Psalm 45 geciteerd in Hebreeën 1
De Brief aan de Hebreeën – J.C. Reumerman
- 1. Waarom wordt de schrijver van de Brief aan de Hebreeën niet vermeld?
- 2. Vergelijking van het Nieuwe Testament met de vijf Boeken van Mozes
- 3. Overzicht van de Hebreeënbrief
- 4. Hebreeën 1:1
- 5. Zeven heerlijkheden van de Zoon
- 6. U bent Mijn Zoon, Ik heb u heden verwekt?
- 7. Psalm 45 geciteerd in Hebreeën 1
- 8. Psalm 102 geciteerd in Hebreeën 1
- 9. Hoe zullen wij ontkomen?
- 10. De Heer Jezus smaakte de dood voor alles
- 11. Door lijden volmaakt
- 12. Uit slavernij verloste mensen
- 13. Verhardt uw harten niet
- 14. Blijf niet achter!
- 15. Het Woord van God is krachtig
- 16. Het hogepriesterschap van de Heer Jezus
Hebreeën 1:8-9: ‘Maar van de Zoon: ‘Uw troon, o God, is tot in alle eeuwigheid en de scepter van Uw koningschap is een scepter van rechtmatigheid. U hebt gerechtigheid liefgehad en wetteloosheid gehaat; daarom heeft U, o God, Uw God gezalfd met vreugdeolie boven Uw medegenoten’.
Psalm 45 – De heerlijkheid van de Messias
We zien uit de verzen 8 en 9 van Hebreeën 1 dat de Heilige Geest heel graag de grootheid en heerlijkheid van de Heer Jezus naar voren brengt. Deze verzen zijn aangehaald uit Psalm 45, die prachtige Psalm, in de volle zin van het woord: een Messiaanse Psalm, waarin de Heer Jezus als de beloofde Messias in al Zijn glorie wordt beschreven.
Psalm 45 – Profetie voor het overblijfsel uit Israël
Ook profetisch neemt deze Psalm een bijzondere plaats in voor het gelovige overblijfsel uit Israël in de toekomst. Er zijn acht Psalmen van de kinderen van Korach (Psalm 42-49), waarvan Psalm 45 het middelpunt vormt.
In de Psalmen ervóór wordt het gelovige overblijfsel in nood gezien. Wij lezen bijvoorbeeld in Psalm 44:23 het volgende: ‘Maar om U worden wij de hele dag gedood; wij worden beschouwd als slachtschapen’ en in vers 26 ‘Want onze ziel ligt neergebukt in het stof; onze buik kleeft aan de aarde’. In vers 27 smeken ze God om hulp.
In de Psalmen erna vinden wij echter heel andere uitdrukkingen. Bijvoorbeeld in Psalm 46:2 ‘God is ons een toevlucht en kracht’; vers 3 ‘Daarom zullen wij niet bevreesd zijn; Psalm 47:2 ‘Alle volken, klap in de handen; juich voor God met luide vreugdezang’.
Hoe is dat mogelijk, terwijl niets erop wijst dat hun benarde situatie veranderd is? Omdat de Heilige Geest hen in Psalm 45 de Messias heeft voorgesteld!
Psalm 45:2 en 3
In vers 2 van deze Psalm beschrijft de dichter zichzelf: ‘Mijn hart brengt een goed woord voort; ik draag mijn gedichten voor over een Koning; mijn tong is een pen van een vaardige schrijver’. Vervolgens beschrijft hij in vers 3 wat die Koning (de Heer Jezus) voor hem betekent: ‘U bent veel mooier dan de andere mensenkinderen; genade is op Uw lippen uitgegoten, daarom heeft God U voor eeuwig gezegend’.
Psalm 45:7 en 8
In de verzen 7 en 8 wordt aangegeven wat in Hebreeën 1 is aangehaald. Dat betreft vooral de grootheid van de Heer Jezus als God: ‘Uw troon, o God, bestaat eeuwig en altijd; de scepter van Uw Koninkrijk is een scepter van rechtvaardigheid’. Voor de duidelijkheid is het goed op te merken dat de citaten in het Nieuwe Testament niet altijd precies gelijk zijn aan de tekst in het Oude Testament. Dat komt omdat meestal de Griekse vertaling van het Oude Testament, de zogenaamde Septuaginta (= de vertaling van de zeventig), wordt gebruikt. De Heer Jezus doet dat Zelf ook verschillende keren, dat Hij Schriftplaatsen uit het Oude Testament aanhaalt zoals de Septuaginta die weergeeft.
Dat vinden wij ook bij de citaten in Hebreeën 1. Gods Geest heeft de kleine verschillen in de vertaling laten staan, omdat daar kennelijk gedachten in schuilen waarvan Hij gebruik heeft gemaakt. Zo geeft de tekst van Psalm 45 aan dat de beloofde Messias, de Heer Jezus, als God wordt aangesproken en Zijn troon niet slechts tijdelijk, maar ‘eeuwig en altijd’ is.
Het Nieuwe Testament maakt ons duidelijk dat de Heer Jezus duizend jaren zal regeren en dan Zijn koninkrijk zal overgeven aan God de Vader, opdat ‘God alles in allen zal zijn’ (vergelijk 1 Korinthe 15:24-28 en Openbaring 20:6). Met ‘God’ wordt in 1 Korinthe 15:28 bedoeld: de drieënige God, dus: God de Vader én God de Zoon én God de Heilige Geest. De tijdelijke regering in het duizendjarige rijk is dan overgegaan in de eeuwige heerschappij van het Goddelijke koninkrijk in zijn meest verheven en algemene vorm, waarin ook de Heer Jezus als God de Zoon voor eeuwig zal regeren en wij met Hem (Openbaring 22:5). Mede om die reden heeft de Heilige Geest in het citaat ‘tot in alle eeuwigheid’ laten staan. In het algemeen is het goed te bedenken dat wat vanuit Oudtestamentisch gezichtspunt wordt beschreven als een ‘eeuwig’ koninkrijk, in het Nieuwe Testament vanuit een oneindig groter en ruimer gezichtspunt wordt gezien als het ‘duizendjarig’ vrederijk, waarin alles van het Oude Testament wordt vervuld, waarna dan de eeuwige toestand aanbreekt. Dit alles is gebaseerd op de openbaringen die God ons in het Nieuwe Testament heeft gegeven.
In de woorden ‘Uw troon, O God, is tot in alle eeuwigheid’ (in Hebreeën 1:8a) wordt de Heer Jezus als God aangesproken. Er gaan immers de woorden aan vooraf: ‘maar van de Zoon’.
In de hierna volgende woorden in Hebreeën 1:8b ‘… en de scepter van Uw koningschap is een scepter van rechtmatigheid’ wordt aangegeven dat de Heer Jezus in gerechtigheid zal regeren. Juist omdat Hij gerechtigheid heeft liefgehad en ongerechtigheid haat (vers 9), heeft God Hem gezalfd. De uitdrukking ‘U, o God’ in vers 9 slaat op de Heer Jezus, Die zowel God is (vanaf alle eeuwigheid) als Koning der gerechtigheid (tijdens het duizendjarig vrederijk). Als er vervolgens ‘Uw God’ staat, dan verwijst dat naar het feit dat de Heer Jezus ook Mens is. Hij is God en Mens in één Persoon. Dat blijft een ondoorgrondelijk wonder!
Ten slotte volgen in vers 9 de woorden ‘… gezalfd met vreugdeolie boven Uw medegenoten’. Hij is Degene Die boven al Zijn metgezellen gezalfd is. Zoals we in Romeinen 8:29 lezen: ‘Want hen die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij [de] Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders’. Hoewel we in Romeinen 8 een verdergaande gedachte vinden, namelijk dat de ‘medegenoten’ hier ‘Zijn broeders’ zijn, vinden wij hier toch ook dat de Heer Jezus de Eerstgeborene is, de hoogste in rang en heerlijkheid. Het is duidelijk dat de Heer Jezus, gezien als God de Zoon, geen metgezellen onder Zijn schepselen heeft. Echter, als Mens heeft de Heer Jezus metgezellen, terwijl Hij de hoogste is. De Heilige Geest wil dat graag voor onze harten plaatsen.
J.C. Reumerman