8. Zaligheid, zaligheid.


Lied 8
1 Zaligheid, zaligheid,
als wij, Heer, in U verblijd,
vol vertrouwen tot U naad’ren,
en ons in uw naam vergaad’ren,
waar Gij zelf in ’t midden zijt,
waar Gij zelf in ’t midden zijt.

2 O, hoe zoet, o, hoe zoet,
voor ’t gelovig, stil gemoed,
met een rein en vrij geweten
aan uw dis te zijn gezeten,
waar Gij zelf ons noden doet,
waar Gij zelf ons noden doet.

3 Heilgenot, heilgenot,
hier ter eer van U, o God,
van uw liefde en trouwe zeker,
bij ’t gebruik van brood en beker
steeds te roemen in ons lot,
steeds te roemen in ons lot.