Is Israëls verbond bestemd voor de Kerk?

Is Israëls verbond bestemd voor de Kerk?

Gedachten n.a.v. Deuteronomium 29

Dit hoofdstuk is het laatste van het tweede grote deel van Deuteronomium. Er wordt een plechtig beroep gedaan op de gewetens van de Israëlieten; we krijgen een samenvatting en praktische toepassing van al de vermaningen die in dit gedeelte staan. “Dit zijn de woorden van het verbond, dat de HEERE Mozes geboden heeft te maken met de kinderen Israëls, in het land van Moab, boven het verbond, dat Hij met hen gemaakt had aan Horeb(vs.1)

Hier is dus sprake van één bepaald verbond dat met de Israëlieten is gesloten in het land Moab, en op grond waarvan God hen in het land Kanaän zou brengen. Dit is een ander verbond dan het verbond dat gesloten is bij Horeb, of dat met Abraham, Izak en Jakob. In één woord, het was niet eenvoudig de wet of alleen de genade, maar het was de regering of het bestuur dat uitgeoefend wordt in soevereine goedertierenheid. Het is duidelijk dat Israël het land niet kon ingaan op grond van het verbond bij Horeb. Daarin hadden ze immers volkomen gefaald door het maken van een gouden kalf. Zij hadden daardoor alle recht en aanspraak op het land verspeeld, en dat ze niet meteen vernietigd werden, was alleen te danken aan de vrije genade die hun ten deel viel door de bemiddeling en voorbede van Mozes. Het is even duidelijk dat zij het land niet ingingen op grond van het Abrahamitische verbond van genade, want als dit het geval was geweest, zouden zij er nooit uit verdreven zijn. Op de voorwaarden van het verbond in Moab werden zij in het beperkte en tijdelijke bezit van Kanaän gesteld, en aangezien zij onder dit verbond evenzeer gefaald hebben als onder dat van Horeb – evenzeer faalden onder het bestuur als onder de wet – zijn zij in de regeringshandelingen van God uit het land verbannen en verstrooid over de hele aarde. Dit zal echter niet zo blijven. Gezegend zij de God van alle genade. Het zaad van Abraham, Zijn vriend, zal het land Kanaän in bezit krijgen volgens de heerlijke bepalingen van de oorspronkelijke belofte. Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk”. Genadegift en roeping moeten we niet verwarren met wet en regering. De berg Sion kan nooit op één lijn gesteld worden met Horeb en Moab. Het nieuwe en eeuwige verbond van genade, met als grondslag het kostbare bloed van het Lam Gods, zal letterlijk en op heerlijke wijze in vervulling gaan, ondanks al de machten van aarde en hel, mensen en boze geesten tezamen. “Zie, de dagen komen, zegt de Heer, dat Ik voor het huis van Israël en voor het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten, niet overeenkomstig het verbond dat Ik met hun vaderen maakte ten dage dat Ik hen bij de hand nam om hen uit Egypteland te leiden; want zij bleven niet in Mijn verbond en Ik sloeg geen acht [meer] op hen, zegt [de] Heer. Want dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, zegt [de] Heer. Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal ze in hun harten schrijven; en Ik zal hun tot God en zij zullen Mij tot [een] volk zijn. En zij zullen niet leren, een ieder zijn medeburger en een ieder zijn broeder, en zeggen: Ken de Heer, want zij zullen Mij allen kennen, van de kleine tot de grote onder hen. Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn en hun zonden en hun wetteloosheden zal Ik geenszins meer gedenken. Door te zeggen: “een nieuw”, heeft Hij het eerste oud gemaakt. Wat nu oud is en verouderd, is dicht bij de verdwijning” (Hebreeën 8:8-13).

Nu zegt de apostel Paulus in Romeinen 9 tot ons, dat “de verbonden” van Israël zijn of tot Israël behoren. Wie ze zou willen overbrengen op de Gemeente van God, het Lichaam van Christus, zou schade toebrengen aan de waarheid van God, schade aan de Gemeente en schade aan Israël. De Gemeente maakt geen deel uit van de wegen van God met Zijn volk op aarde. De plaats, het deel, de voorrechten en de toekomst van de Gemeente zijn alle hemels. Gedurende de tijd van Christus” verwerping wordt de Gemeente geroepen en verbonden aan Hem, waar Hij nu is, verborgen in de hemel, om te delen in Zijn toekomstige heerlijkheid. Een helder inzicht in deze waarheid is een machtige hulp om alles op zijn juiste plaats te zetten en het daar te laten. “En Mozes riep gans Israël, en zeide tot hen: Gij hebt gezien al wat de HEERE in Egypteland voor uw ogen gedaan heeft, aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan zijn land; de grote beproevingen, die uw ogen gezien hebben, die tekenen en grote wonderen. Maar de HEERE heeft u niet gegeven een hart om te verstaan, noch ogen om te zien, noch oren om te horen, tot op deze dag(vs.2-4).

Dit is buitengewoon ernstig. De meest verbazingwekkende wonderen en tekenen kunnen het hart onaangeroerd laten, al zien we ze met eigen ogen. Wonderen kunnen enige uitwerking hebben op het verstand en het natuurlijk gevoel, maar alles is vergeefs als het geweten niet in het licht van God komt, en het hart door de kracht van Gods Geest zich niet voor de waarheid buigt. Nicodemus maakte uit de wonderen van Christus op, dat Hij een leraar was, van God gekomen, maar dit was niet genoeg. Hij moest de diepe en wonderlijke betekenis leren kennen van die indrukwekkende woorden: “Gij moet opnieuw geboren worden”. Een geloof op grond van wonderen kan iemand onbehouden, ongezegend en onbekeerd laten – zo iemand is ongetwijfeld geheel verantwoordelijk, maar ook geheel onbekeerd. Wij lezen aan het slot van Johannes 2 van velen die beleden in Christus te geloven, toen zij Zijn tekenen gezien hadden. De Heere vertrouwde Zich echter niet aan hen toe. Bij die mensen was geen werk dat God had tot stand gebracht, en daarom was er niets waarop men vertrouwen kon. Er moet nieuw leven en een nieuwe natuur zijn, en wonderen kunnen geen leven geven. Wij moeten opnieuw geboren worden, geboren uit het Woord en de Geest van God. Het nieuwe leven komt voort uit het onvergankelijk zaad van het Evangelie van God, in het hart geplant door de kracht van de Heilige Geest. Het is geen verstandsgeloof dat op tekenen berust, maar men gelooft van harte in de Zoon van God. Het is iets wat men onder de wet of het bestuur van God nooit kan kennen. “De genadegave van God is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Heer”. Kostbare gift. Heerlijke Gever. Gezegende Middelaar. Alom en tot in eeuwigheid zij de eeuwige Drieëenheid lof en dank gebracht.

C.H. Mackintosh


Belangstelling voor een studie over het hele Bijbelboek Deuteronomium?
Lees de ‘Aantekeningen op Deuteronomium’ van deze schrijver, verkrijgbaar bijinfo@uhwdw.nl.
Bovenstaand artikel is een uittreksel uit dit Bijbelcommentaar.