Over onreine verbindingen; gasttoelating
Vraag:
Kunt u uit Gods Woord aantonen, dat gelovigen die persoonlijk rein zijn in leer en wandel, toch onrein kunnen zijn door hun verbindingen en daarom geweerd moeten worden van de Tafel van de Heer?
Antwoord:
2 Timotheus 2:19-22 geeft het beginsel aan. Daar zien we dat uiterlijke afzondering (zich onttrekken aan ongerechtigheid) noodzakelijk is als begin. Daarna moeten we samengaan met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart. Volgens de Schrift móét dus uiterlijke afzondering vooraf gaan, voordat we de Heer kunnen aanroepen uit een rein hart. In het Oude Testament staan tientallen plaatsen die met dit punt in verbinding staan. Bijvoorbeeld Leviticus 7:19-21, het dankoffer. En in het Nieuwe Testament evenzo bijv. 1 Korinthe 10:14-22, de enige plaats waar in het Nieuwe Testament over de Tafel van de Heer gesproken wordt. En daar wordt ook uitdrukkelijk naar het dankoffer van Leviticus 7 verwezen. De Israëlieten aten van het offer dat op het altaar aan de HEERE geofferd werd. Zo hadden ze gemeenschap met het altaar, 1 Korinthe 10:18. Het dankoffer is het enige offer waarvan alle Israëlieten die rein waren mochten eten. De priesters mochten ook eten van het spijsoffer, maar verder niemand. Er is geen duidelijker type van het Avondmaal van de Heer dan het dankoffer!
Uit Leviticus 7:19 blijkt dat het vlees waarvan allen eten konden, onrein kon zijn. Niet doordat het in zichzelf onrein was, maar als het in verbinding gekomen was met iets dat onrein was. Vers 20 is duidelijk een geval zoals we in 1 Korinthe 5 hebben: ’Doet de boze uit uw midden weg’. Uitgeroeid worden in het Oude Testament is in de taal van het Nieuwe Testament uitgesloten worden, uit het midden van de gelovigen weggedaan worden. En in vers 21 komen we tot onze vraag. Als een ziel iets onreins aangeraakt zal hebben enz. Dus óók verbinding met iets dat onrein is, ja zelfs alleen maar het aanraken van iets onreins maakt dat God zegt: ‘Hij mag geen deelhebben!’ En als hij het toch doet moet hij uit zijn volk uitgeroeid worden. Dus hetzelfde oordeel als wanneer hij persoonlijk onrein was (vers 20).
In Haggaï 2:12-15 zien we de ernst en de gevolgen van de verbinding met onreinheid. Wat daar geofferd werd was onrein. Waarom? Doordat het onreine dingen aangeraakt had, was alles onrein geworden. In Numeri 19, het offer van de rode vaars, zien wij heel uitdrukkelijk dat alles wat met de dood in aanraking geweest was, de mens verontreinigde. En dan kan hij geen verbinding met God hebben, voordat hij gereinigd is door de as van de rode vaars, toegepast met levend water (in beeld het Woord van God levend gemaakt door de Heilige Geest Die in de gelovige woont). Hij moest dus teruggaan naar het kruis om daar zichzelf in zelfoordeel te reinigen. Dus verbinding met de dood – en alles is dood wat niet in verbinding staat met de levende God – maakt de mens onrein, waardoor hij geen verbinding met God kan hebben. In Psalm 1 vinden we dit beginsel ook. Welgelukzalig is de man die niet is als anderen, die hoewel zij zelf geen goddelozen, zondaren of spotters zijn, toch met zulke mensen wandelen, op hun weg staan en in hun midden verkeren.
Nu enkele plaatsen uit het Nieuwe Testament in dit verband.
1 Korinthe 5:6,7. Zuurdeeg is het beeld van zonde. Het is oud deeg dat bedorven is en de eigenschap heeft dat het alles verderft waarin het komt en het laat rijzen, zodat het groter lijkt dan het in werkelijkheid is. Het wordt in Gods Woord toegepast op moreel kwaad (1 Korinthe 5:6-8) en op valse leer (Mattheüs 13:33; 16:6, 11,12; Lukas 12:1; 13:21; Galaten 5:9). Als er dus in een vergadering zonde is die openlijk geduld wordt, dan maakt dat de hele vergadering gezuurd en onrein voor God. Zie ook 1 Korinthe 5:9 enz.! In 1 Korinthe 15:33-34 lezen we ‘verkeerde omgang bederft goede zeden’ enz.
1 Timotheus 5:22. Zich één maken met iemand die in zonden leeft, maakt dat ik gemeenschap met zijn zonden heb. Dat moet ik niet doen, maar mijzelf rein bewaren. Daarom moest Timotheus niet vlug zijn met iemand te erkennen, want er konden bij die persoon verborgen zonden zijn en dan maakte Timotheus zich daarmee één.
Openbaring 18:4. Hier gaat het rechtstreeks over afzondering: ’Gaat uit van haar (de Roomse Kerk) opdat gij met haar zonden geen gemeenschap hebt’. Wie in het midden daarvan is heeft gemeenschap met haar zonden. Dus het is duidelijk dat, als ik in gemeenschap ben met een groep, ik verantwoordelijk ben voor wat daar gebeurt en verbonden ben met al het kwaad dat in die groep is. Dat is in ons midden zo en overal elders evenzeer!
Dus als personen die belijden gelovigen te zijn, vragen hun plaats aan de Tafel van de Heer te mogen innemen, is het niet alleen de vraag wie en wat ze persoonlijk zijn, hoe belangrijk dat ook is. Dat zien we immers in het geval van de Gibeonieten (Jozua 9). Maar we hebben ook te onderzoeken wat hun verbindingen zijn. Want als er in hun verbindingen onreinheid of onheiligheid is, zijn zij daardoor bevlekt en verontreinigd. Om concreet te zijn, als nu een lidmaat van de synodale Gereformeerde kerken zou vragen met ons brood te breken, is hij bevlekt door de leer van Kuitert en Wiersinga en hun vrienden, die daar (minstens) worden geduld, en alles wat daar verder aan ongerechtigheid gevonden wordt. Hij heeft gemeenschap met die zonden en dat maakt hem totaal onbekwaam om de plaats aan de Tafel van de Heer in te nemen. Als wij zo’n gelovige toelieten zo lang hij lidmaat van die kerk is zouden wij gemeenschap hebben met het boze dat daar gevonden wordt. En hetzelfde zou bij ons zo zijn, als die leer bij ons geduld werd! Dan zouden wij totaal bezoedeld zijn door het kwaad daarvan.
Dat maakt de zaak waarover het gaat zo moeilijk in de praktijk. Want elke ware gelovige heeft een plaats aan de Tafel van de Heer. En wij moeten dus elke ware gelovige ontvangen, tenzij er volgens Gods Woord gegronde bezwaren zijn. De broeders moesten altijd eerst weten of de persoon die graag het avondmaal mee wilde vieren een ware gelovige was en of zijn of haar persoonlijk leven goed was. Maar ze moesten óók weten of hij geen fundamentele valse leer had en niet aan Bijbelkritiek deed. En daarnaast óók of hij geen gemeenschap had met onreine dingen. En het was allen duidelijk, zoals bijvoorbeeld W. Kelly destijds uitdrukkelijk schreef, dat als iemand uit een kerk kwam waar Bijbelkritiek of fundamentele dwaalleer geduld werd, hij onmogelijk toegelaten kon worden zolang hij tot die kerk behoorde. Want ook Bijbelkritiek is een fundamenteel kwaad, dat de grondslag van alle Waarheid aantast.
Onkunde van Gods gedachten mag op zichzelf geen verhindering zijn gelovigen toe te laten, als zij dat wensen. Wij mogen niet eisen, dat ze de waarheid van het vergaderen tot de Naam van de Heer Jezus kennen en begrepen hebben. Kennis mag nooit een reden zijn om iemand te weigeren – natuurlijk behalve de kennis dat hij een kind van God is en de zekerheid heeft dat zijn zonden vergeven zijn. Maar verbinding met kwaad is wel een absolute verhindering. Dat is het grote verschil!
Er is natuurlijk ook een tweede zijde bij dit punt, die van heel grote betekenis is. Wij vergaderen op de grondslag van de éénheid van het lichaam van Christus. Dus daar waar door de Heer Jezus allen die van Hem zijn, dus allen die tot Zijn lichaam, de Gemeente van de levende God behoren, uitgenodigd worden (Mattheüs 18:20): ’Waar twee of drie vergaderd zijn tot (eis) Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen’! Daar is de Tafel van de Heer en wordt het Avondmaal van de Heer gevierd.
Die daar komen zijn dus Zijn gasten en vanzelfsprekend heeft Hij als de Gastheer alleen het recht om alles te regelen zoals Hij dat wil. Maar dat betekent praktisch dat dit vergaderen een protest is tegen alle kerken en groepen die niet op die grondslag samenkomen. En dus veroordeelt ieder die bij ons brood breekt in praktische zin alle kerken en groepen, ook die waarvan hij misschien zelf lid is. In sommige gevallen is het alleen maar eerlijk dit te laten zien aan een gelovige die door omstandigheden bij ons wenst deel te nemen aan het avondmaal.
En nu nog één, maar belangrijk punt. Niemand kan als gast voor één keer toegelaten worden. Als hij toegelaten wordt neemt hij zijn plaats aan de Tafel van de Heer in. En als er die dag geen verhindering is, is hij in gemeenschap en blijft dat tot hij zichzelf terugtrekt, of dat er in zijn leven dingen openbaar worden op grond waarvan er tucht moet worden uitgeoefend over hem. Maar tot die dag is hij op de plaats waar niets mag zijn dat in tegenspraak is met Hem, de Gastheer die eenmaal gestorven is om de zonde af te schaffen (Hebreeën 9:26) en Die geen enkele verbinding wil hebben met de oude mens. Hijzelf heeft het oordeel over die oude mens en zijn daden voor ons op het kruis gedragen. En wij wensen daar onder het kruis te leven en samen te komen, op die plaats waar wij in onze Heiland en Heer geoordeeld zijn. Om Hem daar te dienen en Hem onze offers van dank en aanbidding te brengen -als wij rondom Hem samenkomen en ook in ons hele praktische leven van elke dag. Geve Hij ons daartoe de geestelijke kracht, en ook de blijvende wens het te doen!
H.L. Heijkoop.