Zendingswerk alleen dichtbij?

Vraag: Ik ben als zendeling in een derde-wereld-land actief en ik heb je artikel over het thema zendingswerk recent met interesse gelezen. Maar er kwamen wel enkele vragen bij me naar boven: Waarom verwerp je, naar het lijkt, elke deelname aan zendingswerk ver weg en pleit je eigenlijk alleen voor evangelisatiewerk dicht bij ons in de buurt, in West-Europa? Is dit Bijbels te beargumenteren? Ik stel de vraag ook om jonge lezers tot nadenken te brengen.

Antwoord:

Geliefde broeder, je vragen naar aanleiding van mijn artikel kan ik heel goed begrijpen en ik zou er graag kort op willen reageren, want ik ben als zendeling zeker niet tegen ‘buitenlands zendingswerk’ en ik verheug me over alles wat op dit gebied wereldwijd voor de Heer Jezus gedaan wordt.

Doelgroep

Het publiek waar ik bij het schrijven van dit artikel op doelde, waren geen zendelingen die ver weg werkzaam zijn en ook geen gevorderde broeders en zusters in het geloof, die op dit gebied oprecht voor het aangezicht van de Heer geoefend zijn. Met ‘oefeningen’ wordt vaak de innerlijke strijd en worsteling bedoeld voor het aangezicht van de Heer, een worsteling die je vaak doormaakt voordat je zeker weet dat iets naar Zijn wil is (hoewel je dat niet altijd even intensief zult ervaren). Ik zag daarentegen een pasbekeerde gelovige voor me die zich afvroeg wat er allemaal met het thema zendingswerk verbonden is.

Het leek me daarbij zinvol in het bijzonder op het principe te wijzen dat men in Markus 5:18 vindt: ‘Gaat heen!’ Ja, maar waarheen dan? Allereerst dichtbij: naar je eigen huis, je familie, je vriendenkring, in je eigen omgeving. Met als doel de mensen die dichtbij je staan over de Heiland te vertellen. En ik denk dat dit principe zonder uitzondering voor ons allemaal geldt, ook vandaag de dag nog, ook in Europa.

Te vaak al hebben wij als broeders en zusters die zich intensief met het werk van de Heer op grote afstand bezighouden, jarenlang in onze eigen omgeving nagelaten het evangelie te verspreiden. Dat is toch tamelijk moeilijk te begrijpen?

Je vraag of de vermaning om allereerst in de eigen omgeving te beginnen, een Bijbelse basis heeft is volgens mij positief te beantwoorden. De al aangehaalde Bijbeltekst uit Markus 5 (in het bijzonder het 19e vers) laat het ons duidelijk zien. En denk eens aan het feit dat jonge gelovigen zich eerst wat betreft hun eigen taak moeten bewijzen en daarin ‘beproefd’ moeten blijken (1 Timotheus 3: 6, 10). Dat gebeurt thuis, in de eigen omgeving en in de plaatselijke gemeente.

Ook Handelingen 1:8 laat zien dat de discipelen allereerst in Jeruzalem, daarna in Judea en Samaria en dan pas tot aan het einde van de aarde werkzaam moesten zijn. Al gaat dit ook over het begin van de uitbreiding van het evangelie, dan nóg geldt: ze moesten niet allereerst naar de andere kant van de aardbol gaan, maar vlak bij huis beginnen.

Herinner je aan Gods dienaren uit vroeger tijden: aan Gideon, die thuis moest beginnen; aan Daniël, die trouw moest dienen op de plaats die God hem bevolen had, voordat hij een hoge positie kreeg; aan Jozef, die thuis, in het huis van Potifar, in de gevangenis en later ook aan het koninklijk hof trouw was; of denk aan de zegen op de samenwerking met oudere dienaren zoals Jozua, die van Mozes en Timotheus, die van Paulus mocht leren; aan Johannes Markus voor wie dit een tijd lang te moeilijk was…

Gaat heen! Ga op weg!

Graag zou ik deze belangrijke woorden nogmaals willen benadrukken. Een ieder van ons moet begrijpen wat zijn Heer hem met deze oproep ‘Gaat heen’! te zeggen heeft. Ga op weg! – dat vraagt om luisteren, om gehoorzaamheid, om actief opstaan en je in beweging zetten, in opdracht van je Heer.

Dichtbij of veraf, in Hongarije, Tahiti of juist in de ‘Achtertuin’: luister naar je Heer, sta op en ga aan het werk met de opdracht die Hij je gegeven heeft. Het zal tot Zijn eer zijn, tot je eigen zegen en zoals we ernstig mogen bidden ook tot eeuwig heil van verloren zondaren en tot opbouw van Zijn Gemeente.

Heeft iedereen dan een opdracht? Ik denk dat dit in de Bijbel duidelijk naar voren komt. Je hoort wel eens dat de Gemeente geen roeping tot evangelisatie of tot zendelingswerk heeft. Dat is maar heel beperkt waar en het kan snel als smoes gebruikt worden. De Gemeente van God is als zodanig ook niet tot herder en leraar geroepen. Maar een ieder van ons moet in zijn omgeving getuigen, voor zijn naaste zorgen en de leer van de Schrift zo goed kennen, dat hij die waar mogelijk kan doorgeven. De Gemeente van God als geheel heeft de opdracht in deze wereld de heerlijkheid van God te openbaren en dat gebeurt door dat wat jij en ik hier op de aarde doen en hoe wij voor onze Heer leven.

We hopen dat velen van Gods kinderen nog bereid zijn zich door de Heer te laten gebruiken in de overtuiging naar de Heer toe: ‘Zie, hier ben ik, zend mij’.

Zendingswerk alleen dichtbij?

Nee, niet alleen dichtbij, maar allereerst dichtbij (en in de meeste gevallen blijft het daarbij)! Ik geloof beslist wel dat de Heer enkele van Zijn dienaren ook vandaag de dag nog ver weg zendt. Dat moeten er velen zijn, maar op het totaal gezien gaat het om een klein aantal. We willen niet uit het oog verliezen dat de noden wereldwijd indrukwekkend groot zijn. Ik zei in het eerste artikel dat er nog maar weinig onbereikte stammen zijn, waarbij ik aan wilde, onbeschaafde stammen in afgelegen dalen en in het oerwoud denk.

Maar laten we ons er van bewust zijn: nog steeds zijn er onbereikte bevolkingsgroepen; stammen, die het evangelie wel eens hebben gehoord maar waar het nauwelijks werd begrepen; volken, die het evangelie zijn vergeten (ook hier in Nederland); of kerkelijke groepen, waar het door liberale theologie is verstikt, wat we in het bijzonder in het zuiden van Kameroen hebben meegemaakt; etnische groeperingen die het Woord van God nog steeds niet in hun eigen taal hebben; gebieden waarin velen tot geloof zijn gekomen, maar die geen leringen hebben ontvangen over vele waarheden uit Gods Woord… Daarom ben ik blij en dankbaar met elk werk voor Hem – óók met dat wat ver weg voor Hem gebeurt. En ik vraag Hem zulk werk rijk te zegenen tot redding van degenen die nog verloren zijn, maar ook tot opbouw van Zijn Gemeente.

Het zou wenselijk zijn dat wij als kinderen van God meer inzien hoe groot deze nood is, zodat we des te actiever een ieder ondersteunen die door de Heer tot Zijn dienst is geroepen, zowel dichtbij als ver weg (en met die steun doel ik beslist niet op geld, maar op gebed, bemoediging aan aansporing). Ik vrees dat we er te weinig aan denken dat de tijd ondertussen nog maar zeer kort is, want de komst van de Heer is dichtbij en de genadetijd gaat bijna ten einde!

In het Nederlands hebben we een mooi jeugdlied:

‘Miljoenen wachten op het Woord van God; breng het licht! Breng het licht’.

Heb je wel eens aan de miljoenen Chinezen, Indiërs, Arabieren, Pakistani, Irani en Turken gedacht die nog zonder Christus leven? Dat zijn bijna 3 miljard mensen! Bid voor hen en bid voor zegen op elk werk dat onder hen plaatsvindt!

Laten we te meer en intensief bidden dat de Heer zowel veraf als dichtbij, wereldwijd, nog veel arbeiders in de oogst uitzendt (Mattheüs 9: 36-38) en dat Hij het aantal van hen die in Zijn Gemeente werkzaam zijn, vermeerdert tot opbouw van de heiligen (Efeze 4:12vv.) in de hele waarheid van het Woord.

Vragen en gedachten die zouden kunnen opkomen

Graag wil ik enkele heel algemene punten noemen die een overdenking waard zijn:

Als ik ooit in Europa op een bepaalde manier in de dienst van de Heer bezig was (bijvoorbeeld in de plaatselijke gemeente, in een zondagsschool, aan een boekentafel, in een huiselijke Bijbelstudiekring …), wie zal dit werk dan overnemen als ik weg ben? Of gaat dit mij dan niets meer aan en moet ik het eenvoudig aan de Heer overlaten en vertrekken?

Als ik geoefend ben ver weg te trekken, bij wie zoek ik dan raad en hulp? Zoals Rehabeam bij diegenen die van mijn leeftijd zijn en misschien vol zitten met een zucht naar avontuur? Of ook eens bij de oudere broeders, die het misschien aandurven mij kritische vragen te stellen? Meestal gebeurt dit (hoop ik) niet omdat ze faliekant tegen zendingswerk zijn, maar omdat ze meer levenservaring en levenswijsheid hebben en voorzichtiger zijn geworden, dan dat ik als jongere nu eenmaal ben.

Ben ik bereid om net zoals de Heer Jezus dienstbaar te zijn, zonder eigen eer en verheerlijking te zoeken?

Ben ik bereid met inlandse gelovigen samen te werken? Dat betekent: niet als leider, maar als broeder op hetzelfde niveau en als hún medewerker?

Ben ik bereid en in staat om samen met anderen verantwoordelijk te handelen als het gaat om het gebruik van giften? Als de middelen beperkt zijn, wat heeft voor mij, voor ons dan de prioriteit: de verbreiding van Gods Woord, of de soms zeer prijzige financiering van sociaal werk? Dat zijn niet alleen vragen voor donateurs, maar ook voor dienstknechten in zulke gebieden, zoals ik zelf heb meegemaakt. Het stellen van deze vraag betekent geen radicaal weigeren van sociaal werk (dat, de Heer zij dank, op diverse plaatsen in het kader van verbreiding van het evangelie staat), maar de vraag moet tegen de achtergrond gesteld worden dat in veel gebieden de sociale hulp de armoede verlichtte, maar de harten verhardde, zodat het zaad van Gods Woord nauwelijks een kans meer heeft om op te gaan.

Ik schrijf dit niet zonder reden; we hebben het zelf van dichtbij ondervonden, toen we in meerdere plaatsen in Kameroen woonden; tegelijkertijd was de nood groot en je mocht dankbaar zijn dat er überhaupt iets gebeurde om deze nood te verzachten. Het is vaak erg moeilijk om in dit kader een evenwicht te vinden.

Waarom moet ik als Europeaan ver weg reizen, over of door veel regio’s en landen heen waar de nood eveneens groot is, om op 10.000 km afstand voor de Heer te gaan werken? Hierbij moet je ook eens nuchter nadenken over vragen als: zie ik de nood vlakbij over het hoofd?

Ten tweede: veel van Gods kinderen wonen dichterbij het gebied waar ik wil dienen, en staan dichterbij dat gebied op cultureel terrein en qua taal. Zeker, soms gaan de plannen van de Heer in tegen elke menselijke logica, maar doet Hij dat altijd? Deze vraag mag ik mezelf misschien ook eens stellen (en ze gaat mijzelf aan, ik hoef ze niet voor een andere dienstknecht te stellen!). Maar dat betekent niet direct dat je niet ver weg mág gaan. Wanneer ik naar Kameroen vlieg, reis ik op 10 of 12 km hoogte over Corsica, Algerije en Niger heen, waar ik nog nooit ben geweest. Omdat de Heer me er niet heeft geroepen. Maar daarom mag ik dit als dienstknecht wel een keer rustig overwegen.

Veel ondernemingen en sekten vestigen zich in grote steden als Istanbul, Rome, Singapore, Tokio, Seoel, Jakarta.. steden, van waar uit ze een invloedrijke, vér strekkende werking hebben… Veel Christenen die zich aan het evangeliewerk hebben gewijd, hebben geïnvesteerd in kleine dorpen waar het probleem van de ‘rijst-Christenen’1 veel kenmerkender was. Waarom? Misschien omdat hier weinig mensen met aanzien zijn (1 Korinthe 1), maar zulke mensen met weinig aanzien zijn ook in de slums van Azië en Zuid-Amerika te vinden, en ook zij hebben het evangelie nodig! Ook de steden hebben Christus nodig! Ben ik bereid deze miljoenen mensen prioriteit te geven, ook als het soms om megasteden gaat die ik vanwege het morele ‘klimaat’ liever vermijd?

Uitgaand van een arbeidsveld, waar allang gelovige inlanders leven, wijs ik graag op enkele extra punten die het overwegen voor Gods aangezicht waard zijn wanneer een (jonge) gelovige overwegingen heeft om voor de Heer ver weg te gaan:

Zou ik ‘in het overzeese’ een taak op me nemen die de gelovige inlanders zouden kunnen doen? Of die ze al doen? Gevaar: verdringen en verstikken van de gaven van deze geliefde en vaak capabele gelovigen.

Zou ik graag een taak op me nemen die gelovigen uit andere Christelijke groeperingen al doen? Zo ja: is het dan soms niet zinvol een andere arbeidstak te overwegen? Waarom bijvoorbeeld een ziekenhuis bouwen, alleen omdat ‘wij’ er daar nog geen één hebben, terwijl broeders en zusters in het geloof 1 km verderop sinds jaren een ziekenhuis hebben. Is dat zinvol?

Of in het geestelijke domein: waarom zou ik me op het zendingsveld concentreren op de boodschap van redding in Christus, die daar echter al jarenlang door andere Christenen wordt gepreekt terwijl tegelijkertijd de verkondiging van de hele waarheid, van het hele raadsbesluit van God (Handelingen 20:27; bijvoorbeeld als het gaat om Christus en Zijn Gemeente) daar verder door niemand onder de gelovigen wordt bekendgemaakt? Zou die laatste taak daarom niet – generaliserend gesproken – zinvoller zijn?

Zal ik me daar aanpassen aan de geldende standaard, of proberen in het kader van ‘werk van de Heer’ Europese maatstaven in te voeren? Gevaar: materialisme en zendingskolonialisme. Zoals een evangelische zendeling in Noord-Kameroen tegen me zei: ‘Toen wij door onze luxe jaren geleden de Kameroense Christenen duidelijk maakten, dat ze zich in kerkgebouwen en niet onder de mangoboom of het strodak moesten vergaderen en toen met dat doel geld uit Europa kwam, pas toen kwam het kaf onder het koren…’.

Word ik zelf moreel gedwongen, direct of indirect te helpen bij de bestrijding van armoede? Dat is tot op zekere hoogte te begrijpen (zie 1 Johannes 3:17). Maar er schuilt ook een gevaar in, waarvan ik me terdege bewust moet zijn, namelijk het gevaar van een puur uiterlijke groei door de al eerder genoemde ‘rijst-Christenen’, die de kerkgebouwen tot op de laatste plaats vullen. Moet dat betekenen: ‘Wij moeten niet meer helpen?’ Nee, maar voorzichtigheid, wijsheid en onderscheidingsvermogen zijn noodzakelijk, en daar moet ik mijn Heer om vragen.

Zal ik de centrale persoon van dit werk worden, zonder wie het eindresultaat niet bevredigend is? Gelden beslissingen alleen als ik ze heb gelegaliseerd? Gevaar: afhankelijkheid van ‘blanken’ en niet meer van de Heer van de oogst, het Hoofd van Zijn Gemeente.

Ik weet dat deze vragen iets suggestiefs in zich hebben. Als ze ons allemaal aanzetten tot een serieuze overweging voor de Heer is er echter al veel gewonnen. En in de kern zitten die gevaren er hier ook in: als alles gaat draaien om mensen, sociaal werk, getalsmatige groei…

Ik zelf kan op veel van de genoemde vragen geen beslissende of radicale antwoorden geven en ik wil ook geen categorische posities innemen. Want wat hier en nu praktisch al de juiste oplossing wordt gezien, kan morgen, in een andere cultuur of op een andere plaats volledig misplaatst zijn. De Heer zal een ieder van Zijn dienstknechten met Zijn oog leiden, en dat is goed want het houdt ons klein, nederig en afhankelijk (Psalm 32:8). Dan zullen we ook op Hem vertrouwen als Hij ons ver weg wil zenden.

In de loop van de tijd heb ik moeten vaststellen dat het gezond en goed is, wanneer je als dienstknecht van de Heer regelmatig kritisch en nuchter vraagt naar je eigen motivatie, strategie en doelen van het werk. Moge de Heer mij en jou daarbij helpen en moge Hij je tot zegen voor je omgeving maken, terwijl we allemaal volhardend bidden voor elk zendingswerk dat plaatsvindt, zowel veraf als dichtbij, tot Zijn eer. Zoals de apostel Paulus in Filippi 1 zelfs kon zeggen dat hij zich verheugde als – met welke motivatie dan ook – alleen Christus verkondigd werd. En ook wij willen ons daarover verblijden!

Het is daarom van harte mijn wens dat dit artikel bijdraagt aan de oproep aan iedere lezer om zich te wijden aan de dienst van de Heer, en dat niemand het gebruikt om de toewijding van andere broeders en zusters af te remmen die graag voor de Heer tot de oogst in de dichtbijgelegen of in de verre wereld uit willen gaan voor Zijn Naam.

Hartelijke zegengroet en aanmoediging in de dienst van je medebroeder,

Erwin


1 In het zendingswerk een bekende uitdrukking voor mensen die zich alleen maar uiterlijk tot het Christendom hebben bekeerd zonder berouw, ware bekering en leven uit God en alleen om ‘rijst’ te krijgen (en andere levensmiddelen, kleding, zaad enz.).