in de woestijn tot uitdrukking.
Deze gedachte met betrekking tot de woestijn is eveneens van toepassing op een aantal Brieven in het Nieuwe Testament, waarin de gelovigen worden gezien als pelgrims op reis door de woestijn van deze wereld, totdat ze zijn aangekomen in het beloofde land; dat is voor ons het Vaderhuis. In de woestijn gaat het om de verantwoordelijkheid van iedereen die de Naam van de Heer Jezus belijdt, zodat de mogelijkheid open blijft dat er naambelijders bij zijn. Tot zulke ‘woestijnbrieven’ behoort ook de Hebreeënbrief. Vooral hoofdstuk 3:7-19, hoofdstuk 4 en meerdere andere gedeelten, spreken over die verantwoordelijkheid in de woestijn.
Wat zijn dan de zogenaamde ‘landbrieven’? Dat zijn die Brieven in het Nieuwe Testament die gaan over Gods raadsbesluiten, Gods gedachten, die Hij Zich heeft voorgenomen in de Heer Jezus en waar we de genade en liefde van God vinden.
In die Brieven wordt verder onze positie in Christus als uitgangspunt genomen. En dan begrijpen we dat alles wat God doet en wat de Heer Jezus doet, absoluut in vervulling zal gaan. Alles wat de Heer Jezus doet is eeuwig. Bijvoorbeeld Mattheüs 16:18, waar de Heer Jezus zegt: ‘Op deze rots [petra] zal Ik Mijn Gemeente bouwen’, dan weten we: dat wat Hij bouwt, is volmaakt en eeuwig. En daar kan niets en niemand iets aan afdoen.
Zo zal dat wat God Zich voorgenomen heeft in Zijn raadsbesluiten zeker in vervulling gaan. Zijn raad zal bestaan. En waar het van Hém uitgaat, en het dus niet de verantwoordelijkheid van mensen betreft, is alles zeker en vast.
Wie tot geloof is gekomen in de Heer Jezus mag weten: ‘Ik ben volkomen veilig in Zijn hand. Mijn eeuwige bestemming staat vast’. Wat is dat een geweldige troost! Daarnaast bevinden wij ons echter hier op aarde en worden wij als zodanig gezien in de woestijn. En zoals het volk Israël beproefd en getoetst werd in de woestijn, en daar helaas heel wat aan de oppervlakte kwam dat niet goed was, zo wordt ook ons geloof getoetst. Overigens gebeurt dit niet met de bedoeling dat ons geloof aan het wankelen wordt gebracht. Het is juist zo dat we door die beproevingen, door die toetsing, leren zien wie God is. In Deuteronomium 8:2-3 lezen wij wat eigenlijk de bedoeling van de woestijn was: ‘Ook moet u heel de weg in gedachten houden waarop de HEERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn geleid heeft, opdat Hij u zou verootmoedigen, en u op de proef zou stellen om te weten wat er in uw hart was, of u Zijn geboden in acht zou nemen of niet. Hij verootmoedigde u, Hij liet u hongerlijden en Hij liet u het manna eten, dat u niet kende en ook uw vaderen niet gekend hadden, om u te laten weten dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond van de HEERE komt’.
Daar vinden we het hoofddoel van de woestijnreis: om te laten zien wie God is, én wie de mens is, wie ik ben; en verder om aan het licht te brengen in hoeverre we werkelijk in het geloof vasthouden aan God en aan Zijn Woord.
Dat was ook voor de gelovige Hebreeën van groot belang of nauwkeuriger uitgedrukt: voor ieder die de Naam van Christus beleed. Er waren er immers bij die op het punt stonden het Christelijk geloof prijs te geven. We vinden in dit hoofdstuk, in vers 12, en verder nog in de hoofdstukken 6 en 10 dat er in totaal driemaal sprake is van ‘afvallen’, ‘zondigen’ en ‘ongeloof’. In al deze drie gevallen betekent dat: een moedwillig, bewust afvallen van de levende God; een afstand doen van het Christendom.
En bij de Hebreeën betekende dat een toegeven aan de neiging om terug te keren tot het Jodendom en zodoende weer afstand te nemen van het Christendom. En dat nadat de volmaaktheid en algenoegzaamheid van het éne Offer duidelijk was voorgesteld door de Heilige Geest!
In hoofdstuk 10:12 lezen wij: ‘Maar Hij, nadat Hij één slachtoffer voor [de] zonden geofferd heeft, is voor altijd gaan zitten aan Gods rechterhand’. En in vers 14: ‘Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden’.
Het offer van de Heer Jezus is zó groot en zó algenoegzaam (meer dan voldoende in elk opzicht), dat God op grond daarvan bij ieder die daaraan deel heeft niet één zonde meer ziet!
Daarom heeft het hogepriesterschap van de Heer Jezus in de Hebreeënbrief niets te maken met zonden (behalve in 2:17; zie de daarbij gegeven uitleg), maar met zwakheden. Want er is wat ons betreft geen sprake meer van zonde voor God, want de Heer Jezus heeft door Zijn offer ons voor altijd volmaakt! Zó ziet God ons volgens Hebreeën 9:26 en 10:10-18.
Verder worden wij in de eerste Brief van Johannes gezien als kinderen van God. De praktische relatie tussen ons en de Vader kan verstoord worden. Als wij dan als kinderen van God die praktische relatie verstoren door te zondigen, dan hebben wij een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, [de] Rechtvaardige, en Hij is [het] zoenoffer voor onze zonden (1 Johannes 2:1-2a). We weten dat de Heer Jezus dan werkzaam is door Zijn Geest en door Zijn Woord om ons die zonden in herinnering te brengen, zodat wij ertoe komen om, zoals 1 Johannes 1:9 zegt, onze zonden te belijden, en dan is God getrouw en rechtvaardig om ons die zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. Dan is de verhouding tussen mij als Zijn kind en God als mijn Vader weer in orde; de praktische relatie is dan weer hersteld.
Het gaat er in de Hebreeënbrief niet om dat een gelovige zwak is in de praktische verwezenlijking van zijn omgang met God. Iedereen die oprecht zijn zonden beleden heeft en de Heer Jezus in het geloof heeft aangenomen, hoort werkelijk bij het volk van God.
In ons gedeelte gaat het echter om degenen die naambelijders zijn, die dus alleen maar uiterlijk zijn meegegaan en zich ten slotte in hun hart van God afkeren. Het is een vorm van afval die hier wordt beschreven. Dat heeft echter niets te maken met ware gelovigen die kunnen struikelen, die zwak kunnen zijn in het geloof.
Wat we in zo’n geval nodig hebben is een hernieuwde ontmoeting met de Heer Jezus, zodat onze harten weer warm worden. Een prachtig voorbeeld daarvan zien we in Lukas 24 bij de Emmaüsgangers, die eerst erg ontmoedigd waren maar ten slotte – nadat ze de Heer Jezus hadden ontmoet – konden zeggen ‘Was ons hart niet brandend <in ons>, toen Hij onderweg tot ons sprak, toen Hij ons de Schriften opende?’ (Lukas 24:32). Dát hebben wij allemaal nodig. Maar daarover gaat dit gedeelte in Hebreeën 3 niet.
Volgens vers 7 is het de Heilige Geest Die spreekt. Als we Gods Woord openen dan spreekt de Heilige Geest. Niet alleen in het Oude Testament, vanzelfsprekend óók in het Nieuwe Testament. En wat zegt de Heilige Geest? ‘Heden, als u Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet’. We vinden hier diverse malen dat woordje ‘als’. We hebben de vorige maal gezien dat er in vers 6b staat: ‘Wiens huis wij zijn, als wij de vrijmoedigheid en het roemen in de hoop <tot [het] einde toe onwrikbaar> vasthouden’. Hier in vers 7: ‘als u Zijn stem hoort’. In vers 14: ‘Want wij zijn metgezellen van Christus geworden, als wij tenminste het begin van het vertrouwen tot [het] einde toe onwrikbaar vasthouden’. En opnieuw in vers 15: ‘Heden als u Zijn stem hoort’. Dat woordje ‘als’ geeft aan dat het om onze verantwoordelijkheid gaat. Daarbij gaat het om de vraag: ‘Wat doen wij daarmee?’
In die zin moet het ons allemaal aanspreken. Wij kunnen alleen maar iets vasthouden wat we al bezitten (zie vers 6b en 14). In de kracht van het geloof en door de Heilige Geest zijn we daartoe in staat, omdat de Heer ons dan de kracht daarvoor geeft.
Maar iemand die alleen een naambelijder is, kan dat niet. Hij kan misschien een heel mooi begin maken, maar als er moeilijkheden en hindernissen komen wordt duidelijk dat hij het niet kan volhouden. Hij kan het niet ‘tot het einde toe’ onwrikbaar vasthouden (vergelijk Mattheüs 13:20-22). Zowel hier in vers 6b als in vers 14 is het juist bedoeld als een vermaning, dat wij datgene wat we ontvangen hebben werkelijk onwrikbaar vasthouden door alle moeilijkheden heen, zodat het ons sterkt in het geloof, en het ons werpt op de Heer en we inzien: wij hebben in onszelf geen kracht. ‘Heden, als u Zijn stem hoort’. Moge de Heilige Geest toch ook tot mijn en uw hart spreken!
De Heilige Geest is de werkelijke Auteur van de Heilige Schrift. We lezen in 2 Petrus 1:21 dat heilige mannen van God, door de Heilige Geest gedreven, gesproken hebben. Zó bezitten wij het Woord van God. Het is door Gods Geest geïnspireerd, ingegeven, letterlijk ‘ingeblazen’. De Heilige Geest spreekt tot ons door middel van dat Woord. Als we het dan horen, laten we dan onze harten niet verharden, wat helemaal niet zo denkbeeldig is. Een heel miljoenenvolk heeft dat namelijk laten zien! Met uitzondering van twee personen, Jozua en Kaleb, bereikte niemand van degenen die ouder waren dan twintig jaar het beloofde land! Waardoor kwam dat? Door ongeloof; ze verhardden hun hart. Dat is een ernstige les voor ons. Daarom wordt dit aangehaald uit het Oude Testament.
Laten wij eens nagaan in welk verband de woorden ‘Heden, als u Zijn stem hoort’ staan in Psalm 95, want dat is leerzaam voor ons. Het citaat loopt vanaf Psalm 95:7. In de eerste zes verzen van die Psalm lezen we over de Heer Jezus, Die ingevoerd zal worden als de beloofde Koning. In verband daarmee wordt het volk Israël opgeroepen om God te aanbidden en de Koning te eren. Vervolgens komt dan de ernstige oproep voor degenen die misschien alleen maar uiterlijk meegegaan zijn, maar waar zo’n eerbetoon niet werkelijk in de grond van hun hart aanwezig is.
Als iemand namelijk werkelijk tot geloof is gekomen en zich aan de Heer heeft overgegeven, dan mag hij zich in Hem verblijden. Zo iemand heeft alle aanleiding vrolijk te zingen en mag alles zien in het licht van het feit dat onze God zo groot is, dat Hij alles gemaakt heeft (zie Psalm 95:3-6). Daardoor komen ze er dan toe Hem te aanbidden.
Maar dan wordt het gevolg van ongeloof beschreven. Dat ongeloof leidt namelijk tot verharding van het hart. ‘Heden, indien u Zijn stem hoort, verhard uw hart niet, zoals te Meriba, zoals in de dagen van Massa in de woestijn’ (Psalm 95:7b,8).
We lezen in Hebreeën 3:13b: ‘opdat niemand onder u verhard wordt door [het] bedrieglijke van de zonde’. Het zien op God – voor ons houdt dit in: het zien op de Heer Jezus, Die ons zó heeft liefgehad, dat Hij Zichzelf voor ons heeft overgegeven – dát maakt het hart week. Als wij echter in plaats daarvan zonde toelaten, ons laten verleiden door de zonde en daardoor eigen wegen gaan, als we ons in gedachten losmaken van God en van de Heer Jezus, dan wordt ons hart verhard. Dan ontstaat er een toenemende neiging tot zelfrechtvaardiging en wordt het eigen ik steeds groter, in plaats dat het in de dood wordt gehouden. God en de Heer Jezus worden dan kleiner en komen meer op een afstand te staan. We kennen het wel uit eigen ervaring. Het wordt steeds moeilijker als we daarin volharden en ons niet meer door de Heilige Geest en door het Woord van God laten terechtwijzen. Zulke vermaningen hebben tot doel ons iets te zeggen, opdat we terugkeren tot Hem. Daarom is dit ook een ernstig woord voor ons.
De Heilige Geest wil immers tot ons spreken. Het is dus van het grootste belang dat ons hart niet verhard wordt.
‘Verhardt uw harten niet’. Als we deze woorden zo op zichzelf lezen, dan denken we allereerst terug aan Farao, van wie we meerdere malen lezen dat hij zijn hart verhardde en het volk niet uit Egypte liet trekken. Vervolgens worden we echter herinnerd aan de vele malen dat het volk Israël gedurende de veertigjarige woestijnreis verbitterd was op Mozes en daarmee op God. Iemand zou kunnen denken: ‘Dat kon Farao en het volk Israël blijkbaar overkomen, maar mij niet’. Het is echter helaas een feit dat zelfs een ‘kleine’ zonde, iets van onszelf, ons hart al kan verharden!
Als we niet bereid zijn om welke ‘kleine’ zonde dan ook te belijden, als we niet voortdurend het oordeel op onszelf toepassen, dan weten we hoe gemakkelijk we steeds meer verhard kunnen worden. Ons hart wordt dan steeds minder vatbaar en gevoelig voor de stem van de Heilige Geest. Er staat niet voor niets ‘heden’! Natuurlijk heeft dat in eerste instantie betrekking op het volk Israël. Het is immers een citaat van Psalm 95. Maar het wordt in de Hebreeënbrief aangehaald, als waarschuwing voor de Hebreeën én voor ons!
In afgeleide zin spreken deze verzen eveneens zeer ernstig tot ons: ‘Heden’. Wat betekent ‘heden’? Daarover lezen we in vers 13 uitvoeriger: ‘maar vermaant elkaar elke dag, zolang het ‘Heden’ genoemd wordt’. Dat is de dag van het heil; de dag van de genade. Dat wil zeggen de tijd waarin God nog in genade tot ons spreekt, en wel totdat de Heer Jezus komt. Dan wordt namelijk de genadedeur gesloten en is de genadetijd voorbij!
Als er iemand van de lezers mocht zijn, die de blijde boodschap misschien talloze keren gehoord heeft maar nog steeds niet ter harte genomen heeft – dán zal het voor u te laat zijn! Daarom: ‘heden’. We weten allemaal hoe we geneigd zijn datgene uit te stellen waartoe Gods Woord ons oproept, vooral als het ernstig wordt en tot ons geweten spreekt.
Er bestaat een gedicht dat als titel heeft: ‘Nu niet, later’. Het gedicht doelt in eerste instantie op de bekering van een zondaar, maar we kunnen het ook toepassen op een gelovige. Gods Woord spreekt tot mijn geweten, omdat er iets niet in orde is, maar ik stel het uit om dat te belijden en weg te doen. Dat is een list van de vijand! Heden, vandaag, nu, wil de Heilige Geest ook tot u en tot mij spreken. En dan wordt er duidelijk verwezen naar enkele gebeurtenissen uit het Oude Testament.
J.C. Reumerman