Verdrukking voor verdrukkers, maar rust voor Gods kinderen

2 Thessalonicenzen

In de tweede Brief aan de Thessalonicenzen zien we dat deze geliefde jonge gelovigen niet alleen een ernstige dwaling hadden aangenomen wat betreffende hen die ontslapen zijn, maar ook wat betreft de levenden; het was niet een vergissing wat betreft ‘de komst’, maar wat betreft ‘de dag van de Heer’. In het ene geval vreesden ze dat de overledenen geen deel zouden hebben aan de heerlijke overwinning van ‘Zijn komst’ en in het andere geval vreesden ze dat de levenden in feite toen al de verschrikkingen van ‘de dag’ zouden moeten doormaken.

Dat is de vergissing die de apostel in zijn tweede Brief aan de Thessalonicenzen rechtzet. Niets overtreft de tederheid en gevoeligheid en bovendien de wijsheid en betrouwbaarheid waarmee hij dat doet. De gelovigen in Thessalonika hadden te lijden onder ernstige vervolging en verdrukking en het is overduidelijk dat de vijand, door middel van valse leraren, probeerde om hen van streek te brengen door hen te laten denken dat ‘de grote en vreselijke dag van de Heer’ al aangebroken was en dat de problemen waarmee ze te maken hadden, behoorden tot de verschijnselen van die vreselijke dag.

Als dat het geval was, zou het hele onderwijs van de apostel vals zijn, want als er één waarheid helder en prominent in zijn onderwijs aanwezig was, dan was het wel de relatie en eenwording van de gelovigen met Christus – een relatie die zó intiem is, een eenwording die zó nauw is dat Christus onmogelijk in heerlijkheid zou kunnen verschijnen zonder de Zijnen. Gods Woord zegt: ‘Wanneer Christus, ons leven, geopenbaard zal worden, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid’ (Kol. 3:4). Maar Hij moet verschijnen om ‘de dag’ aan te kondigen.

Verdrukking voor de verdrukkers, rust voor ons

Wanneer de dag van de Heer werkelijk aanbreekt, is dat niet om de Zijnen te verdrukken, maar om hun vervolgers te verdrukken. Hier herinnert de apostel hen op overtuigende manier aan in zijn openingszinnen: ‘Wij moeten God altijd te danken over u, broeders, zoals het betaamt, omdat uw geloof zeer toeneemt en de liefde van een ieder van u allen tot elkaar overvloedig is; zodat wij zelf over u roemen in de gemeenten van God vanwege uw volharding en uw geloof onder al uw vervolgingen en verdrukkingen, die u verdraagt: een bewijs van het rechtvaardig oordeel van God, dat u het koninkrijk van God waardig geacht wordt, waarvoor u ook lijdt; als het namelijk recht is bij God, aan hen die u verdrukken verdrukking te vergelden, en aan u die verdrukt wordt, rust met ons, bij de openbaring van de Heer Jezus van de hemel met de engelen van Zijn kracht, in vlammend vuur, als Hij vergelding brengt over hen die God niet kennen [d.w.z. de heidenen] en over hen die het Evangelie van onze Heer Jezus Christus niet gehoorzamen [d.w.z. de Joden]’ (2 Thess. 1:3-8).

Dus niet alleen de Christelijke positie was bij deze zaak betrokken, maar ook de heerlijkheid van God, Zijn rechtvaardigheid. Als de dag van de Heer verdrukking zou brengen voor Christenen, dan zou de leerstelling van de eenheid van Christus en de Zijnen – die belangrijke leerstelling van Paulus’ onderwijs – niet juist zijn! Bovendien zou het in tegenspraak zijn met de rechtvaardigheid van God. Kort gezegd: als Christenen in die verdrukking zouden komen, dan was het moreel gezien onmogelijk dat de dag van de Heer was aangebroken, want wanneer dié dag komt, zal dat rust betekenen voor de gelovigen, rust als een openlijke beloning, in Gods koninkrijk. Nee, hier gaat het niet om het Vaderhuis, daar gaat het hier niet om. In Gods koninkrijk zal de Gemeente rust ervaren, maar de vervolgers van de Gemeente verdrukking. In de dag van de mens is de Gemeente geroepen tot verdrukking, maar in de dag van de Heer zal alles omgekeerd zijn.

In de wereld hebt u verdrukking…

Het lijdt geen twijfel dat Christenen ook nu een vorm van verdrukking ondergaan. Daartoe zijn ze in deze wereld geroepen, zolang de goddeloosheid de overhand heeft. Christus heeft geleden en ook zij zullen lijden. Maar wat we willen benadrukken, is dat wanneer Christus komt om Zijn koninkrijk op te richten, het onmogelijk is dat de Zijnen verdrukking ondergaan. Dus het hele onderwijs van de vijand waarmee hij de gelovigen in Thessalonika van de wijs probeerde te brengen, was volstrekt misleidend. De apostel haalt het fundament van het hele stelsel onderuit met de eenvoudige verklaring van de kostbare waarheid van God. Dit is de Goddelijke manier om mensen te bevrijden van verkeerde theorieën en onnodige angsten. Geef hun de waarheid en de dwaling zal ervoor wegvluchten. Laat de zonneschijn van Gods eeuwige Woord binnen en alle nevel en wolken van valse leer zullen wegdrijven.

De dag van de Heer al aangebroken?

‘En wij bidden u, broeders, ter wille van de komst van onze Heer Jezus Christus en onze vereniging met Hem, dat u niet [zo] spoedig in uw gemoed geschokt of verschrikt wordt, noch door geest, noch door woord, noch door brief als van ons, alsof de dag van de Heer er al zou zijn’ (2:1-2).1) Wij maken geen enkele aanspraak op wetenschappelijkheid; wij zijn alleen maar arenlezers op het veld van studie van de grondtekst, waarin anderen een gouden oogst geraapt hebben. Naar onze mening is er geen twijfel dat de juiste lezing van 2 Thessalonicenzen 2 is: ‘alsof de dag van de Heer al aangebroken zou zijn’. Het Griekse woord in de oorspronkelijke tekst kan alleen op deze manier vertaald worden. Het komt voor in Romeinen 8:38, waar het is weergegeven met ‘tegenwoordige dingen’. Zo ook in 1 Korinthe 3:22: ‘tegenwoordige dingen’; 7:26: ‘tegenwoordige nood’; Galaten 1:4: ‘de tegenwoordige boze eeuw’; Hebreeën 9:9 ‘tegenwoordige tijd’.

Los van de kwestie van verschillende handschriften is een korte overdenking voldoende om de oprechte Christen aan te tonen dat het niet de bedoeling van de apostel geweest kan zijn om de Thessalonicenzen te onderwijzen dat de dag van de Heer nog niet aanstaande was. De Bijbel kan zichzelf nooit tegenspreken. Geen enkele zin van de Goddelijke openbaring zou in conflict kunnen komen met een andere zin uit Gods Woord. Maar als de lezing van de meestal uitstekende King Jamesvertaling, ‘alsof de dag van de Heer aanstaande was’, juist zou zijn, zou ze direct in tegenspraak zijn met Romeinen 13:12, waar ons duidelijk wordt voorgehouden: ‘de dag is nabij’. Welke ‘dag’? Dat moet wel gaan om de dag van de Heer, wat altijd de uitdrukking is die gebruikt wordt in verband met onze verantwoordelijkheid in ons leven.

Dit is een punt van groot belang en praktische betekenis. Als we de moeite willen nemen om de verschillende gedeelten te onderzoeken waarin gesproken wordt over ‘de dag’, zullen we ontdekken dat ze in mindere of meerdere mate betrekking hebben op de kwestie van werk, dienst of verantwoordelijkheid. Bijvoorbeeld: ‘Zodat u onberispelijk bent [niet bij de komst, maar] op de dag van onze Heer Jezus Christus’ (1 Kor. 1:8) en: ‘Ieders werk zal openbaar worden. Want de dag zal het aan het licht brengen’ (1 Kor. 3:13). ‘Zodat u zuiver en onberispelijk bent tegen de dag van Christus’ (Fil. 1:10). ‘Overigens ligt voor mij gereed de kroon van de gerechtigheid, die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in die dag zal geven’ (2 Tim. 4:8).

Uit al deze gedeelten – en nog meer zouden er aangevoerd kunnen worden – leren we dat ‘de dag van de Heer’ de grote tijd zal zijn voor de afrekening met de valse arbeiders, voor de Goddelijke waardering voor de dienst, voor het behandelen van alle kwesties van persoonlijke verantwoordelijkheid, voor het uitdelen van de beloningen – de ‘tien steden’ en de ‘vijf steden’.

Dus waartoe we ons ook wenden en hoe we ook naar het onderwerp kijken, we worden steeds meer bevestigd in de waarheid van het duidelijke onderscheid tussen ‘de komst van de Heer’ of de ‘aanwezigheid’ van onze Heer en Zijn ‘verschijning’ of ‘de dag van de Heer’. Het eerste wordt de gelovige voorgehouden als zijn stralende en gezegende toekomst, die elk moment werkelijkheid kan worden. Het laatste wordt ons in diepe ernst op het geweten gedrukt als van toepassing voor de hele praktische loopbaan van degenen die in deze wereld geplaatst zijn om te werken en te getuigen voor een afwezige Heer.

De Bijbel kan deze dingen nooit door elkaar halen, hoe zeer wij dat ook doen. Ook is er van kaft tot kaft in het Woord van God geen enkele zin te vinden die leert dat gelovigen niet altijd de komst van de Heer hebben te verwachten en verlangend in gedachten moeten houden dat ‘de dag nabij’ is. Het is alleen de boze slaaf die in zijn hart zegt: ‘Mijn heer blijft uit’, zoals de Heer ons voorhoudt in Zijn toespraak in Mattheüs 24 en daar zien we ook de verschrikkelijke gevolgen van het koesteren van zo’n soort gedachte in het hart.

Laten we nu weer kijken naar 2 Thessalonicenzen, een gedeelte van de Bijbel dat onder verklaarders van de profetie veel verwarring heeft doen ontstaan.

Het is heel duidelijk dat de valse leraars geprobeerd hadden de gedachten van de Thessalonicenzen te verwarren, door hen te laten denken dat zij, toen al, omgeven waren door de verschrikkingen van de dag van de Heer. Nee, zegt de apostel, dat is niet mogelijk. Voordat die dag aanbreekt, moeten wij Christenen eerst zijn opgenomen om de Heer te ontmoeten in de lucht. Hij vraagt hun, op grond van de komst van de Heer en onze vereniging met Hem, niet geschokt te zijn over die dag. Hij had hun al het hemels aspect van de komst van de Heer duidelijk gemaakt. Hij had hun onderwezen dat zij, als gelovigen, tot die dag behoorden, dat hun huis en hun deel en hun hoop allemaal lagen in die hemelse sfeer van waaruit de dag zou schijnen. Het was daarom volslagen onmogelijk dat de dag van de Heer enige verschrikking of verdrukking zou meebrengen voor hen die juist, door genade, ‘zonen van de dag’ waren (1 Thess. 5:5).

Laat niemand u misleiden

Bovendien zaten de valse leraars, zelfs als we er vanuit de aardse kant naar kijken, allemaal fout: ‘Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden, want die [dag van de Heer] komt niet, als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf, die zich verzet en zich verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, zodat hij gaat zitten in de tempel van God en zichzelf vertoont, dat hij God is. Herinnert u zich niet, dat ik u dit gezegd heb, toen ik nog bij u was? En nu, u weet wat [hem] tegenhoudt, opdat hij geopenbaard wordt op zijn tijd. Want de verborgenheid van de wetteloosheid werkt al. Alleen Hij Die [hem] nu tegenhoudt, [zal dit doen], totdat Hij zal weggenomen zijn. En dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die de Heer Jezus zal verteren door de adem van Zijn mond en vernietigen door de verschijning van Zijn komst; [hem], wiens komst naar de werking van de satan is, met allerlei kracht en tekenen en wonderen van de leugen, en met allerlei verleiding van de ongerechtigheid voor hen die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet hebben aangenomen om behouden te worden’ (2 Thess. 2:3-10).

Hier wordt ons dus onderwezen dat, voordat de dag van de Heer komt, de wetteloze, de mens van de zonde, de zoon van het verderf, geopenbaard moet worden. De verborgenheid van de wetteloosheid moet een hoogtepunt bereiken. Deze mens zal zich openlijk verheffen tegen God, ja zich zelfs als God laten vereren. Dit alles moet eerst op aarde gebeuren voordat de grote en vreselijke dag van de Heer hier op aarde zal uitbarsten in oordeel.

De tegenhouder

Op dit moment is er een ‘tegenhouder’, een belemmering voor de openbaring van deze verschrikkelijke persoon. Er wordt ons hier niet verteld wat deze belemmering is. God kan dit in verschillende tijden laten variëren.2)Sommigen hebben overwogen dat de tegenhouder de Heilige Geest is. We weten in elk geval uit andere gedeelten van de Bijbel dat voordat de wetteloze op het toneel verschijnt, de Gemeente veilig in haar eeuwige Thuis boven verblijft, in de voor haar bereide plaats. Hoe kostbaar is deze gedachte! Maar in het Boek Openbaring zien we duidelijk dat voordat de verborgenheid van de wetteloosheid uitmondt in de mens van de zonde, de Gemeente in haar geheel al van deze aarde is weggenomen. We kunnen Openbaring 4 en 5 onmogelijk met verlichte ogen lezen zonder te zien dat de Gemeente zich in de intiemste kring van de hemelse heerlijkheid bevindt voordat er ook maar één oordeelszegel geopend is, één bazuin geklonken heeft, één schaal over de aarde is uitgestort.

We raden iedereen aan om het onderwerp zelf te bestuderen. Laten we Openbaring 4 en 5 overdenken en God vragen om de heerlijke inhoud ervan te verklaren. We zullen ontdekken dat de vierentwintig gekroonde oudsten de hemelse gelovigen voorstellen, die samen zullen zijn rondom het Lam in de heerlijkheid, voordat ook maar een enkel vers van dit profetische deel van het Boek is vervuld.

We willen u een eenvoudige vraag voorleggen, een vraag die alleen maar juist beantwoord kan worden in de onmiddellijke tegenwoordigheid van God. De vraag is deze: waar ziet u naar uit? Wat is uw hoop? Verwacht u bepaalde gebeurtenissen die zich op deze aarde moeten voordoen, zoals het herstel van het Romeinse Rijk, de ontwikkeling van de tien koninkrijken, de terugkeer van de Joden in hun eigen land, de herbouw van Jeruzalem, de openbaarwording van de antichrist, de grote verdrukking en, ten slotte, de ontstellende oordelen die zullen gebeuren op de dag van de Heer?

Ziet u naar aardse oordelen uit…?

Zijn dit de dingen die uw gezichtsveld vullen? Is dit waar u naar uitziet en wat u verwacht? Als dat het geval is, weet dan dat u niet vervuld bent van de ware hoop van de Gemeente. Het is zeker waar dat al deze dingen die we genoemd hebben, op de aangewezen tijd zullen gebeuren, maar geen ervan zou tussen u en uw juiste hoop in mogen staan. Ze behoren allemaal tot de profetie: ze staan allemaal vermeld in Gods openbaring van de toekomst, maar het is nooit de bedoeling geweest dat ze een schaduw zouden werpen over de stralende en gezegende hoop van de Christen. Die hoop tekent zich af in heerlijk contrast tegen de achtergrond van de profetie. Wat is die hoop? Dat is het komen van de stralende Morgenster, de komst van de Heer Jezus, de gezegende Bruidegom van de Gemeente.

… of naar de Morgenster?

Dit en niets anders is de ware en juiste hoop van de Gemeente van God. ‘Ik zal hem de morgenster geven’ (Openb. 2:28). ‘Zie, de Bruidegom’ (Matth. 25:6). Wanneer verschijnt de morgenster in de natuurlijke wereld? Precies voor het aanbreken van de dag. Wie ziet hem? Iedereen die in de donkere uren van de nacht heeft gewaakt. Hoe duidelijk, hoe praktisch, hoe treffend is de toepassing. De Gemeente hoort te verwachten, vol liefde te waken en uit te zien. Helaas heeft de Gemeente hierin gefaald. Maar dat is nog geen reden waarom de individuele gelovige niet zou leven in de volle tegenwoordige kracht van die gezegende hoop. ‘En wie het hoort, zegge: Kom!’ (Openb. 22:17). Dit is een heel persoonlijke oproep.

Laten wij er een gewoonte van maken om te leven vanuit de reinigende, heiligende, verheffende kracht van deze hemelse hoop. Laten wij de dagelijkse kracht begrijpen en vertonen van deze woorden van de apostel Johannes: ‘En een ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich zoals Hij rein is’ (1 Joh. 3:3).

C.H. Mackintosh

Voetnoten   [ + ]

1. Wij maken geen enkele aanspraak op wetenschappelijkheid; wij zijn alleen maar arenlezers op het veld van studie van de grondtekst, waarin anderen een gouden oogst geraapt hebben. Naar onze mening is er geen twijfel dat de juiste lezing van 2 Thessalonicenzen 2 is: ‘alsof de dag van de Heer al aangebroken zou zijn’. Het Griekse woord in de oorspronkelijke tekst kan alleen op deze manier vertaald worden. Het komt voor in Romeinen 8:38, waar het is weergegeven met ‘tegenwoordige dingen’. Zo ook in 1 Korinthe 3:22: ‘tegenwoordige dingen’; 7:26: ‘tegenwoordige nood’; Galaten 1:4: ‘de tegenwoordige boze eeuw’; Hebreeën 9:9 ‘tegenwoordige tijd’.
2. Sommigen hebben overwogen dat de tegenhouder de Heilige Geest is. We weten in elk geval uit andere gedeelten van de Bijbel dat voordat de wetteloze op het toneel verschijnt, de Gemeente veilig in haar eeuwige Thuis boven verblijft, in de voor haar bereide plaats. Hoe kostbaar is deze gedachte!