189. U o God zag voor de tijden


Lied 189
1 U, o God, zag voor de tijden
reeds uw Zoon als ’t offer aan.
U ging met Hem, toen Hij ’t lijden
aan het kruis moest ondergaan.
Wat was ’t voor uw vaderhart
in dat uur van diepe smart
Hem te moeten overlaten
aan degenen die Hem haatten.

2 Maar hoe leed Hij bovenmate
in het donker van ’t gericht!
Toen werd Hij door U verlaten,
U verborg uw aangezicht.
Hoe Hij riep – U gaf die nacht
Hem geen antwoord op zijn klacht,
want U maakte Hem tot zonde,
opdat wij erbarming vonden.

3 Naar uw wil heeft Hij zijn leven
uitgegoten in de dood:
’t offer dat U eer zou geven
en aan zondaars redding bood.
Hij bracht – vrucht van al zijn smart –
ons als kind’ren aan uw hart.
Wat uw liefde ook kon verlangen,
hebt U door zijn werk ontvangen.

4 Een volkomen welgevallen
vindt U, Vader, in de Zoon.
Hij, de heerlijkste van allen,
zit nu met U op de troon.
En Hij geeft ons in de mond
’t lofgezang dat nooit verstomt.
Door Hem brengen wij U samen
lof en eer, aanbidding! Amen.