Voorttrekken

Exodus 14:15

Kunnen wij ons een moeilijker toestand indenken dan die waarin het volk van Israël zich bevond, toen het Egypte had verlaten en vóór de Rode Zee stond? Het gevaar dreigde van twee kanten: de zee van voren en de vijandige macht van achteren. Dood en verderf en niets anders, deed zich aan hun oog voor.

Verwondert het ons dat het volk, dat alleen op deze omstandigheden zag, tegen Mozes zei: ‘Waren er in Egypte geen graven, dat u ons hebt meegenomen om in de woestijn te sterven?’ (Exodus 14:11). Weliswaar riep het volk tot de Heer, maar dit was een roepen uit vrees en niet een roepen in geloof en vertrouwen, dat diezelfde God, Die hen verlost had uit Egypte, ook nu machtig was hen te verlossen omdat Zijn arm niet verkort was, want, helaas, het oog van het volk was niet op de Heer maar op de omstandigheden gericht en juist daarom konden zij niet anders dan tot Mozes spreken dan zij deden.

Dat Mozes ook tot de Heer geroepen heeft, zien wij in vers 15: ‘Wat roept u tot Mij?’ zegt de Heer. Maar dit was een roepen in geloof en vertrouwen op God. Daarom kon Mozes, zelfs vóórdat hij het bevel ontvangen had om zijn staf op te heffen en zijn hand uit te strekken over de zee, zodat zij gespleten werd en tot een droog pad werd gemaakt (vs. 16), tot het volk zeggen: ‘Wees niet bevreesd, houd stand, zie het heil van de HEERE’ (vs. 13).

Welk een onderscheid, de taal van het geloof of die van angst en vrees te horen! Maar zo is de mens. Het is goed te weten dat God in genade handelt, zoals Hij ook bij deze gelegenheid aan Zijn volk getoond heeft. De omstandigheden maken altijd de toestand van het hart openbaar en God gebruikt ze daarvoor ook menigmaal. Zij geven Hem ook de gelegenheid Zichzelf te openbaren, zowel in macht als in goedheid en genade. Welk een troost voor ons, die net als het volk van Israël zo geneigd zijn ons meer met de omstandigheden bezig te houden dan met Wie God is en met dat wat naar Zijn wil is in de omstandigheden!

Mozes richt het oog van het volk op God, op Wie ook zijn eigen oog gericht was, want het geloof brengt altijd God in de omstandigheden, terwijl moedeloosheid en vrees God erbuiten laten en zich bezighouden met dat wat men ziet. Als ons eigen oog op de Heer gericht is, kunnen wij ook anderen en elkaar daartoe opwekken. Dit is zeker nodig, willen wij anderen kunnen dienen. De apostel Paulus, die zich, ondanks de gevangenschap in Rome, in de Heer verblijdde en gelukkig was, kon zijn geliefde Filippiërs toeroepen: ‘Verblijdt u altijd in [de] Heer! Nog eens zeg ik: Verblijdt u!’ (Filippi 4:4).

Maar laten we een blik werpen op de moeilijke toestand waarin het volk Israël zich bevond tussen de Rode Zee en het leger van de farao. Zoals al is opgemerkt, was het oog van het volk door Mozes op de Heer gericht, Die alles doen moest en op Wie het volk te wachten had. ‘Wees niet bevreesd, houd stand, zie het heil van de HEERE dat Hij vandaag nog voor u zal bewerken! Want de Egyptenaren die u vandaag ziet, zult u tot in eeuwigheid niet meer terugzien’ (vs. 13). Dat waren de woorden van Mozes, waardoor hij het volk de verzekering gaf van de volkomen bevrijding van de vijand.

Het is opmerkelijk dat Mozes alleen over de Egyptenaren spreekt tot het volk en niets zegt over de zee; daarover had de Heer Zelf ook niets tot Mozes gezegd. Uit de woorden ‘de Heer zal voor u strijden’ en dat wat daarmee in verband staat, namelijk de vernietiging van de vijand, mogen we opmaken dat Mozes er alleen zeker van is dat God de vijand vernietigen zou, zonder echter te weten op welke wijze. De weg waardoor God verlossing en bevrijding aanbracht, moest nog meer van Gods wondermacht getuigen dan dat Hij op de ene of andere wijze de vijand onschadelijk gemaakt zou hebben, en moest ook dienen om het volk te leren door het geloof te wandelen (Hebreeën 11:29).

‘Wat roept u tot Mij? Spreek tot de Israëlieten en zeg dat zij opbreken’. Zó sprak de Heer. En toen Mozes dit bevel ontving, was er nog geen verandering in de toestand gekomen, want het water van de zee was nog niet gespleten en het leger van de Egyptenaren kwam steeds dichterbij. Het volk was geroepen te gehoorzamen aan het woord dat de Heer tot Mozes gesproken had en verder af te wachten wat de Heer zou doen.

‘Spreek tot de Israëlieten en zeg dat zij opbreken’. Het is alsof de Heer tot het volk liet zeggen: ‘Laat u niet ophouden, want u bent op weg naar Kanaän, naar het land, dat Ik beloofd heb u te zullen geven, overvloeiende van melk en honing. Dat land is niet in de woestijn, trek dus voort, opdat u daarheen komt’. En zie, zij zijn voortgetrokken, totdat zij vlak voor het water van de Rode Zee stonden, zonder te weten wat er gebeuren zou.

Maar in hetzelfde ogenblik, toen zij geen uitweg zagen, hief Mozes zijn staf op en spleet de zee, zodat er een weg gebaand werd waarop zij met droge voeten konden gaan. Dat was de weg die God baande voor Zijn volk tot bevrijding van de achtervolgende vijand.

Wat met Israël, als volk van God, gebeurd is toen het Egypte verliet, kan ook met ons, als gelovigen, gebeuren. Er kunnen zich schijnbaar onoverkomelijke moeilijkheden voordoen, die ons doen vragen: ‘wat nu?’ of: ‘waartoe dit?’ Wij zien dan meer op de omstandigheden dan op de Heer Die ze leidt en lopen het gevaar ons door deze omstandigheden te laten beheersen en te vergeten dat wij op weg zijn naar het land van de eeuwige rust, een rust die God voor de Zijnen bereid heeft (Hebreeën 4).

‘Zeg dat zij opbreken’, is dan het woord dat ook wij nodig hebben. Dit zegt de Heer vóórdat Hij enige verandering gebracht heeft in de toestand of in de omstandigheden. In vertrouwen op dat woord, omdat dit het woord van de Heer is, hebben wij te gehoorzamen. Dan zullen wij, evenals het volk van Israël, ‘het heil van de HEERE’ zien.

Dit betekent voor ons dat wij zullen ondervinden hoe God ons op wonderbare wijze, waaraan wij niet hadden kunnen denken, staande weet te houden en door de moeilijkheden weet heen te leiden, opdat Zijn Naam verheerlijkt wordt! Wat het Mijne is, zo zegt God als het ware, daarvoor draag Ik zorg, daarop heb Ik Mijn oog gericht, daarover waak Ik, dat staat in de nauwste betrekking tot Mijn hart. Hoe vertroostend en bemoedigend is dit, ook voor ons! En te meer omdat hetgeen bij ons zwak en gebrekkig is, bij de Heer, onze God, volmaakt is.

Dat wat waar is voor de gelovige, als het hem persoonlijk geldt, is ook waar voor de Gemeente van God op aarde. Welke moeilijkheden en bezwaren kunnen er niet komen voor de Gemeente van God! Dit weten wij niet alleen door Gods Woord, maar ook uit eigen ervaring.

Hoe vaak zijn er ogenblikken dat wij verlegen staan en niet weten wat wij zeggen moeten, bijvoorbeeld als de Heer trouwe en begaafde werkers tot Zich neemt, van wie wij meenden dat ze nog niet gemist konden worden en met wie, naar onze gedachten, zoveel stond of viel, want hun woord en hun dienst waren nog zo nodig. Als wij zien op het gemis, zijn wij geneigd ons meer met de moeilijkheden bezig te houden die zich nu al voordoen of die nog komen zullen, dan met de Heer, Die hen tot Zich nam en Die ook dat alles wist, veel beter dan wij. Dat er dan een roepen tot de Heer is, zoals Mozes deed, is nodig en goed, maar om met het volk bij de zee te blijven, is niet goed.

Het woord: ‘Zeg dat zij opbreken’ is het woord voor ons, waaraan gehoor gegeven moet worden, opdat het ‘heil van de HEERE’ gezien wordt. Hoe pijnlijk en moeilijk het ook mag zijn om voort te trekken zonder hen die tot ons het Woord Gods gesproken hebben, er blijft niets anders over, want het is de Heer Die het zegt. En gelukkig! Hij Die tot het volk van Israël liet zeggen dat ‘Hij voor hen strijden zou’, gaat mee.

Is het niet treffend voor ons dat wij in Handelingen 20 het afscheid van de trouwe en zeer begaafde werker, de apostel Paulus, van de gemeente te Efeze vinden opgetekend? Een afscheid, voorafgegaan door een voorspelling van de ernstigste aard voor de gemeente: ‘Want dit weet ik, dat na mijn vertrek wrede wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet sparen; en uit uzelf zullen mannen opstaan die verkeerde dingen spreken om de discipelen achter zich af te trekken(vs. 29).

Kunnen wij ons iets ernstigers indenken? Was dat niet in staat om hen de moed en hoop voor de instandhouding van het werk van God op aarde te ontnemen? En dan te weten dat, als deze dingen zouden komen, hij, de trouwe en met zoveel inzicht begaafde dienstknecht van de Heer, die steeds aan het heil van hun zielen had gewerkt, er niet meer zijn zou.

Het belangrijkste wat hierbij opvalt, is dat de apostel de gemeente in Efeze geen enkel menselijk hulpmiddel aanwijst om zo mogelijk het komende kwaad af te wenden. Hij zegt dat zij waken en zich herinneren moesten dat hij drie jaren, nacht en dag, niet opgehouden had een ieder van hen met tranen te vermanen. Welk een liefde, wat een trouw! Dat was de zekerste bescherming om door de wrede wolven niet aangetast en door de verleidende woorden niet afgetrokken te worden.

En nu, ik draag u op aan God en aan het woord van Zijn genade, Die machtig is om op te bouwen en u een erfdeel te geven onder alle geheiligden’ (Handelingen 20:32). Het enige wat de apostel kon doen, was de gemeente aan God opdragen. Hij kon en hij mocht niets anders doen dan het oog van de gemeente op God en op het woord van Zijn genade te richten. Hij was de Machtige om ze op te bouwen en in het bezit te stellen van de hemelse erfenis. God en het woord van Zijn genade alleen had zij nodig. Van die getrouwe en machtige God en van Zijn heerlijk woord kon zij alles verwachten, want wanneer alle menselijke hulpbronnen uitgeput zijn en beschaamd gemaakt hebben, dan is God de ware Hulpbron en is Zijn macht niet verminderd om de gelovigen te sterken, op te bouwen in het geloof en hen te brengen aan het einde, waar de kroon des levens hun deel zal zijn.

Hoe gezegend is het op God te mogen rekenen bij alles wat er is of komen mag! Dat dit ook voor onze harten steeds genoeg is, en ons oog op de Heer gericht mag blijven!

naar G. P. B.

G.P.B.