Hebreeën 1:1
De Brief aan de Hebreeën – J.C. Reumerman
- 1. Waarom wordt de schrijver van de Brief aan de Hebreeën niet vermeld?
- 2. Vergelijking van het Nieuwe Testament met de vijf Boeken van Mozes
- 3. Overzicht van de Hebreeënbrief
- 4. Hebreeën 1:1
- 5. Zeven heerlijkheden van de Zoon
- 6. U bent Mijn Zoon, Ik heb u heden verwekt?
- 7. Psalm 45 geciteerd in Hebreeën 1
- 8. Psalm 102 geciteerd in Hebreeën 1
- 9. Hoe zullen wij ontkomen?
- 10. De Heer Jezus smaakte de dood voor alles
- 11. Door lijden volmaakt
- 12. Uit slavernij verloste mensen
- 13. Verhardt uw harten niet
- 14. Blijf niet achter!
- 15. Het Woord van God is krachtig
- 16. Het hogepriesterschap van de Heer Jezus
Vers 1: ‘God, Die vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft aan het einde van deze dagen tot ons gesproken in [de] Zoon’.
Deze Brief begint met het spreken van God: ‘God, Die vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten’. Daarmee worden de Joden aangesproken die met de uitdrukking ‘de vaderen’ vertrouwd waren. Het herinnerde hen eraan dat God vroeger tot de vaderen sprak.
Hoe deed Hij dat? Heel vaak en op vele manieren. Aan het eind van dit vers wordt aangegeven dat de manier waarop God aan het einde van deze dagen is gaan spreken – namelijk in de Heer Jezus – in elk opzicht anders was dan daarvóór. God maakte vroeger gebruik van mensen, profeten, als Zijn instrumenten.
Maar de Heer Jezus is God de Zoon! Als zodanig sprak God Zelf, niet een mens. De voetnoot in de Voorhoeve-vertaling maakt veel duidelijk en luidt als volgt: ‘Het is van groot gewicht dat er in het Grieks geen lidwoord voor Zoon staat. God sprak in dé profeten; Hij gebruikte hen als Zijn mond. Doch Hij sprak niet in de Zoon, maar ‘in Zoon’. God Zelf spreekt, niet door middel van een ander, zoals bij de profeten, maar Hij Zelf als Goddelijk Persoon en die Persoon is de Zoon’. Dit geeft aan dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen de Heer Jezus en iedere profeet door wie God vroeger gesproken had en wel in twee opzichten.
Ten eerste waren die profeten mensen met beperkingen, ook al waren zij volgens 2 Petrus 1:21 heilige mensen van God die niet door de wil van de mens, maar door de Heilige Geest gedreven gesproken hebben, zodat zij volmaakt weergaven wat God hen wilde laten zeggen, namelijk Zijn volmaakte woorden.
De Heer Jezus echter was in Zichzelf in alle opzichten volmaakt.
Ten tweede staat er voor ‘Zoon’ geen lidwoord. Het is een algemene waarheid in het Nieuwe Testament dat ‘het karakter’ wordt voorgesteld als het lidwoord ontbreekt. Het spreken van God ‘in Zoon’ was anders van karakter dan Zijn spreken in dé profeten (mét lidwoord). Het was de Zoon Die sprak; dat bepaalde het karakter. Maar Hij is Zelf God de Zoon, in elk opzicht aan God gelijk. Een soortgelijk verschil treffen wij aan in Johannes 1:17, waar we lezen: ‘Want de wet is door Mozes gegeven; de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden’. Mozes was het instrument dat God gebruikte om de wet te geven. Maar de genade en de waarheid hebben gestalte gekregen in de Persoon van de Heer Jezus. Dat is een wezenlijk verschil!
God heeft vaak en op veel manieren tot de vaderen gesproken. In het Oude Testament zien wij wel bepaalde lichtstralen van God, maar die vormden niet de volledige openbaring van God. Het volle licht, God in al Zijn heerlijkheid, kon alleen geopenbaard worden door de Heer Jezus. God sprak ‘in Zoon’.
Vóór die tijd sprak God vele malen. Hij sprak tot Abraham, Hij verscheen aan Mozes. Ook aan Gideon verscheen Hij als de Engel van de HEERE. God gebruikte allerlei manieren om tot de vaderen te spreken. Veel plaatsen in het Oude Testament geven dat aan. Maar toen de Heer Jezus op aarde kwam sprak God Zelf in al Zijn volheid. Johannes 1:18 zegt het zo: ‘Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon Die in de schoot van de Vader is, Die heeft [Hem] verklaard’. Hoewel dit niet precies dezelfde gedachte is als het spreken van God ‘in Zoon’, vertoont het toch een zekere gelijkenis daarmee.
‘Aan het einde van deze dagen’ duidt aan dat de bedeling waarbij Israël in het middelpunt stond, ten einde liep. Aan het einde daarvan kwam de Heer Jezus. Tussen het Oude en het Nieuwe Testament liggen vierhonderd jaren.
Het laatste Boek van het Oude Testament, Maleachi, beschrijft de trieste toestand van het volk Israël. Er zijn nog maar enkele rechtvaardigen die tegen elkaar zeggen dat er een gedenkboek voor Zijn aangezicht is geschreven, voor degenen die de HEERE vrezen en voor degenen die aan Zijn Naam gedenken (Maleachi 3:16-18).
Evenzo waren er in het begin van het Nieuwe Testament slechts enkelen die God vreesden en met elkaar in contact stonden. Helaas leven wij nu ook in zo’n tijd. De Schrift zegt ons dat er vlak vóór de wederkomst van de Heer Jezus, om de Zijnen tot Zich te nemen, steeds minder zullen zijn die Hem verwachten en werkelijk met alle consequenties voor Hem willen leven. De apostel Paulus, de schrijver van de Hebreeënbrief, schaart zich onder de gelovige Joden. Hij schrijft: ‘God heeft tot ons gesproken in [de] Zoon’.
J.C. Reumerman