Uit slavernij verloste mensen
De Brief aan de Hebreeën – J.C. Reumerman
- 1. Waarom wordt de schrijver van de Brief aan de Hebreeën niet vermeld?
- 2. Vergelijking van het Nieuwe Testament met de vijf Boeken van Mozes
- 3. Overzicht van de Hebreeënbrief
- 4. Hebreeën 1:1
- 5. Zeven heerlijkheden van de Zoon
- 6. U bent Mijn Zoon, Ik heb u heden verwekt?
- 7. Psalm 45 geciteerd in Hebreeën 1
- 8. Psalm 102 geciteerd in Hebreeën 1
- 9. Hoe zullen wij ontkomen?
- 10. De Heer Jezus smaakte de dood voor alles
- 11. Door lijden volmaakt
- 12. Uit slavernij verloste mensen
- 13. Verhardt uw harten niet
- 14. Blijf niet achter!
- 15. Het Woord van God is krachtig
- 16. Het hogepriesterschap van de Heer Jezus
Hebreeën 2:15: ‘En allen zou verlossen die uit vrees voor [de] dood hun hele leven door aan slavernij onderworpen waren’.
De onbekeerde mensen bevinden zich van nature inderdaad in de ‘slavernij’. Dat blijft waar, ook al roept men nu overal: vrijheid, we moeten vrijheid hebben, we moeten vrij zijn, om te doen wat wijzelf zo graag willen.
Maar de Schrift zegt dat ze slaven zijn (vergelijk Johannes 8:34), en wel van hun eigen wil, van de zonde, en uiteindelijk van de satan (Efeze 2:2,3). De onbekeerde mens stelt zich als slaaf in dienst van de zonde tot de dood. Het einde van de zondige dingen die een slaaf van de zonde doet is de dood, want het loon van de zonde is de dood, ja de eeuwige dood, het eeuwig verderf (Romeinen 6:16, 20-23).
Zo is die verschrikkelijke eeuwige dood een bedreiging die het geweten van de natuurlijke mens voortdurend angst inboezemt. Zo verkeert de onbekeerde mens door de zonde zijn hele leven lang in de slavernij van de dood als gevolg van de doodsdreiging. Voor hen is er in werkelijkheid geen sprake van vrijheid.
Johannes 8 zegt ons in de verzen 32 en 36 dat de waarheid ons vrijmaakt, en dat de Zoon ons vrij maakt. ‘Als dan de Zoon u zal vrijmaken, zult u werkelijk vrij zijn’. De enige werkelijke vrijheid is de vrijheid die de Zoon ons geeft, die Hij bewerkt heeft op het kruis van Golgotha. Werkelijke vrijheid voor een schepsel is: vrij te zijn om met blijdschap de wil van God te mogen doen en de Heer Jezus na te mogen volgen. Te weten dat ik op het innigst met die Persoon verbonden ben, Die Zijn liefde heeft bewezen door voor mij in de dood te gaan.
De apostel Paulus zegt in Galaten 2:20 ‘Ik leef niet meer’ – dat is een streep door alles wat wij tegenwoordig horen; waar het eigen ik gaat heersen en waar men zichzelf op de troon wil plaatsen – ‘Ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij; en wat ik nu leef in [het] vlees, leef ik door [het] geloof in de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven’. Dat is ware vrijheid: leven voor de Heer, leven in blijdschap en opzien naar de Zoon van God, hoe het ook mag gaan. In het heerlijke bewustzijn: Hij heeft mij lief! Hoeveel mensen snakken naar liefde in een wereld die steeds kouder wordt. Maar er is er Eén, Die liefheeft!
In Johannes 13:1 lezen wij dat de Heer Jezus de Zijnen heeft liefgehad ‘tot het einde’. Dat betekent: ‘tot het hoogtepunt’ of ‘ten volle’. Dat is heel wat anders dan wat mensen denken die menen vrijheid te bezitten. Met al hun vermeende vrijheid zijn zij in werkelijkheid slaven, namelijk slaven van de zonde. Wat is er mooier dan door liefde verbonden te zijn met de Heer Jezus, helemaal voor Hem te mogen leven en Zijn slaaf te mogen zijn, zoals we het zo graag zingen: Hij is het waard dat ik op aard’ al mijn tijd Hem dankend wijd!
De Heer Jezus is de dood ingegaan ‘om allen te verlossen die door angst voor de dood gedurende heel hun leven aan slavernij onderworpen waren’. Hier worden allen die de Heer Jezus wilde verlossen als één geheel gezien. Ook daarin zien wij dat de Heer Jezus de Alwetende was en is. Hij zag het heerlijke resultaat van de verlossing in zijn geheel, van al Zijn verlosten.
Zo zag Hij in Mattheüs 13:44,45 de kostbare schat in de akker (dat is de wereld, zie vers 38) en de parel van grote waarde: twee beelden van de Gemeente, respectievelijk in haar veelvoudigheid en in haar unieke schoonheid. De Heer Jezus zag de Gemeente toen ze nog helemaal niet bestond, en Hij verkocht daarvoor alles wat Hij had, al Zijn rijkdom die Hij volgens Spreuken 8 en 2 Korinthe 8:9 bezat! Wij lezen later, in Efeze 5:25, dat Hij de Gemeente heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven. Dat gaat dus nog veel en veel verder dan alles wat Hij had te verkopen, hoe buitengewoon kostbaar dat ook is!
Hier in Hebreeën 2:15 vinden wij: opdat Hij allen verlossen zou. De Heer Jezus wilde een ieder bevrijden uit die vreselijke slavernij en uit die angst voor de dood.
J.C. Reumerman