De Muur van afzondering
(Nehemia 3)
Voor veel mensen heeft het woord ‘afzondering’ een slechte klank. Afzondering van het kwaad en van de wereld in al haar verschijningsvormen – dat riekt naar beter-willen-zijn en bekrompenheid, naar vreugdeloosheid en geestelijke armoede. Wie net zoals Abraham (Genesis 14:23) zelfs niet een ‘draad’ of een ‘schoenriem’ van de wereld wil aannemen, geldt als een onbegrijpelijke zonderling, die men uitlacht en waarmee men medelijden heeft of die men zelfs vijandig behandelt. Daarentegen wordt een Christen die zich nestelt in de wereld, zoals eens Lot in Sodom, meer gewaardeerd. Door zo’n Christen voelt iemand die ‘van de wereld’ is, zich niet zo veroordeeld.
Maar wij als kinderen van God weten het: afzondering is voor ons een noodzaak. Een voortdurende en algehele afzondering van het kwaad in leer en wandel is de voorwaarde voor een vertrouwelijke omgang met God en voor alle zegeningen die daaruit voortvloeien. Het Woord van God roept ons op: ‘Gaat weg uit hun midden en scheidt u af, zegt [de] Heer, en raakt niet aan wat onrein is, en Ik zal u aannemen; en Ik zal u tot Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt [de] Heer, [de] Almachtige’ (2 Korinthe 6:17-18). Omdat wij door genade kinderen van God zijn geworden, kunnen wij net zo min gemeenschap met de duisternis en haar werken hebben als de Vader Zelf. En wie mag ons bekrompenheid en onverdraagzaamheid verwijten, wanneer wij onze harten rein willen bewaren ten opzichte van datgene wat in het hart van God geen plaats kan vinden?
Het Woord van God laat ons in treffende beelden zien hoe de afzondering praktisch verwerkelijkt dient te worden. Denk bijvoorbeeld aan Nehemia 3. Daar zien wij Joden die uit de ballingschap zijn teruggekeerd. Zij zijn bezig de oude muur van de afzondering van het heidendom en van de heidense afgodsdienst die hen omringde, te herstellen en weer op te bouwen. Het kan voor ons nuttig zijn hen wat gade te slaan.
Wat ons in het bijzonder opvalt, is het feit dat sommigen ‘tegenover hun huis’ bouwden. Dit laat ons zien dat de afzondering allereerst een heel persoonlijke zaak is. Ik, die persoonlijk tot de gemeenschap van Jezus Christus geroepen ben, moet ervoor zorgdragen dat het kwaad en de wereld noch in mijn hart noch in mijn huis een plaats vinden. En wat dit betreft kan ik nooit beweren dat de muur tegenover mijn huis voor altijd zou zijn opgericht. Zolang ik in deze wereld ben, zijn er altijd weer scheuren en gaten te vinden waardoor de wereld kan binnendringen. Maar wanneer ons hart eenvoudig op de Heer Jezus gericht en met Hem vervuld is, zal het ons niet moeilijk vallen deze invloed te weren. Wij moeten bij alle dingen die ons hart of ons huis willen binnendringen de vraag stellen: ‘Is dit uit de Vader?’ (1 Johannes 2:16). En wanneer dan het antwoord negatief uitvalt, wanneer wij inzien dat het voortkomt uit de begeerte van het vlees of uit de begeerte van de ogen of uit de hoogmoed van het leven, dan keren wij ons daarvan af. En hoe vlugger, hoe beter!
Wat hebben geestelijke geleerdheid of een nog zo ijverige dienst voor nut, wanneer wij in onze afzondering niet trouw zijn? Wanneer dingen die ‘uit de wereld’ zijn in ons hart binnendringen, vormt het belijden van kostbare waarheden slechts een buitenkant. En die buitenkant kan noch voor God, noch voor de mensen onze feitelijke innerlijke toestand verbergen.
Ons hoofdstuk vertelt bijvoorbeeld over de hogepriester Eljasib, die de muur van zijn huisdeur af tot het einde van zijn huis niet zelf verbeterde (vers 21). Hij stond in aanzien en heeft het misschien als een te geringe dienst beschouwd om zich daarmee bezig te houden. Hij voelde zich tot een belangrijker dienst geroepen (vers 1). Hij en zijn broeders, de priesters, bouwden de grote Schaapspoort, en zij heiligden haar zelfs. Maar laten wij wel bedenken dat zijn dienst waardeloos was, want juist zijn poort kon geopend worden door iedere vreemdeling die de stad wilde binnensluipen. Hij had er immers de sloten en grendels niet ingezet! Het was dus een poort zonder sloten. De vijanden van God en het kwaad hadden in zijn hart ingang gevonden, en dat kwam tot uitdrukking in zijn dienst. Het kwam zelfs zover dat hij voor zijn familielid Tobia, één van de vijanden van het volk van God, een grote kamer in het huis van God inrichtte (Nehemia 13:5).
Zowel de meest ervaren Christen als degene die zojuist aan de weg van het geloof is begonnen, moet terdege achtgeven op de afzondering. En wanneer iedereen ‘tegenover zijn huis’ de muur zou herstellen en daar zou bouwen waar de Heer hem heeft geplaatst, zou de bouw van de muur rondom de stad spoedig voltooid worden, beginnend bij de Schaapspoort (vers 1) en eindigend bij de Schaapspoort (vers 32).
De Gemeente van God bestaat uit het geheel van de afzonderlijke gelovigen op aarde, allen die door het bloed van de Heer Jezus gekocht zijn. En in engere zin vormen alle wedergeboren Christenen in een bepaalde plaats de Gemeente van God in die plaats. Zo spreekt de Heilige Geest bijvoorbeeld over de ‘Gemeente van God die in Korinthe is’ (1 Korinthe 1:2). Dat weten wij allen.
Toch kan het goed zijn hier de vraag te stellen: wanneer en waar is het de vijand gelukt een bres in de muur van de afzondering van deze gemeente te slaan? Toen zij in hun zondagse kleding in hun gebouw bijeen waren? Nee, het gebeurde door de week, toen iedereen persoonlijk door de wereld en haar gevaren omringd was. De boze in hun midden was thuis in die verschrikkelijke zonde gevallen (1 Korinthe 5) en velen waren zwak en ziek, omdat de gelovigen in hun privéleven niet trouw waren geweest en met ongeoordeelde harten aan het avondmaal hadden deelgenomen (1 Korinthe 11). Door deze dingen verzwakte de Gemeente te Korinthe. En zulke dingen zijn het ook nu die ons gemeenschappelijk getuigenis verzwakken. Hoe zouden wij de kracht kunnen vinden om de gemeenschappelijke muur in stand te houden, wanneer de afzonderlijke gelovigen hun eigen stuk muur verwaarlozen?
Ik wil een kort antwoord geven op de tegenwerping die ik aan het begin heb genoemd, namelijk dat strikte afzondering van de wereld in al haar vormen zou leiden tot vreugdeloosheid, tot het ontbreken van blijdschap en tot geestelijke armoede. De kinderen Israëls die in Nehemia 3 de muren verbeterden, hadden de herstelde tempel van God in hun midden (Ezra 6:15), waarin God gediend en aangebeden wilde worden zolang het teruggekeerde volk rekening zou houden met Zijn heiligheid en zich ver zou houden van elke vorm van kwaad. Was hun deze bijzondere dienst van God zo’n muur waard? Zeer zeker! Hun handelwijze bevestigt het. Zij bouwden 52 dagen over de muur (Nehemia 6:15) en verwaarloosden hun eigen aardse belangen!
Ook ons antwoord luidt niet anders. Ook wij wensen niets vuriger dan dat de Heer in ons midden door niets bedroefd en de Heilige Geest in Zijn werking door niets gehinderd wordt. Want er is niets dat opweegt tegen het bezitten van Christus! ‘Want in Hem woont de hele volheid van de Godheid lichamelijk’ (Kolosse 2:9). De volkomen blijdschap die wij ervaren in de praktische gemeenschap met de Vader en Zijn Zoon Jezus Christus is nergens anders te vinden (1 Johannes 1:3-4).
Walter Gschwind
Zie ook: We schieten vaak tekort…