127. O daar te zijn waar nimmer tranen vloeien


Lied 127
1 O, daar te zijn,
waar nimmer tranen vloeien,
waar ’t hart geen angst, geen zorgen kent noch pijn,
waar doorn noch distel groeien.
O, daar te zijn! O, daar te zijn!

2 O, daar is ’t schoon,
in ’t Vaderhuis der vromen,
daar is geen kruis, dan is de doornenkroon
van ’t buigend hoofd genomen.
O, daar is ’t schoon! O, daar is ’t schoon!

3 O, daar, daarheen,
waar ziekten zijn noch graven.
Dorst hier het hart naar Gods gerechtigheen,
’t kan daar zich eeuwig laven.
O, daar, daarheen! O, daar, daarheen!

4 O, daar zijt Gij,
de bron en Heer des levens.
Daar ben ik thuis, daar van de zonde vrij,
en eeuwig zalig tevens.
O, daar zijt Gij! O, daar zijt Gij!