Je baan opgeven?
Na veertig jaar zorgvuldig opletten is het onze vaste overtuiging dat er weinig gevallen zijn waarin het veilig en goed is dat iemand zijn broodwinning prijs geeft om het evangelie te gaan verkondigen. Het dient voor de persoon zelf onomstotelijk vast te staan dat hij door de Heer daartoe geroepen is. Dan kan hij volkomen zeker zijn dat God hem zal onderhouden in het werk waartoe Hij hem geroepen heeft, en “in al zijn behoeften voorzien naar zijn rijkdom in heerlijkheid in Christus Jezus”. Wat de mensen betreft, en hun mening over hem en wat hij doet, hij kan hen eenvoudig verwijzen naar zijn Meester. Hij is hun geen verantwoording schuldig, en heeft hun nooit om iets gevraagd. Als van hen werd verlangd dat zij hem ondersteunden, dan sprak het vanzelf dat zij konden klagen of protesteren, maar nu dat niet zo is, moeten zij hem eenvoudig met rust laten en bedenken dat “of hij staat of valt, zijn eigen heer aangaat”.
De aanhaling uit 1 Korinthe 9:12 leert ons, dat de apostel zelf tegenover de Korinthiërs van zijn recht schrijft: “Wij hebben dit recht niet gebruikt”. Hij werkte met zijn eigen handen, en was nacht en dag bezig om niemand lastig te vallen. “Deze handen”, zegt hij elders, “in mijn behoeften en in die van hen die bij mij waren, hebben voorzien” (Handelingen 20:34). Hij begeerde van niemand zilver of goud, maar werkte, predikte, maakte bezoeken van huis tot huis, en was de ijverige apostel, de ernstige evangelist, de vlijtige herder die de zorg droeg voor al de gemeenten. Had hij geen recht op ondersteuning? Zeker wel. Het had de vreugde van de gelovigen moeten zijn om in al zijn behoeften te voorzien. Echter, in plaats van op zijn rechten te staan, liet hij ze varen. “In alles heb ik u” – zegt hij tot de ouderlingen van Efeze – “getoond, dat men door zo te arbeiden zich de zwakken moet aantrekken en de woorden van de Heer Jezus in herinnering moet houden, dat Hijzelf heeft gezegd: Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen” (Handelingen 20:35).
Nu is het wonderheerlijk deze geliefde en geëerde dienstknecht van Christus te zien op zijn uitgestrekte reizen van Jeruzalem tot Illyrië toe. Lees nog eens over zijn reusachtige arbeid als evangelist, herder en leraar, terwijl hij toch tijd vond om door arbeid met zijn handen zichzelf en anderen te onderhouden. Hij nam werkelijk een hoog moreel standpunt in en is een blijvende getuige tegen alle huurlingschap, onder welke vorm dan ook. De spottende zinspeling van ongelovigen op goedbetaalde dienstknechten geldt hem in geen enkel opzicht. Hij predikte werkelijk niet om loon. Toch nam hij dankbaar hulp aan van hen die wisten hoe hulp verleend moet worden. Meer dan eens zond de geliefde gemeente te Filippi voor de behoeften van hun geliefde vader in Christus. Wat goed van hen dat zij dit deden. Het zal nooit vergeten worden. Miljoenen hebben het mooie verhaal over hun toewijding gelezen, en ze zijn verkwikt door de welriekende reuk van hun offer. Het wordt in herinnering gehouden in de hemel waar zoiets nooit vergeten wordt, ja, het staat geschreven in het hart van Christus. Hoor hoe de apostel zijn dank uit tegenover zijn geliefde kinderen (Filippi 4:10-19).
Het was wel een buitengewoon voorrecht om het hart te verkwikken van zo’n geëerde dienstknecht van Christus, aan het eind van zijn loopbaan, in eenzaamheid en gevangenschap te Rome. Zij verrichtten hun dienst op de juiste tijd, en dit was liefelijk. Wat een vreugde voor hen om de dankbare erkenning van de apostel te ontvangen. En wat was het ook een kostbare verzekering dat hun dienst was opgestegen tot een liefelijke reuk naar de troon en het hart van God Zelf. Wie zou niet liever een Filippiër willen zijn die in de behoeften van de apostelen voorzag, dan een Korinthiër die aan de roeping van Paulus twijfelde, of een Galatiër die zijn hart verdriet aandeed? Wat een reusachtig verschil. De apostel kon niets aannemen van de gemeente te Korinthe vanwege de toestand waarin die zich bevond. Afzonderlijke gelovigen in die vergadering dienden hem wel, en hun dienst wordt vermeld in de Bijbel; het zal hun overvloedig vergolden worden in het Koninkrijk: “En ik verblijd mij over de komst van Stéfanas en Fortunatus en Achaïcus, want zij hebben aangevuld wat van uw kant ontbrak. Want zij hebben mijn geest verkwikt en de uwe. Erkent dan zulke [broeders]” (1 Korinthe 16:17-18). Zo leren wij uit al de aangehaalde gedeelten wat, zowel onder de wet als onder het evangelie, de geopenbaarde wil van God is: wie Hij werkelijk tot het werk heeft geroepen en zich daaraan ernstig en trouw wijden, moeten de bewijzen ontvangen van de hartelijke sympathie en de feitelijke hulp van de Zijnen. Wie Christus liefheeft, zal het als de grootste vreugde beschouwen Hem in Zijn arbeiders te dienen. Toen Hijzelf hier beneden wandelde, nam Hij graag hulp aan uit de handen van hen die Hem liefhadden: “sommige vrouwen die van boze geesten en ziekten genezen waren, namelijk Maria, die Magdaléna genoemd werd, van wie zeven demonen uitgegaan waren, en Johanna, de vrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, en Susanna en vele anderen, die Hem dienden met hun eigen bezittingen” (Lukas 8:2-3). Wat waren dat gelukkige vrouwen. Zij mochten de Heer der heerlijkheid in de dagen van Zijn menselijke afhankelijkheid en vernedering een dienst bewijzen. Hun geëerde namen heeft de Heilige Geest laten opschrijven, opdat ontelbare miljoenen ze zouden lezen. Nooit zullen ze vergeten worden in de tijd of in de eeuwigheid. Wat goed is het van die vrouwen, dat zij hun geld niet verkwistten voor zichzelf of het ophoopten, zodat hun rijkdom verrot was en hun goud en zilver verroest; dat is immers het geval wanneer het geld niet besteed wordt voor God.
Aan de andere kant is het dringend nodig voor allen die de plaats van een arbeider innemen, binnen of buiten de vergadering, dat ze vrij blijven van alle invloed van mensen of van het steunen op mensen. Ze moeten met God wandelen in het leven van het geloof, anders zullen ze zeker tekortschieten. Als de Gemeente hen verwaarloost, zal ze hier en in het hiernamaals de grootste schade ondervinden. Kunnen zij in hun eigen levensonderhoud voorzien, zonder dat het werk van de Heer eronder lijdt, zoveel te beter. Er is uit moreel en geestelijk oogpunt niets edeler dan een werkelijk begaafd dienstknecht van Christus die een vak of beroep heeft en daardoor zichzelf en zijn gezin onderhoudt, terwijl hij zich ijverig wijdt aan het werk van de Heer, als evangelist, herder of leraar. Het tegenovergestelde zien we bij een man die zonder gave of roeping, de zogenaamde Christelijke bediening kiest als zijn beroep of bestaansmiddel. Het standpunt dat zo iemand inneemt, is uiterst ellendig.
C.H. Mackintosh
Belangstelling voor een studie over het hele Bijbelboek Deuteronomium?
Lees de ‘Aantekeningen op Deuteronomium’ van deze schrijver,
verkrijgbaar bij info@uhwdw.nl.
Bovenstaand artikel is een uittreksel uit dit Bijbelcommentaar.