134. Hier beneen is t niet te vinden


Lied 134
1 Hier beneen is ’t niet te vinden;
aardse pracht en schoonheid zinkt in ’t niet.
Juicht, gij ’s Vaders welbeminden,
hemelvreugde wacht ons in ’t verschiet.
’s Heren Geest, reeds in ons hart gegeven,
leidt ons veilig, ondanks Satans macht;
zouden wij voor strijd of lijden beven,
nu er zulk een schone prijs ons wacht?

2 Ziet dan opwaarts, vol verlangen
zij ons oog gericht naar ’t vaderland.
Angst noch zorg kan ons bevangen:
’t is Gods liefde, die de vrees verbant.
Mogen Satans pijlen schrik verwekken,
drukt ons ’t vele lijden van deez’ tijd –
vreest niet, broeders, Jezus’ handen strekken
ons tot schild in alle aardse strijd.

3 Laat ons jagen, laat ons streven
naar het eeuwig goed, dat boven is,
waar met Christus nu ons leven
nog in onze God verborgen is.
Ja, weldra – als Christus, ’t eeuwig leven,
wordt geopenbaard te zijner tijd –
worden allen, die Hem zijn gegeven,
met Hem openbaar in heerlijkheid.

4 Voorwaarts, broeders, wat verblijden,
als de bruid daar staat in ’t bruiloftskleed.
Moedig dan door strijd en lijden,
Jezus wacht ons – houden we ons gereed.
“Kom”, zo roepen Geest en bruid te zamen,
ieder, die het hoort, roep’ met ons: “Kom!”
Nimmer dorstten, die tot Jezus kwamen;
al wie dorst heeft, elk die wil, hij kom.

5 Ja, wij ijlen Jezus tegen;
slechts bij Hem is eeuwig ware rust;
steeds verkwikt door hemelzegen,
reizen wij naar gindse hemelkust.
En de goede strijd nu al te zamen
strijdend, roepen wij vol vreugde: “Kom!”
“Ja, Ik kom weldra”, zo spreekt Gij. – “Amen,
wacht niet langer, kom, Heer Jezus, kom”!