Naar het Vaderhuis
’k Verlang naar het Huis van mijn Vader,
’k Verlang naar mijn Heiland en Heer.
’k Verlang naar mijn hemelse woning.
Ik zie mijn geliefden daar weer.
Op reis naar die heerlijke toekomst
straalt ’t licht mij reeds toe van omhoog.
Hoe donker de weg ook mag wezen,
God trekt naar dat licht steeds mijn oog.
’k Verlang naar het Huis van mijn Vader,
de plaats, mij door Jezus bereid,
waarheen, als Hij weder zal komen,
Hijzelf door Zijn liefde mij leidt.
Daar is geen verdeeldheid, geen zonde.
Daar zijn wij vol blijdschap bij Hem
Die ons met Zijn bloed wilde kopen.
Eenparig prijst Hem onze stem.
Hoe wonderbaar heerlijk zal ’t wezen,
als wij in het Vaderhuis zijn
en niets onze vreugd’ kan verstoren,
als wij onberisp’lijk en rein
volmaakt U het loflied daar zingen.
Maar ’k weet dat U nu reeds verwacht,
Heer Jezus, dat door al de Uwen
U dankbare lof wordt gebracht.