Een viervoudig ‘al’

Mattheüs 28

‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op <de> aarde. Gaat dan heen, maakt alle volken tot discipelen … en hen lerend te bewaren alles wat Ik u heb geboden. En zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw’.

Heerlijke, bemoedigende en troostvolle woorden aan het einde van Mattheüs 28, rijk aan genade: ‘alle macht’, ‘alle volken’, ‘alles wat Ik u heb geboden’, ‘alle dagen’! Woorden van de Heer Jezus, vóór Hij deze aarde verliet om naar de Vader te gaan.

We lezen in de verzen 16-17: ‘De elf discipelen nu gingen naar Galiléa, naar de berg waar Jezus hen had ontboden. En toen zij Hem zagen, huldigden zij <Hem>, maar sommigen twijfelden’. Is het nog mogelijk om aan de plaats ‘waar Jezus ons heeft ontboden’ en wij ons in Zijn tegenwoordigheid bevinden, met twijfel vervuld zijn? De Heer neemt alle twijfel weg. ‘En Jezus kwam naar hen toe’, zo lezen wij in vers 18. Ja, de Heer komt bij allen, óók bij hen die twijfelen. Wat een Heer, rijk aan genade; wat een geduldige Leermeester!

Deze elf mensen, zij die twijfelden niet uitgesloten, ontvangen hun opdracht van Hem, Die tot hen sprak: ‘Mij is gegeven alle macht [recht, gezag] in hemel en op <de> aarde’. Is er ooit op aarde een vorst onder de volken geweest die met zo’n macht bekleed was? Van Salomo lezen wij: ‘Toen maakte de HEERE Salomo buitengewoon groot voor de ogen van heel Israël. Hij gaf hem zoveel koninklijke majesteit als geen enkele koning van Israël vóór hem had gehad’ (1 Kronieken 29:25). Tot Nebukadnezar zegt Daniël: ‘U, o koning, bent een koning der koningen, want de God van de hemel heeft u het koningschap, macht, sterkte en eer gegeven’ (Daniël 2:37). Ahasveros ‘regeerde van India af tot Cusj toe over honderdzevenentwintig gewesten’ (Esther 1:1).

Deze vorsten, en velen die na hen hebben geregeerd, hebben nooit kunnen zeggen dat hun in hemel en op aarde alle macht gegeven was. Dat alleen kan de Heer Jezus. ‘Hij wist dat de Vader Hem alles in de handen had gegeven’ (Johannes 13:3). Wat een grote macht, met geen andere te vergelijken! Is deze macht niet in staat om alle twijfel uit het hart weg te nemen, en de gezanten toe te rusten om met veel vrijmoedigheid van die machtige Heer en Meester te getuigen?

‘Gaat dan heen, maakt alle volken tot discipelen …’. Wat een genade! Over de grenzen van het Jodendom heen mogen en kunnen al de volken van het heil in de Zoon van God, Jezus Christus, horen. ‘Opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft’ (Johannes 3:16b). De apostel Paulus getuigt hiervan: ‘Ik schaam mij niet voor het evangelie; want het is Gods kracht tot behoudenis voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood, en ook voor de Griek’ (Romeinen 1:16).

‘… hen lerend te bewaren alles wat Ik u heb geboden’. Dit zijn dus al de geboden van de Heer Jezus, waarover Hij op vele manieren gesproken heeft. Zie onder andere Johannes 14:21-24; 15:10,12,17; 1 Korinthe 14:37 en 2 Petrus 3:2.

‘En zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw’. De Heer, Die alle macht heeft in hemel en op aarde, Wiens genade alle volken omringt, en Die zo graag wil dat de Zijnen al Zijn geboden zullen onderhouden, Hij is het Die ons niet verlaat, maar al de dagen, ook de moeilijke, de dagen van lijden en beproeving, met ons is.

‘Tot aan de voleinding van de eeuw’. Wanneer zal deze voleinding zijn? Bij de komst van de Heer Jezus om allen die in Hem ontslapen zijn, op te wekken, en ons, ‘de levenden, die overblijven’, te veranderen. Als Hij zal komen om Zijn duurgekochte Gemeente te ontmoeten in de lucht, opdat wij ‘altijd met [de] Heer zijn’ (1 Thessalonika 4:17).
Zolang wij hier beneden verblijven, wil de Heer alle dagen met ons zijn. Komt de Heer om ons tot Zich te vergaderen in de heerlijkheid, dan zullen wij altijd met Hem zijn.

Wat een genade om voor eeuwig Zijn eigendom te zijn, steeds op Zijn macht te mogen vertrouwen, ons in Zijn alles en allen omringende genade te verblijden, Zijn geboden te bewaren, en praktisch te gehoorzamen, ons werkelijk bewust te zijn van ‘Ik ben met u alle dagen’.

U bent de Bron van licht en leven,
Bron van genâ voor wie gelooft;
U wilt geluk en vrede geven,
al wat Uw Woord ons heeft beloofd.

(Lied 210:1 uit ‘Geestelijke Liederen / Lofzangen en Geestelijke Liederen’)

D. Rot

Een aanvulling op het artikel
‘Een viervoudig ‘al’

In het septembernummer 2008 van het maandblad Uit het Woord der Waarheid stond het artikel ‘Een viervoudig ‘al’ van een zeer gewaardeerde broeder D. Rot, die al lang bij de Heer is.
Dit artikel is niet bedoeld als een leerstellige verklaring van Mattheüs 28:18-20, maar is veel meer een hartverwarmende en troostrijke toepassing van dit Schriftgedeelte op ons in onze tijd. Zo wordt bijvoorbeeld in dit artikel de vraag gesteld:

‘Tot aan de voleinding van de eeuw’. Wanneer zal deze voleinding zijn?’
Het antwoord luidde: ‘Bij de komst van de Heer Jezus om allen die in Hem ontslapen zijn, op te wekken, en ons, ‘de levenden, die overblijven’, te veranderen (1 Thessalonika 4:17)’.

Dit antwoord is inderdaad wel een zeer vrije toepassing op ons. Ter voorkoming van mogelijke misverstanden zal het – ter aanvulling – zeker nuttig kunnen zijn om een leerstellige uitleg te geven van de woorden ‘tot aan de voleinding van de eeuw’, gezien in het karakter van het Evangelie naar Mattheüs. ‘Tot aan de voleinding van de eeuw’ betreft een aanhaling uit Mattheüs 28:20. In het Evangelie naar Mattheüs vinden wij de Heer Jezus voorgesteld als de komende Koning van Israël! Hij komt in dit Evangelie als zodanig allereerst voor Zijn aardse volk Israël om het koninkrijk – het komende vrederijk – aan te kondigen.
Al in hoofdstuk 4:17 zegt de Heer Jezus tegen Zijn volk: ‘Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen’. De Heer leerde in Galilea in hun Joodse synagogen en predikte daar het ‘Evangelie van het koninkrijk’. Daaropvolgend vertelt de Heer in hoofdstuk 5 in de zogenaamde Bergrede welke beginselen in dát koninkrijk, waarvan Hij de toekomstige Koning zal zijn, gaan gelden.

De Heer Zelf gaat verder om het Evangelie van het koninkrijk te verbreiden onder Zijn volk (hoofdstuk 9:35), Hij leert in hun synagogen, maar ook is er een smeken dat er arbeiders (discipelen) in de oogst uitgezonden mogen worden, opdat ook zij deze evangelieboodschap van het komende rijk mogen uitdragen, want: ‘De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinig’ (hoofdstuk 9:37-38). Zijn discipelen worden vervolgens uitgezonden om dit Evangelie te prediken (hoofdstuk 10:16-23).

De discipelen die in de dagen van de Heer Jezus leefden, zijn wel uitgezonden en hebben deze boodschap van de komende Koning ook gepredikt, maar in die dagen hebben zowel de oversten als het volk de Heer als hun Koning verworpen!
Was daarmee alles ten einde?

Nee! In de toekomst zal er opnieuw een getrouw overblijfsel uit Israël zijn, zullen er discipelen zijn die het Evangelie van het koninkrijk zullen verkondigen. Zij zullen de zendingsopdracht uit Mattheüs 28:19 ten volle vervullen: ‘Gaat dan heen, maakt alle volken tot discipelen’. Deze discipelen zullen dan door een bijzonder moeilijke weg gaan, maar voor hen gelden dan ook de woorden ‘Wie volhardt tot [het] einde, die zal behouden worden’ (Mattheüs 10:22)!

Zij zullen dit Evangelie van de komende Koning prediken: zij zijn de discipelen van de komende Koning. Deze getrouwe Joden zullen tegen alle verdrukking in volharden tot het einde, zij brengen de boodschap van de komende Koning en van Zijn rijk, een rijk van gerechtigheid en vrede.

Hij zendt deze gelovige Joden daarom uit als Zijn discipelen met de opdracht de boodschap te prediken: ‘Gaat dan heen, maakt alle volken tot discipelen’. Mattheüs 28:19 is dus (in beginsel) een opdracht voor dat gelovige (Joodse) overblijfsel, dat straks ná de opname van de Gemeente zal uitgaan om het Evangelie van het koninkrijk te verkondigen. Deze discipelen bereiden ook de volken voor op de komst van de komende Koning en Zijn rijk van gerechtigheid en vrede. Zij dragen dit Evangelie uit met het gezag van Hem, de Koning, Die het hier in Mattheüs 28 kan zeggen: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op <de> aarde’ (vers 18)!

In deze zeer moeilijke omstandigheden (Mattheüs 10:16-23) waarin zij deze boodschap moeten uitdragen, zegt Hij Zelf dan ook in Mattheüs 28:20 tot hen:

‘En zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw’. Dat wil zeggen: totdat deze eeuw (dit tijdperk) voorbij is en de tijd zal aanbreken dat de Heer Jezus Zijn plaats als Koning op de troon van Zijn heerlijkheid zal innemen en het duizendjarig vrederijk zal vestigen (Mattheüs 25:31-46).
De belofte ‘Zie, Ik ben met u tot aan de voleinding van de eeuw’ heeft dus hier in Mattheüs 28:20 (in directe zin) betrekking op het moment dat Hij Zelf in heerlijkheid Zijn heerlijk koninkrijk zal oprichten. Is het niet zo dat de heerlijkheid van de komende Koning en Zijn koninkrijk ook onze harten verwarmen? Ja, onze harten verblijden zich nu al zeer, wanneer wij denken aan ‘de gelukkige hoop en verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Jezus Christus’ (Titus 2:13)!

Maar tegelijkertijd mogen wij die tot de Gemeente van God behoren, met een brandend verlangen uitzien naar een geheel ander moment in de toekomst. Wij wachten als zodanig niet – zoals dat in Mattheüs 28:20 wordt gezegd – op deze aarde op het ‘einde van deze eeuw’, maar wij zien uit naar de spoedige wederkomst van onze geliefde Heer en Heiland, onze hemelse Bruidegom, Die ons in één enkel ogenblik tot Zich zal trekken, om ons in te voeren in het hemels Vaderhuis, ‘en zó zullen wij altijd met [de] Heer zijn’ (1 Thessalonika 4:17)!
(Lees ook hierover wat br. J.N. Darby zegt in de Synopsis deel 5 pagina 200-201).

De redactie van het maandblad Uit het Woord der Waarheid