De Heer Jezus smaakte de dood voor alles
De Brief aan de Hebreeën – J.C. Reumerman
- 1. Waarom wordt de schrijver van de Brief aan de Hebreeën niet vermeld?
- 2. Vergelijking van het Nieuwe Testament met de vijf Boeken van Mozes
- 3. Overzicht van de Hebreeënbrief
- 4. Hebreeën 1:1
- 5. Zeven heerlijkheden van de Zoon
- 6. U bent Mijn Zoon, Ik heb u heden verwekt?
- 7. Psalm 45 geciteerd in Hebreeën 1
- 8. Psalm 102 geciteerd in Hebreeën 1
- 9. Hoe zullen wij ontkomen?
- 10. De Heer Jezus smaakte de dood voor alles
- 11. Door lijden volmaakt
- 12. Uit slavernij verloste mensen
- 13. Verhardt uw harten niet
- 14. Blijf niet achter!
- 15. Het Woord van God is krachtig
- 16. Het hogepriesterschap van de Heer Jezus
Hebreeën 2:9
Vers 9b: ‘opdat Hij door [de] genade van God voor alles [de] dood smaakte’.
Ons mensen wachtte de dood als het loon van de zonde (Romeinen 6:23). Daar is geen enkele verdienste of genade mee gemoeid.
Bij de Heer Jezus was dat echter heel anders. De dood was Zijn vrijwillige overgave voor u en mij. Daarom wordt hier gezegd dat Hij ‘door de genade van God’ voor alles de dood smaken zou. Het was door Gods genade dat de Heer Jezus dat deed. Het was Gods onverdiende gunst ten opzichte van ons, zondaars.
De woorden ‘voor alles’ betekenen ‘voor alle dingen’. Deze gedachte vinden we ook in Kolosse 1:20: ‘en door Hem alle dingen tot Zichzelf te verzoenen, na vrede gemaakt te hebben door het bloed van Zijn kruis, <door Hem,> hetzij de dingen op de aarde, hetzij de dingen in de hemelen’. Maar, zoals de Voorhoeve-vertaling in een voetnoot bij Hebreeën 2:9 aangeeft, kan het ook vertaald worden met ‘een ieder’ (of: ‘voor allen’), wat dan op ‘alle mensen’ slaat. Die gedachte treffen wij bijvoorbeeld aan in 1 Timotheüs 2:3-5 waar we lezen: ‘Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, Die wil dat alle mensen behouden worden en tot kennis van [de] waarheid komen. Want er is één God en één Middelaar tussen God en mensen, [de] Mens Christus Jezus, Die Zichzelf gegeven heeft tot een losprijs voor allen, [volgens] het getuigenis op zijn eigen tijd’.
En ook in 2 Korinthe 5:14 lezen wij: ‘Want de liefde van Christus dringt ons, daar wij tot dit oordeel zijn gekomen, dat Eén voor allen gestorven is; dus zijn zij allen gestorven’.
De Heer Jezus heeft er door Zijn sterven de grondslag voor gelegd, dat aan alle mensen de mogelijkheid van verlossing en behoudenis kan worden aangeboden. Zijn redding strekt zich zonder uitzondering uit naar ieder mens. Echter alleen degenen die geloven hebben er daadwerkelijk deel aan; voor hen heeft de Heer Jezus plaatsvervangend de zonden gedragen. Het is van groot belang dit onderscheid vast te houden. De Schrift wijst elke gedachte aan alverzoening en algemene verzoening pertinent af!
Psalm 8 wordt driemaal in het Nieuwe Testament aangehaald, te weten in Hebreeën 2:6 en 7, in 1 Korinthe 15:27 en in Efeze 1:22.
In Hebreeën 2:6 en 7 was het om de grootheid en heerlijkheid van de Heer Jezus als de Zoon des mensen aan te geven, aan Wie alles onderworpen is.
In 1 Korinthe 15:27, 28 wordt de eerste uitzondering op dit ‘alles’ aangegeven: ‘Wanneer Hij nu zegt dat alles [Hem] onderworpen is, is het duidelijk dat Hij wordt uitgezonderd Die Hem alles onderworpen heeft. Maar wanneer Hem alles onderworpen is, dan zal <ook> de Zoon Zelf onderworpen zijn aan Hem Die Hem alles onderworpen heeft, opdat God alles in allen zal zijn’. Uit deze Schriftplaats blijkt dat voor God Zelf, God de Vader, een uitzondering wordt gemaakt. Dat kunnen wij goed begrijpen, want de Heer Jezus wordt hier als Mens gezien en God is de hoogste autoriteit. Als dan Psalm 8 volledig vervuld is – volgens andere Schriftplaatsen is dat zo aan het eind van het duizendjarig vrederijk – als de Heer Jezus na duizend jaar heersen op het hoogtepunt van Zijn roem staat, dan zal Hij alles vrijwillig overgeven aan de Vader, opdat God, de drie-enige God, alles in allen zal zijn: dan is de eeuwige toestand aangebroken.
In Efeze 1:22,23 wordt de tweede uitzondering op dit ‘alles’ genoemd: ‘En Hij heeft alle dingen aan Zijn voeten onderworpen [dat is een aanhaling van Psalm 8:7b] en heeft Hem als Hoofd boven alles gegeven aan de Gemeente, die Zijn lichaam is, de volheid van Hem, Die alles in allen vervult’.
Deze tweede uitzondering betreft de Gemeente, en wel omdat zij met betrekking tot de Heer Jezus ‘Zijn lichaam’ is en ‘Zijn volheid’, Zijn ‘aanvulling’, vormt. De complete hemelse Mens wordt gevormd door het Hoofd, Christus, met de Gemeente als Zijn lichaam; ook wel ‘de Christus’ genoemd. Zó innig zijn die beide met elkaar verbonden.
Wij zijn verbonden met Christus, Die ‘alles in allen vervult’ in de kracht van Zijn heerlijke Persoon en dat in overeenstemming met de heerlijkheid en de kracht van de positie waarin Hij als Mens geplaatst is door het volbrengen van het verlossingswerk. De Gemeente wordt hier in de Efezebrief gezien volgens de raadsbesluiten van God, en als zodanig is zij de volheid van die kostbare Persoon.
Dit is ook een belangrijke reden voor de waarheid dat de Gemeente niet tot de aardse schepping behoort, maar hemels is in haar oorsprong, karakter en toekomst.
Haar oorsprong: bij haar hoort iedereen die uitverkoren is van vóór de grondlegging van de wereld. Haar karakter: haar zegeningen en voorrechten zijn hemels en geestelijk.
Haar toekomst: zij wacht op de Heer Jezus, de Zoon van God, Die haar Zelf zal invoeren in het Huis van Zijn Vader. Wat een oneindige genade is het om bij die hemelse Gemeente te mogen horen!
Uit het feit dat God de Vader de Heer Jezus als Hoofd boven alles aan de Gemeente gegeven heeft (en niet omgekeerd: de Gemeente aan de Heer Jezus), blijkt wel hoe kostbaar de Gemeente is voor het hart van God!
Het is erg mooi en verrijkend de betekenis te zien van beide bovengenoemde uitzonderingen die Gods Woord ons noemt op het ‘alles’ van Psalm 8:7b. Dit zijn echter dingen die we niet in de Hebreeënbrief aantreffen. Daar wordt benadrukt dat de Heer Jezus over ‘alles’ zal heersen, dat wil zeggen over de hele schepping. Uit Efeze 1:22,23 is ons echter duidelijk gebleken dat de Gemeente zelf niet behoort tot ‘alle dingen’ van deze schepping.
J.C. Reumerman