Vrij en toch onderdanig
Overdenking over 1 Korinthe 10:23-11:16
De Christelijke vrijheid
In de tijd van Korinthe was de wereld zo vervuld met afgoden dat een groot deel van het vlees dat op de markt te koop was, van dieren kwam die aan die afgoden geofferd waren. In feite vormde vlees een uitzonderlijke voeding voor het overgrote deel van de inwoners; in de loop van het jaar at men maar zelden vlees. Veronderstel dat een Christen zulk vlees in zijn bezit kreeg, of dat hij werd uitgenodigd om te komen eten bij een ongelovige, wat moest hij dan doen?
De Christelijke vrijheid en het geweten
In dit gedeelte worden twee principes geformuleerd:
- Aan de ene kant is de vrijheid van de Christen groot. Op de markt gekocht vlees mocht je in alle vrijheid en onder dankzegging eten. Je hoefde jezelf uit gewetensbezwaren geen vragen te stellen over de afkomst ervan (verzen 25-27).
- Aan de andere kant: kreeg een Christen die door een ongelovige was uitgenodigd te horen dat dit vlees afkomstig was van afgodenoffers, dan moest hij het niet aanraken. Zijn vrijheid hield op zodra het risico bestond om niet begrepen te worden door wie die waarschuwing gegeven had; die vrijheid hield ook op ter wille van het geweten van een eventuele andere gelovige die bang was de Heer te onteren en door zo’n maaltijd verontreinigd te worden (vers 28).
‘Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig … niet alles bouwt op’, staat er (vers 23). Onze bedeling (heilsperiode) van de genade is geen tijd van verboden, maar van een ernstig onderzoeken wat de Heer behaagt. Bepaalde omstandigheden kunnen bij ons de vraag doen opkomen: is dat niet verboden? Dat is geen goede vraag, omdat alle dingen zijn geoorloofd. Wanneer je jezelf afvraagt of iets wel mag, is dat dan niet veel meer een heimelijke wens om je eigen wil te doen?
We kunnen onszelf gelukkig ook goede vragen stellen, zoals deze: is dit voordelig en nuttig voor mijzelf? Ga ik het geweten van mijn broeder kwetsen (vers 29)? Komt er opbouw uit voort? Het inrichten van ons leven vanuit dit gezichtspunt zal ons helpen om te verwerpen wat twijfelachtig of nutteloos is.
Pasbekeerden kunnen gerustgesteld worden; laten ze maar vlees eten zonder zich te bekommeren over de herkomst ervan. Maar als iemand met een nauwgezet geweten zijn broeder waarschuwt dat dit vlees hem verdacht voorkomt, is het goed je ervan te onthouden ter wille van het geweten van degene die je dat vertelt (vers 28).
Vrijheid en broederlijke gemeenschap
Om dit onderwijs in evenwicht te brengen is het van belang, dat we ons realiseren dat over gewetensvragen iedere Christen persoonlijk met de Heer te maken heeft, maar rekening dient te houden met het geweten van zijn broeder.
Zelfs al binnen hetzelfde land zijn er voor de diverse gelovigen verschillende waarderingsschalen om te bepalen wat werelds, dus verwerpelijk, is; en wat we van de wereld kunnen gebruiken als onderdeel van wat God ons rijkelijk geeft. En nóg sterker variëren de levensgewoonten van land tot land. De verhoudingen tussen broeders kunnen daardoor gewetensoefeningen oproepen in verband met het onderwerp dat de apostel hier behandelt.
Vlees offeren aan een afgod komt tegenwoordig overeen met iets dat geofferd is aan de geest van deze wereld, aan dat wat de wereld leuk vindt. Paulus schrijft aan de Romeinen: ‘Ik … ben overtuigd in de Heer Jezus, dat niets op zichzelf onrein is; alleen voor hem die meent, dat iets onrein is, is het onrein… Maar wie twijfelt als hij eet, is veroordeeld, omdat het niet op grond van geloof is’ (Romeinen 14:14,23). We moeten dus niet iets dat wij naar ons eigen geweten kwaad of goed achten, opleggen aan anderen. Zo wordt ons ook gevraagd ons niet gechoqueerd te voelen door de houding of daden van onze broeders, als zij daarvoor kunnen danken (vers 30).
De eer van God en de liefde voor onze broeder
De regel voor de Christen zou dus steevast moeten zijn: ‘Hetzij dan dat u eet, hetzij dan dat u drinkt, doet het alles tot eer van God’ (vers 31). Laat dit samengaan met fijngevoeligheid, om geen struikelblok voor anderen te zijn maar het goede te zoeken voor zoveel mogelijk mensen (vers 32). Worden de grenzen van onze vrijheid niet bepaald door de wet van de liefde?
De apostel verdeelt de mensen in drie duidelijke groepen (vers 32), terwijl het Oude Testament er maar twee onderscheidt: Joden en heidenen. In de tegenwoordige tijd is er ook nog de Gemeente van God, die is samengesteld en groeit uit mensen afkomstig uit de twee al bestaande groepen. De Geest van God heeft Zijn werk gedaan in die gelovigen; ze zijn opgenomen in het Lichaam van Christus dat Hij Zelf heeft gevormd.
De eer van God en het goede voor de anderen zijn de twee doelstellingen van elk Christelijk leven. Paulus kon een voorbeeld zijn (11:1), omdat hij de navolger was van het ultieme Voorbeeld: Christus, Die zonder ophouden Zichzelf heeft verloochend uit liefde (Romeinen 15:3). Tijdens zijn leven erkende hij de autoriteit van de Heer en onderwierp zich daaraan.
Vanaf onze bekering horen wij te leren onderworpen te zijn aan Christus aan wie wij voortaan toebehoren (1 Korinthe 6:19, 2 Korinthe 5:15). Maar deze onderworpenheid resulteert niet in een beslissing waarvan de gevolgen automatisch ons hele leven duren. De bron ervan ligt hierin dat wij elke dag dieper de waarde, de grootheid en de heiligheid van de Persoon van Christus leren kennen. Wij streven ernaar Hem na te volgen Die ons gegrepen heeft, zoals Paulus gezegd heeft: ‘Maar ik jaag ernaar om die te mogen grijpen, omdat ik door Christus Jezus ook gegrepen ben’ (Filippi 3:12).
Aan het begin van hun gemeenteleven werden de Christenen uit Korinthe al gauw geconfronteerd met problemen. Daarover onderscheidden ze Gods gedachten niet. Nu was Paulus het instrument geweest dat God had gebruikt voor hun bekering (Handelingen 18:1-18). Daarom was het natuurlijk dat ze hem diverse vragen gesteld hadden (7:1; 8:1; 12:1; 16:1). Zo gebruikt de Geest van God hun onwetendheid om ons te onderwijzen via deze brief – die niet alleen voor hen bedoeld was, maar voor iedereen die de Naam van de Heer Jezus Christus aanroept (1:1-2).
Het ligt in de natuur van de mens om het onderwijs van de Bijbel gemakkelijk te vergeten. Het is nodig dat we dat vaak in ons bewustzijn terughalen, maar vooral in ons hart; want alleen de liefde voor de Heer zal ons de vreugde geven die in de praktijk toe te passen. ‘Want dit is de liefde van God, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar’ (1 Johannes 5:3). Paulus kan de Korinthiërs prijzen omdat ze tot dusver geluisterd hebben, en hij neemt de tijd hun uit te leggen wat ze nog niet wisten (11:2).
Gedrag van mannen en vrouwen naar de Goddelijke orde
Wat is de Goddelijke orde?
Dit belangrijke onderwerp wordt ingeleid met het bevel: ‘Maar ik wil dat u weet’ (vers 3). Het gaat hier bijzonder over het gedrag van (gelovige) mannen en vrouwen onder het gezag van de Heer. Paulus richt zich hier niet tot gehuwde mannen of vrouwen; hij spreekt niet over plaatselijke gewoontes die voor ons niet van belang zouden zijn; hij geeft evenmin instructies over het gedrag tijdens de samenkomst. Pas verderop (verzen 17-19) zal het expliciet gaan over gelovigen bij hun samenzijn om het avondmaal te vieren.
De positie van de mannen en de vrouwen, hun houding en hun gedrag zoals die hier beschreven worden, zijn niet het resultaat van Paulus’ eigen gedachten: het is het gebod van de Heer (14:36-38). De aangegeven orde (vers 3) is niet willekeurig maar Goddelijk, want die staat in verband met de Persoon van Christus. Er wordt duidelijk gezegd dat ‘Christus het Hoofd is van iedere man, en de man het hoofd van de vrouw, en God het Hoofd van Christus’ (1 Korinthe 11:3).
God, het Hoofd van Christus
Christus is de Schepper, de Heer van alles; maar als Mens neemt Hij een plaats in van ondergeschiktheid aan God. Talloze passages wijzen daarop. Als kleine jongen al kon Jezus zeggen: ‘Ik moet zijn in de dingen van Mijn Vader’ (Lukas 2:49). Later voegt Hij er tijdens Zijn dienst aan toe: ‘Mijn voedsel is, dat Ik de wil doe van Hem Die Mij heeft gezonden’ (Johannes 4:34). ‘… dat Ik de Vader liefheb, doe Ik ook zó, als Mij de Vader geboden heeft’ (Johannes 14:31; lees ook Johannes 5:30; 6:3-39; 8:28; 12:49-50).
Tegen de Hebreeën zegt de apostel: ‘… hoewel Hij Zoon was, [heeft Hij] gehoorzaamheid geleerd uit wat Hij geleden heeft’ (Hebreeën 5:8). Deze positie van Christus was al door de profeten aangekondigd (Psalm 40:6-8; Jesaja 50:4). Hij is de Knecht naar Gods wil en het welbehagen van de HEERE zal door Zijn hand voorspoedig zijn (Jesaja 53:10).
Christus, het Hoofd van de man
Als Mens is Christus, geboren in de wereld, de Eerstgeborene van de hele schepping (Kolosse 1:15-16). Dat is Zijn eerste positie. Hij heeft ook het gezag over de schepping en alle schepsels. Hij is ook het Hoofd van elke man. God heeft Hem tevens als ‘Hoofd boven alles gegeven aan de Gemeente, die Zijn lichaam is’ (Efeze 1:22). Ook is Hij ‘het Hoofd van het Lichaam, de Gemeente’ (Kolosse 1:18). Dat is Zijn tweede positie, in de nieuwe schepping.
De man, het hoofd van de vrouw
Bij de schepping zijn de posities van het gezag van de man en de onderworpenheid van de vrouw ingesteld door God (vers 9; Genesis 2:18). Die onderworpenheid plaatst de vrouw niet in een positie van minderwaardigheid en het plaatst evenmin de man in een positie van meerwaardigheid. De vrouw is genomen uit de rib van de man, zij is geschapen ter wille van hem, niet om onafhankelijk te zijn, maar aan hem toegevoegd als ‘hulp tegenover hem’ (Genesis 2 ‘als hulp die bij hem past’). Zij geeft hulp opdat de man de taken kan voltooien die hem zijn toevertrouwd (als echtgenoot, gezinshoofd, broeder in de gemeente, werknemer, leidinggevende, enzovoort) en opdat zij samen tot Gods eer kunnen dienen. Diverse tekstgedeelten brengen duidelijkheid over deze betekenis en bevestigen dat het feit dat je hulp geeft, je helemaal niet in een minderwaardige positie brengt (Psalm 33:20; Psalm 94:17; Hebreeën 13:6; Psalm 118:6).
De apostel brengt hier in herinnering dat de man als eerste geschapen is en dat de vrouw uit hem gevormd is, dat zij uit hem voortkomt (verzen 8-12). Dit voortkomen houdt aan de ene kant het begrip oorsprong in (de man) en aan de andere kant het begrip gelijkheid van natuur (menselijke natuur) met alle verschillen die de beide seksen omvatten.
De Geest van God onderstreept ook dat de man en de vrouw niet onafhankelijk van elkaar kunnen bestaan (vers 11). Want al is aanvankelijk de vrouw uit de man voortgekomen, de man wordt uit de vrouw geboren; maar alles komt voort uit God de Schepper. Hij is het Die de positie van man en vrouw jegens elkaar in de schepping heeft ingesteld.
Man en vrouw na de zondeval
Na de ongehoorzaamheid van Adam en Eva heeft de zonde de orde van deze dingen in de grond niet veranderd, maar wel in karakter. Toen Eva ongehoorzaam werd en daarmee een onafhankelijke positie jegens Adam aan de dag legde, verliet zij de plaats die God haar had toegewezen (hulp voor haar man; zie 1 Timotheüs 2:11-14).
Het tweeledige vonnis dat God uitsprak in Genesis 3:16 maakt enerzijds duidelijk dat de positie van afhankelijkheid van de vrouw ten opzichte van de man wordt gekoppeld aan haar vrouwelijke aard, en anderzijds dat zij onder het gezag van de man wordt geplaatst. Een harmonieuze relatie zoals God had gewild kon alleen in relatie met Hem beleefd worden; de zonde heeft deze relatie met God verbroken, en de relatie tussen man en vrouw die onder de heerschappij van de zonde leven is een gezagsverhouding geworden met een karakter dat het eerst niet had (‘hij zal over u heersen’).
Heel wat aspecten van het dagelijkse leven (moeizaam werken, een wereld vol onkruid, ziekte, uitzicht op de dood, enzovoort) en ook het karakter van hun relatie zullen de man en de vrouw er steeds aan herinneren dat zij — ook als er sprake is van liefde — in een wereld leven waar de zonde door hun eigen ongehoorzaamheid is binnengekomen (Genesis 3:16-19).
Onder de wet blijft die positie bestaan (zie 1 Korinthe 14:34). De wet geeft de begrenzing aan van het gezag van de man over de vrouw (namelijk dat hij haar niet tot zijn slavin mag maken), en geeft ook de verplichtingen van de vrouw jegens de man aan, wiens gezag zij moet erkennen.
In de huidige genadetijd krijgt deze positie voor de man en de vrouw die het leven van God bezitten, opnieuw een geestelijke dimensie waarin Christus wordt geïntroduceerd. Bij het begin van het leven van de mens op aarde was God het Hoofd van de man en de man het hoofd van de vrouw.
Nu de Mens Christus Jezus geopenbaard en verheerlijkt is, is God het Hoofd van Christus, is Christus het Hoofd van de man, en is de man het hoofd van de vrouw. Op het gebied van de relaties tussen mensen van de eerste schepping behoudt deze Goddelijke orde zijn waarde voor alle Christenen.
Maar in de nieuwe schepping (dus als het gaat om waarde voor God, wedergeboorte en dergelijke) verdwijnt elk verschil, want voor God is het niet meer man of vrouw: ‘u bent allen één in Christus Jezus’ (Galaten 3:28). Dat is hier echter niet het thema.
Praktische toepassingen: 1 Korinthe 11:4-16
Volgens het Bijbels onderwijs komen er uit deze Goddelijke orde zichtbare tekenen voort en openbare posities die voor de man en de vrouw verschillend zijn.
Bidden en profeteren: verzen 4-5
Bidden wil zeggen: spreken tot God; profeteren: spreken namens God. In de eerste verzen zet Paulus de algemene principes uiteen. Pas vanaf vers 17 wordt de gemeentelijke samenkomst ter sprake gebracht. Andere passages in de Bijbel tonen aan dat de man overal kan bidden of profeteren, terwijl de vrijheid van de vrouw om te bidden en te profeteren wordt beperkt tot de privésfeer (zie bijvoorbeeld Handelingen 21:8-9; 1 Timotheüs 2:8, 12).
Specifiek over de gemeentelijke samenkomst zegt de apostel verderop: ‘Laten de vrouwen zwijgen in de gemeenten; want het is hun niet geoorloofd te spreken’ (14:34).
Het hoofd bedekt of onbedekt: verzen 4-5
Hoewel de Heer Jezus ons hart aanziet, omvat het getuigenis dat we van Hem geven ook ons uiterlijk voorkomen. De engelen zijn getuigen van Gods wijsheid; ze zien op aarde mensen die zich uit liefde met vreugde onderwerpen aan de wil van de Heer en aan de Goddelijke orde – of niet (Efeze 3:9-10).
Zo is de man die bidt of profeteert met bedekt hoofd een belediging voor zijn Hoofd, Christus. De vrouw die bidt of profeteert met onbedekt hoofd is een belediging voor het hoofd dat God in deze orde boven haar heeft geplaatst: de man (en dus indirect ook voor Christus).
De redenen hiervoor staan in de volgende verzen, waar drie heerlijkheden worden genoemd (verzen 7, 15):
- De heerlijkheid van God: de man is het beeld en de heerlijkheid van God.
- De heerlijkheid van de man: de vrouw is de heerlijkheid van de man.
- De heerlijkheid van de vrouw: het lange haar is de heerlijkheid van de vrouw.
Voor de vrouw is het niet bedekken van haar hoofd bij bidden en profeteren een oneer (verzen 3-5); zich dekken is een kenmerk van onderwerping (vers 10) en van wat gepast is (vers 13).
De man moet zich niet bedekken wanneer hij bidt of profeteert; hij onteert anders zijn Hoofd Christus, want de heerlijkheid van Christus hoor je niet te bedekken. De heerlijkheid is verbonden met de boodschap die gegeven wordt, want de bediening van de Geest (met Christus als Middelpunt) is vervuld van onuitsprekelijke heerlijkheid. Daartegenover moet de heerlijkheid van de man (de vrouw) bedekt zijn in tegenwoordigheid van de heerlijkheid van God (de man).
Daarom bedekt een vrouw haar hoofd wanneer zij bidt of profeteert. Daardoor geeft zij te kennen dat ze zelf geen gezag als hoofd ontvangen heeft en erkent ze de positie van de man aan wie de openlijke dienst van gebed en profetie gegeven is.
Een tweede reden om zich te bedekken is dat ze haar eigen heerlijkheid, haar lange haar, bedekt.
Onbedekt hoofd en afgeknipt haar: verzen 5-6
De apostel onderstreept de ernst van de oneer die men de Naam van de Heer aandoet. Hij stelt een vrouw die blootshoofds bidt of profeteert gelijk met een kaalgeknipte vrouw. Om dat te begrijpen moeten we het Oude Testament raadplegen. Wanneer een vrouw ontrouw was of van ontrouw beschuldigd werd schoor men haar hoofd kaal, en werd haar een graanoffer van achterdocht of naijver (jaloersheid) samen met water van vervloeking voorgehouden (Numeri 5:18). Zo moest ook een buitenlandse die gevangen genomen was zich het hoofd kaalscheren. Pas nadat ze een maand lang om haar ouders had gerouwd mocht zij door een Israëliet tot vrouw genomen worden (Deuteronomium 21:12).
Zo had in Israël een vrouw van wie het hoofd was kaalgeknipt of -geschoren niet het vertrouwen van haar man of haar vrijheid. Dat was hetzelfde als een toestand van vernedering en ontering. Zo dreigt God in Jesaja 3:17 ook de trotse vrouwen in Israël met kaalheid. Een vrouw die men het haar afknipt (haar sieraad afneemt), krijgt veel oneer te verduren.
De vergelijking die de apostel maakt tussen afgeschoren haar en een onbedekt hoofd, zal de vrouw helpen te beseffen welke schande zij de Naam van de Heer aandoet wanneer zij zich niet bedekt. De Heer verlangt naar onze volkomen liefde.
‘Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord bewaren en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken’ (Johannes 14:23). Dat is de belofte van de vreugde van gemeenschap met de Vader en Zijn Zoon Jezus Christus. Wij hebben een nieuwe, Goddelijke natuur; en die natuur heeft alles lief wat God liefheeft; die natuur kan gehoorzamen, niet onder dwang maar uit liefde, zoals altijd het geval was bij de Heer Jezus, omdat het Zijn vreugde was om de wil van God te doen.
Door dit onderwijs op te volgen zal God verheerlijkt worden. Het is ons voorrecht dat te kunnen doen.
Het getuigenis van de natuur: verzen 13-15
Tot hiertoe heeft de apostel argumenten aangehaald die slaan op de schepping (verzen 7-12). Nú gaat hij een beroep doen op ieders geweten, wanneer hij afsluit met: ‘Oordeelt zelf: is het betamelijk dat een vrouw ongedekt tot God bidt?’ (vers 13). Want het feit of zij onbedekt is wanneer zij bidt of profeteert wordt niet overgelaten aan haar eigen instemming, en ook niet aan onze culturele waarden en normen.
Alsof dit nog niet genoeg zou zijn verwijst hij naar de natuur (vers 14), dat wil zeggen naar het natuurlijke gevoel van gepaste omgangsvormen1. Dat verwijst naar hetgeen God Zelf als Schepper vanouds in de natuur en ook in ons geweten heeft vastgelegd. Dat doet de apostel, om daarmee een tweede bewijs te geven van het verschil tussen man en vrouw. Volgens de scheppingsorde zijn ze verschillend; de vrouw is een zwakker vat, vrouwelijk, en de man (zelf dus een zwak vat!) wordt aangespoord om haar te eren (1 Petrus 3:7). De natuur leert ons dat het voor een man een oneer is wanneer hij lang haar draagt; maar voor de vrouw is lang haar een eer, haar heerlijkheid.
De eerste betekenis van het woord heerlijkheid is sieraad, een schitterend versiersel. Evenals Salomo in al zijn heerlijkheid bekleed was met zijn koninklijke versierselen (Mattheüs 6:29), is het lange haar een heerlijkheid, een schoonheid, omdat het lange haar aan de vrouw gegeven is bij wijze van sluier (het woord ‘sluier’ heeft hier de betekenis van iets dat omringt, zoals een mantel; zie Hebreeën 1:12). De mens van vandaag mag het anders zien, maar zó ziet God dat!
De Heer vergelijkt de heerlijkheid van Salomo (waarvan zijn kleed de uitdrukking was) met die van lelies; net zo is het lange haar van de vrouw de uitdrukking van haar zichtbare heerlijkheid. Deze uitdrukking verwijst dus niet naar Joodse praktijken maar spreekt van schoonheid. Het lange haar is de persoonlijke heerlijkheid van de vrouw.
De gewoonte: vers 16
De gewoonte van de apostelen en de gemeenten van God is geen wanordelijk gedrag. Dit betekent eenvoudige onderwerping aan de Goddelijke orde uit liefde voor de Heer en zonder drang tot discussiëren. Iedere man en iedere vrouw die zich voor God stelt zal begrijpen wat voor hem of haar lang haar wil zeggen, en zal ook de goedkeuring zoeken van Hem Die de motieven peilt en de moeilijkheden kent, zelfs de zwakheden.
Naar aanleiding van ‘Sondez les Écritures’.
1 In de huidige maatschappij die zo verworden en van God afgeweken is, zien we dat het natuurlijke, door God ingeplante geweten zich steeds meer dichtschroeit, en het natuurlijke gevoel slaat steeds meer om in iets tegen-natuurlijks, ongoddelijks (zie bijvoorbeeld Romeinen 1:26-32). Christenen lopen gevaar om gewonnen te worden door het verlies aan zuiver moreel gevoel (Efeze 4:17-19).