Maar niet met een volkomen hart…
2 Kronieken 25:2
Elke keer opnieuw kom je in de Boeken Koningen en Kronieken treffende gebeurtenissen tegen. Sommige zinnen raken je hart en zetten je aan het denken. Zo ook bij koning Amazia. Hij is een relatief onbekende koning, de zoon van de Joas die al op de leeftijd van zeven jaar op de troon kwam en jarenlang trouw bleef aan de Heer, zolang de priester Jojada leefde. En Hij was de vader van Uzzia, die met melaatsheid werd gestraft toen hij zich aanmatigde door zijn koningschap ook recht te hebben op priesterlijke dienst. Kortom: drie koningen na elkaar (opa, zoon en kleinzoon) die God wel dienden, maar niet in alles de Heer volgden, hun leven lang.
We lezen over Amazia: ‘Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE, alleen niet met een volkomen hart’. Misschien heeft Amazia van zijn vader de dwaze gedachte geleerd dat een half leven voor de Heer ook genoeg is. Dat is heel waarschijnlijk, want het zaad dat in jonge jaren wordt gestrooid, komt zeker tot ontkieming in de harten van kinderen en jongelui. Dat is voor ons als ouders zeker een belangrijke les. Laten we niet vergeten: wat de mens zaait, zal hij ook oogsten. Laten we het goede zaaien in de harten van onze jeugd – liefde voor de Heer en Zijn Woord, het zaad van de gezonde leer, een praktijk van toewijding aan de Heer, afgezonderd van alles wat Hem niet eert.
De Spreukendichter zegt: ‘Mijn zoon, geef mij je hart’ (Spr. 23:26). We mogen gerust zeggen dat God ook tegen ons zegt: ‘Mijn zoon, geef Mij je hart’. En Hij voegt eraan toe: ‘En laten je ogen behagen scheppen in Mijn wegen’.
De Heer Jezus heeft ons aangespoord om de Heer, onze God, lief te hebben met heel ons hart, heel onze ziel, heel onze kracht en heel ons verstand (Luk. 10:27). Hart, ziel en kracht – dat stond ook al in het Oude Testament (Deut. 6:5). Maar tegenover de wetgeleerde die van nature zo onder de indruk was van zijn eigen wijsheid, inzicht en logica, voegde de Heer eraan toe: ‘en met heel uw verstand’.
Hart, ziel, kracht en verstand – ze zijn door God gegeven, maar we kunnen ze gebruiken tot Zijn eer, of ook halfslachtig een beetje voor Hem en een beetje (veel) voor onszelf. Hoe zit het bij ons, bij mij? Heb ik heel mijn hart toegewijd aan de Heer? Is mijn ziel met al mijn gevoelens Hem welgevallig en Hem toegewijd, of laat ik me meeslepen door eigen, vleselijke emoties? Waaraan besteed ik ‘heel mijn kracht’? En geef ik mijn eigen gedachten gevangen onder de gehoorzaamheid van Christus (2 Kor. 10:5)? Laat ik mijn gedachten bepalen door onze verstandelijke menselijke logica of onderwerp ik ze aan Gods Woord? Onderwerp ik me aan Gods wil en is het een vreugde voor mij om in Zijn wegen te wandelen?
Waar ons hart vol van is, daar moet ook als vanzelf onze mond van overstromen. Stralen wij de liefde, genade, gerechtigheid en heiligheid van Christus uit? Is ons hart zó vervuld van Hem dat we als vanzelf van Hem gaan spreken, naar medegelovigen toe zowel als naar hen die nog voor eeuwig verloren zijn? De apostel Paulus kon het zeggen: ‘Want ik zal het niet wagen iets te zeggen, wat Christus niet door mij gewerkt heeft’ (Rom. 15:18). Laten ook wij onszelf meer toetsen en niet overmoedig dingen spreken die niet door Hem zijn gewerkt, dingen die Hem niet verheerlijken, dingen waarmee we schade aanrichten in plaats van opbouwen.
Geve de Heer u en mij genade, dat we onze geliefde Heer Jezus volgen en Zijn wil doen – met een hart dat Hem volkomen is toegewijd. Wat een vreugde zal dat voor Hem zijn!
E.H.W. Luimes