Goed onderzoek bij beschuldigingen
Goed onderzoek bij beschuldigingen
Gedachten over al dan niet valse beschuldigingen tegen medegelovigen
in het midden van de gemeente
n.a.v. Deuteronomium 17:2-7
Een heel belangrijk en praktisch onderwerp vraagt onze aandacht:
“Wanneer in het midden van u, in een van uw poorten, die de HEERE, uw God, u geeft, een man of vrouw gevonden zal worden, die doen zal, wat kwaad is in de ogen van de HEERE, uw God, overtredende Zijn verbond; dat hij heengaat, en andere goden dient, en zich voor die buigt, of voor de zon, of voor de maan, of voor het ganse heer des hemels, wat Ik niet geboden heb; en het wordt u aangezegd, en gij hoort het; zo zult gij het wel onderzoeken; en ziet, het is de waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in Israël gedaan; zo zult gij die man of die vrouw, die dit boze stuk gedaan hebben, tot uw poorten uitbrengen, die man zeg ik, of die vrouw; en gij zult hen met stenen stenigen, dat zij sterven. Op de mond van twee getuigen, of drie getuigen, zal hij gedood worden, die sterven zal; op de mond van een enige getuige zal hij niet gedood worden. De hand van de getuigen zal het eerst tegen hem zijn, om hem te doden, en daarna de hand van het ganse volk; zo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen” (vs.2-7).
Wij hebben al gelegenheid gehad iets te zeggen over het belangrijke beginsel dat hier weer ter sprake komt. Het is volstrekt noodzakelijk dat er voldoende getuigen zijn, voordat we in welk geval dan ook een oordeel uitspreken. Wij mogen nooit een oordeel vormen, en nog minder een oordeel uitspreken of daarnaar te werk gaan, zonder twee of drie getuigen. Hoe betrouwbaar en onkreukbaar een getuige ook zijn mag, hij alleen biedt niet genoeg grond voor een beslissing. Wij mogen ervan overtuigd zijn in ons gemoed dat het waar is, omdat het gezegd wordt door iemand op wie wij staat kunnen maken, maar God is wijzer dan wij. Alleen “door de mond van twee of drie getuigen zal elk woord vaststaan”. Het ware te wensen dat daar meer op gelet werd in Gods Gemeente.
Het voorschrift dat hier wordt gegeven, is van onschatbare waarde in alle gevallen van tucht en in zaken die het karakter of de goede naam raken van een broeder of zuster. Voordat een vergadering een oordeel vormt of tot handelen overgaat, in welk geval ook, moeten er overeenstemmende getuigen zijn. Zolang deze ontbreken, moeten allen geduldig wachten en vertrouwen op God dat Hij zal voorzien in de behoefte. Er is bij voorbeeld zedelijk kwaad of verkeerde leer in een vergadering van Christenen, maar er is slechts een persoon die het weet. Die ene is volkomen zeker en stellig overtuigd van het feit. Wat moet er nu gedaan worden? Wachten op God tot er meer getuigen zijn. Als we toch eerder handelen, maken we inbreuk op een Goddelijk beginsel dat een en andermaal zo duidelijk mogelijk in Gods Woord is uitgesproken. Moet die ene getuige zich gegriefd of beledigd voelen, omdat men op zijn getuigenis alleen niet afgaat? Zeker niet; hij zou daar niet eens op moeten rekenen, ja, hij mag niet eens optreden als getuige32; dat mag pas als zijn getuigenis bevestigd wordt door een of twee andere gelovigen.
Is de vergadering onverschillig of nalatig, omdat zij weigert tot daden over te gaan op één getuigenis? Nee – want als ze het wel deed, zou ze een Goddelijk voorschrift veronachtzamen. Dit onderwerp verdient al onze aandacht. Wij zijn maar al te geneigd om haastig een conclusie te trekken, om op indrukken af te gaan, vermoedens te laten postvatten en ons door vooroordeel mee te laten slepen. Daartegen moeten wij waken; kalmte, ernst en rijp beraad zijn nodig als we ons oordeel opmaken en uitspreken over gebeurtenissen of personen. Dit geldt vooral als het over personen gaat, want wij kunnen een vriend, een broeder of onze naaste een grievend ongelijk aandoen door een verkeerde indruk of ongegronde beschuldiging uit te spreken. Hoe gemakkelijk werpen wij smaad op iemands karakter door ongegronde beschuldigingen. Dit is echter zonde voor God, en we moeten het vermijden en bestraffen in anderen, als wij het ooit opmerken. Komt iemand een ander achter zijn rug beschuldigen, dan moeten wij aandringen op een bewijs, en als dit ontbreekt op intrekking van de aanklacht33.
Als dit in acht werd genomen, zouden we verlost worden van veel kwaadsprekerij, een positief kwaad dat niet geduld mag worden. De geschiedenissen in de Bijbel geven ons meer dan één voorbeeld waarin een rechtvaardig man veroordeeld is onder een schijn van toepassing van Deuteronomium 17:6-7. Lees de geschiedenis van Naboth in 1 Koningen 21 en die van Stefanus in Handelingen 6-7. Het was ook het geval bij de veroordeling van de enige Volmaakte Die ooit op aarde wandelde. Helaas, de mens is in staat om een Goddelijk voorschrift formeel in acht te nemen, en tegelijkertijd het schreeuwendste onrecht te plegen. Twee getuigen beschuldigden Naboth van godslastering en laster tegen de koning. Deze trouwe Israëliet werd van zijn erfdeel en zijn leven beroofd op de verklaring van twee gehuurde leugenaars, op aanwijzing van een ontaarde goddeloze vrouw. En Stefanus, een man vol van de Heilige Geest, werd gestenigd als een godslasteraar op de verklaring van valse getuigen, die toegelaten en erkend werden door de godsdienstige leidslieden uit die tijd, die desnoods Deuteronomium 17 als hun gezag konden aanhalen.
Wij zullen nu het tweede gedeelte van ons hoofdstuk aanhalen, waarin veel voorkomt dat in deze tijd van eigenwil en onafhankelijkheid van toepassing is. Wanneer een zaak aan het gericht voor u te zwaar zal zijn, tussen bloed en bloed, tussen rechtshandel en rechtshandel, tussen plaag en plaag, zijnde twistzaken in uw poorten, zo zult gij u opmaken, en opgaan naar de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal; en gij zult komen tot de Levitische priesters, en tot de rechter, die in die dagen zijn zal; en gij zult ondervragen, en zij zullen u de zaak van het recht aanzeggen. En gij zult doen naar het bevel van het woord, dat zij u zullen aanzeggen, van die plaats, die de HEERE verkiezen zal, en gij zult waarnemen te doen naar alles, wat zij u zullen leren. Naar het bevel der wet, die zij u zullen leren, en naar het oordeel, dat zij u zullen zeggen, zult gij doen; gij zult niet afwijken van het woord, dat zij u zullen aanzeggen, ter rechter- of ter linkerhand. De man nu, die vermetel handelen zal, dat hij niet hore naar de priester, die staat, om aldaar de HEERE, uw God, te dienen, of naar de rechter, die man zal sterven; en gij zult het boze uit Israël wegdoen. Dat al dat volk het hore en vreze, en niet meer vermetel handele” (vs.8-13). Zo voorziet God in de volmaakte regeling van alle rechtszaken die zich konden voordoen in de vergadering van Israël. Ze moesten behandeld worden in de tegenwoordigheid van God, op de door God aangewezen plaats, en door het gezag dat God ingesteld had. Dat was een krachtige waarborg tegen eigenzinnigheid en aanmatiging. In ieder rechtsgeding had God de beslissing. Die werd uitgesproken door de priester of de rechter die God daartoe aangesteld had. Dat de een zich boven de ander verhief of zich aanmatigde eigen rechter te zijn, mocht in Israël niet voorkomen. Iedereen moest zijn zaak onderwerpen aan de Goddelijke rechtspraak en onvoorwaardelijk daarvoor buigen. Hoger beroep bestond er niet, omdat er geen hoger gezag kon zijn. De lezer begrijpt nu als vanzelf, dat geen enkele Israëliet er ooit aan denken zou om zijn zaak voor een heidense rechtbank te brengen. Dit zou in de hoogste mate ongepast geweest zijn voor een waar Israëliet. Het zou een openlijke belediging geweest zijn voor Jehovah zelf, Die in hun midden was om voorkomende kwesties te beslissen. Aan Hem had men toch zeker genoeg. Hij kende het voor en tegen, het begin en het einde van iedere onenigheid, hoe ingewikkeld ook. Allen moesten tot Hem opzien en hun zaken brengen naar de plaats die Hij verkoren had, en nergens anders. Als twee leden van Gods volk verschenen voor een rechtbank van de onbesnedenen, zouden ze daarmee gezegd hebben: er mankeert iets aan de regeling die God voor Zijn volk heeft getroffen.
En hoe behoort het dan onder Christenen toe te gaan? Moeten die met hun onderlinge zaken naar een wereldse rechter? Hoor wat de apostel daarover leert aan de Gemeente te Korinthe en “aan de geheiligden in Christus Jezus, geroepen heiligen, met allen, in elke plaats, die de Naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen”, en dus ook aan de Christenen nu. “Durft iemand van u, als hij een zaak heeft tegen een ander, recht te zoeken bij de onrechtvaardigen en niet bij de heiligen? Weet gij niet dat de heiligen de wereld zullen oordelen? En als door u de wereld wordt geoordeeld, zijt gij dan onbevoegd voor de meest onbeduidende rechtszaken? Weet gij niet dat wij de engelen zullen oordelen? Hoeveel te meer de dingen van dit leven? Als gij dan rechtszaken hebt over de dingen van dit leven, stelt gij daarover hen die in de Gemeente niet geacht zijn? Ik zeg het tot uw beschaming. Is er dan onder u niet één wijze, ook niet één, die uitspraak zal kunnen doen tussen zijn broeders? Maar een broeder zoekt tegen een broeder recht, en dat bij ongelovigen! Reeds in het algemeen is het een gebrek bij u, dat gij rechtszaken met elkaar hebt. Waarom lijdt gij niet liever onrecht? Waarom laat gij u niet liever te kort doen? Maar zelf doet gij onrecht en doet gij te kort en dat aan de broeders! Weet gij niet, dat onrechtvaardigen Gods koninkrijk niet zullen beërven? Dwaalt niet!” (1 Korinthe 6:1-9).
Hier hebben wij dan Goddelijk onderwijs voor de Gemeente van God in alle eeuwen. Nu is de Gemeente niet meer zoals ze was toen de apostel zijn brief schreef. In die tijd was het niet moeilijk te onderscheiden tussen “de Gemeente” en “de wereld”, tussen “de heiligen” en “de ongelovigen”, tussen die “binnen” en die “buiten” waren. Wie toen uit godsdienstig oogpunt de menselijke maatschappij bezag, nam drie groepen waar: Heidenen (volken), Joden en Christenen; de heidense tempel, de synagoge en de Gemeente van God. Er was geen verwarring mogelijk. De Christelijke Gemeente stond in tegenstelling tot al het andere. De Gemeente was geen landelijke, gewestelijke of plaatselijk georganiseerde instelling, maar een persoonlijke, praktische, levende werkelijkheid. Christen-zijn betekende niet belijdenis doen, of lid worden van een landelijke instelling of genootschap; nee, een Christen bezat een door God gewerkt geloof, een levende kracht in zijn hart, die openbaar werd in zijn leven. Nu is dat allemaal anders. De Gemeente en de wereld zijn zo vermengd dat de grote meerderheid van de naamchristenen nauwelijks de kracht en betekenis van de aangehaalde plaats uit 1 Korinthe 6 verstaat. Als wij tot hen spreken over de “heiligen” die recht zoeken bij de “ongelovigen”, dan zou het voor hen onbegrijpelijke taal zijn. Het woord “heiligen” hoort men nauwelijks in de belijdende kerk; men gebruikt het om iemand te bespotten, of past het toe op hen die door bijgelovige eerbied als heiligen op de kalender of in de agenda staan. Het Woord van God is echter niet veranderd, en evenmin heeft God Zijn gedachten gewijzigd over Zijn Gemeente of de wereld, en de verhouding tussen die twee. Het is dus nog altijd verkeerd wanneer “een broeder recht zoekt tegen een broeder, en dat bij ongelovigen!” Al is de stand van zaken in veel opzichten veranderd, “de Schrift kan niet verbroken worden”.
Als wij het denkbeeld gaan huldigen, dat het voor ons onmogelijk is goed te handelen, omdat de Gemeente heeft gefaald, dan geven we het hele beginsel van Christelijke gehoorzaamheid prijs34.
Al is de zichtbare eenheid van de Gemeente verdwenen, toch kunnen de beginselen van Gods Woord hun toepassing niet verliezen, evenmin als het bloed van Christus zijn kracht of Christus’ priesterschap zijn geldigheid kan verliezen. Verder moeten wij bedenken dat er hulp, wijsheid, genade, kracht en geestelijke gaven aanwezig zijn in Christus, het Hoofd van de Gemeente. En zij die geloof hebben, kunnen daar altijd gebruik van maken. Ons gezegend Hoofd laat ons nooit in de steek. Wij hoeven niet te verwachten dat het lichaam ooit in zijn normale toestand zal hersteld worden op aarde; niettemin mogen we zien wat de ware grondslag van het Lichaam is, en we zijn geroepen die grondslag – en geen andere – in te nemen. Het is wonderlijk wat voor verandering er plaatsvindt in onze hele toestand, in onze beschouwing over dingen, in onze gedachten over onszelf en de dingen om ons heen, zodra we ons stellen op de ware grondslag van de Gemeente Gods.
De Bijbel lijkt dan een nieuw boek. Wij zien alles in een nieuw licht. Schriftgedeelten die wij jarenlang gelezen hebben zonder belangstelling of nut, schitteren nu met Goddelijk licht en vervullen ons met bewondering, liefde en dank. Wij zien alles vanuit een nieuw standpunt; onze gehele gezichtskring is veranderd; wij zijn ontsnapt aan die sombere sfeer waar in het hele naamchristendom zich beweegt, en we kunnen nu de dingen duidelijk onderscheiden in het hemelse licht van de Schrift. Het lijkt wel een nieuwe bekering; we merken dat wij de Bijbel nu zo kunnen lezen dat wij hem verstaan, doordat wij de Goddelijke sleutel bezitten. Wij ontdekken dat Christus het Middelpunt en Voorwerp is van al Gods gedachten, plannen en raadsbesluiten van eeuwigheid tot eeuwigheid, en zodoende worden wij binnengeleid in die wonderlijke sfeer van genade en heerlijkheid die de Heilige Geest zo graag in het dierbaar Woord van God ontvouwt.
In de laatste verzen van ons hoofdstuk vinden wij een opmerkelijke blik op Israëls toekomst, wanneer ze zouden proberen een koning over zich aan te stellen. Wanneer gij zult gekomen zijn in het land, dat u de HEERE, uw God, geeft, en gij dat erfelijk zult bezitten en daarin wonen, en gij zeggen zult: Ik zal een koning over mij stellen, als al de volken, die rondom mij zijn; zo zult gij voorzeker tot koning over u stellen, die de HEERE, uw God, verkiezen zal; uit het midden van uw broeders zult gij een koning over u stellen; gij zult niet over u mogen zetten een vreemde man, die uw broeder niet zij. Maar hij zal voor zich de paarden niet vermenigvuldigen, en het volk niet doen weerkeren naar Egypte, om paarden te vermenigvuldigen; terwijl de HEERE u gezegd heeft: Gij zult voortaan niet weerkeren door deze weg. Ook zal hij voor zich de vrouwen niet vermenigvuldigen, opdat zijn hart niet afwijke; hij zal ook voor zich geen zilver en goud zeer vermenigvuldigen” (vs.14-17).
Wat treurig dat juist die drie dingen die de koning niet mocht doen, toch werden gedaan, en wel op grote schaal door de heerlijkste en wijste van alle koningen van Israël. “En koning Salomo maakte ook schepen… en zij kwamen te Ofïr, en haalden van daar aan goud, vierhonderd twintig talenten. Het gewicht nu van het goud, dat voor Salomo op een jaar inkwam was zeshonderd zes en zestig talenten goud”. En verder “En het uitbrengen der paarden was wat Salomo uit Egypte had”. Ten slotte: “En de koning Salomo had veel vreemde vrouwen lief… en zijn vrouwen neigden zijn hart” (zie 1 Koningen 9-11).
Wat is de mens, zelfs de beste, hoogste en wijste. Hier was een man die wijzer was dan alle mensen; hij was omringd door weergaloze zegeningen en eerbetoon; zijn aardse beker vloeide over. Bovendien leren wij – die zijn opmerkelijk gebed bij de inwijding van de tempel kennen – hem kennen als iemand van wie wij als mens en koning alle verwachting konden koesteren. En toch faalde hij op treurige wijze in elk van de dingen waarover God Zich zo duidelijk en beslist had uitgesproken. Zo is de mens. “Alle vlees is als gras en al zijn heerlijkheid als een bloem van het gras. Het gras is verdord en de bloem is afgevallen” (1 Petrus 1:24). “Laat gij dan af van de mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?” (Jesaja 2:22).
We kunnen ons echter afvragen hoe Salomo’s zo opvallende en treurige afwijking te verklaren is. Om het antwoord te vinden, moeten wij het laatste gedeelte van ons hoofdstuk lezen. “Voorts zal het geschieden, als hij op de stoel van zijn koninkrijk zal zitten, zo zal hij zich een dubbel van deze wet afschrijven in een boek, uit hetgeen voor het aangezicht van de Levietische priesters is. En het zal bij hem zijn, en hij zal daarin lezen al de dagen van zijn leven; opdat hij de HEERE, zijn God, lere vrezen, om te bewaren al de woorden van deze wet en de inzettingen, om die te doen; dat zijn hart zich niet verheffe boven zijn broeders, en dat hij niet afwijke van het gebod, ter rechter- of ter linkerhand; opdat hij de dagen verlenge in zijn koninkrijk, hij en zijn zonen, in het midden van Israël” (vs.18-20).
Had Salomo zich gehouden aan deze kostelijke en belangrijke woorden, dan zou zijn geschiedschrijver ons heel wat anders over hem te melden hebben gehad. We lezen echter nergens, dat hij een afschrift van de wet heeft gemaakt; en al heeft hij dit gedaan, hij deed er niet naar; ja, hij keerde er zich van af, en deed juist die dingen waarvan hij geleerd had dat hij ze niet mocht doen. In één woord, de oorzaak van al de ellende en de scheuring, die zo snel volgde op de pracht van Salomo’s regering, was veronachtzaming van de duidelijke uitspraken die God had gedaan.
Dit maakt het allemaal zo ernstig voor ons in deze tijd, en we willen nadrukkelijk de aandacht hierop vestigen. Veronachtzaming van het Woord van God is de bron van al de fouten, al de zonde, al de dwaling, al de verwarring, al de ketterij, sekte en scheuring die ooit in de wereld geweest zijn of nog zijn. En het enige wezenlijke geneesmiddel voor onze tegenwoordige, beklagenswaardige ellende is, dat we terugkeren – ieder voor zich – tot het eenvoudige, maar zo droevig verwaarloosde gezag van Gods Woord. Laat iedereen inzien hoe hijzelf met heel de Christenheid is afgeweken van de duidelijke en positieve leer van het Nieuwe Testament. Laten wij ons verootmoedigen onder de krachtige hand van God vanwege onze gemeenschappelijke zonde, en laten wij ons tot Hem wenden in oprechte zelfveroordeling; dan zal Hij ons in genade herstellen en zegenen, en ons leiden op dat heerlijke pad van gehoorzaamheid dat openligt voor iedere gelovige die waarlijk ootmoedig is. Moge de Heilige Geest, met onweerstaanbare kracht, werken aan het hart en geweten van ieder waar lid van het Lichaam van Christus en hen ervan doordringen hoe nodig het is dat we ons onmiddellijk en onvoorwaardelijk onderwerpen aan het gezag van Gods getuigenis.
C.H. Mackintosh
Voetnoten
32 Dit geldt alleen als een zaak in de vergadering wordt gebracht. Het kan wel geoorloofd en zelfs noodzakelijk zijn om iets wat niet in de vergadering mag gebracht worden, te bespreken met een vertrouwde broeder, en in de eerste plaats met de betrokken persoon. Het bespreken van de zaak met God hoeven wij niet te noemen, omdat dat vanzelf spreekt (noot van de vertaler).
33 Een goed middel daartegen is ook, dat men de aanklager vraagt of hij al met de aangeklaagde erover gesproken heeft, ook dat men met de aanklager naar de beschuldigde broeder of zuster gaat (noot van de vertaler).
Belangstelling voor een studie over het hele Bijbelboek Deuteronomium?
Lees de ‘Aantekeningen op Deuteronomium’ van deze schrijver,verkrijgbaar bijinfo@uhwdw.nl.
Bovenstaand artikel is een uittreksel uit dit Bijbelcommentaar.