Vluchtelingen en immigranten
Door het geloof gehoorzaamde Abraham toen hij geroepen werd, om uit te gaan (…) en hij ging uit zonder te weten waar hij komen zou. Door het geloof verbleef hij als vreemdeling in het land van de belofte als in een vreemd land en woonde in tenten (…); deze allen (…) beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren. (Hebreeën 11:8-9,13)
Wanneer een vreemdeling bij u in uw land verblijft, mag u hem niet uitbuiten. De vreemdeling die bij u verblijft, moet voor u zijn als een ingezetene onder u. U moet hem liefhebben als uzelf, want u bent zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte. Ik ben de HEERE, uw God. (…) Voor u geldt één recht, zowel voor de vreemdeling als voor de ingezetene, want Ik ben de HEERE, uw God. (Leviticus 19:33-34; 24:22)
Het probleem van de – zowel legale als illegale – vluchtelingen en immigranten is op dit moment een veelbesproken onderwerp in het nieuws. Politici nemen verschillende standpunten in en hebben veel te zeggen over deze onderwerpen in hun wedijveren om functies en media-aandacht. Aangezien wij als gelovigen hemelburgers en ambassadeurs van Christus zijn, moeten we ons onthouden van betrokkenheid bij politieke kwesties van deze wereld. Maar laten we kort kijken naar enkele dingen die God te zeggen heeft over dit onderwerp.
Te beginnen met Adam en Eva buiten de prachtige hof van Eden, worden kinderen van God vaak beschouwd als vreemdelingen in deze wereld. Genesis 14:13 en 23:6 laten zien dat Abraham het respect gewonnen had van de mensen in Kanaän, onder wie hij volgens Hebreeën 11 als vreemdeling en bijwoner in tenten woonde, terwijl hij uitzag naar een vaderland, een hemels land, ‘de stad die de fundamenten heeft, waarvan God ontwerper en bouwmeester is’ (vs. 10). Petrus, die voornamelijk aan Joodse gelovigen schrijft, richt zich in soortgelijke bewoordingen tot hen. Zijn brieven zijn natuurlijk ook voor ons van toepassing.
God zond Jakob en zijn gezin in een tijd van hongersnood naar Egypte en vermenigvuldigde hen daar. Een paar generaties later riep Hij Zijn aardse volk uit Egypte naar het land dat Hij hun voorvaderen beloofd had. Steeds weer herinnert Hij hen eraan dat zij zelf vreemdelingen waren geweest in Egypte, en dat zij daarom de vreemdelingen in hun land niet slecht mochten behandelen. Ze moesten hen juist liefhebben en hen vriendelijk en rechtvaardig behandelen, net zoals ze dat de mensen van hun eigen volk zouden doen. God stond niet alleen arme Israëlieten toe om aren te lezen op de velden die werden geoogst; dit voorrecht gold ook voor vreemdelingen in het land, zoals we zo prachtig zien in het boek Ruth. Een vreemdeling mocht zelfs van het Pascha eten als hij dat wenste, maar dat moest dan op dezelfde grondslag als de Israëliet: hij en al zijn mannelijke gezinsleden moesten besneden worden. Regelmatig werden vreemdelingen opgenomen onder de Israëlieten – mooie voorbeelden hiervan zijn Rachab en haar familie, Ruth, Ithai de Gethiet en zijn zeshonderd mannen met hun gezinnen uit Gath die David gevolgd waren, en enkelen van Davids helden.
Onze vroegste broeders kregen met tegenstand en vervolging te maken. De Heilige Geest leidde de eerste christenen ertoe om bijeen te zijn en alles gemeenschappelijk te hebben. ‘Zij verkochten hun goederen en bezittingen en deelden ze uit aan allen, naardat iemand nodig had’ (Handelingen 2:42-44). En nadat Stefanus gestenigd was, ‘ontstond (…) een grote vervolging tegen de gemeente die in Jeruzalem was; en allen werden verstrooid door de landstreken van Judea en Samaria, behalve de apostelen. (…) Zij dan die verstrooid waren, gingen het land door en verkondigden het woord’ (8:1,4).
Deze verkondiging kreeg een nog groter bereik: ‘Zij dan die verstrooid waren door de verdrukking die wegens Stefanus had plaatsgevonden, gingen het land door tot Fenicië, Cyprus en Antiochië toe, terwijl zij (…) het woord spraken (…) en de Heer Jezus verkondigden’ (11:19-20). Omdat zij zich niet vastgeklampt hadden aan hun bezittingen, hadden ze minder te verliezen toen ze vreemdelingen en vluchtelingen werden in verre oorden. Ze treurden niet om wat ze kwijtgeraakt waren. Nee, ze deelden de kostbare rijkdommen die ze bezaten, en die hun niet afgenomen konden worden: Gods Woord, Christus! God gebruikte dit om het christelijk getuigenis snel te verspreiden naar verre plaatsen en aan ‘volken in het vlees (…) onbesneden (…) genoemd (…) zonder Christus (…), vreemd aan het burgerschap van Israël en vreemdelingen van de verbonden der belofte, (…) geen hoop (…) en zonder God (…) in de wereld’ (Efeze 2:11-12).
Vanaf het moment dat ze hun vertrouwen stelden op Christus als Verlosser en Heer en hun zonden daardoor vergeven waren, werden deze gelovigen in principe vreemdelingen en bijwoners. Ze ontdekten dit ook al snel in hun dagelijks leven. Dit is door de eeuwen heen doorgegaan. (Wij weten echter dat niet iedereen die belijdt christen te zijn, ook werkelijk persoonlijk de verlossing heeft ervaren door het geloof in onze Heer Jezus Christus.) Een eeuw geleden werden, in wat toen het Ottomaanse Rijk was, ongeveer 1,5 miljoen Armeniërs van huis verdreven door de Turkse strijdkrachten, en de meesten van hen werden op verschillende manieren wreed vermoord.
Zeer vele gelovigen vandaag de dag hebben dezelfde ervaringen van vervolging doorgemaakt, of ondervinden die nu. De meeste christenen in Irak, wier wortels teruggaan tot de eerste eeuwen van het christelijk tijdperk, zijn hun land ontvlucht. Velen van hen zitten in de buurlanden in vluchtelingenkampen. Sommigen zijn naar Noord-Amerika of Europa gekomen. Christenen zijn als martelaren gestorven door de handen van ISIS-strijders in Midden-Oosterse landen en in Noord-Afrika, en dat gebeurt nog steeds. Zeventien jaar geleden werden Graham Staines en zijn twee jonge zonen door een hindoemenigte levend verbrand in hun stationwagon in Odisha, een deelstaat van India. Acht jaar geleden brak er in Odisha een ernstige christenvervolging uit. Mensen werden vermoord, velen vluchtten voor hun leven de bossen in, vluchtelingenkampen werden aangevallen en huizen, kerken en bezittingen vernietigd. In een aantal staten in India zijn antibekeringswetten uitgevaardigd om christenen ervan te weerhouden mensen te winnen voor het geloof in Christus.
In Congo hebben ongeveer vijf miljoen mensen het leven gelaten in oorlog en burgeroorlog. Hoewel de primaire oorzaak van deze omstandigheden wordt gevormd door de hebzuchtige inspanningen van landen, bedrijven en personen om de beheersing te verkrijgen over de enorme natuurlijke rijkdommen van dit in potentie rijke land, kunnen we ook zeggen dat de satan erin geslaagd is om verschrikkelijk leed en verlies te veroorzaken voor vele duizenden christenen die gedwongen werden hun huis te ontvluchten, en vermoord of verkracht zijn of omgekomen door de honger. Christenen in Sudan hebben geleden, en lijden nog steeds, vanwege de antichristelijke houding van de regering. Door deze lange reeks problemen is het land uiteindelijk verdeeld in twee landen: Sudan en Zuid-Sudan. Maar de problemen zijn niet verdwenen, en christenen in beide landen lijden nog steeds.
Soortgelijke dingen kunnen gezegd worden over andere landen in de hele wereld. Vanwege politieke en andere redenen worden het lijden en de vervolging waaraan christenen zijn onderworpen, grotendeels genegeerd door regeringen in onze landen. Onze Heer Jezus hield Zijn discipelen voor dat ze dit soort behandeling moesten verwachten. ‘Als zij Mij hebben vervolgd, zullen zij ook u vervolgen (…) dit alles zullen zij u doen om Mijn naam’, horen wij Hem zeggen in Johannes 15:20-21. En Paulus en Barnabas onderwezen de nieuwe gelovigen dat ‘wij door vele verdrukkingen het koninkrijk van God moeten binnengaan’ en ‘droegen hen op aan de Heer in Wie zij hadden geloofd’ (Handelingen 14:22-23).
Wij, in de Verenigde Staten, horen veel over illegale immigratie vanuit Mexico en Midden-Amerika. Een groot deel hiervan komt voort uit armoede, drugshandel, gevaarlijke leefomstandigheden en inspanningen van mensen om aan deze problemen te ontkomen. Hoewel het zelden wordt genoemd, is vervolging van christenen ook een element in de achtergrond van sommigen van deze mensen. Of het nu gaat om vreemdelingen, vluchtelingen of immigranten – de Heer heeft hen lief en strekt Zijn hand naar hen uit. Doen wij dat ook?
Samengevat: de meeste van de problemen waarmee veel landen op dit moment geconfronteerd worden wat betreft vluchtelingen en illegale en zogenaamde immigranten, zijn te wijten aan het toenemend kwaad in de wereld. Veel christenen worden ook getroffen voornamelijk omdat zij de Heer Jezus liefhebben of in elk geval naar Zijn naam genoemd worden. Gods Woord zegt ons: ‘Laten wij dus, wanneer wij gelegenheid hebben, goeddoen aan allen, maar het meest aan de huisgenoten van het geloof’ (Galaten 6:10). We moeten alles doen wat in onze macht ligt om onze medechristenen te helpen. Bovendien legt God een groot zendingsveld voor onze deuren. We behoren beslist bereid te zijn om christelijke liefde en vriendelijkheid te betonen aan allen, en de gelegenheden aangrijpen die God ons daarbij geeft om onze Heer en Verlosser bekend te maken aan deze vreemdelingen. Laten we niet vergeten dat velen van ons, of onze voorouders, zelf ook immigranten waren of misschien zelfs vluchtelingen. We moeten in liefde al het mogelijke doen, in het besef dat de Heer misschien spoedig ook tot ons zal zeggen: ‘Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van Mij, hebt u het Mij gedaan.’ Moge het zo zijn dat Hij niet tegen ons zal hoeven zeggen: ‘Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het aan een van deze geringsten niet hebt gedaan, hebt u het Mij ook niet gedaan’ (Mattheüs 25:40,45).
E.P. Vedder jr.