Een wortel van bitterheid
Een wortel van bitterheid
Wij zijn niet bevrijd van de werken der wet om onszelf te behagen of nergens voor te deugen, maar om de vruchten van het leven voort te brengen tot heerlijkheid van Hem, Wiens Naam wij dragen en aan Wie wij toebehoren.
Daarom waarschuwt Mozes in Deuteronomium 29: “Dat er onder u niet zij een man, of vrouw, of huisgezin, of stam, die zijn hart heden afwendt van de HEERE, onze God, om te gaan dienen de goden van deze volken; dat onder u niet zij een wortel, die gal en alsem draagt” (vs.18).
Op deze aangrijpende woorden wijst de apostel met nadruk in de Brief aan de Hebreeën. “Ziet daarbij toe, dat niet aan iemand de genade van God ontbreekt; dat er geen wortel van bitterheid opschiet, die onrust veroorzaakt waardoor velen verontreinigd worden” (Hebreeën 12:15).
Dit zijn zeer heilzame, waarschuwende woorden. Wij zijn geroepen om een heilige, Goddelijke zorg voor elkaar te hebben; helaas, maar al te weinig denken we daaraan. We zijn niet allen geroepen om herder en leraar te zijn. De aangehaalde tekst spreekt niet in het bijzonder over zodanigen. Hebreeën 12:15 spreekt over alle Christenen, en wij zijn verplicht ons daarnaar te gedragen. Aan alle kanten hoort men klachten over de herderlijke zorg, en dit klagen is zeker niet ongerechtvaardigd. Zou het wel anders kunnen? Zouden wij een overvloed van geestelijke gaven kunnen verwachten in onze tegenwoordige, ellendige toestand? De Geest wordt bedroefd en uitgeblust door onze beklagenswaardige verdeeldheid, wereldsgezindheid en grote ontrouw. Kunnen wij ons dan verwonderen over onze betreurenswaardige armoede? Onze trouwe Heer wil ons echter in Zijn tedere liefde bijstaan, te midden van ons geestelijk verval; Hij wil in Zijn genade ons op verschillende manieren helpen om tegemoet te komen aan het gebrek aan herders. Hij wil ons leren om steeds weer met ijver en liefde op elkaar te letten en eikaars geestelijke groei te zoeken.
Wij zijn geen voorstanders van opdringerige gedienstigheid of ongewenste spionage; dat is bepaald ondraaglijk onder de gelovigen, maar we beogen een biddende belangstelling in elkaar en een heilige waakzaamheid, die voorkomt dat er wortels van bitterheid opschieten. Juist omdat er zo’n bedroevend gebrek is aan ware herders die het Hoofd van de Gemeente Zelf geeft, behoort iedereen die de Heer en de Zijnen liefheeft, genade af te smeken om van harte en zachtmoedig, vol waakzame, broederlijke zorg op anderen te letten. En daarop doelt de tekst uit Hebreeën 12; er moet gewaakt worden tegen het opschieten van elke wortel van bitterheid. Wat een verschrikkelijke werking hebben die wortels. Bitter zijn ze, en soms heel wijd vertakt. Wat een kwaad stichten ze, en hoevelen worden erdoor verontreinigd. Vele hechte vriendschapsbanden zijn erdoor verscheurd, en vele harten zijn erdoor gebroken. En toch, enige oordeelkundige herderlijke of ook maar broederlijke zorg, een goede raad, in liefde gegeven, had het kwaad in de kiem kunnen smoren, zodat een enorme schade zou zijn voorkomen. De Heere Zelf wil ons leren deze dingen ter harte te nemen.
Wat is echter het einde van hem door wie die wortel van bitterheid opschiet? “En het geschiede, als hij de woorden van deze vloek hoort, dat hij zichzelf zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, wanneer ik ook naar het goeddunken van mijn hart zal wandelen, om de dronkene te doen tot de dorstige” (vs.19). Noodlottige zelfmisleiding. “Vrede, vrede” roept hij, terwijl er geen vrede is, maar toorn en oordeel. “De HEERE zal hem niet willen vergeven; maar alsdan zal de toorn des HEEREN en Zijn naijver roken over die man, en al de vloek, die in dit boek geschreven is, zal op hem liggen; en de HEERE zal zijn naam van onder de hemel uitdelgen” (vs.20). Dit is wel een vreselijke waarschuwing voor allen die wortels van bitterheid zijn in het midden van Gods volk, en ook voor allen die hun partij kiezen. “En de HEERE zal hem ten kwade afscheiden van al de stammen Israëls, naar alle vloeken van het verbond, dat in het boek van deze wet geschreven is. Dan zal zeggen het volgende geslacht, uw kinderen, die na u opstaan zullen, en de vreemde, die uit een ver land komen zal, als zij zullen zien de plagen van dit land en zijn krankheden, waarmede de HEERE het gekrenkt heeft; dat zijn ganse aarde zwavel en zout der verbranding is, die niet bezaaid zal zijn, en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; gelijk de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zéboïm, die de HEERE heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid. En alle volken zullen zeggen: Waarom heeft de HEERE aan dit land alzo gedaan? Wat is de ontsteking van deze grote toorn? Dan zal men zeggen: Omdat zij het verbond van de HEERE, de God van hun vaderen, hebben verlaten, dat Hij met hen gemaakt had, toen Hij hen uit Egypteland uitvoerde; en zij heengegaan zijn, en andere goden gediend en zich voor die gebogen hebben; goden, die hen niet gekend hadden, en van wie geen hun iets medegedeeld had. Daarom is de toorn des HEEREN ontstoken tegen dit land, om daarover te brengen al deze vloek, die in dit boek geschreven is. En de HEERE heeft hen uit hun land uitgetrokken, in toorn, en in grimmigheid, en in grote verbolgenheid; en Hij heeft hen verworpen in een ander land, gelijk het is te dezen dage” (vs.21-28).
Wat een indrukwekkende illustratie van het woord dat de apostel schrijft: “Vreselijk is het, te vallen in de handen van de levende God”. En ook: Want ook onze God is een verterend vuur”. De belijdende christenheid behoort wel te letten op zulke waarschuwende woorden en lessen te trekken uit de geschiedenis van Gods wegen met Zijn volk Israël. Romeinen 11 is duidelijk en beslist op dit punt. Paulus spreekt over het oordeel dat God velde over de ongelovige takken van de olijfboom, en daarna maakt hij de volgende toepassing op de Christenheid. “En als enkele van de takken afgebroken zijn, en gij, die een wilde olijfboom waart, daartussen geënt zijt en aan de wortel en de vettigheid van de olijfboom deel hebt gekregen, beroem u dan niet tegen de takken; en als gij u beroemt, niet gij draagt de wortel, maar de wortel u. Gij zult dan zeggen: Er zijn takken afgebroken, opdat ik zou worden geënt. Inderdaad! Zij zijn afgebroken door ongeloof en gij staat door het geloof. Wees niet hoogmoedig, maar vrees; want heeft God de natuurlijke takken niet gespaard, – Hij mocht ook u niet sparen! Zie dan de goedertierenheid en de gestrengheid van God: gestrengheid over hen die gevallen zijn, maar de goedertierenheid van God over u, als gij in de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij worden afgehouwen” (Romeinen 11:17-22).
Helaas, de Christenheid is niet gebleven in de goedertierenheid van God. Ze is allerdroevigst afgeweken, en er blijft niets anders voor haar over dan de toorn van de almachtige God. Hen die leden van het Lichaam van Christus zijn, die – het is treurig om te zeggen – vermengd zijn met de massa der valse belijders, zal Hij daaruit nemen en brengen naar de plaats die in het hemelse Vaderhuis is bereid. Zo niet eerder, dan zullen zij op dat ogenblik inzien hoe verkeerd het was in verbinding te blijven met hetgeen zo lijnrecht in strijd was met de gedachten van Christus – Zijn gedachten – die zo duidelijk en eenvoudig in de Heilige Schriften zijn geopenbaard. Wat echter de Christenheid in haar geheel betreft: ze zal worden “uitgespuwd” en “afgehouwen”. God zal ze overgeven aan een werking van de dwaling om de leugen te geloven, “opdat allen veroordeeld worden, die de waarheid niet hebben geloofd, maar een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid” (2Th.2:11-12). O, dat deze aangrijpende woorden weerklank vonden in de oren en de harten van duizenden die maar voortgaan met de naam van te leven, met een gedaante van godsvrucht, maar zonder de kracht, “meer liefhebbers van genot dan liefhebbers van God”, en die blindelings het eeuwig verderf tegemoet snellen.
C.H. Mackintosh
Belangstelling voor een studie over het hele Bijbelboek Deuteronomium?
Lees de ‘Aantekeningen op Deuteronomium’ van deze schrijver, verkrijgbaar bijinfo@uhwdw.nl.
Bovenstaand artikel is een uittreksel uit dit Bijbelcommentaar.