Wat betekende het voor de Zoon om naar deze aarde te komen?
“God…heeft…gesproken in [de] Zoon,…door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft,…de Uitstraling van Zijn heerlijkheid en de Afdruk van Zijn Wezen,…Jezus, Die een weinig minder dan [de] engelen gemaakt was … opdat Hij door [de] genade van God voor alles [de] dood smaakte” (Hebreeën 1:1-3; 2:9).
Kunnen wij het ons wel werkelijk voorstellen wat het voor onze Heer geweest moet zijn om vanuit de hemel naar deze verschrikkelijke wereld te komen? Hij, de Zoon, was vanaf alle eeuwigheid in het huis van Zijn Vader en in de schoot van de Vader. De hemel was slechts een weerspiegeling, de uitstraling, van Zijn Wezen.
Toen schiep Hij engelen, zelfs voordat Hij de aarde schiep. Honderden miljoenen engelen wachtten op Zijn geringste aanwijzing om Zijn Woord te gehoorzamen en te doen wat Hem behaagde. Serafs riepen: “Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten!”, zoals Jesaja zei toen hij Zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak (Jesaja 6:3; Johannes 12:41).
Toen verliet Hij die glorierijke omgeving, waar alles licht en liefde is, waar geen duisternis wordt gevonden, waar God in een ontoegankelijk licht woont. De Heer Jezus was daar altijd geweest waar alles in volkomen harmonie was met Hemzelf, in harmonie met dat wat Hij in Zichzelf was: licht en liefde, alleen licht en liefde.
Toen kwam Hij naar deze aarde. Hij moest leven op dit terrein van zonde, haat en duisternis. Deze duisternis was zó ondoordringbaar, dat het Licht, toen het de duisternis binnentrad, deze niet beïnvloedde. Hij, Die het Licht was, moest drieëndertig jaar leven omringd door een morele duisternis waarin alles volslagen met Hem in strijd was.
Hier was alles zonde, alles alleen maar volledig in tegenspraak met God, alleen maar haat in plaats van liefde. Hij, Die in de hemel het Voorwerp was van al de liefde en de blijdschap van de Vader, verkoos om te midden van dit alles te komen om “voor alles de dood te smaken”.
(Uit: ‘The Lord is near’).
H.L. Heijkoop
In ’s Vaders schoot, Zijn Veelgeliefde,
Die Hem verheugde te allen tijd,
was U met Hem steeds één in liefde
en één in macht en heerlijkheid.
Die glorie – wie kan dat doorgronden? –
verwisselde U voor hoon en spot
in deze wereld vol van zonden,
om hier te sterven, Lam van God!
(Lied 204:2 uit ‘Geestelijke Liederen / Lofzangen en Geestelijke Liederen’)