Over de eenheid van het Lichaam van Christus

(Vraag en antwoord)

Vraag:

Wat wordt er bedoeld wanneer er gesproken wordt over ‘gelovigen die vergaderd zijn op de grondslag van de eenheid van het Lichaam van Christus’?

Antwoord:

Laten wij om te beginnen ons eraan herinneren dat de Heilige Geest, Die sinds de Pinksterdag in Handelingen 2 op aarde aanwezig is, de gelovigen verbindt met Christus in de heerlijkheid. Deze verbinding heeft twee kanten:

  1. De gelovige leeft persoonlijk vanuit het leven van de opgestane Christus. Hij is in Christus en Christus is in hem (Johannes 14:19-20). Hij is een lid van het Lichaam van Christus (1 Korinthe 6:15,17 en 12:27b). Daardoor is zijn hemelse karakter vastgesteld, en daarom is hij een vreemdeling op aarde. Zijn hele praktische leven moet een getuigenis zijn van deze grote feiten.
  2. De gelovigen samen vormen het Lichaam van Christus, waarvan Hijzelf het verheerlijkte Hoofd in de hemel is. Het Woord benadrukt de eenheid van dit Lichaam: ‘Immers, wij allen zijn door één Geest tot één Lichaam gedoopt’ (1 Korinthe 12:13). Er is ‘één Lichaam en één Geest’ (Efeze 4:4). Het Woord van God beschrijft ons de allesomvattende koesterende zorg en de liefdevolle verzorging die het Lichaam ontvangt van Christus (Efeze 5:22-33). En het Woord toont ons het Lichaam van Christus in het harmonische functioneren van al zijn leden onder de werkzaamheid van de Heilige Geest, tot bewerking van zijn geestelijke groei en tot verheerlijking van het Hoofd (Efeze 4:10-16; 1 Korinthe 12:4-31; Romeinen 12:3-8). Dit Lichaam kan ten eerste worden beschouwd als het hele Lichaam van Christus, bestaande uit alle gelovigen vanaf de Pinksterdag tot aan de opname van de Gemeente; ten tweede als het Lichaam van Christus zoals het op een bepaald tijdstip op aarde bestaat, en het kan ten derde worden gezien in datgene wat van dat Lichaam in een bepaalde woonplaats zichtbaar is. De plaatselijke vergadering of gemeente is dus de plaatselijke uitdrukking of de plaatselijke openbaring van de éne wereldwijde Gemeente.

Wat de praktijk betreft worden de gelovigen vermaand te wandelen ‘waardig de roeping’ waarmee zij geroepen zijn, en zich te beijveren ‘de eenheid van de Geest te bewaren in de band van de vrede’ (Efeze 4:1 en 3).

‘De eenheid van de Geest bewaren’ betekent samen te leven in overeenstemming met de eenheid van het Lichaam van Christus. Dat wil zeggen dat de gelovigen de onveranderlijke werkelijkheid van deze eenheid in praktijk brengen. Dat is een wezenlijk deel van het getuigenis dat de Gemeente volgens haar roeping op aarde dient af te leggen.

In de begintijd van het Christendom (denk aan het begin van de Handelingen) – dus vóórdat het de vijand was gelukt om verdeeldheid te zaaien – zien we de Gemeente (en in het bijzonder de plaatselijke gemeente of vergadering) nog in overeenstemming met Gods gedachten: ‘De gemeenten dan in heel Judéa, Galiléa en Samaria hadden vrede en werden opgebouwd; en zij wandelden in de vreze des Heeren en de vertroosting door de Heilige Geest en namen in aantal toe’ (Handelingen 9:31). De plaatselijke vergaderingen verwerkelijkten onder elkaar een volledige gemeenschap.

De eenheid van het Lichaam van Christus kwam heel concreet op verschillende manieren tot uitdrukking: de gaven die de Heer aan Zijn Gemeente had gegeven, konden worden uitgeoefend tot zegen van alle gelovigen in alle plaatsen, en de beslissingen of de besluiten van een plaatselijke vergadering hadden overal op aarde geldigheid. Van deze eenheid werd vooral aan de Tafel van de Heer getuigenis afgelegd: ‘Want wij, de velen, zijn één brood, één Lichaam; want wij allen nemen deel aan het ene brood’ (1 Korinthe 10:17).

Maar helaas zijn er scheuringen ontstaan in dat wat voor altijd de eenheid had moeten openbaren. Verkeerde leringen hebben zich snel en krachtig vermenigvuldigd; de Goddelijke orde werd vervangen door menselijke inzettingen; godsdienstige organisaties hebben de gelovigen uit elkaar gedreven en hen met ongelovigen vermengd. Het was onmogelijk om één van deze organisaties te zien als de Gemeente van God. En zo ontstond duidelijk de noodzaak uit te gaan tot Christus ‘buiten de legerplaats’ (Hebreeën 13:13).

Wanneer we willen proberen om in enkele kenmerkende woorden te schetsen wat er gebeurde bij de opwekking die de Heer bewerkte vanaf ongeveer 1820, mogen we zeggen dat gelovigen door de Heilige Geest ertoe gebracht werden ernaar te streven zich in alles te openbaren zoals de Gemeente van God volgens de Bijbel moet functioneren. Daarbij wilden ze dus ook de eenheid van het Lichaam van Christus uitdrukken overeenkomstig het onderwijs van het Woord van God, ondanks het feit dat het helaas onmogelijk was dit met alle gelovigen te doen.

Zo’n weg vereist in het bijzonder dat de gelovigen afstaan van ongerechtigheid en jagen naar ‘gerechtigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart’
(2 Timotheüs 2:19-22). Alleen dán kunnen we rekenen op de belofte van de Heer: ‘Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden’ (Mattheüs 18:20).

Zonder dat zij er aanspraak op maken de Gemeente te zijn (omdat ze heel goed weten dat velen afwezig zijn die ook tot de Gemeente behoren) vergaderen deze gelovigen zich dan als uitdrukking van de Gemeente, door zich in het geloof de beloften en de hulpbronnen van de Heer voor de Gemeente eigen te maken en Zijn gezag over hen te erkennen. Het gaat erom dat we moeten wandelen in het licht van de waarheid over de Gemeente, zowel in de onderlinge relaties tussen de plaatselijke vergaderingen als wat betreft het functioneren van een vergadering in een bepaalde plaats.

Dát wordt bedoeld wanneer men spreekt over het vergaderen op de grondslag van de eenheid van het Lichaam van Christus. De vergaderingen van Christenen die sinds ongeveer 1820 zo samenkomen, proberen ondanks de buitengewone zwakheid en het veelvuldige falen waardoor ze gekenmerkt worden, in trouw, nederigheid en afhankelijkheid van de Heer dat te verwerkelijken wat overal door alle Christenen op aarde verwerkelijkt had moeten worden.

De vergaderingen die samenkomen op de grondslag van de eenheid van het Lichaam, moeten elkaar uiteraard over en weer kennen (in elk geval in een bepaald land of in een bepaalde streek) en van elkaar weten dat zij op deze grondslag vergaderd zijn, om elkaar dan ook wederzijds als zodanig te kunnen herkennen. Zo kunnen ze gezamenlijk gezegend worden door middel van de gaven die de Heer heeft gegeven tot opbouw van Zijn Gemeente en ook wederzijds aanbevelingsbrieven aan elkaar doen toekomen.

De gelovigen die op deze manier vergaderd zijn, zijn diep bedroefd vanwege het verval in de Christenheid en voelen diep hoezeer de Naam van de Heer onteerd wordt door de versplintering. In hun gedachten en in hun harten denken zij in liefde aan alle ware gelovigen overal op aarde – en in het bijzonder in hun eigen woonplaats –, terwijl ze zich ervan bewust zijn dat ook die gelovigen, net zoals zijzelf, behoren tot de Gemeente. Al deze gelovigen hebben een plaats aan de Tafel van de Heer, ook wanneer ze nooit gevraagd hebben te worden toegelaten of wanneer hun toestand of hun verbindingen hun toelating in de praktijk helaas onmogelijk maken.

We vinden in het Boek Ezra belangrijk onderwijs als het gaat om het feit dat enkele gelovigen kunnen samenkomen als een uitdrukking van het geheel, en als zodanig ook door God erkend worden. Een aantal Joden, namelijk ‘allen bij wie God de geest had opgewekt’ (Ezra 1:5), geeft daar gevolg aan de door God bewerkte oproep die de Perzische koning Kores (Cyrus) heeft gericht aan allen die hoorden bij het volk van God. Dezen trekken dan ook op naar Jeruzalem. Hoewel het ging om maar 42.360 Joden (Ezra 2:64), dus maar om een klein deel van de vele honderdduizenden Israëlieten die onder de volken verstrooid waren, tóch worden ze door God beschouwd en aangeduid als ‘Israël’. Gods Woord zegt namelijk heel duidelijk: ‘En heel Israël woonde in zijn steden’ (Ezra 2:70).

In Gods gedachten neemt het overblijfsel de plaats in van het hele volk, omdat dit overblijfsel dáár is waar God het hele volk zo graag wil hebben. In Ezra 6 handelen ze in overeenstemming met deze positie: ‘Zij offerden ter inwijding van dit huis van God … als zondoffer voor heel Israël twaalf geitenbokken, naar het aantal stammen van Israël’ (vers 17), hoewel waarschijnlijk alleen maar leden uit de stammen Juda, Benjamin en Levi aanwezig waren.

J.-A. Monard