25. Dank, o Heer, voor uw genade.


Lied 25
1 Dank, o Heer, voor uw genade,
die zo groot een heil ons bracht.
Waar wij gaan, slaat U ons gade,
draagt en steunt ons uwe macht.
U, die dood was, hebt het leven
zelf hernomen, ons gegeven;
ons, eenmaal met schuld belaan,
maar nu met U opgestaan.

2 Ja, ons deel is ’t eeuwig leven;
thans voor ons geen oordeel meer.
’t Hoofd blijmoedig opgeheven
naar de troon van onze Heer.
Weldra zal Hij aan de zijnen,
zonder zonde, weer verschijnen;
dan is volle zaligheid
ons in ’t Vaderhuis bereid.