‘Zie, Ik kom om Uw wil te doen’
Het is voor onze harten zo kostelijk om op te merken dat de door God in het Oude Testament verordende offers ons allemaal de Heer Jezus en Zijn heerlijke verlossingswerk voor ogen stellen.
We lezen in Hebreeën 10 over ‘slachtoffers en offeranden, brandoffers en zondoffers’ (vers 8). Alle offers waarbij bloed gestort werd, waren slachtoffers. En deze waren weer verdeeld in brandoffers en zondoffers. Bovendien waren er offers in de zin van gaven, dus spijsoffers. Nu zegt de apostel in vers 9 dat het eerste (deze dienst van verschillende offers, die God niet wilde en die Hem niet behagen kon wat het wegdoen van de zonde betreft) door de Heer wordt weggenomen, om het tweede (‘Zie, Ik kom om Uw wil te doen’) te stellen.
Hoe mooi is dit! De offers, telkens gebracht, van zo verschillende aard, konden wel heenwijzen naar de ene offerande van Jezus Christus, maar ze konden geen bevrediging aanbrengen met het oog op de zonde en de schuld. Maar Gods Zoon kwam op aarde; Hem werd een lichaam toebereid; Zijn lichaam werd geofferd tot verheerlijking van God (brandoffer) en tot redding van zondaren (zond- en schuldoffer).
In de eerste zeven hoofdstukken van Leviticus vinden we vier offers, die ons samen het ene offer van Jezus Christus uitbeelden, net zoals de vier Evangeliën ons de ene Verlosser schilderen. Deze offers zijn: het brandoffer, het spijsoffer, het dankoffer en het zond- en schuldoffer.
Het brandoffer is het belangrijkste, omdat dit het offer is tot verheerlijking van God. Het offer moest een mannelijk dier zijn, zonder enig gebrek. De Israëliet die het bracht, legde zijn hand op het dier en maakte zich zo voor God één met de voortreffelijkheid en aangenaamheid in het offer.
Het brandoffer was een vrijwillig offer en het moest geheel geofferd worden, het was geheel voor God. Nadat het geslacht was, werd het dier op het altaar verbrand en zijn bloed rond het altaar gesprengd. Het was een offer tot een liefelijke reuk voor de Heer en voor hem die het bracht, ‘tot een welgevallen voor het aangezicht van de Heer’.
Zo heeft de Heer Jezus Zich vrijwillig God onberispelijk opgeofferd om ons geweten te reinigen van dode werken, opdat wij de levende God zouden dienen. Hij kon zeggen: ‘Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het weer neem’ (Johannes 10:17).
Het spijsoffer was óók een offerande tot een liefelijke reuk, maar geen slachtoffer, want het bestond uit meelbloem, met olie gemengd en overgoten. Ook werd er wierook op gelegd. Van het spijsoffer werd slechts een deel geofferd, een ‘gedachtenisdeel’. Het werd op het brandoffer gerookt, dat wil zeggen door de vlammen verteerd. Het overige was voor de priesters bestemd, zij mochten hiervan eten.
Het spijsoffer toont ons de Heer Jezus in Zijn leven op aarde. Hij was de heilige, God toegewijde Mens. Het meelbloem, vrucht van deze aarde, is een liefelijk beeld van de reine mensheid van de Heer Jezus. De olie is een beeld van de Heilige Geest. Als Mens was de Heer Jezus door de Heilige Geest verwekt en ook gezalfd; als Mens werd Hij door de Heilige Geest geleid in de woestijn, geleid ook tot Zijn werk.
Wat een heerlijk leven was het leven van onze Heer hier op deze aarde, te midden van de zondige mensen! ‘Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden’ (Mattheüs 3:17; Mattheüs 17:5; Markus 1:11; Lukas 3:22; 2 Petrus 1:17).
Het dankoffer was een offer waardoor uitdrukking werd gegeven aan de vrede en de gemeenschap die gevonden werd tussen God en de offeraar. Het dier dat geofferd werd, moest zonder gebrek zijn. Hij die het offer bracht, legde zijn hand op de kop van het dier, om daarmee uit te drukken dat hij gemeenschap had en één was met de voortreffelijkheid van het offer.
Het dier werd geslacht en het bloed, waardoor verzoening plaatsvond, rondom het altaar gesprengd. Het vet, het innerlijk vet, datgene wat dus het meeste waarde heeft, werd dan verbrand op het brandofferaltaar tot een liefelijke reuk voor de Heer. Daarna kreeg de priesterlijke familie haar deel van het offerdier, in het bijzonder de priester die het offerdier van de offeraar in ontvangst nam. Ten slotte mocht ook de offeraar zelf in de voorhof van het vlees eten.
Wat een liefelijk beeld van de gemeenschap die wij door het offer hebben met de Heer Jezus en met de Vader! Christus is alles voor Zijn God; Hij is ook alles voor ons. God rust in Hem, wij ook. God vindt Zijn vreugde in Hem, wij eveneens.
Het vierde offer is het zond- en schuldoffer. Eigenlijk zijn het twee offers. Maar ze vormen samen het ene offer wat betreft het zondeprobleem. De offers die we tot nu toe overdachten, waren vrijwillige offers. Dit offer was echter noodzakelijk, omdat er zonde en schuld aanwezig was.
Als de Israëliet had gezondigd, moest hij een offer brengen. Dat offerdier moest zonder gebrek zijn. Ook nu moest de Israëliet zijn hand op de kop leggen, ditmaal echter om daardoor voor te stellen dat hij zijn zonde en schuld op het vlekkeloze offerdier overdroeg. Daarna werd het dier geslacht. Het ging in plaats van de Israëliet in de dood, het loon van de zonde (Romeinen 6:23). Het bloed werd aan de voet van het koperen altaar uitgegoten en het vet op het altaar verbrand. Zo deed de priester verzoening voor de offeraar vanwege zijn zonde en werd zijn schuld hem vergeven.
De geldigheid van dit offer was maar tijdelijk. Het offer wees op het offer van Jezus Christus, waardoor degenen die erdoor geheiligd worden, voor altijd en volkomen behouden zijn.
Geloofd zij God voor dit ene, volkomen Offer, waarvan de vier genoemde offers spreken! Geloofd zij Jezus Christus, Die Zichzelf vrijwillig overgaf met de woorden: ‘Zie, Ik kom om Uw wil te doen, o God’.
Schrijver onbekend.