‘U moet opnieuw geboren worden’
In het derde hoofdstuk van het Johannesevangelie wordt een hoogst opmerkelijk gesprek weergegeven, namelijk tussen de Heer Jezus en Nicodémus, ‘de leraar van Israël’. Dit gesprek bevat buitengewoon belangrijke en fundamentele mededelingen over de nieuwe geboorte en het eeuwige leven. Ze komen uit de mond van Hem Die uit onpeilbare genade uit de hemel gekomen was, Die sprak over wat Hij wist, en getuigde van wat Hij gezien had, Die God volledig kende en Die volkomen wist wat er in de mens was. Laten we met het laatste punt beginnen.
Veroordeeld – maar niet bekeerd
Nicodémus had een puur menselijke overtuiging van Christus: op grond van de tekenen en wonderen van de Heer had Nicodémus de overtuiging gekregen dat Hij een van God gekomen leraar was, ‘want niemand kan deze tekenen doen die U doet, tenzij God met hem is’ (Johannes 3:2). Dergelijke conclusies vinden we al eerder, in hoofdstuk 2, in de verzen 23 tot 25, waar we horen dat velen in Zijn Naam geloofden ‘toen zij Zijn tekenen zagen die Hij deed. Maar Jezus Zelf vertrouwde Zich aan hen niet toe, omdat Hij allen kende; en omdat Hij het niet nodig had dat iemand van de mens getuigde, want Hij wist Zelf wat in de mens was’. De Heer Jezus wist hoe verdorven, zondig en dood de natuurlijke mens is, dat er niets was waarbij Hij had kunnen aanknopen, waarop Hij zou hebben kunnen bouwen. Deze Joden hadden een menselijk gevormd – en volkomen juist – idee van Wie Christus is. Zij zelf echter bleven daarbij volledig onveranderd.
Hoeveel Christenen lijken op deze mensen, lijken op Nicodémus. Ze geloven in een zekere oprechtheid van Christus, maar het is alleen een begripsmatige kennis, een menselijk ‘voor waar houden’. Ze kennen Christus niet echt. In hun hart is nog geen behoefte aan Hemzelf ontwaakt. De Persoon van Christus en Zijn getuigenis over Goddelijke dingen laten hun harten koud. Dat is het sterkste bewijs van het feit dat ze geestelijk dood zijn. Ook deze religieuze Nicodémus was zo: overtuigd maar onbekeerd, onveranderd dood, en – als het daarbij gebleven zou zijn – eeuwig verloren!
Laat toch niemand zichzelf ten aanzien van het heil en de ware toestand van zijn ziel misleiden! Misschien bent u geen uitgesproken vijand van Christus, maar houdt u met een zekere oprechtheid voor waar wat de Heilige Schrift over Hem zegt. Misschien bent u zelfs wel religieus, gaat u naar Christelijke lezingen, leest u Christelijke geschriften, bent u werkzaam op het Christelijk terrein. Maar zegt u eens: hebt u een innerlijk verlangen naar de Persoon van de Heer Jezus? Hebt u vandaag al eens in liefde aan Hem gedacht? Nee? Kijk, dan bent u nog dood, dood voor God, ongevoelig voor de gedachten van God. U kunt een goede mening over Jezus Christus hebben, maar daarmee gaat u, wanneer u niet méér hebt, eeuwig verloren, omdat God dat wat van het vlees is, wat van de mens is, niet kan aannemen. U hebt Christus Zelf nodig, Hem Die het eeuwige leven is.
Behoeften
Maar de Geest van God werkt in genade, en waar Hij werkt, ontstaat in de ziel een verlangen naar dat wat van de Geest is: Nicodémus komt bij de Heer Jezus (vers 2). In tegenstelling tot de Joden in Jeruzalem heeft Nicodémus geestelijke behoeften in zijn ziel. Ze zijn altijd een teken van de werkzaamheid van God.
Nicodémus komt in de nacht naar Jezus, want hij wil niet door de mensen gezien worden. Hoe zeer is de waardigheid aangetast van hem die als leraar van Israël geroepen was om te onderrichten en nu zelf moest komen om iets te leren! Welke hindernissen komen juist vrome mensen tegen! Nicodémus komt weliswaar bij nacht bij de Heer Jezus, maar hij komt bij de unieke Persoon, Die hem echt kan helpen en zijn vragen kan beantwoorden. De Heilige Geest brengt hem niet in de ene of de andere kerk, bij deze of gene predikant; nee, Hij brengt ons altijd en uitsluitend bij de Heer Jezus, de Zoon van God.
Het Koninkrijk van God ‘zien’
Nicodémus neemt het als gegarandeerd, als vanzelfsprekend, aan dat hij als Jood een kind van het Koninkrijk is, en hij wenst onderwijs: ‘Rabbi, wij weten dat U van God bent gekomen als Leraar; want niemand kan deze tekenen doen die U doet, tenzij God met hem is’ (vers 2). Maar in het antwoord van de Heer: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien’ (vers 3) worden direct twee belangrijke waarheden duidelijk:
- De Heer onderwijst niet het vlees. Hij denkt er niet aan om de mens, hoe hij ook is, te verbeteren.
- De mens moet een nieuwe natuur, nieuw Goddelijk leven hebben.
God richt een Koninkrijk op, een gebied van macht en zegening voor de Zijnen; daar werkt Hij. Alleen al het feit dit Koninkrijk te zien, veronderstelt nieuw leven. Het ‘vlees’, dat is de mens in zijn natuurlijke toestand, kan het niet eens waarnemen. Ook Nicodémus zag het niet. Ondanks zijn godsdienstigheid en geleerdheid begreep hij niets van de dingen van God, zoals vers 4 ons laat zien. Waarom zag Nicodémus het Koninkrijk van God niet? Het lag niet aan de Heer, Die Zijn heerlijkheid door machtige wonderen bewezen had. Nee, het probleem lag bij hemzelf: Hij had nog niet ontdekt dat hij volledig verloren was, dood in zonden en overtredingen (Efeze 2:1). Er was niets te ‘verbeteren’. Wat hij nodig had en wat ieder mens nodig heeft, wanneer hij het Koninkrijk van God ook wil zien, is het ontvangen van een nieuwe natuur, dat is: ‘opnieuw geboren worden’.
Maar voordat we dit belangrijke thema verder gaan bekijken, willen we graag kort ingaan op de door de Heer tot tweemaal toe gebruikte uitdrukking ‘Koninkrijk van God’. ‘Koninkrijk van God’ is een algemeen, omvattend begrip voor het geestelijk terrein, waarop God werkzaam is en de harten regeert. Soms staat bij het gebruik van de uitdrukking ‘Koninkrijk van God’ meer het maatschappelijke aspect op de voorgrond, soms meer het bijbehorende morele aspect. Wat het laatste aangaat, is het bekende vers in Romeinen 14 vooral een goed voorbeeld: ‘Want het Koninkrijk van God is niet eten en drinken, maar rechtvaardigheid en vrede en blijdschap in de Heilige Geest’ (Romeinen 14:17, vergelijk ook 1 Korinthe 4:20).
In de verschillende bedelingen van Gods handelen met de mens openbaart dit Koninkrijk zich ook in verschillende vormen. Toen de Heer Jezus hier op aarde was, was het Koninkrijk van God in de Persoon van Christus, de Koning, in hun midden (Lukas 17:21; Mattheüs 12:28). Dit Koninkrijk zal later eens in macht en heerlijkheid geopenbaard worden (vergelijk 2 Thessalonika 1:5; Lukas 22:18), waarbij het aardse gedeelte uit het ‘Koninkrijk van de Zoon des mensen’ en het hemelse gedeelte uit ‘het Koninkrijk van de Vader’ bestaat (Mattheüs 13:41 en 43). Vandaag is het Koninkrijk van God in het Christendom te vinden. Paulus predikte het als zodanig (Handelingen 20:25; 28:31).
Het Koninkrijk van God ‘binnengaan’
De beide vragen van Nicodémus in vers 4 laten ons twee dingen zien: allereerst dat het Griekse woordje ‘anothen’ in de verzen 3 en 7 in dit verband niet alleen maar ‘van boven af’, maar ‘opnieuw’ betekent. Zo begreep Nicodémus het in ieder geval. De Heer Jezus spreekt niet over een geboorte van boven af als van een soort verjonging, waarvan menigeen droomt. Zelfs wanneer dit mogelijk zou zijn, zou het vlees toch alleen maar vlees blijven. Nee, Hij spreekt over de noodzaak van een volledig nieuwe geboorte. In de tweede plaats laat Nicodémus met zijn vragen weten dat hij, hoewel hij de leraar van Israël was, niet in staat was om het Koninkrijk van God zelfs maar te zien.
Maar de genadige Heer Jezus laat de vragende Nicodémus niet in de kou staan. Hij wijst hem de weg om het Koninkrijk binnen te kunnen gaan: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het koninkrijk van God niet binnengaan’ (vers 5). Hier beschrijft de Heer Jezus wat Hij onder ‘opnieuw geboren worden’ verstaat. De door Hem nu gebruikte woorden ‘water’ en ‘Geest’ betekenen niet zoiets als twee verschillende geboorten, maar twee aspecten van de nieuwe geboorte.
‘Uit water …’
Water is in de Heilige Schrift vaak een beeld van het Woord van God, toegepast door de Heilige Geest. Het wordt ook door de Geest Zelf in Zijn macht gebruikt. Hier echter in Johannes 3:5 onderscheidt het water van de Heilige Geest zich, omdat het ‘water’ een instrument is dat op morele manier met de mens handelt. De Heilige Geest gebruikt het Woord van God met macht, past het toe op de toestand van de ziel van de mens en stuurt daarmee alles in de mens. Dat is ongetwijfeld een ernstig en pijnlijk proces in de ziel, dat echter – wanneer het gepaard gaat met bekering en geloof – leidt tot het leven (vergelijk Handelingen 11:18: ‘bekering tot [het] leven’).
Het Woord van God is de openbaring van de gedachten van God. Wat een genade, dat door het Woord onze armzalige gedachten aan de kant gezet worden en de gedachten van God daarvoor in de plaats komen!
‘Naar Zijn eigen wil heeft Hij ons voortgebracht door het Woord van de waarheid’ (Jakobus 1:18) ‘… opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord’ (Efeze 5:26). ‘U bent al rein om het woord dat Ik tot u gesproken heb’ (Johannes 15:3), ‘u die wedergeboren bent, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levend en blijvend Woord van God’ (1 Petrus 1:23). Al deze plaatsen laten zien dat het Woord van God (in het beeld van water of van zaad) het instrument van de nieuwe geboorte is. Wij zijn ‘uit water’ geboren.
Dat de Heer Jezus, wanneer Hij over ‘water’ spreekt, niet in het minst aan het water van de een of andere doop denkt, blijkt wel duidelijk uit de aangehaalde plaatsen. De doop is bovendien een ‘begrafenis’ (Romeinen 6:4) en in zichzelf nooit een beeld van leven.
‘… en Geest’
Het gaat dus bij de nieuwe geboorte om een natuur die van de Geest van God vandaan komt. Water reinigt, maar het kan uit zichzelf geen leven geven. Maar de Heilige Geest deelt met de gelovige nieuw leven, dat van Hem Zelf is en Zijn karakter draagt. Zo lezen wij dan in het volgende vers: ‘Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest’ (Johannes 3:6). Alles wat geboren wordt, is van hetzelfde soort of dezelfde natuur als degene die het baarde. Wat het vlees, de zondige natuur van de mens, voortbrengt, is opnieuw vlees. Het kan geen geestelijke vruchten voortbrengen en zelf op geen enkele manier verbeterd of veredeld worden. ‘Vlees’ zal nooit ‘geest’ worden. U kunt een blok ijzer net zolang smeden tot het een dun, veerkrachtig staafje wordt, maar het is en blijft overeenkomstig zijn samenstelling, wat het altijd al was: ijzer.
De natuurlijke mens wordt van zijn geboorte af aan gekenmerkt door een zondige natuur. Of hij ruw en grof of fijn geslepen en gevormd is, zijn natuur, zijn karakter is ‘vlees’. Vóór de nieuwe geboorte is dus alleen maar vlees aanwezig. Maar door het geloof in Christus wordt de mens ‘uit God geboren’ (Johannes 1:12-13; 1 Johannes 5:1). Hij ontvangt door de Geest een nieuwe natuur, de natuur van God (2 Petrus 1:4), het leven van Christus Zelf. Net zo min als vlees tot geest kan worden, kan deze nieuwe natuur, die door de Heilige Geest bewerkt wordt en waarvan Hij de kracht is, tot vlees degenereren. Ze is als een gave van God op zich volmaakt en goed en kan niet zondigen (1 Johannes 3:9).
‘Vlees’ – verschillende betekenissen
Voordat wij verder gaan, is het nuttig om over de uiteenlopende betekenissen van de uitdrukking ‘vlees’ in de Heilige Schrift na te denken.
Wij moeten niet verwachten in het Oude Testament al het Nieuwtestamentische gebruik van het woord ‘vlees’ te vinden, alsof daar al in het Oude Testament de bron van alle kwaad onder verstaan zou worden, want zolang de mens nog onder de beproeving door de wet stond, konden het verdorven karakter en de toestand van de mens nog niet volledig aan het licht komen. Vaak betekent daarom ‘vlees’ eenvoudig de ‘mensen’, ‘mensheid’ of het ‘mensdom’ en omvat het in veel gevallen het hele dierenrijk. Er kan hier op hetzelfde gebruik in het Nieuwe Testament gewezen worden: ‘Het Woord is vlees geworden’ (Johannes 1:14).
Omdat echter de zondeval is ingetreden, wordt ‘vlees’ in het Oude Testament zeer vaak als symbool van zwakheid en broosheid van het schepsel gebruikt. ‘Mijn Geest zal niet voor eeuwig met de mens twisten, omdat ook hij vlees is’ (Genesis 6:3; vergelijk ook Job 7:17-18; Psalm 144:3-4). ‘Alle vlees is gras’ (Jesaja 40:6). ‘Hij dacht eraan dat zij broze schepselen waren, een windvlaag, die gaat en niet terugkeert’ (Psalm 78:39). ‘Wat zou een schepsel [lett. vlees] mij kunnen doen?’ (Psalm 56:5). ‘… dan zou alle vlees tegelijk de geest geven’ (Job 34:15). ‘Vervloekt is de man die vertrouwt op een mens, en die een schepsel [lett. vlees] tot zijn arm stelt’ (Jeremia 17:5).
Dit gebruik van ‘vlees’ wordt ook in het Nieuwe Testament voortgezet. Zo zegt de Heer Jezus: ‘De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak’ (Mattheüs 26:41).
Pas in het Evangelie naar Johannes vinden we voor de eerste keer de uitdrukking ‘vlees’ als aanduiding van onze boze, verdorven natuur, van ons treurige erfdeel door de zondeval. Wij horen bijvoorbeeld in hoofdstuk 1 vers 13 van de ‘wil van het vlees’, waaruit de geboorte niet voortkomt.
Twee ‘naturen’
Er is vaak tegengeworpen dat wij in de Heilige Schrift de uitdrukkingen ‘oude natuur’ en ‘nieuwe natuur’ niet vinden. Dat is juist, maar de zaak zelf treffen we wel aan.
Iedere gelovige Christen heeft twee geboorten beleefd: de lichamelijke geboorte en de nieuwe geboorte. Door de eerste werd hij een kind van zijn ouders, door de tweede een kind van God (Johannes 1:12-13). In overeenstemming met de twee geboorten kunnen wij terecht spreken van twee naturen, dus van twee groepen morele kenmerken die de gelovige heeft. Het eerste ontspringt aan het aardse, de tweede aan het Goddelijk leven. Als kinderen van Adam hebben en openbaren wij de menselijke natuur, als wedergeboren kinderen van God bezitten en openbaren wij de Goddelijke natuur. Bovendien moeten wij onderscheiden tussen onze natuur als mens, want God had de mens aan het begin ‘oprecht gemaakt’ (Prediker 7:29) en onze natuur als gevallen mensen.
Wanneer wij over ‘de oude natuur’ spreken, bedoelen wij dus het laatste. De menselijke natuur als zodanig daarentegen zullen wij altijd behouden. Ook zullen wij dezelfde persoonlijkheid blijven, ongeacht de veranderingen in ziel en geest door de nieuwe geboorte.
Ook een vlinder heeft meer dan één verschijningsvorm. Hij moet verschillende stadia doorlopen. Eerst was er slechts een ei te zien, later een rups; nog later zag men een pop. En toen ging op een dag die bontgekleurde vlinder de blauwe lucht in. Wij kunnen best de kenmerken van het ei en dat van de pop of van de rups onderscheiden. Toch gaat het steeds om hetzelfde wezen of schepsel, dat steeds de natuur van een insect heeft behouden. Zo is het dus ook voor ons belangrijk dat wij leren te onderscheiden tussen onze ‘menselijke natuur’ en de eigenlijke persoonlijkheid, die voor God verantwoordelijk is.
Nu is het voor pasbekeerden vaak een grote, verwarrende moeilijkheid om in zichzelf twee zo volledig tegengestelde bronnen, twee zo totaal verschillende naturen naast elkaar te moeten vaststellen. Twee voorbeelden uit het Goddelijk leerboek van de schepping kunnen hier een beetje bij helpen.
Hebt u wel eens een korenveld in de vrije natuur gezien? Nee, zoiets is er niet. Korenvelden zijn alleen daar waar mensen zijn. Zo lijkt het hart van een mens van nature op een onbebouwd veld, dat niets anders dan dorens en distels kan voortbrengen. Als er goede vrucht moet ontstaan, dan moet er leven van het juiste soort in de bodem van de akker komen.
God plant bij de nieuwe geboorte door het zaad van Zijn Woord de nieuwe natuur in ons (vergelijk Jakobus 1:21; 1 Johannes 3:9), die als Zijn gave op zich volmaakt is. Maar in ons bestaat nog het kwaad, de oude natuur, net als de dorens en distels in het veld, waarin koren gezaaid wordt.
Of neem het voorbeeld van een onderstam waarop een perziktwijg geënt is. De onderstam als zodanig is voor de fruitboer waardeloos. Wel brengt hij op een dag vruchten voort, maar ze zijn niet lekker. Als dat ooit anders moet worden, dan helpt al het omgraven, bemesten en snoeien niets: er moet nieuw leven in hem komen. Dit gebeurt door een innige verbinding met de knoppen dragende twijg van een ‘edele boom’. Als de levensverbinding door het enten van de perziktwijg gemaakt is, noemt de fruitboer de boom niet meer naar de naam van de onderstam, maar naar de naam van de edele boom, waar de uitlopende twijg van genomen werd (vergelijk 1 Johannes 3:1), omdat hij nu deel heeft aan de natuur van die boom. De fruitboer snoeit dan ook al de oude uitlopers (vergelijk Romeinen 6:11; Kolosse 3:5), want als hij ze hun gang laat gaan en laat groeien, dan zullen ze weer alleen waardeloze vruchten opleveren. Ze zullen hun oude karakter dragen.
Nu, dat alles illustreert de woorden van onze Heer: ‘Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest’ (Johannes 3:6).
De noodzaak van de nieuwe geboorte
Wanneer de Heer zegt: ‘U moet opnieuw geboren worden’ (Johannes 3:7), bedoelt Hij daarmee in de eerste plaats de Joden. Nicodémus, als leraar van Israël, zou uit Ezechiël 36 hebben moeten weten dat de nieuwe geboorte een belofte van God aan Zijn aardse volk was en dat Israël, om de beloofde aardse zegeningen van het koninkrijk te kunnen genieten, uit water en Geest geboren moest worden. ‘Ik zal u uit de heidenvolken halen en u uit alle landen bijeenbrengen. Dan zal Ik u naar uw land brengen. Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen. Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven. Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven. Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en dat u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt’ (Ezechiël 36:24-27).
Wat een dringende noodzaak dus voor de Jood om opnieuw geboren te worden, wanneer hij ooit het koninkrijk van God wil binnengaan! Wat een dringende noodzaak voor ieder mens, wanneer hij niet eeuwig verloren wil gaan!
Zeker hebben wij Christenen andere, belangrijkere zegeningen dan de Joden. Hun zegeningen hebben een aardse, de onze een hemelse natuur. Maar om ze te verkrijgen, om God te zien en te kunnen genieten, is het nodig dat we delen in een nieuw leven, het leven en de natuur van God Zelf. Het is een onmetelijk voorrecht om uit God geboren te zijn!
‘De wind waait waarheen hij wil’
Deze woorden van de Heer (Johannes 3:8) geven aan hoe groot het geheim met betrekking tot de nieuwe geboorte is, en dat de nieuwe geboorte beslist een soevereine daad van God is. Toch is het absoluut misleidend om te leren – wat helaas vaak gebeurt – dat de nieuwe geboorte aan het geloof voorafgaat. Ons vijfde vers laat evenals 1 Petrus 1:23, Jakobus 1:18 en andere Schriftplaatsen zien dat de nieuwe geboorte door middel van het Woord van God plaatsvindt door de Heilige Geest. Ze kan niet van het Woord van God en het geloof in het Woord gescheiden worden: ‘Zo is dan het geloof uit de prediking, en de prediking door het Woord van God’ (Romeinen 10:17).
De beide uitspraken: ‘Tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het koninkrijk van God niet zien’ (Johannes 3:3) en ‘… opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft’ (Johannes 3:16) moeten steeds samengaan. Zo’n afwijking van de regel is niet mogelijk, dat iemand al opnieuw geboren is en nog niet in het evangelie geloofd heeft! De Goddelijke volgorde in Efeze 1:13 is: gehoord – geloofd – verzegeld. God geeft alleen diegenen het recht kinderen van God te worden die in Zijn Naam geloven (Johannes 1:12).
De hemelse Getuige
Maar wat betekenen de bijna bezwerende woorden van de Heer in Johannes 3:11? ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wij spreken wat Wij weten en Wij getuigen wat Wij hebben gezien’. En wie is die ‘Wij’? De Heer Jezus spreekt hier over Zichzelf als Degene Die volkomen één is met de Godheid, Die Zelf God is en zegt: ‘Wij’ – dat is God. Bovendien gebruikt Hij voor ‘weten’ een woord (Grieks: oída) dat niet een aangeleerde, maar intieme, innerlijke, echte, bewuste en persoonlijke kennis inhoudt.
O, onze dierbare Heer spreekt niet zoals de profeten spraken, geïnspireerd en met Goddelijk gezag, maar als Iemand Die volkomen met God vertrouwd is, omdat Hij Zelf God is. Hij spreekt zoals alleen Hij spreken kan, Die God en Zijn heerlijkheid bewust kent. Zijn kennis van de Goddelijke dingen was volledig onafhankelijk van de een of andere openbaring die Hij eerst zou moeten krijgen. Nee, Hij kende de dingen naar hun wezen, van voor de grondlegging van de wereld. Dat geeft aan de vaak zo eenvoudig klinkende woorden van onze Heer een onpeilbare diepte, gepaard gaand met een onvergelijkelijke trefzekerheid in de manier van uitdrukken. Inderdaad, in Zijn woorden vinden we Goddelijk onderwijs van onschatbare waarde!
Maar dan zegt de Heer nog dat Hij getuigt van wat Hij ‘gezien’ heeft. Hoe dierbaar is ook dit! Hij sprak over de hemelse heerlijkheid waarin Hij geweest was. Hij sprak erover wat bij deze heerlijkheid past, wat nodig is om er deel aan te hebben. Hoe dicht is God door Hem bij ons gekomen, hoe heeft God Zich door Hem bekendgemaakt, in Hem, een Mens, aan ons, de mensen. En nu hebben wij de nieuwe natuur en daardoor hebben wij omgang met God. Daarvoor zeggen wij God in eeuwigheid dank door Jezus Christus, onze Heer!
Maar is het te begrijpen dat men tegenover zo’n getuigenis van zo’n Getuige onverschillig of afwijzend kan zijn? Toch is het waar: zoals destijds de Joden deden, verwerpen vandaag vele naam-Christenen in het algemeen dit getuigenis van Christus. Niemand was ooit opgestegen naar de hemel (Johannes 3:13) dan Hij Die uit de hemel neerdaalde. Maar Hij was daarvandaan gekomen en kon dus volledig meedelen wat daar is en wat daar steeds was.
Kan God voor degenen die niet in Zijn Zoon en Diens getuigenis geloven, een ander antwoord dan het oordeel hebben? Zo horen we dan ook in ons hoofdstuk de ernstige woorden: ‘Wie in Hem gelooft wordt niet geoordeeld; <maar> wie niet gelooft is al geoordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van God’ (Johannes 3:18). ‘Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem’ (Johannes 3:36).
Een Goddelijk moeten
De Heer Jezus gaat in Johannes 3:14 spreken over Zijn dood aan het kruis. En Hij leidt die gedachte met dit ingrijpend ‘moeten’ in: ‘… zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden’. Waarom ‘moet’, zo vragen wij ons af? Deed Hij het werk aan het kruis dan niet vrijwillig? Jazeker! Maar de Heiland spreekt over de absolute noodzaak van Zijn sterven, in tweeërlei opzicht.
1. Gods heilige en rechtvaardige natuur enerzijds en onze verloren toestand anderzijds vereisen verzoening. God moet met al het gezag van Zijn gerechtigheid het kwaad oordelen. Wanneer ooit een zondig mens tot God komt, moet er verzoening plaatsvinden. Nee, Nicodémus, niet een op de aarde levende Messias, maar een verworpen (‘verhoogde’) Zoon des Mensen is nodig. Alleen in het kruis van Christus is genezende, reddende kracht voor de door de zonde verloren mens te vinden.
2. Maar God is ook Liefde; dat is een vast bestanddeel van Zijn natuur. In deze liefde is Hij soeverein over alles, ook over het kwaad, dat Hij moet oordelen. En in deze soevereine vrijheid hield God van deze wereld (Johannes 3:16), dat wil zeggen: niet alleen van de Joden, maar van alle mensen. Een geweldig feit! De Liefde geeft de eniggeboren Zoon. God wil Zich in Zijn liefde bekend maken, dus moet de Zoon des Mensen verhoogd worden. God wilde Zich niet alleen in het karakter van Rechter bekendmaken, maar Hij wilde dat wij Hem als onze Vader zouden kennen. De liefde van God is het uitgangspunt van al Zijn wegen, en met dankbare, aanbiddende harten mogen wij ook dit Goddelijk moeten met Zijn liefde verklaren.
Eeuwig leven
Nu de Heer over Zijn verzoeningswerk en over de heerlijke zegeningen spreekt, die Hij wil schenken aan wie in Hem gelooft, verandert Hij Zijn manier van uitdrukken en spreekt niet langer over nieuwe geboorte, maar over eeuwig leven: ‘… opdat ieder die in Hem gelooft, <niet verloren gaat maar> eeuwig leven heeft. Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft’ (Johannes 3:15-16).
Het is het raadsbesluit van de liefde van God dat wij alles met Christus zullen delen (natuurlijk Zijn Godheid uitgezonderd). De nieuwe geboorte echter kunnen wij niet met Hem delen, want Hij, de eniggeboren Zoon van de Vader, had deze geboorte nooit nodig, Hij bezat van eeuwigheid af het eeuwige leven. Maar het eeuwige leven moeten en mogen wij met Hem delen. Dat geeft ook meteen het verschil aan tussen de gelovigen van het Oude Testament, die ook opnieuw geboren waren, en de gelovigen uit de genadetijd, aan wie God deze onmetelijke genade schenkt: ‘eeuwig leven’.
Laten we voordat we afronden, nog even bij deze uitdrukking stil blijven staan, hoewel we ons onmiddellijk bewust worden van de grenzen van ons bevattingsvermogen over de Goddelijke waarheid. ‘Eeuwig leven’ is geestelijk, Goddelijk leven, waardoor wij opnieuw in staat worden gesteld God te kennen en te genieten (Johannes 17:3). Het is niet alleen maar onsterfelijkheid, niet alleen maar een leven zonder einde, maar ook zonder begin. Het behoort tot een wereld buiten onze waarneming (2 Korinthe 4:18). 1 Johannes 1 laat zien dat Christus Zelf het eeuwige leven is, dat bij de Vader was en ons bekendgemaakt is. Wie nu de Zoon heeft, heeft ook het leven (1 Johannes 5:11-12). In Efeze 1:4-5 wordt ons het tweeledige karakter van dit leven getoond:
- dat wat overeenstemt met de natuur van God, hoe Christus persoonlijk was en is (heilig en onberispelijk voor Hem in liefde);
- onze betrekking tot de Vader als zonen voor Hem; het is de positie van Christus Zelf.
Zo kunnen wij samenvattend zeggen dat eeuwig leven de positie is die Gods liefde aan ons geeft – tot Zijn eigen bevrediging. Het was het grote voornemen van God in al Zijn handelen uit genade om ons met Zichzelf gemeenschap te laten hebben. Krachtens het eeuwige leven nu genieten wij de liefde van de Vader en van de Zoon en hebben met Hen gemeenschap (1 Johannes 1:3).
Prachtige, volmaakte zegening! Wij zijn niet alleen door Hem gerechtvaardigd, niet alleen door Hem aangenomen, maar wij delen met Hem dezelfde gedachten en gevoelens. Hij heeft ze in Zichzelf; wij hebben ze van Hem, maar ze zijn hetzelfde. Omdat Christus ons Leven is, hebben wij het onmetelijke voorrecht van gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus. Iets nog groters, geliefden, is er niet, zelfs niet in de hemel.
C. Briem