Psalm 102 geciteerd in Hebreeën 1

De Brief aan de Hebreeën – J.C. Reumerman

Hebreeën 1:10-12: ‘En: ‘U, Heer, hebt in [het] begin de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn werken van Uw handen. Zij zullen vergaan, maar U blijft; en zij zullen alle als een kleed verouderen, en als een mantel zult U ze samenrollen en <als een kleed> zullen zij veranderd worden; maar U bent Dezelfde en Uw jaren zullen niet ophouden’.

Dit betreft een citaat uit Psalm 102, dat werkelijk groots is. In de verzen 1-12 van deze Psalm wordt de Heer Jezus profetisch beschreven in Zijn vernedering, moeite en lijden. Hij is overweldigd en stort Zijn klacht uit voor het aangezicht van de HEERE. Hij is in nood en zegt in vers 3: ‘Verberg Uw aangezicht niet voor Mij, neig Uw oor tot Mij op de dag van Mijn benauwdheid’. En in verzen 4-6: ‘Want Mijn dagen zijn als rook vervlogen, Mijn beenderen zijn uitgebrand als een haard. Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat Ik vergeten heb Mijn brood te eten. Mijn beenderen kleven aan Mijn vlees, door Mijn luide zuchten’. Vervolgens wordt in de verzen 7 en 8 Zijn eenzaamheid beschreven. Hij vergelijkt zich met een ‘roerdomp der woestijn’ (SV; de Elb. B./CSV heeft: ‘pelikaan’), dus met een watervogel die zich bevindt in de woestijn, waar geen water is! Verder voelt Hij zich ‘als een eenzame mus op het dak’.

Een mus bevindt zich altijd in gezelschap van andere mussen; ze komen altijd in groepen voor. Het is dus een aangrijpende beschrijving van diepe eenzaamheid. Zó heeft de Heer Jezus Zich hier op aarde gevoeld! Daarbij kwamen nog de tegenstand en de smaad die in de verzen 9 en 10 worden beschreven: ‘Mijn vijanden honen Mij de hele dag; wie tegen Mij razen, gebruiken Mijn naam als een vloek’.

Zij misbruikten Zijn Naam als een ijdel stopwoord. Bovendien voelde Hij heel diep dat dit de weg was die God met Hem ging: ‘Vanwege Uw gramschap en Uw grote toorn; want U hebt Mij opgetild en weer neergeworpen’ (vers 11). Vaak wordt dit toegepast op het verlossingswerk van de Heer Jezus in de drie uren van duisternis op het kruis. Maar ten eerste wordt dit verband hier niet beschreven, en ten tweede zou de volgorde dan andersom moeten zijn. Eerst ging Hij namelijk in de diepte en heeft Hij Zichzelf vernederd, daarna heeft God Hem verhoogd (vergelijk Filippi 2; Lukas 24 en 1 Petrus 1).

Hier treffen wij het omgekeerde aan: ‘U hebt Mij opgetild en weer neergeworpen’. God heeft Hem verheven als de beloofde Messias. Zie bijvoorbeeld Psalm 2 waar Hij als zodanig door God is gezalfd. Ook is het te vergelijken met David die gezalfd werd. Hij moest daarna echter eerst jarenlang als de vervolgde en eenzame zijn weg gaan.
Zo is dat ook met de Heer Jezus gebeurd, van Wie David een type mocht zijn. Maar in dit alles geeft Hij God de eer: ‘Maar U, HEERE, U blijft voor eeuwig, de gedachtenis aan U van generatie op generatie’. (vers 13).

Vervolgens richt Hij Zijn blik op de toekomst: ‘Ú zult opstaan, U zult Zich ontfermen over Sion’ (vers 14a). Dat betreft de toekomstige tijd, waarin God Zijn beloften met betrekking tot Jeruzalem (ook wel Sion genoemd) zal waarmaken.

In de volgende verzen wordt dit uitgebreid tot de heidenvolken die de Naam van de HEERE zullen vrezen en alle koningen van de aarde Zijn heerlijkheid (vers 16). Volgens vers 17 zal dat in vervulling gaan, wanneer de HEERE Sion zal hebben opgebouwd, en in Zijn heerlijkheid verschenen zal zijn; dat wordt in het duizendjarig vrederijk vervuld.

In verzen 24 en 25a beschrijft Hij Zichzelf in enkele woorden als het toonbeeld van zwakheid onder de hand van de HEERE. Dat alles onderging Hij ter wille van Israël en van ons! ‘Mijn God, zei Ik, neem Mij niet weg op de helft van Mijn dagen!’
Wat is nu het Goddelijk antwoord aan deze Verdrukte, Die overweldigd is en Zijn klacht uitstort voor het aangezicht van de HEERE? ‘Van geslacht tot geslacht duren Uw jaren. U hebt eenmaal de aarde gegrondvest en de hemelen zijn het werk van Uw handen. Zij zullen vergaan, U echter blijft; en zij alle zullen verouderen als een kleed; als een gewaad zult U ze verwisselen en zij zullen verwisseld worden; U echter blijft Dezelfde, en Uw jaren eindigen niet’ (vers 25b-28, Elb. Bibel/CSV).

Deze woorden worden door God Zelf tot de Heer Jezus gericht! Dit is het grote wonder dat de Heilige Geest ons in Hebreeën 1 duidelijk maakt. Zelf zouden wij dit nooit uit Psalm 102 hebben opgemaakt. Immers, wij zouden de verzen 26-28 met God, de HEERE, verbonden hebben, waarvan ook in de voorgaande verzen sprake was. Maar in Hebreeën 1 worden deze verzen door de Heilige Geest toegepast op de Zoon, op de Heer Jezus Zélf!

Het citaat wordt namelijk met betrekking tot de Zoon gegeven (zie vers 8a). Gods Woord maakt dus zelf onmiskenbaar duidelijk dat Psalm 102:26-28 het antwoord van God is op de klacht en het gebed van Zijn Zoon, de Heer Jezus, en wel als Hij in de grootste zwakheid verkeert.

Gods antwoord daarop luidt als het ware: Ik weet wel dat U Dezelfde bent, de Eeuwige, de Schepper en Onderhouder van alle dingen, de Onveranderlijke, Die eenmaal alles zal veranderen!

Veel mensen, en ook geleerden, in deze tijd menen dat de schepping eeuwig blijft. Maar dat is helemaal niet zo. Hier lezen wij dat de hemelen – de werken van Zijn handen – zullen verouderen en ten slotte vergaan. Al die werken zullen als een mantel worden samengerold en veranderd worden. Uit andere Schriftplaatsen, zoals 2 Petrus 3:10,12, weten wij dat alle elementen van de aarde zullen verbranden en daaruit een compleet gereinigde en vernieuwde aarde door de Heer Jezus zal worden gevormd.

Bij de uitdrukking in vers 12 ‘U bent Dezelfde’ tekent de Voorhoeve-vertaling in een voetnoot aan: ‘De Griekse uitdrukking duidt eigenlijk een Naam van de Heer aan: Die is en blijft; de Onveranderlijke’. Ook in hoofdstuk 13:8 wordt deze Naam uitdrukkelijk op de Heer Jezus toegepast.

Volgens de voetnoot bij Deuteronomium 32:39 in de Engelse New Translation van br. J.N. Darby komt de Naam ‘Dezelfde’ achtereenvolgens voor in: Deuteronomium 32:39; 2 Samuel 7:28; 2 Koningen 19:15; 1 Kronieken 17:26; 2 Kronieken 20:6; Nehemia 9:6,7; Psalm 44:5; Psalm 102:28; Jesaja 37:16; 41:4; 43:10,13; 46:4; 48:12; 51:9, 10; 52:6; Jeremia 14:22; Hebreeën 1:12 en 13:8.

Hij is ‘Dezelfde’ tot in eeuwigheid!

Dit citaat uit Psalm 102 is heel indrukwekkend, ook als we letten op de Psalm ervóór (101) en die erna (103). In Psalm 101 wordt het oordeel in gerechtigheid uitgevoerd. In Psalm 103 vinden wij de goedheid van God beschreven. Psalm 102, daar tussenin, beschrijft de Heer Jezus in Zijn diepe vernedering, maar ook (in de verzen 26 tot en met 28) hoe Hij door God in al Zijn grootheid en heerlijkheid wordt gezien. Juist die verzen neemt de Heilige Geest in Hebreeën 1:10-12 over. Wat is dit Goddelijk groot, oneindig ver boven alles wat mensen kunnen bedenken!

J.C. Reumerman