De plaats van samenkomst voor de gelovigen

Inleiding

Veel Christenen hebben een gemis aan inzicht in de roeping van de gelovige op aarde. Zij menen dat alles in orde is als een zondaar met belijdenis van schuld tot God gegaan is, en dan weet dat zijn zonden vergeven zijn op grond van het verzoeningswerk van de Heer Jezus. Wat het evangelie betreft, houden zij zich nauwkeurig aan het Woord van God. Door hun geringere belangstelling voor het leven na de bekering, denken zij er echter niet aan dat ook hiervoor de Bijbel onze enige wegwijzer is.

Zoals in alle dingen leert de Heilige Schrift ons bij nauwkeurig lezen ook hierin wat juist is. In 1 Thess. 1:9 wordt gezegd: ‘dat gij u tot God bekeerd hebt om de levende en waarachtige God te dienen’. Eerst dus bekering, want een natuurlijk mens kan God niet dienen (Rom. 3:10-12). Maar daarna het dienen van God! Niet de bekering is dus het doel van God met de mens, maar de bekering is het onmisbare middel om te komen tot het doel: ‘het dienen van de levende en waarachtige God’.

Zo vinden we dan ook in de brief aan de Romeinen, nadat in de eerste 11 hoofdstukken de weg waarop een zondaar tot God kan naderen nauwkeurig beschreven is, in hoofdstuk 12:1 dat het onze redelijke dienst is om onze lichamen te stellen tot een levende, heilige, voor God welbehaaglijke offerande. En in vers 2 worden we vermaand te beproeven, wat de goede en welbehaaglijke en volmaakte wil van God is.

Er zal wel geen meningsverschil over bestaan, dat de ‘wil van God’ alleen in het ‘Woord van God’ wordt gevonden. En dat we dus dat Woord hebben te onderzoeken, als we willen weten wat Zijn wil is met betrekking tot het dienen van de levende en waarachtige God. De psalmist zegt (119:105 en 99): ‘Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad’ en ‘Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn overdenking zijn’.

Als we aan het dienen van God denken, zullen we ons in de eerste plaats bezig houden met het samenkomen van de gelovigen. Daar immers komen zij gemeenschappelijk in onmiddellijke verbinding met God. In de eredienst, doordat zij Hem dank brengen voor wat Hij gedaan heeft. In de bidstond, doordat zij Hem alles vragen wat zij nodig hebben. In de dienst van het Woord, doordat Hij tot hen komt om hen te onderwijzen. En in al deze samenkomsten wil Hij in hun midden zijn (1 Kor. 14:25 en Matth. 18:20). In de Bijbel zien we dan ook dat de aanwijzingen over de samenkomsten een eerste plaats innemen, zowel in het Oude als het Nieuwe Testament. Hoeveel wordt er bijvoorbeeld in Exodus en Leviticus niet over de tent der samenkomst (de tabernakel) en de dienst daarin gesproken. En in het Nieuwe Testament vinden we na de brief aan de Romeinen, die de leer van het heil uiteenzet, allereerst de brieven aan de Korinthiërs, die de Goddelijke grondbeginselen van het samenkomen van de gelovigen aangeven. Het is dan ook wel vreemd, dat er nergens zoveel verschil van mening over bestaat als juist over dit punt. De één meent, alleen samen te moeten komen met hen die over een onderdeel van de waarheid, of enkele onderdelen, precies zo denken als hij. Een tweede, met hen die samen een landskerk vormen. Een derde, dat hij moet blijven waar hij bekeerd is; terwijl een vierde meent daarheen te moeten gaan waar hij naar zijn gedachten het meest gezegend wordt. Is dan het Woord van God zo onduidelijk op dit punt? Of geeft zij geen bepaalde aanwijzingen? Laten we dit onderzoeken en daarbij bedenken, dat ‘gehoorzamen beter is dan slachtoffer’ (1 Sam. 15:22).

De Israëlieten in de woestijn

Allereerst een opmerking over de waarde die de aanwijzingen uit het Oude Testament voor ons hebben. In 2 Tim. 3:16 staat dat alle Schrift van God ingegeven en nuttig is tot lering, weerlegging, verbetering en onderwijzing in de gerechtigheid. In 1 Kor. 10:11 wordt ons gezegd dat alle gebeurtenissen, die Israël in de woestijn meemaakte, hun overkomen zijn als voorbeelden en waarschuwingen voor ons. In Hebr. 9:23 wordt ons tenslotte meegedeeld dat de stoffelijke dingen in het Oude Testament een voorstelling zijn van de hemelse, geestelijke dingen die het Nieuwe Testament bespreekt. Het Oude Testament geeft ons dus Gods gedachten over hemelse dingen, in stoffelijke vormen uitgedrukt. Zo zijn de offers in het Oude Testament voorbeelden van de Persoon en het Werk van de Heer Jezus. De tabernakel en de tempel, het huis van God op aarde, zijn voor het natuurlijk oog zichtbare voorstellingen van het geestelijke huis van God, waarover het Nieuwe Testament spreekt (1 Petr. 2:5; Ef. 2:20-22 en 1 Kor. 3:16). Zo laat de apostel Paulus ons ook in 1 Kor. 9:9 zien dat zelfs de eenvoudigste stoffelijke voorschriften een geestelijke betekenis hebben.

Laten we in dit licht het Oude Testament bezien. In Genesis vinden we niet dat er gesproken wordt over een samenkomen van gelovigen. We zien daar telkens maar een enkel persoon die persoonlijk God dient, omringd door mensen die goddeloos zijn. Maar het is opmerkelijk dat God, zodra Hij begint een volk voor Zich af te zonderen, aanduidingen geeft dat Hij in het midden van dat volk wil wonen en Zijn volk daar tot Hem kan komen. Direct als Abram in Kanaän komt, roept Hij in Bethel (Huis van God) de naam van de Heere aan. Gods Woord gebruikt hier de naam Beth-El, hoewel de plaats toen nog Luz heette en 162 jaar later pas door Jakob Beth-El genoemd werd. Het vertrekken uit Beth-El brengt honger en moeilijkheden, die pas verdwijnen als Abram terugkeert tot Beth-El en het altaar dat daar was. In hoofdstuk 28 verschijnt God op dezelfde plaats aan Jakob, als deze op weg is naar Haran. Daar zullen zijn zonen geboren worden en zal dus het begin van het volk gezien worden, en God belooft hem in Beth-El dat het een groot volk zal zijn. En in hf. 35 zien we dat God Jakob daar weer heen brengt, en Zich aan hem openbaart. Dit zijn echter maar aanduidingen. De eigenlijke betekenis van het onderwerp vinden we pas vanaf Exodus 19. Wel spreekt Mozes tegen Farao over het gezamenlijk offeren van het volk. Maar dat kan niet in Egypte gebeuren. Eerst moet het paaslam geslacht (hf. 12), het volk uit Egypte verlost, en iedere verbinding daarmee verbroken zijn (hf. 14). Maar als God het dan uitgesproken heeft dat Israël Zijn volk is, dan kan Hij in het midden van Zijn volk wonen en daar een plaats hebben, waar het volk met Hem samenkomt (25:8). En van hf. 25-40 vinden we bijna alleen maar aanwijzingen over de tabernakel en de dienst daarin. De tabernakel wordt genoemd:

  1. Tabernakel (25:9)
  2. Tent der samenkomst (29:42)
  3. Tent der getuigenis (Num. 17:7).

Deze namen geven de betekenis duidelijk aan. Het was het huis van God (tabernakel betekent: woning of tent, zie 25:8-9); de plaats waar God woonde in het midden van Zijn volk. Maar in die woning kwam ook het volk samen met God. En tevens vormde dit het getuigenis van God op aarde. Hier werd God gezien in Zijn heiligheid, maar ook in Zijn liefde en genade.

Naar deze plaats moesten alle mannen drie keer per jaar komen, en daar moesten de eerstelingen worden gebracht (34:23,26). Daar werden de offers gebracht (Lev. 1-7), en daar werden de priesters gewijd (Lev. 8-9). Ja, zelfs alle dieren die geslacht werden om te eten, moesten eerst daarheen gebracht worden (17:4). Zou er enige twijfel zijn geweest over de plaats van samenkomen voor een Israëliet die het Woord van God kende? Wat een vreugde zal het voor God zijn geweest, een volk te hebben dat Zijn aanwijzingen gehoord had en daarom met een bewogen hart en een vrijwillige geest kwam om daaraan gevolg te geven (Ex. 35)! God eiste niet, maar vroeg een vrijwillig offer. En wat een heerlijk antwoord gaf het volk! Niemand onttrok zich! Allen kwamen met een vrijwillig hart om het beste wat ze hadden aan God te geven. Vrouwen gaven hun sieraden en spiegels (38:8); mannen hun kostelijke stoffen, goud en zilver. Geen zelfzucht, geen vrees voor oneer bij mensen, geen verlangen naar goede verdiensten kon hen één ogenblik afhouden van het handelen naar Gods gedachten. Niet iedereen kon evenveel geven. Sommige vrouwen, die een wijs hart hadden, konden meer doen dan anderen. Maar allen kwamen met vrijwillige harten datgene brengen wat ze hadden! Doet ons dat niet denken aan de eerste tijd van de Gemeente, zoals die ons in Hand. 2:42-47 beschreven wordt? En wat voor antwoord gaf Gods goedheid op deze gezindheid? Zodra de tabernakel helemaal naar Gods gedachten was opgericht, kwam God op een voor iedereen zichtbare wijze in het midden van Zijn volk om daar te wonen (Ex. 40). En uit Zijn woning sprak Hij tot hen en deelde hen al Zijn heerlijke gedachten mee.

Hij leerde hoe ze tot Hem konden komen om gemeenschap met Hem te hebben in het eten van hetzelfde offer (Lev. 3:11; 7:19). Hoe de zonen van Aäron de wacht van de Heere mochten waarnemen aan de deur van de Tent der samenkomst (8:35) en helpen aan het verzoeningswerk (9:9). Hoe ieder zich rein kon bewaren (hf. 11), en hoe iemand die onrein was geworden weer gereinigd kon worden (hf. 12-15). Hij leerde hen feestvieren (hf. 23) en gaf inzettingen, waardoor niemand blijvend zijn erfdeel kon verliezen (hf. 25). Hij gaf in het volk ieder zijn plaats en dienst, zodat het een geordend geheel werd waarin alles geregeld toeging (Num. 1-4). En wat een heerlijke dingen openbaarde Hij hen niet nog meer gedurende de zeven weken tussen Ex. 40:1 en Num. 10:11. Helaas is het volk niet lang in deze goede toestand gebleven. God klaagt in Amos 5:25-26 dat ze Hem in de woestijn niet geofferd hebben, maar de tent van Moloch meevoerden! Ze vergaten de éne plaats van samenkomst en kwamen op andere plaatsen waar God niet was.

De Israëlieten in het land Kanaän

In Deuteronomium vinden we nieuwe aanwijzingen. Het volk is, aan het eind van de veertigjarige tocht door de woestijn, bij de Jordaan aangekomen om het beloofde land in te trekken. God geeft dan aanwijzingen hoe ze zich in het land hebben te gedragen.

De indeling van het boek Deuteronomium is voor iedere lezer duidelijk. De eerste elf hoofdstukken geven een terugblik op de geschiedenis van het volk en Gods wegen van genade met hen. Met hoofdstuk 12 beginnen ‘de inzettingen en de rechten’ die ze in het land moesten waarnemen, terwijl hoofdstuk 30 enz. het slot vormt, waarbij het volk profetisch gezien wordt als weer uit het land verdreven ten gevolge van hun ongehoorzaamheid.

Zoals gezegd wordt in de eerste elf hoofdstukken een terugblik gegeven op de woestijnreis. Maar het is niet slechts een herhaling van wat we in de boeken Exodus en Numeri daarover vinden. Vóór alles wordt voorgesteld dat Gods liefde en trouw hen bewaard heeft en dat alle moeilijkheden, ja de hele reis van 39 jaar door ‘die grote en vreselijke woestijn’ alleen te wijten is aan hun ongehoorzaamheid. Als ze gehoorzaam waren geweest aan het gebod van God, dan waren ze na elf dagreizen door de woestijn in het land gekomen (1:2). Dit gedeelte eindigt met hoofdstuk 11, waarin er nog eens grote nadruk op wordt gelegd dat alleen volstrekte afhankelijkheid en gehoorzaamheid aan Gods Woord hen kan bewaren in de zegeningen van het erfdeel dat God hun zou geven. Nadat zo hun harten bereidwillig zijn geworden om te luisteren, stelt God hen in de hoofdstukken 12 t/m 29 Zijn inzettingen en rechten voor. En zoals altijd is ook hier het eerste punt: het samenkomen van het volk om God te dienen. Het volk zou in een land komen waar alles sprak van afgodendienst, d.i. dienst aan boze geesten of demonen (zie 1 Kor. 10:20). Het menselijk hart nu is snel geneigd zich aan te passen aan zijn omgeving. We zien dat in de latere geschiedenis van het volk en helaas ook zo duidelijk in de geschiedenis van het Christendom. Daarom stelt God hun direct de onverenigbaarheid voor van de dienst van God met de afgodendienst, zowel wat betreft het voorwerp van de dienst als de wijze waarop de dienst wordt uitgeoefend.

Er zijn vele boze geesten (demonen) en daarom aanbidden de heidenen vele afgoden op véél plaatsen: op de hoge bergen, op de heuvels en onder elke groene boom! De hoofdgedachte van het Oude Testament is echter: ‘de Heere (Jahweh) onze God is een enig Heere (Jahweh)’ (Deut. 6:4). Zij kenden Hem als de Schepper – god, de Almachtige en Jehova (of Jahweh). Daarom kan er maar één plaats van aanbidding en één wijze van aanbidding zijn. Er kan geen overeenstemming zijn met de afgodendienst. Daarop wordt zo scherp de nadruk gelegd in hoofdstuk 12:2-7, ja in het hele hoofdstuk 12 en op veel meer plaatsen in de volgende hoofdstukken. De enige God, de Schepper van hemel en aarde, de Almachtige, Jehova (Jahweh) de verbondsgod van Israël, eist voor Zich het recht op om te bepalen waar en op welke wijze Zijn volk, dat in Zijn land woont, tot Hem kan naderen. Daarom vinden we dat er in dit hoofdstuk zes keer, in hf.14 drie keer, in hf. 15 één keer, in hf. 16 weer zes keer en in hf. 17 twee keer, gesproken wordt over de plaats die ‘Jehova (Jahweh) Uw God verkiezen zal’ en verder nog ieder één keer in de hoofdstukken 18,26 en 31; alles bij elkaar 21 maal. Geeft dat geen overweldigende indruk van Gods soevereiniteit, maar ook van de waarde die Hij hecht aan de plaats waar Zijn volk samenkomt?

God wil dat Zijn volk praktisch één is, zoals Hij het altijd als één volk ziet in de twaalf toonbroden van het heiligdom (Lev. 24:5) en in de twee sardonixstenen aan de schouderbanden en de twaalf stenen in de borstlap van de hogepriesterlijke kleding (Ex. 28).

Deze praktische eenheid wordt gevormd door het hebben van één gemeenschappelijk doel, één gemeenschappelijk voorwerp van eredienst, gemeenschappelijke gedachten. Zie 1 Kor. 1:10. De naam van onze God heeft een wonderbaar verenigende kracht. De satan weet dit en hij is nergens zo bang voor als voor deze kracht. Daarom probeert hij telkens die eenheid te verbreken. Vele gelovigen zien dat niet. De goddeloze Jerobeam zag het echter heel goed. Hij wist dat de gemeenschappelijke eredienst verbonden met de ‘Naam van de Heere’ onherroepelijk de scheuring teniet zou doen. Daarom voerde hij een eredienst in, gescheiden van de plaats die de Heere verkoren had om Zijn Naam daar te doen wonen (1 Kon. 12).

In Deut. 12 is alles erop gericht die praktische eenheid van het volk te versterken en te doen uitkomen. God kende de rijkdom van het erfdeel dat Hij Zijn volk zou geven. Hij verwachtte en verlangde dat het volk met een dankbaar hart iets van die rijkdom aan de Gever zou terugbrengen. Daarom vinden we hier zoveel vrijwillige offers genoemd. Alleen de tienden en eerstgeborenen zijn verplichte offers. God wil dat alles wat door vrijwillige, dankbare, gehoorzame harten aan Hem wordt toegewijd, gebracht wordt naar de plaats waar Hij Zelf is. Hij wil het als het ware persoonlijk uit hun hand aannemen en gemeenschappelijk met hen gebruiken. Een deel van de offers wordt door Hem aangenomen als Zijn ‘spijze’ of ‘brood’, zoals het ook vertaald kan worden (Lev. 3:11,16) en de rest wordt gegeten door Zijn volk, met hun zonen, dochters, knechten, en de Levieten, met een vrolijk hart voor Zijn aangezicht (vers 7,12,18). Was er voor een aards volk een heerlijker dienst denkbaar dan zoals die hier wordt voorgesteld? Maar dit gold alleen voor harten waarin liefde tot God woonde en die daarom prijs stelden op gemeenschap met

God. De oudste zoon in Lukas 15:29 hechtte geen waarde aan vreugde in gemeenschap met de vader. Hij wilde vrolijk zijn met zijn vrienden, zonder de tegenwoordigheid van de vader. Dat was praktisch afgodendienst. Wat een tegenstelling met Jes. 26:8 waar gezegd wordt: ‘tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte van onze ziel’ en met Deut. 18:6 waar geproken wordt over een Leviet die ‘komt naar alle begeerte van zijn ziel tot de plaats die de Heere zal hebben verkoren’. Uit de volgende hoofdstukken van Deuteronomium – dus na hf. 12 – blijkt welk een belangrijke plaats de door God gekozen plaats in het leven van het volk inneemt. Dat kan ook niet anders. Het leven van het volk van God zal beheerst moeten worden door het feit dat God in hun midden woont. In hoofdstuk 14 en 15 worden daar de tienden en eerstelingen gegeten. In hf. 16 wordt daar het Pascha geslacht en het feest der weken evenals het loofhuttenfeest gevierd.

In hf. 17 wordt daar de beslissing van alle moeilijke strijdvragen gevonden. In hf. 18 vindt de dienst van de Leviet daar plaats. In hf. 26 wordt daar de korf met eerstelingen van de vrucht van het land aan God gebracht. In hf. 31:11 tenslotte wordt bevolen daar elk jubeljaar de wet uit te roepen voor de oren van geheel Israël.

Uit 1 Kon. 11:36 weten we dat de in Deuteronomium genoemde plaats Jeruzalem was. Psalm 78:68 zegt ons dat God de berg Sion, die Hij liefhad, verkoos om daar Zijn heiligdom te stellen. En dat God die plaats openbaarde in verbinding met Zijn knecht David. Een type van de Zoon van David, Die in Matth. 18 spreekt over de met Zijn Naam verbonden plaats waar Hij in het midden van de Zijnen wil zijn.

Psalm 132:6 laat ons zien dat David in zijn jeugd al gezocht heeft naar de plaats waar God wilde wonen. Hij vond hem eerst daar waar Kaleb zijn erfdeel vond en waar de kinderen van Korach gebaande wegen vonden in de woestijn (Ps. 84:6): in zijn eigen hart. En als we hem daar niet eerst vinden, d.w.z. wanneer we niet in geloof en volstrekte afhankelijkheid de woorden van God over die plaats aannemen en ons hart daardoor die plaats kent, vinden we hem nooit. Maar David leerde pas door een verootmoedigende ondervinding de berg Sion kennen als de door God verkoren plaats.

In 1 Kron. 21 en 22 vinden we eerst Gods oordeel over zijn hoogmoed en dat pas nadat hij de volle prijs betaald had, God hem de plaats van het Huis van de Heere openbaarde. Het kost altijd een offer om af te zien van alle natuurlijke dingen en alleen te handelen naar Gods gedachten.

Helaas heeft Israël ook deze inzettingen van de Heere niet gehoorzaamd. Toen de ooggetuigen van Gods grote daden gestorven waren, week het volk al af en diende de afgoden (Richt. 2:7-13). In Hosea 4:13 klaagt God dat het volk offerde op de hoogten van de bergen en rookte op de heuvels onder een eik, populier en iepenboom; juist dat wat God in Deut. 12 zo uitdrukkelijk verboden had. Zelfs een Godvrezend man als Salomo rookte op de hoogten, tot God hem bijzondere wijsheid gaf (1 Kon. 3). En over bijna alle koningen, hoe Godvrezend ze verder ook waren, moest God dezelfde klacht uiten. Zoals altijd heeft ook hier de mens alles verdorven wat God hem had toevertrouwd.

Na de Babylonische gevangenschap

In de boeken Ezra en Nehemia vinden we weer een nieuw tijdperk in de geschiedenis van Israël. Als gevolg van de ontrouw van het volk, waarvan het verschrikkelijke wel blijkt uit het beeld dat Ezechiël 8 ons ervan geeft, heeft de heerlijkheid van de God van Israël Jeruzalem verlaten. Jeruzalem was ‘ de plaats die de Heere verkoren had om Zijn Naam daar te doen wonen’. In haar was ‘de troon van de Heere’ (1 Kron. 29:23). Nu wordt ze echter door God een overspelige vrouw en een hoer genoemd (Ezech. 16:32,35). De tien stammen waren door Salmaneser in ballingschap naar Assyrië gevoerd en 134 jaar later werd het koninkrijk Juda door Nebukadnezar vernietigd, terwijl de inwoners van Juda in ballingschap gevoerd werden, grotendeels naar Babel. God dacht echter in genade aan het getrouwe overblijfsel en bewoog het hart van Kores, de koning van Perzië, om het volk van Juda, na een zeventigjarige ballingschap, toestemming te geven om terug te keren naar Jeruzalem, zoals Jesaja dat 150 tot 200 jaar vroeger geprofeteerd had (Jes. 45). Echter maar een klein gedeelte van Juda en Benjamin maakte gebruik van deze gelegenheid. Volgens Ezra 2:64 waren het er ruim twee en veertig duizend die met Zerubbabel terugkeerden. Als we eraan denken dat er tijden waren dat Juda en Israël samen een leger hadden van 1.200.000 man (2 Kron. 13:3), dan zien we hoe klein het teruggekeerde deel was. De meesten hadden geen verlangen meer naar het door God gegeven land en naar Jeruzalem, waar de tempel gestaan had. Anderen zoals Daniël werden door hun positie en/of leeftijd verhinderd mee te gaan.

Maar God was met dit kleine overblijfsel. Hij bemoedigde en versterkte hen. Hij beschermde hen voor de vijanden en liet Zijn hulp en Zijn goedkeuring blijken. Niet dat God hen in dezelfde positie liet terugkeren die Israël vroeger ingenomen had. God ziet nooit ontrouw voorbij en geeft nooit herstel in de toestand die de mens door zijn zonde en ontrouw verloren heeft. God heeft Adam niet hersteld in de hof van Eden. En zelfs de Christen aan wie de waarde van het werk van Christus toegerekend wordt – een werk waardoor God oneindig meer verheerlijkt is dan Adam en al zijn nakomelingen God onteerd hebben – zelfs die Christen wordt niet weer in de hof van Eden geplaatst, hoewel zijn plaats oneindig heerlijker en oneindig hoger is.

Het overblijfsel moet de zichtbare tegenwoordigheid van de Heere missen. De troon van de Heere is niet meer te Jeruzalem. En Zerubbabel, de vorst uit het koninklijk geslacht van David, bestijgt niet de troon van David, maar is alleen landvoogd van de machtige Perzische wereldbeheerser. God heeft Zijn heerlijkheid uit Jeruzalem teruggetrokken en de directe heerschappij over de aarde aan de volken gegeven (zie Jozua 3:11; 1 Kron. 29:23; Dan. 2:38; Jes. 45:1). God erkent de heersersrechten van het heidense wereldrijk. De tijdopgaven in de profetieën van Haggaï en Zacharia zijn naar de regeringsjaren van de heidense koningen. En God werkt ten gunste van het volk, niet door hun overheersers te vernietigen, maar door in het hart van deze koningen een goede gezindheid tegenover de Joden te bewerken.

Had het overblijfsel gesproken zoals zovelen nu doen, dan was het zeker niet naar Judea teruggekeerd. Meer dan duizend jaren waren er voorbijgegaan sinds Mozes de ‘inzettingen en rechten’ bekend maakte, waarbij God één plaats van eredienst voor alle twaalf stammen voorschreef, en waarbij de priesterlijke handelingen nauwkeurig waren aangegeven. En het was 500 jaar geleden dat Salomo zijn heerlijke tempel bouwde en alles inrichtte naar Gods gedachten, zoals David die ontvangen had. Nooit had het ongeloof meer reden om de ongehoorzaamheid aan Gods Woord goed te praten. Moest er nu na duizend jaar, nu de omstandigheden zo geheel anders waren, toch nog gehandeld worden naar wat God in de boeken van Mozes voorgeschreven had?

God Zelf had immers Jeruzalem verlaten en toegelaten dat de tempel en de stad verbrand werden! Hij had de Joden gezegend die in Babel en andere streken woonden. Denken we maar aan Daniël en zijn vrienden, aan Esther en Mordechai. Was dat niet een bewijs dat zij die in Babel bleven, op de juiste weg waren? En nu zouden ze teruggaan naar het woeste Palestina dat grotendeels door vijanden bewoond werd? Naar Jeruzalem waar geen huis meer stond om in te wonen, waar geen altaar meer was om te offeren, waar geen tempel meer stond om te dienen, waar geen muur meer was als bescherming tegen de vijanden en om het kwaad buiten te sluiten. Het was immers onmogelijk om de oude toestand te herstellen. Moest er dan geen rekening worden gehouden met de lessen van de geschiedenis? In feite hadden toch al eeuwen lang alleen de twee stammen in Jeruzalem God gediend! En de laatste zeventig jaar was alles anders geworden en was er onder het bestuur van God een totaal gewijzigde toestand ontstaan. En nu gingen alleen enkelen uit Juda en Benjamin met enkele priesters en Levieten terug. Zou dat kleine groepje het alleen weten? Zouden dan die meer dan negentig procent die niet terugkeerden, waaronder mannen als Daniël, het allemaal verkeerd zien?

Ongetwijfeld hebben velen zo geredeneerd. Anders is het niet te verklaren dat er maar twee en veertig duizend mannen, dat is waarschijnlijk nog geen vijf procent van het totaal, terugkeerden.

Maar het geloof laat zich niet leiden door redeneringen, hoe verstandig en juist die ook lijken. Het ziet niet op de omstandigheden. Het beoordeelt de juistheid van de ingeslagen weg niet naar de uiterlijk zichtbare gevolgen. Het rekent niet met het aantal mensen dat het met haar eens is. Het laat de voorschriften van God niet beoordelen door de geschiedenis, maar beoordeelt de geschiedenis naar het gehoorzamen aan Gods inzettingen. Het vraagt alleen wat Gods Woord zegt en handelt daarnaar, zonder met andere dingen rekening te houden. Gods Woord had gezegd dat Palestina het beloofde land was; dat Jeruzalem de plaats was die ‘Hij verkoren had om Zijn Naam daar te doen wonen’ en dat daar Zijn huis was waar Zijn volk tot Hem kon naderen. En dus ging het gelovig overblijfsel, zodra het de boodschap van God hoorde, naar Jeruzalem. Zeker waren er onderweg grote gevaren. De vijandschap van de volken die rondom Jeruzalem woonden was groot genoeg. Maar zij hielden daar geen rekening mee. Ze worden zelfs niet genoemd. En wat een ijver ontwikkelden ze toen ze aangekomen waren!

Allereerst werd nagegaan of allen wel hun afkomst als Israëliet en eventueel als priester konden bewijzen. In de tijd toen alles nog normaal functioneerde was dat niet nodig geweest. Toen was het bekend wie Israëliet respectievelijk priester en wie vreemdeling was. Toen hoefde er geen onderzoek te worden ingesteld naar hun afkomst. Maar in tijden van verwarring en verval is dat wel nodig. In Babel had gemakkelijk een vreemdeling in kunnen sluipen. En door hun verstrooiing onder de volken en helaas dikwijls hun vermenging daarmee en doordat er vreemden in het land woonden, was het mogelijk dat een vreemdeling zich als Israëliet uitgaf of dat een priester niet van zuivere afstamming was. De belijdenis van de betreffende persoon was niet voldoende. In tijden van verval moet het bewijs geleverd worden door degene die aanspraak maakt op de titel. Niet dat Zerubbabel hun bewering ontkende. 

Dat liet hij aan God over. ‘De Heer kent die de Zijnen zijn’ (2 Tim. 2:19). Maar hij kon alleen beslissen op grond van duidelijke bewijzen. Als er later een hogepriester met Urim (=lichten) en Tummim (=volmaaktheden) zou zijn, dan zouden hun aanspraken definitief beslist worden naar de kennis van de Alwetende God (Ezra 2:63). Maar toen vast stond wie tot het volk van God behoorde en wie priesterdienst mocht uitoefenen, was het allereerste, samen te komen om eredienst te plegen. Er was geen twijfel waar ze moesten samenkomen: ze verzamelden zich als één man te Jeruzalem (Ezra 3:1). Er was geen verschil van mening over wat ze moesten doen. Zeker, het onderwijs uit het Woord van God is van onschatbare waarde en in Nehemia 8-13 zien we welk een grote plaats dit bij het overblijfsel innam. Maar het allereerste wat een verlost volk, wat een door God hersteld volk doet, is: God offeren, God prijzen; eredienst plegen.

Het volk twijfelde niet aan de plaats waar deze eredienst moest gebeuren. Er was maar één plaats die ‘de Heere verkoren had om Zijn Naam daar te doen wonen’, dat was Jeruzalem. Er was maar één altaar waarop God naar Zijn wil geofferd kon worden: het altaar op de dorsvloer van Arauna, in de voorhof van het Huis van God, de tempel. Deze tempel en toebehoren was er niet meer, maar de ruïnes waren er nog. Het altaar was er niet meer, maar de plaats waar het altaar gestaan had, was er. Ze bouwden het altaar weer op en vestigden het op zijn stelling. En dit altaar op de oude stelling, op de oude plaats, wordt door Maleachi ‘het altaar van de Heere’ en ‘des Heren tafel’ genoemd.

Daar bij het altaar van de Heere, in de voorhof van de ruïne van de tempel, offerden ze brandoffers ‘gelijk geschreven is in de wet van Mozes, de man Gods’. Daar hielden ze het feest van de loofhutten ‘gelijk geschreven is’ en brachten de voor dit feest voorgeschreven offers ‘naar het recht’. Zou er iets zijn dat het hart meer gewillig maakt om alleen naar het Woord te handelen dan de eredienst op de plaats waar de Naam des Heren woont, in Zijn Huis? Zodra ze in dit alles gehoorzaam geweest zijn, geeft God hun meer licht en grotere bereidwilligheid. Ze kunnen de ruïnes van de tempel niet meer zien, zonder dat er in hun harten de behoefte ontstaat om de tempel te herbouwen. Ondanks dat is de tempel niet meer in de oude heerlijkheid te herstellen. Zij die het eerste huis gezien hadden, weenden toen ze de grondslagen opnieuw gelegd zagen.

Zouden ze vergeten zijn dat de ark van het verbond met de tafelen van de wet en de kruik met manna niet meer aanwezig waren? Dat dus ook het verzoendeksel er niet meer was, waarop de hogepriester ieder jaar op de grote verzoendag het bloed moest sprengen? Dat dus ook de Cherubim er niet meer waren, tussen welke de heerlijkheid van God woonde? Dat ook de Urim en de Tummim niet meer aanwezig waren? En met hun kleine aantal en hun armoede konden ze de tempel zeker niet herbouwen in de heerlijke pracht waarin Salomo die gebouwd had.

Maar hoe zwak hun pogingen ook waren en hoe armoedig en verschillend van de eerste tempel hun bouwwerk in de ogen van de mensen ook was, in Gods ogen was het heerlijk. Hij zag de gevoelens van hun hart. Hij merkte de gehoorzaamheid aan Zijn Woord in hun harten op en dat was liefelijk voor Hem. Daarom bemoedigt Hij hen door hen erop te wijzen dat het in Zijn ogen dezelfde tempel is als die Salomo bouwde, en dat de laatste heerlijkheid van dit huis groter zal zijn dan de eerste. De tempel van Salomo, van Zerubbabel, van Herodes en die in het duizendjarig rijk (Ezech. 40-43) is in Zijn ogen dezelfde. Er is slechts één huis van God! (Haggaï 2:10, JNDvert.).

Niet dat het overblijfsel in zichzelf beter was dan hun broeders die in Babel achtergebleven waren. Ze behoorden tot hetzelfde volk dat Gods toorn had verdiend. We lezen in Ezra en Nehemia van zoveel zwakheid en zoveel zonde, dat we ons er alleen maar over kunnen verwonderen dat God hen niet vernietigde in Zijn oordeel. God moet door de profeet Haggaï klagen dat zij in gewelfde huizen wonen en niet denken aan de bouw van Gods tempel. In niet minder dan vier hoofdstukken vinden we dat ze in strijd met Gods Woord zich vermengd hadden met vreemde volken (Ezra 9,10; Neh. 9; 13:3,23); ja, dat de hogepriester Eljasib daarin voorgegaan was. We zien dat de edelen de armen verdrukten en zelfs als slaven verkochten. Misschien is in sommige dingen hun praktische openbaring slechter geweest dan van velen in Babel; denken we maar aan Mordechai. Maar toch ziet God alleen hen als de vertegenwoordigers van Zijn volk. Aan hen zendt Hij Zijn profeten en geeft hun Zijn beloften. Hun geschiedenis laat Hij neerschrijven en Hij verwekt koningen om hen te helpen. Over de anderen wordt alleen gesproken, wanneer hun lotgevallen in verband staan met het overblijfsel, zoals in Esther, waar het gaat om het afwenden van de vernietiging van het hele volk, dus ook van het overblijfsel. Bij hen vindt God, ondanks alle zwakheid en gebrek een beginsel van gehoorzaamheid. Zij vroegen, hoewel ze het dikwijls vergaten, naar Gods gedachten, hoe ze moesten handelen en hoe ze God naar Zijn gedachten konden dienen. Dat was het beginsel waarnaar ze handelden. En daardoor kwamen ze op de éne plaats van samenkomst naar Zijn gedachten: op ‘de plaats die Hij verkoren heeft om Zijn Naam aldaar te doen wonen’. Voor alle tijden is het woord van kracht: ‘Gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette der rammen’ (1 Sam. 15:22).

Vergaderd zijn tot de Naam van de Heer Jezus

Zoals iedere aandachtige lezer zal opmerken, wordt de Heer Jezus in het Evangelie naar Mattheus voorgesteld als de Koning Die tot Zijn volk Israël komt om Zijn koninkrijk op te richten. In het geslachtsregister wordt de nadruk gelegd op de afstamming van David de koning en in hf. 2 vinden we de huldiging van de Koning door de wijzen uit het Oosten.

Het koninkrijk wordt hier het koninkrijk der hemelen genoemd, omdat het – hoewel op aarde – door hemelse beginselen bestuurd zou worden.

In hf. 4:17-25 vinden we de machtige prediking van de Heer. Waar grote scharen Hem dan volgen als gevolg van Zijn wonderdaden, geeft de Heer in de bergrede (hf. 5-7) de grondwet, de beginselen van het koninkrijk, of juister gezegd: het karakter van hen die er deel aan zouden hebben. Die beginselen waren echter in strijd met de hoogmoedige gedachten van de Joden. Daarom vinden we in de hf. 8 t/m 12 Zijn verwerping door het volk.

Dan vinden we in hf. 13 het nieuwe karakter van het koninkrijk: een rijk waar de Koning afwezig is, waar onkruid tussen de tarwe wordt gezaaid en het meel geheel doorzuurd wordt door het zuurdeeg (vergelijk 1 Kor. 5:6-8), maar dat niet beperkt is tot de Joden alleen: de akker is de wereld.

In hoofdstuk 16 vinden we het geheel nieuwe dat komen zal: de Gemeente die door Christus gebouwd zal worden. Dit is een belangrijk punt. Petrus beleed de Heer niet alleen als de Zoon van God, maar als de Zoon van de levende God, van Hem in Wie het leven en de levengevende macht is. Christus, Die de dood overwon bij Zijn opstanding, waardoor bewezen is dat Hij Gods Zoon is in kracht (Rom. 1:4), bouwt de Gemeente van de levende God (1 Tim. 3:15) en wel op Zichzelf als de Zoon van de levende God. Hierdoor wordt een geheel nieuwe toestand ingevoerd. Het is niet zo dat Israël voorgoed verworpen is. Hoofdstuk 17 laat zien dat de Zoon des mensen eens Zijn koninkrijk in heerlijkheid zal oprichten. Maar voorlopig heeft de Gemeente de plaats van Israël als het getuigenis van God op aarde ingenomen.

In hoofdstuk 18 vinden we dit nader ontwikkeld. De beslissing over tuchtzaken berust niet meer bij de synagoge (Joh. 9:22,34), maar bij de Gemeente. En het gezag van de Gemeente berust op het feit dat zij vergaderd is tot de Naam van de Heer Jezus en Hijzelf dan in haar midden is (Matth. 18:20). Het is duidelijk dat de Heer hier spreekt over de tijd na Zijn hemelvaart. Toen Hij op aarde was, besliste Hij over alle vragen. We hebben in hf. 16 ook gezien dat de Gemeente nog niet bestond, maar gebouwd zou worden. Zowel 1 Kor. 12:13 als andere Schriftplaatsen leren ons dat de Heer op de Pinksterdag (Hand. 2) begonnen is Zijn Gemeente te bouwen.

Mattheüs 18:20 is de enige plaats in het Nieuwe Testament waar de Heer belooft in het midden van de Zijnen te zijn. Wel heeft Hij herhaaldelijk toegezegd bij iedere gelovige te zijn. Maar dat is iets heel anders. Hij wil hier als één van hen in hun midden zijn, zoals Hij profetisch in Psalm 22:23 heeft gezegd: ‘In het midden van de Gemeente zal Ik U prijzen’. Daarom wordt hier ook als voorwaarde voor Zijn aanwezigheid gesteld, dat zij tot Zijn Naam vergaderd zijn. Hij belooft aan Zijn discipelen die als Gemeente samenkomen, dat Hij in hun midden zal zijn als ze tot Zijn Naam vergaderd zijn.

Waar deze tekst dikwijls verkeerd gebruikt wordt, zal het goed zijn de juistheid van het bovenstaande aan te tonen. We moeten daarbij in het oog houden dat we de betekenis van een tekst alleen kunnen begrijpen als we deze lezen in het verband waarin hij voorkomt. Een uit zijn verband gerukte tekst bewijst niets. Daarmee zou men alles kunnen ‘bewijzen?’ wat men maar wil; en helaas gebeurt dat ook veel.

De Heer geeft in het hele hoofdstuk 18 aanwijzingen hoe we in een geest van ootmoed en genade hebben te handelen. Vanaf vers 15 past Hij dat toe op het geval dat een broeder tegen mij zondigt. Maar wat moet ik doen als mijn optreden in genade geen gunstig gevolg heeft? Er is een instantie waartoe ik me kan wenden. De Gemeente die door de Heer Jezus Zelf op Zichzelf gebouwd wordt, heeft de bevoegdheid om beslissingen te nemen over alle broederkwesties. Als zij op aarde een beslissing neemt, bindt of ontbindt, dan wordt dit door de hemel erkend. Als zij op aarde in afhankelijkheid en in genade handelt, zal de Vader in de hemel haar geven wat ze vraagt. Opdat het voor de discipelen duidelijk zou zijn waarop dit gezag berust, voegt de Heer er aan toe: ‘Want waar twee of drie vergaderd zijn tot Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen’. Als de Gemeente tot de Naam van de Heer Jezus vergaderd is, is Hij in haar midden en zijn haar beslissingen met Zijn gezag bekleed (zie 1 Kor. 5:4-5).

Als dus twee of meer gelovigen die op verschillende plaatsen wonen, afspreken op een bepaald uur voor een bepaalde zaak te bidden, kan Matth. 18:19 daarop niet worden toegepast. Zeker zal God, Die het gebed van iedere gelovige hoort, ook hen horen! Maar dat heeft met dit vers niets te maken. En als twee of meer gelovigen bijeenkomen met een geestelijk doel, al is het eredienst, bediening van het Woord, bidstond, of welk ander karakter de samenkomst ook heeft, dan is dat zonder meer nog niet een vergaderd zijn waar de Heer Jezus in het midden is. Daarvoor is nodig dat de gemeente vergaderd is tot de Naam van de Heer Jezus. Alleen daaraan geeft de Heer de belofte dat Hij in het midden van hen wil zijn.

We vinden dus twee voorwaarden:

  1. Dat de Gemeente samenkomt. In vers 17 staat niet ‘een’ maar ‘de’ Gemeente. Ook hoofdstuk 16 spreekt van de Gemeente. Er is maar één Gemeente, de Gemeente van de levende God (1 Tim. 3:15). De gelovigen die in een bepaalde plaats wonen, zijn de uitdrukking van die ene Gemeente, ja zij zijn voor mij de Gemeente. Daarom schrijft de apostel Paulus aan ‘de Gemeente van de Thessalonikers’, aan ‘de Gemeente van God die te Korinthe is’, enz. De Schrift kent geen twee of meer Gemeenten. Er is maar één lichaam van Christus. Daarom is een absolute voorwaarde voor het aanwezig zijn van de Heer Jezus in het midden van de twee of drie, dat ze op de grondslag van die éne Gemeente samenkomen. Misschien komen niet allen die tot de Gemeente behoren. Sommigen kunnen ziek of zwak zijn of om andere redenen verhinderd zijn om te komen. Velen kunnen wegblijven om zich op een andere grond dan de éne Gemeente te vergaderen: ze vinden die grondslag te ruim en stellen naast het behoren tot die ene Gemeente andere voorwaarden. Maar die twee of drie zijn samen op de plaats waar alle gelovigen behoren te zijn. En al is hun hart bedroefd ‘dat weinigen verschenen’, hun geloofsoog ziet allen bijeen als leden van het éne lichaam van Christus. Ze zijn als de Gemeente vergaderd.
  2. De tweede voorwaarde is dat ze tot de Naam van de Heer Jezus vergaderd zijn. Zijn Naam moet het enige middelpunt zijn, het enige wat hen kenmerkt. Ze zijn tot die Naam vergaderd. Die Naam is de gastheer. Maar dat betekent dat alles door die Naam geregeld wordt. En dat dus niet zij die vergaderd zijn vaststellen hoe het verloop van de samenkomst zal zijn, welke samenkomsten er zullen zijn, hoe de dienst uitgeoefend zal worden, kortom hoe alles wat in verband staat met de samenkomsten geregeld zal worden. De Heer Jezus zal alles regelen en de twee of drie die tot de Naam van de Heer Jezus vergaderd zijn, zullen niets anders doen dan zeggen: ‘Heer wat wilt U dat wij doen zullen?’. Ze zullen Zijn Woord nauwkeurig onderzoeken en zonder eigen gedachten en zonder kritiek Zijn ‘inzettingen en rechten’ (Deut. 12:1) zoeken te verwerkelijken.

Wanneer gelovigen zó bijeen zijn, al zijn het er maar twee of drie, dan zijn ze tot de Naam van de Heer Jezus vergaderd en is Hij in hun midden. Wat een gezegende plaats en wat een voorrecht om zó de gasten van de Heer Jezus te zijn! Maar ook, wat een verantwoordelijkheid voor elke gelovige wat hij doet: Of deze plaats bij de Heer Jezus innemen, of een andere plaats die hij zelf kan uitzoeken, maar waar de Heer Jezus niet in het midden van de Zijnen is. Herinnert Matth. 18:20 ons niet onmiddellijk aan ‘de plaats die de HEERE uw God verkiezen zal om Zijn Naam aldaar te stellen en te doen wonen (Deut. 12:5,11,21)’? Ook hier vinden we als plaats van samenkomst ‘de Naam’. De Zoon van de levende God, Die dode zondaren tot Petrussen (= stenen) maakt en daarmee Zijn Gemeente bouwt (Matth. 16:18; 1 Petr. 2:4, 5) wil dat Zijn Gemeente in (juister ‘tot’) Zijn Naam samenkomt en verbindt Zijn aanwezigheid daaraan. Ook hier hebben wij weer één plaats van samenkomst voor allen die de Heer Jezus toebehoren.

Aanbidden in geest en waarheid

Als we Matth. 18:20 met Deut. 12 vergelijken, dan rijst de vraag of in beide gevallen dezelfde plaats van samenkomst wordt bedoeld. In Deuteronomium wordt een geografisch bepaalde plaats aangewezen, namelijk Jeruzalem, zoals we bij het behandelen van die Schriftgedeelten gezien hebben. Is dat in Matth. 18:20 ook zo? Johannes 4:20-26 geeft het antwoord!

De Samaritaanse vrouw heeft door het Woord waarmee de Heer Jezus haar zedelijke toestand openbaarde, gezien dat Hij een Profeet was. Ze vroeg daarom naar Zijn oordeel over de grote strijdvraag tussen de Joden en de Samaritanen: ‘Is de berg Sion of de berg Gerizim de plaats waar God aangebeden moet worden?’ De Heer beslist deze strijdvraag natuurlijk in de zin van het Woord van God. Jeruzalem is ‘de plaats’. Maar terwijl Hij aanknoopt bij de Oudtestamentische eredienst, laat Hij zien dat door Zijn komst op aarde alles veranderen zal. Nu Israël Hem heeft verworpen en daardoor de directe vervulling van de beloften van aardse zegeningen heeft verloren, breidt de Heer Zijn arbeidsveld uit tot de hele wereld (Matth. 13:38) en vergadert daaruit Zijn Gemeente (Matth. 16:18). En Zijn Gemeente heeft geen aardse zegeningen maar geestelijke; ja ze is zelf een hemels en geestelijk lichaam omdat ze gegrond is op een gestorven maar daarna opgewekte en verheerlijke Christus met Wie zij eengemaakt is, terwijl God de Heilige Geest in haar woont (1 Kor. 3:16).

Haar karakter, zegeningen en toekomst zijn hemels. De eigenlijke zegeningen van de Gemeente liggen niet hier op aarde, maar in de hemel en kunnen daarom slechts op een geestelijke wijze worden genoten. De gelovigen die tot de Gemeente behoren kennen God niet meer alleen als HEERE (Jahweh), maar óók als de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ook hun God en Vader is geworden; ze hebben een geest van zoonschap ontvangen waardoor ze roepen: ‘Abba, Vader’ (Ef. 1:17; 3:14; Joh. 20:17; Rom. 8:15). Daardoor zal ook hun aanbidding een heel ander karakter dragen: Ze zullen de Vader aanbidden in geest en waarheid.

‘In geest’ laat het verschil in karakter zien. Niet meer op een aardse wijze die aangepast is aan de aardse gedachten van een mens op aarde: een geografisch bepaalde plaats; een tempel die gebouwd is van de kostbaarste materialen die op aarde worden gevonden; offers van dat wat de aarde voortbrengt; een dienst waarin de mens het beste en hoogste dat hij bezit kan geven in heerlijke muziek en kostbare kleding. Samengevat: een dienst waarbij de aardse mens tot God nadert alsof ook Zijn gedachten aards zouden zijn. Voortaan zullen de ware aanbidders tot God naderen in het volle bewustzijn van wie God is. God is een Geest en het nieuwe leven dat de ware aanbidder ontvangen heeft bij zijn wedergeboorte (Joh. 3:5-8) is in staat om in overeenstemming daarmee tot God te naderen. Niet meer in uiterlijke dingen, die hoogstens een type zijn van de hemelse dingen (Hebr. 9:23), maar op een geestelijke wijze.

‘In waarheid’ wil zeggen: in overeenstemming met dat wat God van Zichzelf aan hen heeft geopenbaard. Dus niet meer zoals een Israëliet tot de HEERE (Jahweh) zijn Verbondsgod stond: ‘Tot de tastbare berg en het brandende vuur, tot donkerheid, duisternis en onweer, en tot bazuingeschal en tot een geluid van woorden, waarvan zij die ze hoorden, smeekten dat het Woord niet meer tot hen zou worden gericht, enz.’ (Hebr. 12:18-21). Maar zoals een kind tot zijn vader staat. ‘De Vader zoekt ook degenen die Hem zó aanbidden’ (Joh. 4:23; Rom. 8:15; 1 Joh. 3:1).

Deze verandering wordt ook in Hebr. 13:10-16 aangegeven. De hele brief behandelt het verschil en het verband tussen enerzijds de wet met de daaraan verbonden eredienst, en anderzijds de Persoon van de Heer Jezus als de inhoud en het Middelpunt van de Christelijke eredienst. Het resultaat is dat in ieder hoofdstuk van de Hebreeënbrief het oude, dat hoogstens een aards type is van de hemelse Heer en Zijn dienst, verdwijnt en de Heer Jezus alleen overblijft, met als eindconclusie in hoofdstuk 13:8 ‘Jezus Christus is Dezelfde gisteren en heden en tot in eeuwigheid’.

Daaruit wordt in hoofdstuk 13:10 de gevolgtrekking gemaakt: Zij die de tabernakel dienen – een dienst waarbij de toegang tot God niet geopend was (hf. 9:8)- hebben geen recht van het Christelijk altaar te eten. Daar kunnen alleen zij van eten die ‘vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus’ (hf. 10:19). Wie bij de Heer Jezus wil zijn – en de Heilige Geest neemt dat als een vanzelfsprekendheid aan voor iedere gelovige! -moet of in de hemel zijn (hf. 9 :12; 10:19) of buiten de legerplaats gaan, dat is buiten het systeem van aardse eredienst. En hoofdstuk 13:12 laat er geen twijfel over bestaan, dat dit voor de gelovige Joden aan wie de brief was gericht, Jeruzalem was. Die stad was immers onder de oude bedeling ‘de plaats die de HEERE verkoren had om Zijn Naam aldaar te doen wonen’. Nu is echter de Heer Jezus het Middelpunt om Wie al de Zijnen bijeengeschaard horen te zijn, gescheiden van alle dienst die in een Oudtestamentische geest wordt uitgeoefend.

De Heilige Geest zinspeelt in vers 10 op dat deel van de offers dat voor zover het zond – en spijsoffers waren alleen door de priesters mocht worden gegeten, eventueel met hun familie. Maar voor zover het dankoffers waren mocht het gegeten worden door elke Israëliet die rein was (Lev. 6:9 tot 7:38). Een deel van dit dankoffer was voor God bestemd; het wordt ‘de spijs (of het brood) voor de HEERE (Jahweh)’ genoemd (Lev. 3:11,16). Het overige was voor de offeraar en de offerpriester, ja voor elke Israëliet die rein was. Bovendien wordt het altaar waarop het offer gebracht werd ‘de tafel des HEE-REN’ genoemd (Mal. 1:7-14).

Ook het Christelijke altaar wordt de tafel des Heren genoemd (1 Kor. 10:21). Dat is niet willekeurig. Er is geen type in het Oude Testament dat meer overeenkomst heeft met het avondmaal zoals dat in 1 Korinthe 10 voorgesteld wordt, dan het dankoffer en het nauw daarmee verbonden vuloffer (Ex. 29:19-33; Lev. 8:31).

In 1 Korinthe 11 wordt het avondmaal gezien in de eerste betekenis die de Heer ervan openbaarde, namelijk een eenvoudige maaltijd ter gedachtenis aan een gestorven Heiland: ‘doet dit tot Mijn gedachtenis’. Daarom is hier alles persoonlijk en wordt de nadruk gelegd op de persoonlijke toestand en verantwoordelijkheid van ieder afzonderlijk.

In 1 Korinthe 10:16-22 wordt echter een heel andere zijde van het avondmaal voorgesteld. Daar zien we Christus als een gestorven Heiland op het altaar en de offeraar die zich met Hem voedt heeft daarin gemeenschap met al zijn medegelovigen, en ook met God. Het bloed wordt hier – maar ook alleen hier – het eerst genoemd, om te laten zien dat het volbrachte verzoeningswerk de enige grond is waarop deze gemeenschap tot stand kon komen. Maar dan wordt die gemeenschap ook helemaal op de voorgrond geplaatst; al het persoonlijke verdwijnt.

In vers 16 zien we, dat wanneer wij gebruik maken van de avondmaalsbeker, wij gemeenschap hebben met het bloed van Christus. Niet ik alleen heb dat, maar ‘wij’, dat zijn alle gelovigen. Met het brood is dat precies zo. Alle gelovigen die het avondmaal vieren hebben gemeenschap met het bloed en het lichaam van de Heer en omdat ze allen gemeenschap hebben met hetzelfde, is er ook onderling gemeenschap. In vers 17 wordt dit nog eens nadrukkelijk vastgesteld: ‘Want wij, de velen, zijn één brood, één lichaam’.

Als we dus gemeenschappelijk het avondmaal vieren, spreken wij het door die daad openlijk uit, dat we gemeenschap hebben met het bloed en het lichaam van de Heer en dat we met alle gelovigen één brood, één lichaam van Christus vormen.

In de volgende verzen wordt aangetoond dat het mogelijk is om deze heilige zaak in verbinding te brengen met onheilige dingen. Aan de hand van het Joodse en de heidense altaren toont de Apostel aan dat zij die van de offers eten gemeenschap hebben met het altaar, ja met God aan Wie de offers worden gebracht. Hij voegt er tevens de ernstige vermaning aan toe: ‘Gij kunt niet de drinkbeker van de Heer drinken en de drinkbeker van de boze geesten (demonen), gij kunt niet deelhebben aan de tafel van de Heer en aan de tafel van de boze geesten. Willen wij de Heer tot jaloersheid verwekken? Zijn wij sterker dan Hij?’ (vers 21-22). Ernstige woorden, die ons met heilige eerbied moeten vervullen en ons laten zien, hoe belangrijk de heiligheid van de tafel des Heren voor God is.

We hebben in dit gedeelte (1 Kor. 10:16-22) dus gezien, dat het avondmaal gevierd moet worden in het bewustzijn dat we één zijn met alle gelovigen, ja dat wij door deel te nemen aan de beker en het brood, het openlijk uitspreken dat we allen samen het éne lichaam van Christus vormen, en dat het gevierd moet worden aan de tafel des Heren, gescheiden van alles wat daarmee niet in overeenstemming is. De éne Gemeente die samenkomt aan de tafel des Heren.Is dat niet hetzelfde als wat we in Matth. 18:20 gevonden hebben? Ook hier komen de gelovigen samen in verbinding met de eenheid van de Gemeente, aan de tafel des Heren, waar dus de Heer de Gastheer is en bepaalt wie daar mogen aanzitten en hoe de gang van zaken zal zijn en waar Hij Zelf het Middelpunt en het Voorwerp is van hen die vergaderd zijn tot Zijn kostbare Naam. Eén plaats van samenkomst voor de Gemeente, en dat niet alleen voor het vieren van het avondmaal (1 Kor. 10:16-22 en 11:18,20), maar ook als zij vergaderd is voor de dienst van het Woord (hf.14:23) of tot gemeenschappelijk gebed (Hand. 2: 42; 4:24,31; 12:12).

Samenkomen in tijden van verval en afval

De Gemeente, het Huis van God op aarde, dat door de Heer Jezus met levende stenen wordt gebouwd (Matth. 16:18; 1 Petr. 2:4-7), is zonder enig gebrek. Hoe zou uit de handen van de Goddelijke Bouwmeester een onvolmaakt gebouw te voorschijn kunnen komen?

Echter in 1 Kor. 3:9-17, waar óók gesproken wordt van het Huis van God, vinden we niet de Heer Jezus als de Bouwmeester, maar de apostel Paulus (zie vs.l0a). Hij heeft als een wijs bouwmeester het fundament gelegd en het is een goed fundament. Maar anderen zullen na hem bouwen en ze hebben toe te zien hoe ze dit doen. Het is het Huis van God, toevertrouwd aan mensen die rekenschap zullen moeten afleggen van hun werk. Het zal door vuur, wat spreekt van de onderzoekende en toetsende heiligheid van God, worden beproefd. Het resultaat van dit bouwen zien we in de Christenheid: een gebouw dat niet alleen is gebouwd met levende stenen, maar grotendeels uit dood materiaal bestaat. Tevens zien we ‘bouwers’ die het fundament aangetast en verdorven hebben. Zoals altijd, heeft de mens ook hierin gefaald en dat wat God in goede toestand aan hem toevertrouwde, verdorven!

De apostel Paulus waarschuwt daar reeds voor: ‘Maar een ieder ziet toe, hoe hij er op bouwt’ (vs.l0b). Hij heeft als een wijs bouwmeester het goede fundament gelegd: Jezus Christus. Maar nu zullen anderen komen om op dat fundament te bouwen, en dat kan op drieërlei wijze:

  1. Het kan met goed materiaal gebeuren – goud, zilver of kostbare stenen – materialen die de beproeving met vuur kunnen doorstaan. De bouwer die hiermee bouwt zal loon ontvangen.
  2. Het kan helaas ook gebeuren met ondeugdelijk materiaal – hout, hooi, stro – bij de beproeving met vuur zullen ze verbranden en wat gebouwd werd zal vernietigd worden. Het is een nutteloos bouwen geweest en het goede bouwen is erdoor verhinderd. De bouwer zal geen loon ontvangen en zelf ‘zó als door vuur’ behouden worden. Zijn dienst was waardeloos en hij zal met lege handen voor God staan.
  3. Veel erger is echter het derde bouwen. Daarbij wordt het fundament aangetast. Het gebouw wordt in zijn geheel bedreigd en het goede wat reeds gebouwd is wordt verdorven. Een vreselijk oordeel van God zal over deze bouwers komen: ‘Als iemand de tempel van God verderft, God zal hem verderven. Want de tempel van God is heilig en dat zijt gij’ (vs. 17).

In de eerste brief aan Timotheüs zien we het Huis van God nog in haar eerste heerlijkheid, zoals ze door de apostel Paulus en andere trouwe arbeiders was gebouwd. Hoewel het gevaar dreigt en profetisch de afval wordt aangekondigd (1 Tim. 4:1), wordt ze toch nog ‘de pilaar en grondslag van de waarheid’ genoemd en worden er aanwijzingen gegeven hoe men (elke gelovige) zich in haar heeft te gedragen (hf. 3:15).

In de tweede brief aan Timotheüs, de laatste brief die de apostel Paulus geschreven heeft, is de toestand ingrijpend gewijzigd. God heeft toegelaten dat het kwaad toen reeds zo ver ontwikkeld was, dat er aanwijzingen gegeven moesten worden hoe de enkele afzonderlijke gelovige zich in deze omstandigheden heeft te gedragen. De verdervende bouwers van 1 Kor. 3 worden hier al gevonden (2 Tim. 2:16-18). Naamchristenen zijn binnen geslopen (hf. 3:5). Allen in Asia hebben zich van Paulus afgewend (hf. 1:15). Bij zijn eerste verantwoording als gevangene hebben allen hem verlaten (hf. 4:16).

In Hand. 2:42-47 waren allen die geloofden bijeen en volgens hf. 5:13 durfde niemand van de anderen zich bij hen te voegen. Het was van ieder bekend of hij een gelovige was of niet. Ieder die beleed te geloven was werkelijk een Christen. Ten tijde van 2 Timotheüs 2 was dat echter niet meer zo. Hoe moet de gelovige, die temidden van dit verval woont, onderscheiden wie werkelijk de Heer toebehoort?

Het Goddelijk antwoord is: ‘De Heer kent die de Zijnen zijn’ (2 Tim. 2:19a). De mens kent ze niet. Hij is niet in staat bij alle belijders te onderzoeken wie werkelijk wedergeboren is. Maar dat hoeft ook niet. Dat kan hij aan Hem overlaten Die harten en nieren proeft. Wat een geruststellende, vertroostende gedachte! Als ik van hen die zich Christenen noemen niet weet of zij het werkelijk zijn: bij de Heer is er geen onzekerheid; Hij vergeet niemand.

Maar dat wil niet zeggen dat ik nu maar doen moet alsof er niets veranderd is. Het verval is ingetreden en in mijn optreden moet ik daar rekening mee houden. Mag en moet ik enerzijds aan God overlaten te beoordelen wie van alle belijders Hem toebehoren, anderzijds zegt de Heilige

Geest tegen mij: ‘Ieder die de Naam van de Heer noemt, onttrekke zich aan ongerechtigheid’ (vs. 19b).

In de volgende verzen wordt gezegd wat dat betekent. Het in verval verkerende Huis van God op aarde wordt vergeleken met een groot huis, waarin niet alleen gouden en zilveren, maar ook houten en aarden vaten zijn. Sommige vaten zijn tot eer, maar ook sommige tot oneer (vs.20). Uit het huis gaan, kan ik niet. Dan zou ik moeten afvallen van het Christendom en Jood of heiden moeten worden. In het huis moet ik mij reinigen van deze vaten tot oneer, opdat ik een vat tot eer ben, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, geschikt voor alle goed werk (vs.21). Uiterlijke reiniging van alle onreinheid wordt gevolgd door innerlijke reiniging: ‘Ontvlucht de begeerten van de jeugd’, en daarna vereniging met allen ‘die de Heer aanroepen uit een rein hart’ (vs. 22).

We moeten er wel goed op letten dat hier niet staat: Naamchristenen zijn vaten tot oneer en gelovigen zijn vaten tot eer! Zeker, er zijn gouden vaten en aarden vaten, maar als maatstaf voor de beoordeling of ik een vat tot eer ben, wordt alleen gegeven: ‘Als dan iemand zich van dezen reinigt’ (vs. 21a).

In 2 Tim. 2 gaat het niet over de tegenstelling ‘gelovigen -ongelovigen’, maar om de tegenstelling

‘trouwe dienstknechten – ontrouwe dienstknechten’. Zie daartoe vers 2 (trouwe mensen), vers 3 (goed soldaat), vers 4-6, 11-13, 15-18 enz. In het hele hoofdstuk wordt maar twee keer over gelovigen gesproken, tenminste dat aangeduid wordt dat het gelovigen zijn. ( Natuurlijk zijn de apostel Paulus, Timotheüs en zij die de Heer uit een rein hart aanroepen, gelovigen, maar daar wordt hier niet over gesproken). De eerste keer is dat in hf. 2:10, waar over ‘uitverkorenen’ gesproken wordt, en dan gaat het er alleen om dat het werk van de apostel tot hun nut is, ja alsof zij daardoor de behoudenis zullen verkrijgen. Ze worden dus alleen genoemd als reden voor een trouwe dienst. De tweede keer in vers 19: ‘De Heer kent die de Zijnen zijn’, om aan te tonen dat wij het niet weten en dat wij hen die zich Christenen noemen niet hebben te beoordelen of zij werkelijk gelovigen zijn. Wij kunnen ze immers niet allen beoordelen en dat hoeven we ook niet te doen, want voor ons is het criterium of zij zich onttrekken aan alle ongerechtigheid. Dat is voor ons het bewijs dat iemand een gelovige is, want alleen gelovigen kunnen dat.

In de verzen 16-18 wordt dan ook niet gezegd dat Hymenéüs en Filétus of degenen die door hen besmet zijn, ongelovigen zijn, maar dat hun dienst verderfelijk is en het dus ontrouwe knechten zijn, en dat van de anderen het geloof omvergeworpen is, d.w.z. dat ze de Christelijke waarheden losgelaten hebben. Evenmin wordt in de verzen 20-26 over gelovigen of ongelovigen gesproken, maar over trouwe en ontrouwe belijders,- over vaten tot eer en vaten tot oneer.

Het gaat er niet om uit wat voor metaal een vat is, maar of het tot eer is. En een vat dat niet gereinigd is, is niet tot eer. Een gouden of zilveren vat dat bemodderd is, of dat in de mest heeft gelegen, is niet tot uw eer als u het ongereinigd in uw huis zet. Dat is tot oneer van uw huis en u zult het niet in uw woonkamer zetten. Een vat tot eer is dat vat dat gereinigd is. Het gaat er hier niet om wat de Heilige Geest in een verloren zondaar werkt, maar alleen daarom wat de verantwoordelijkheid is van iemand die zich Christen noemt. ‘Als iemand zich van dezen reinigt’ (vs. 21a), die zal een trouw dienstknecht zijn, waardoor de Naam van zijn Meester wordt verheerlijkt; hij is een vat tot eer.

Of bij de vaten die zich niet reinigen gelovigen zijn of niet, is een zaak die mij niet aangaat. Dat beoordeelt de Heer wel: ‘De Heer kent die de Zijnen zijn’ (vs.19). Ons geloof kan ervan overtuigd zijn dat er vele gelovigen onder zijn en daarom de Heer danken dat ze gelovig zijn, en treuren dat ze in verbinding met de vaten tot oneer blijven en daardoor eveneens vaten tot oneer zijn. God zal ze ook tot veel goed werk kunnen gebruiken, maar volgens vers 21 zijn alleen zij die zich gereinigd hebben van de vaten tot oneer tot alle goed werk geschikt.

Het is ook opmerkelijk dat de uiterlijke reiniging eerst genoemd wordt en dan pas de innerlijke. Wij zijn geneigd te zeggen: ‘Als we innerlijk gescheiden van het kwaad zijn, komt de uiterlijke scheiding er niet zo op aan. God stelt de uiterlijke reiniging echter op de eerste plaats. Als we nadenken, wordt ons de juistheid daarvan ook wel duidelijk. Als we niet gehoorzaam zijn door ons uiterlijk te reinigen, hoe zullen we ons dan innerlijk reinigen? En hoe moeilijk is het om in een onreine omgeving innerlijk rein te blijven, laat staan ons daar te reinigen! ‘Ontvlucht de begeerten van de jeugd’ (vs.22a). Het is vreselijk, uiterlijk gereinigd en innerlijk onrein te zijn. Dat is in werkelijkheid onwaarachtigheid!

Na de reiniging krijgen we de positieve zijde: ‘Jaag naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart’ (vs. 22b). Het zijn heerlijke dingen waarnaar we moeten jagen, vruchten van de Heilige Geest.

Maar we hebben dat niet alléén te doen! We moeten het gezamenlijk doen met hen ‘die de Heer aanroepen uit een rein hart’. Wie dat zijn is na het voorgaande wel duidelijk. De vaten tot eer die zich gereinigd hebben van de vaten tot oneer en zich ook innerlijk gereinigd hebben!

Hier worden we opgeroepen om te beoordelen. Hoe zou iemand zonder leven uit God ‘geschikt voor alle goed werk’ kunnen zijn? En evenmin kan een ongelovige uiterlijk en innerlijk gereinigd zijn. We hebben dus te beoordelen of iemand leven uit God heeft of niet.

Dikwijls wordt ontkend dat we dat kunnen zien. Als dat zo was, zou God aan Zijn kinderen iets hebben voorgeschreven dat zij niet kunnen uitvoeren! Durven we dat te zeggen? Maar het is ook niet zo! Het nieuwe leven in ons èn ons door de Heilige Geest verlichte verstand, kunnen zeker onderscheiden waar leven is en waar dood.

Niet alleen door de belijdenis op zich. In tijden van verval is dat geen bewijs. Wie aanspraak maakt op een titel moet dat in tijden van verval bewijzen (Ezra 2:62). ‘Toon mij uw geloof zonder werken en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen’ (Jak. 2:18). Maar door belijdenis gepaard aan een wandel in – en werken van – geloof kan, met een onderzoek door ervaren gelovigen, zeker gezien worden of er leven aanwezig is. En zou het door zwakheid niet gezien worden: ‘De Heer kent die de Zijnen zijn’. We hebben ons dan geen oordeel aan te matigen of de betrokken persoon een kind van God is of niet, maar we kunnen hem niet als een vat tot eer behandelen (Ezra 2:59-63).

Zo afgezonderd van alles wat onrein is en verbonden met hen die de Heer uit een rein hart aanroepen, kunnen we de aanwijzingen van de Heer opvolgen. We zijn tot Hem uitgegaan buiten de legerplaats (Hebr. 13:13). We kunnen teruggaan tot dat wat ‘van het begin af is’ (1 Joh. 1:1; 2:7,24; 2 Joh.:5-6). We kunnen ons door de Heilige Geest laten vergaderen tot de Naam van de Heer Jezus en daardoor Zijn heerlijke aanwezigheid in ons midden genieten, al zijn we maar met twee of drie (Matth. 18:20). We kunnen Zijn dood gedenken totdat Hij komt (1 Kor. 11:26), Zijn Woord bewaren en Zijn Naam niet verloochenen en het woord van Zijn volharding bewaren (Openb. 3:8-11). En Zijn heerlijke belofte luidt: ‘Ik kom spoedig! Houd wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neemt’ (Openb. 3:11). Ook in tijden van verval blijft het waar, dat er slechts één plaats van samenkomst is voor al Gods kinderen: de plaats waar ze samenkomen ‘met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart’ op de grondslag van de éne Gemeente, buiten de legerplaats, aan de Tafel des Heren, waar de Heer Jezus in het midden van de Zijnen is.

H.L. Heijkoop

Dit artikel is ruim veertig jaar geleden verschenen in een zeer eenvoudig uitgevoerde brochure getiteld ‘Hoe en waar moeten gelovigen zich vergaderen?’.