Lessen uit het leven van Simson
(Richteren 13-16)
1. Leven in een tijd van verval
De geschiedenis van Simson is heel goed bekend. Ook voor kinderen is de geschiedenis van Simson een mooie en spannende geschiedenis. Belangrijk voor ons is dat we niet alleen de geschiedenis van Simson goed kennen of spannend vinden, maar vooral dat we verstaan wat de Heer ons hierdoor wil zeggen.
De geschiedenissen uit het Oude Testament hebben een duidelijke geestelijke les voor ons: ‘<Al> deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden en zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, op wie de einden van de eeuwen zijn gekomen’ (1 Korinthe 10:11). ‘Deze dingen hebben een zinnebeeldige betekenis’ (Galaten 4:24). Ook door deze geschiedenis wil God tot ons hart spreken, wil Hij ons de weg wijzen (Jesaja 30:21). De vraag is nu of wij Zijn aanwijzingen verstaan en die ter harte willen nemen of niet.
‘Toen deden de Israëlieten wat slecht was in de ogen van de HEERE’ (Richteren 2:11). De geschiedenis van het boek Richteren is heel triest: Het was een tijd van verval. Het begon prachtig mooi toen het volk Israël, onder leiding van Jozua, het beloofde land in bezit nam. Maar het verval trad blijkens ons vers onmiddellijk in, meteen vanaf het begin. De geschiedenis van Simson is een dieptepunt in de geschiedenis van het volk Israël. Na Simson zien we via Samuël (de laatste richter) en via Saul (de koning naar het vlees) de voorbereiding voor de komst van koning David, de man naar Gods hart. De tijd waarin wij leven is in vele opzichten te vergelijken met de tijd van de Richteren. Ook met ons gaat het snel bergafwaarts. Ook wij leven in een tijd van diep verval. Maar onze tijd is ook een voorbereiding, namelijk voor de komst van de ware David, Die op de troon van koning David in Jeruzalem zal zitten. Gelukkig mogen we ook weten dat het God nooit uit de hand loopt en mogen wij onze ogen in vertrouwen richten op Hem Die bij machte is dwars door ons falen heen Zijn plan te verwezenlijken.
‘Maar de Israëlieten deden opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE. Daarom gaf de HEERE hen over in de hand van de Filistijnen, veertig jaar lang’ (Richteren 13:1). Deze woorden komen in dit boek als een refrein steeds weer naar voren. Voor de zesde en laatste keer in het boek Richteren lezen we dat Israël deed wat kwaad was in de ogen van de HEERE. Het getal zes komt vaak voor in dit boek.
Zes als het getal van de mens wijst op het onvolkomene in datgene wat wij als mensen er in onze verantwoordelijkheid van terecht hebben gebracht. De geslachten komen en gaan. Steeds weer komt er een nieuw geslacht en elk geslacht wordt opnieuw gekenmerkt door het kwaad. Kenmerkend voor het boek Richteren is wat we lezen in hoofdstuk 2:6-10, dat nadat het geslacht dat de HEERE diende gestorven was, er een ander geslacht opstond dat de HEERE niet kende, noch het werk dat Hij voor Israël gedaan had. Ook hierin lijkt onze tijd op de tijd van de Richteren. Steeds weer geeft God mannen, die waarheden uit het Woord van God naar voren brengen. Als deze mannen wegvallen komt er een ander geslacht dat de strijd niet heeft gekend, of beter gezegd: de strijd begint van voren af aan. Van nature doen wij ook altijd wat kwaad is in de ogen van de Heer en wat goed is in onze eigen ogen. De oorzaak ervan is dat we net als in het boek Richteren niet het gezag van de Heer in ons leven erkennen, persoonlijk en gemeenschappelijk. Dit blijkt ook uit de volgende uitdrukking in het boek Richteren:
‘In die dagen was er geen koning in Israël: eenieder deed wat juist was in zijn ogen’ (Richteren 17:6). Ook deze woorden komen steeds als een refrein terug in het boek Richteren. Was er dan geen koning in Israël? Jazeker, die was er wel: God was hun koning (1 Samuel 8:7), maar zij erkenden Hem niet. Heel terecht zei Gideon, toen het volk hem tot koning wilde maken, nadat hij de Midianieten verslagen had: ‘Ík zal niet over u heersen, de HEERE zal over u heersen’ (Richteren 8:23). Met andere woorden: ‘De HEERE is koning over u’! Maar er moest helaas van hen gezegd worden dat er in die dagen geen koning was in Israël, en dat zij deden wat goed was in hun eigen ogen. Het was inderdaad een dieptepunt in de geschiedenis van het volk Israël.
In het boek Richteren lezen we steeds weer dat als het volk van de HEERE afwijkt en doet wat kwaad is in de ogen van de HEERE, God vijandige volken naar Israël zendt om hen te onderdrukken. Dit doet God in Zijn liefde en genade voor het volk, met het doel hen tot inkeer en herstel te brengen. We lezen zelfs dat God de volken die in hun midden woonden, niet heeft verdreven, om door hen Israël op de proef te stellen en om te zien of de Israëlieten al dan niet de weg van de HEERE zouden houden, door daarop te wandelen, zoals hun vaderen gedaan hadden (Richteren 2:21-22). Als wij leven in een tijd van verdrukking, dan moeten we beseffen dat het van Hem komt, dat het genade van God is, dat Hij ons wil beproeven en dat Hij wil weten of wij Hem met ons hele hart willen volgen of niet.
‘Wist u niet dat de Filistijnen over ons heersen?’ (Richteren 15:11). Dat Israël zich ten tijde van Simson in een dieptepunt bevond, blijkt uit het feit dat we niet meer lezen dat zij de hulp van de HEERE zochten toen zij in nood waren, zoals we in de voorgaande geschiedenissen wel steeds lazen. Steeds weer riepen zij tot de HEERE en steeds weer zond Hij een richter om hen te verlossen van hun vijanden. Hier gebeurt dat niet meer. Hier lezen we dat de mannen van Juda tegen Simson zeggen: ‘Wist u niet dat de Filistijnen over ons heersen?’ En in plaats van Simson te helpen in de strijd tegen de Filistijnen, leveren zij hem over in de handen van deze vijand. Zover was het gekomen met de Israëlieten: zij accepteerden zelfs de overheersing van de vijand!
Ook zien we dat de strijd niet meer gevoerd wordt door het hele volk van God. Tot aan de tijd van Simson lezen we steeds weer dat als er een strijd was, dit een strijd was van het hele volk van God tegen de vijand. Maar in de geschiedenis van Simson zien we dat niet meer. Simson vecht alleen tegen de vijand. De rest van het volk doet niet mee. Zoals we zagen, gaan zij zelfs zover dat zij hem overleveren in de handen van de vijand. Bovendien zien we dat als Simson vecht tegen de Filistijnen, hij niet vecht omdat het vijanden van God en van Zijn volk zijn, maar omdat hij persoonlijk iets met hen heeft te vereffenen. Worden deze dingen ook niet bij ons gevonden? Zijn wij ook niet van nature geneigd om individualistisch te zijn in onze strijd? Maken wij de geestelijke strijd voor het geloof (Judas 3) door onze vleselijke strijdwijze (2 Korinthe 10:3) met een ijver van Jehu niet vaak tot onze eigen persoonlijke strijd (Jakobus 4:2)?
‘Hoe zijn de helden gevallen!’ (2 Samuel 1:19 en volgende verzen). Als we in het kort het verloop van het leven van Simson nagaan en op zijn einde letten, dan zien we hem uiteindelijk blind en geketend in de gevangenis in Gaza, om voor de Filistijnen voedsel te bereiden. En even later moet hij hen op hun feesten vermaken. Wat een nederlaag, wat een afgang voor een leider van het volk van God. Hoe is het zover gekomen? Het Woord van God is echter niet bedoeld om ons te ontmoedigen, maar om ons te bemoedigen. God wil ons tonen dat Hij in de meest donkere tijden, in Zijn liefde en genade, een uitweg heeft. Hij kan ons helpen, als wij maar willen luisteren naar Zijn stem. ‘Hij is machtig u te bewaren zonder dat u struikelt en u onberispelijk voor Zijn heerlijkheid te stellen met vreugdegejuich’ (Judas 24).
2. Weten wie onze vijand is
Als wij een strijd hebben te voeren, is het in de eerste plaats belangrijk om te weten wie onze vijand is, om dus onze vijand te kunnen herkennen. Als we de vijand niet herkennen, komen we in moeilijkheden en kan ons eigen leven zelfs gevaar lopen. In de Tweede Wereldoorlog hadden de Engelse parachutisten afgesproken om tijdens een actie in vijandelijk gebied het geluid van een krekel na te bootsen om zo elkaar te herkennen, dus om zo vriend en vijand van elkaar te onderscheiden. Dit was voor hen heel belangrijk. Ook voor ons is het belangrijk om te herkennen wie de vijand is. Wij hebben niet te strijden tegen vlees en bloed, maar tegen de geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten (Efeze 6:12).
In het boek Richteren komen we vele soorten vijanden tegen: Moabieten, Kanaänieten, Midianieten en Ammonieten. In ons gedeelte zien wij een heel bijzondere vijand, namelijk het volk van de Filistijnen. Wat voor volk zijn de Filistijnen? Waar kwamen zij vandaan? Volgens Amos 9:7 kwamen de Filistijnen van het eiland Kaftor, dat is Kreta. Na één van de oorlogen op Kreta vluchtten de Filistijnen van het eiland weg en gingen in de richting van Egypte. Vanuit Egypte trokken zij in de loop van de jaren ‘het beloofde land’ binnen. Eigenlijk hoorden zij als onbesnedenen (Richteren 14:3 en 15:18) niet thuis in ‘het beloofde land’, maar zij woonden er toch. Zij vertegenwoordigen het godsdienstige vlees, waartegen wij te strijden hebben. Het is moeilijk om te strijden tegen het godsdienstige vlees, want het is in staat om alles wat geestelijk is na te bootsen en wat zij presenteert lijkt veel mooier, gemakkelijker en aantrekkelijker voor het vlees. Om enkele voorbeelden te noemen:
De Filistijnen kwamen uit Kaftor. Kaftor betekent: ‘alsof zij het opent’.
De naam Jefta komt van dezelfde Hebreeuwse woordstam en betekent: ‘hij die opent’. Jefta was iemand die het Woord opent en dat bij de vijand, de Ammonieten, naar voren brengt en hen zo overwint. Maar de Filistijnen zijn mensen die doen alsof zij het Woord openen.
Dit beginsel toegepast op onze dagen: men kan wel samenkomen om de Bijbel te ‘bestuderen’, om het Woord te ‘openen’, maar soms is het in feite alleen maar een praatgroep. Men praat met elkaar over een bepaald onderwerp en zegt wat ménzelf ervan vindt, maar vraagt zich niet af wat de Bijbel ervan zegt. Men laat het Woord van God niet spreken, de Bijbel blijft gesloten. En zulke ‘praatgroepen’ vinden we vandaag de dag helaas heel veel in de Christenheid. ‘Ogenschijnlijk bezitten zij Godsvrucht, maar de kracht daarvan verloochenen zij’ (2 Timotheüs 3:5).
De Filistijnen worden in Richteren 14:3 en 15:18 ‘de onbesnedenen’ genoemd. Dat betekent dat zij niet door de Jordaan waren gegaan en niet in Gilgal geweest waren toen zij het land Kanaan binnentrokken. Na de reis door de woestijn moest het volk Israël namelijk eerst door de Jordaan en toen kwam het bij Gilgal. In Gilgal moesten de Israëlieten besneden worden. De besnijdenis spreekt volgens Kolosse 2:11-13 van het doodsoordeel over ons eigen vlees. Maar de Filistijnen zijn het land binnengegaan langs een eigen weg, namelijk ‘de weg door het land van de Filistijnen’ (Exodus 13:17). Dat was een korte weg van elf dagen – echter zonder het vlees in de dood te moeten brengen – van Egypte naar Kanaan.
‘En het gebeurde ten dage van de strijd, dat er geen zwaard of speer te vinden was in de hand van al het volk dat bij Saul en Jonathan was’ (1 Samuel 13:19-22). Een ander kenmerk van de Filistijnen was dat zij ervoor zorgden dat er geen wapens in Israël waren. De smeden werden verwijderd uit Israël. Ook wij hebben een strijd te voeren, een geestelijke strijd. En voor die strijd hebben we een wapen nodig, het zwaard van de Geest, dat is het Woord van God (Efeze 6:17). En ook onze vijand doet er zijn best voor te zorgen dat wij geen wapens hebben in onze strijd en zo de nederlaag lijden. Met name de moderne theologie en de filosofie kunnen de wapens bij ons wegnemen zodat wij niet meer in staat zijn om te zeggen: Er staat geschreven. Want volgens de moderne theologie en filosofie is alles in de Schrift onduidelijk, betrekkelijk of moeilijk. Wat wij vroeger beleden als de wil en de gedachten van de Heer wordt tegenwoordig genoemd: afgeleide uitleggingen van afgeleide uitleggingen. Vooral de smeden (degenen die de wapens maken, dus het Woord uitleggen: de leraren!) zijn door de Filistijnen gewild en zijn in het bijzonder kwetsbaar voor bovengenoemde gevaren.
Nog een ander kenmerk van de Filistijnen was dat zij de dingen veel gemakkelijker maakten voor de mens, aantrekkelijker voor het vlees. Toen bijvoorbeeld David de ark van het huis van Abinadab naar Jeruzalem wilde brengen, deed hij dat met behulp van een nieuwe wagen (2 Samuel 6:3). Zo hadden de Filistijnen het immers ook gedaan (1 Samuel 6:7). Het ging inderdaad gemakkelijker. Maar het was niet zoals God het had bepaald: de ark moest gedragen worden door de Levieten (Deuteronomium 10:8; 1 Kronieken 15:2). Zo was de manier van de Filistijnen, de manier van het godsdienstige vlees, ook voor David aantrekkelijk. Maar het was wel verkeerd in de ogen van de HEERE en Hij kon dit niet zegenen. Hij moest het veroordelen en Uzza, die de ark aanraakte, werd gedood (2 Samuel 6:6-7).
‘Mijn genade is u genoeg; want de kracht wordt in zwakheid volbracht’ (2 Korinthe 12:9).
De mannen van God, die door God gebruikt werden om tegen de Filistijnen te vechten, vochten met ongebruikelijke wapens. Hoe vocht Samgar tegen de Filistijnen? Met een ossenstok (Richteren 3:31). En hoe vocht Simson tegen de Filistijnen? Met een ezelskinnebak (Richteren 15:15).
Hoe vocht David tegen de Filistijnen? Niet met de wapenrusting van Saul! David, de herdersjongen, nam zijn slinger en hij zocht vijf gladde stenen uit de beek. Met een steen versloeg hij de vijand (1 Samuel 17:38-40,49). Wat bij de mens onmogelijk is, is mogelijk bij God!
3. Het Nazireeërschap, Gods genadig antwoord in tijden van verval
Hier in de geschiedenis van Simson en later ook in de geschiedenis van Samuël vinden we het antwoord van God op de overheersing door de Filistijnen in tijden van verval voor het volk van God. In Zijn genade gaf God (want het volk had er niet om gevraagd) twee Nazireeërs, namelijk Simson en Samuël.
Als wij vandaag de dag moeten strijden, dan is er maar één weg, namelijk de weg van God: het Nazireeërschap.
Over de wet op het Nazireeërschap lezen we in Numeri 6. Een Nazireeër is een afgezonderde, een afgescheidene, een toegewijde. Hij is iemand die zich op een bijzondere manier afzondert, die zich onthoudt van dingen die op zichzelf misschien niet zondig zijn. Dit doet hij met het doel de Heer te dienen met een volkomen toewijding.
Simson was door God bestemd tot een Nazireeër (Richteren 13:3-5). Samuël was door zijn moeder bestemd tot een Nazireeër (1 Samuel 1:11). Maar een man of een vrouw kon ook vrijwillig, uit eigen keuze, de Nazireeërsgelofte afleggen, om zich aan de HEERE te wijden (Numeri 6:2). Een Nazireeër had drie bijzondere kenmerken. Hij mocht niets van de wijnstok tot zich nemen, hij mocht zijn hoofdhaar niet laten afscheren en hij mocht geen dode aanraken. Wijn is een beeld van aardse zegeningen die God en mensen vreugde bereiden (Richteren 9:13). Het lange haar is een beeld van onderworpenheid, van afhankelijkheid en van toewijding. Zo was aan iemands uiterlijk te zien dat hij een Nazireeër was. Ook mocht een Nazireeër geen dode aanraken: De dood is het gevolg en het loon van de zonde (Romeinen 6:23). De Nazireeër mocht niets onreins aanraken.
De maatstaf voor het Nazireeërschap is niet de maatstaf voor de priester, maar de maatstaf voor de hogepriester. Een priester mocht immers geen dode aanraken, maar wél als het familieleden betrof. Als familieleden stierven, naaste verwanten, dan mocht een priester die wel aanraken. Maar een hogepriester mocht nóóit een dode aanraken, onder geen enkele omstandigheid. Dus de maatstaf voor de Nazireeër was niet die van de priester, maar van de hogepriester. De maatstaf voor ons Nazireeërschap is niet een andere priester, – dus een andere gelovige, hoe hij leeft, wat hij ervan denkt, – maar de maatstaf voor ons in deze tijd is onze Hogepriester, de Heer Jezus Zelf. Het is niet Gods bedoeling dat wij moeten lijken op andere gelovigen. Nee, we moeten lijken op de Heer Jezus: ‘Want hen die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn’. Waarom? ‘Opdat Hij (de Heer Jezus) [de] Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders’ (Romeinen 8:29). De Heer Jezus is ons Voorbeeld en Hij is de maatstaf voor ons Nazireeërschap.
Het Nazireeërschap is het antwoord van God in tijden van verval met het oog op het grote gevaar van de Filistijnen (het godsdienstige vlees). Een Nazireeër is een toegewijde. In onze tijd is het nodig dat ieder van ons zijn leven opnieuw toewijdt aan de Heer Jezus. We zagen dat het Nazireeërschap een vrijwillig iets was. Dat is nu nog zo. De Heer Jezus spreekt tot ons en stelt ons de vraag: Is er iemand die zijn of haar leven vrijwillig aan Mij wil wijden? We zullen zien dat dat een weg is met gevaren. Maar het is de weg van God en daarom een weg van zegen!
Twee voorbeelden van Nazireeërs zijn dus Simson en Samuël. In het leven van Samuël zien we een Nazireeërschap dat goed wordt uitgeoefend. In het leven van Simson zien we een Nazireeërschap dat niet goed wordt uitgeoefend. Zoals we weten zijn deze dingen beschreven tot voorbeelden en tot waarschuwingen voor ons (1 Korinthe 10:11). In het leven van Simson zien we als het ware waarschuwingsborden, die ons waarschuwen: Pas op, daar en daar is gevaar!
4. Gevaren voor de Nazireeër
‘En Simson ging af naar Timnath’ (Richteren 14:1). Letterlijk staat er: ‘En Simson daalde af naar Timnath’. Simson, de Nazireeër, daalde af! Als we in de Bijbel lezen dat iemand afdaalt dan is dat vaak negatief. Denk aan de man die van Jeruzalem afdaalde naar Jericho en in handen van rovers viel (Lukas 10:30). We lezen van Simson dat hij aan het begin van zijn ‘loopbaan’ als Nazireeër afdaalde naar Timnath. De les voor ons is dat we als Nazireeër geen compromissen mogen sluiten, dat we geen water bij de wijn mogen doen. Iemand heeft eens een boek geschreven met de titel: ‘Zalig zijn de radicalen’. Radicaal zijn betekent voor Nazireeërs: volkomen aan de Heer toegewijd zijn, niet een klein beetje of voor de helft, maar voor de volle honderd procent.
‘En Simson ging af naar Timnath’. Hier vinden we een tweede gevaar. Volgens Jozua 15:10 was Timnath een grensplaats tussen Israël en het land van de Filistijnen. Grensplaatsen zijn gevaarlijke plaatsen voor een Nazireeër en natuurlijk ook voor iedere gelovige. Als we de Heer toegewijd willen zijn, dan moeten we ons niet naar de grensplaatsen begeven, dan moeten we bijvoorbeeld niet aankomen met onze ‘Ja, maar’s.’ Kennen we zulke ‘Ja, maar’s?’ Vooral als we jong zijn, kennen we de gevaren van de grensplaatsen niet en willen we graag de grenzen verkennen.
Peuters doen dat al. Als je zegt: ‘Dat mag je niet doen!’ dan kunnen ze je aankijken met guitige ogen en dan beweegt zich het vingertje om het toch te proberen. Om het uit te proberen. ‘Wat doet mama, wat doet papa, als ik het toch doe?’ Dan moet je als opvoeder helder en duidelijk zijn. Als je ‘nee’ zegt, moet je ook ‘nee’ bedoelen. ‘Laat uw ja ja en uw nee nee zijn’. Je moet het kind consequent duidelijk maken waar de grenzen liggen.
Zo zijn er ook Christenen die altijd maar de grenzen willen verkennen. Zo van: ‘Mag het nu wel, of mag het net niet’. Laten we alstublieft duidelijk zijn: grensplaatsen zijn gevaarlijke plaatsen. In het leven van Abram was het Zuiderland een grensplaats, een gevaarlijke plaats. Toen er hongersnood in het land uitbrak trok hij helaas vanuit het Zuiderland door naar Egypte (een beeld van de wereld, Genesis 12:9-10).
De plaats Timnath was voor Simson de Nazireeër een gevaarlijke plaats. Als je in Timnath bent, in een grensplaats, dan zie je verkeerde dingen. De dochter van Jakob, Dina, ging eens rondkijken in Sichem ‘om bij de meisjes van dat land te gaan kijken’. En wat gebeurde daar? Zij kwam een jongeman tegen en wat een ellende is daaruit voortgekomen (Genesis 34). Hier daalde Simson af naar Timnath. Simson kwam, Simson zag en Simson…overwon? Nee, Simson werd overwonnen, want hij zag een Filistijnse vrouw. Denk eraan: Filistijnse vrouwen zijn lokazen om ons uit de veilige plaats van de gemeenschap met de Heer weg te halen (zie Jakobus 1:14).
Het oog van Simson was niet eenvoudig (2 Korinthe 11:3). Zijn hart stond open voor de Filistijnse vrouwen. Eerst zag hij een vrouw in Timnath. Daarna zag hij een vrouw in het dal Sorek, Delila genaamd (Richteren 16:4) met wie hij ging samenwonen. Wat de vrouw uit Timnath betreft: Simson wilde met haar trouwen, want zij was bevallig in zijn ogen (Richteren 14:3b). Letterlijk staat er: ‘Het is goed in mijn ogen’. Dat is nu precies de uitdrukking die we aan het eind van het boek Richteren drie keer vinden: ‘Een ieder deed wat goed was in zijn ogen’. De toestand onder Israël werd gekenmerkt door dit beginsel. Helaas vinden we dit beginsel hier ook bij een leider van het volk van God.
In het leven van Simson vinden we onder andere deze twee vrouwen, en zij kregen de opdracht hem zijn beide geheimen te ontfutselen. Als gelovigen hebben we twee geheimen en de Filistijnen proberen ons deze geheimen te ontnemen.
Welke twee geheimen dat zijn zullen we hieronder overwegen. Bij punt 2 hebben we gezien dat de Filistijnen een beeld zijn van het godsdienstige vlees dat geneigd is om de meer vrije en meer gemakkelijke weg te kiezen, terwijl het ogenschijnlijk godsvrucht bezit. De Filistijnen gebruiken deze vrouwen om Simson te overwinnen. Toen Simson zijn laatste geheim, zijn Nazireeërschap, had prijsgegeven, week zijn kracht van hem. Dit laat ons zien dat de kracht van de Nazireeër gelegen is in zijn afzondering. Maar zijn afzondering en dus zijn kracht staan bloot aan een groot gevaar van verleidingen, want het godsdienstige vlees kan onschuldig lijken, ja, zelfs aantrekkelijk lijken voor een hart dat niet waakzaam is in haar afzondering voor de Heer Jezus.
Het eerste geheim heeft te maken met het feit dat de Heer Jezus onze Heiland is en het tweede met het feit dat Hij de Heer van ons leven is.
Het eerste geheim is het bekende raadsel van Simson: ‘Eten kwam uit de eter, en zoetigheid kwam uit de sterke’ (Richteren 14:14). Dit spreekt van de overwinning die behaald is over de brullende leeuw (1 Petrus 5:8). Op het kruis heeft de Heer Jezus de overwinning behaald over de duivel en vanuit die overwinning stromen de zegeningen ons toe. Nu, de Filistijnen doen hun best ons dit geheim te ontfutselen, waardoor wij de zekerheid en de blijdschap van ons geloof kwijt kunnen raken.
Het tweede geheim (of: raadsel) in het leven van Simson is zijn Nazireeërschap. Nazireeërschap heeft niet te maken met het feit dat de Heer Jezus mijn Heiland is, maar met het feit dat Hij de Héér van mijn leven is. Jezus is mijn Heer: dat betekent dat Hij heerschappij over mij heeft en dat ik Hem gehoorzaam. ‘En waarom noemt u Mij Heer, Heer, en doet niet wat Ik zeg?’ (Lukas 6:46). We gehoorzamen Hem uit liefde, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad en zoveel voor ons heeft gedaan. We gehoorzamen Hem in het besef dat we zonder Hem niets kunnen doen (Johannes 15:5). Ook beseffen we dat Gods kracht in zwakheid wordt volbracht: ‘Niet door kracht en niet door geweld, maar door Mijn Geest’ (Zacharia 4:6). In dat besef kunnen wij overwinnen. In dat besef hebben we geestelijke kracht in tijden van voor- en tegenspoed.
Een Nazireeër moet niet doen wat hij zelf graag wil, want het Nazireeër-zijn houdt ook in: ‘het eigen-ik in de dood houden’. Dat we zeggen, zoals de Heer Jezus vlak voor het kruis zei: ‘Moge evenwel niet Mijn wil maar de Uwe gebeuren’. Bij Simson was het Nazireeër-zijn alleen maar een uiterlijke zaak. Innerlijk was hij geen Nazireeër, want hij opende zijn hart voor Filistijnse vrouwen. Het was goed in zijn ogen, of met andere woorden: ‘Ik wil dat!’ Dat is vandaag de dag een probleem voor gelovigen, jong en oud: ‘Ik wil dit en ik wil dat’. ‘Ik denk zus en ik denk zo’. ‘Ik vind dit en ik vind dat’. De Heer vraagt ons of wij ons eigen ‘ik’ willen inleveren en alleen maar de vraag stellen: ‘Heere, wat wilt U dat ik doen zal?’ Dat is zelfverloochening.
Daar spreekt het Nazireeërschap van. De lange haren spreken van toewijding. Voor de vrouw is het lange haar een eer, voor de man is het een oneer, een schande (1 Korinthe 11:14). Dit betekent: als wij de Heer toegewijd willen leven, is ons leven in de ogen van de anderen vaak een schande. We worden gehoond en bespot. Niet eens door de wereld. De wereld respecteert vaak een gelovige die toegewijd leeft. Maar we zullen miskend en bespot worden door medegelovigen. Denk maar eens aan Maria van Bethanië. Zij was de Heer toegewijd. Van welke kant kreeg zij tegenwerking? Niet van de wereld, maar allereerst van haar zuster Martha, die niet begreep dat zij zo graag aan de voeten van de Heer Jezus zat en naar Hem luisterde (Lukas 10:38-42). Zij kreeg tegenwerking van een Judas (Johannes 12:4) en van de andere discipelen (Mattheüs 26:8) die niet begrepen waarom zij die kostbare balsem aan de Heer Jezus gaf. De toewijding van Maria van Bethanië (haar ‘Nazireeërschap’) bracht onbegrip en hoon. Maar wat zij gedaan had, was kostbaar voor het hart van de Heer Jezus en dat is het belangrijkste, ook voor ons.
Als we deze weg willen bewandelen, als we een ‘Nazireeër’ voor de Heer willen zijn, zullen we misschien niet begrepen worden door onze medegelovigen. Maar één ding moeten we vasthouden: het is kostbaar voor het hart van de Heer Jezus! En als we ‘gegrepen’ zijn (Filippi 3:12) door de heerlijkheid van de Heer Jezus, net als de apostel Paulus, dan jagen we ernaar om steeds meer van die heerlijkheid te zien, om die te grijpen en om die vast te houden.
Nadat wij hebben opgemerkt dat er voor de gelovige in dagen van diep verval een mogelijkheid is om de Heer toegewijd te leven, zagen we ook dat satan er alles aan doet om ons van Hem af te trekken, en onze harten ten aanzien van onze geliefde Heer te laten verkoelen. Daarvoor gebruikt hij alle middelen die hem ter beschikking staan. Toch geeft God in Zijn genade een mogelijkheid om ‘met een voornemen van het hart bij de Heer te blijven’ (Handelingen 11:23).
Satan speelt in op de begeerten van onze ‘oude natuur’. Hij wil ons afbrengen van een oprecht, aan de Heer toegewijd leven, en zal altijd proberen ons te laten struikelen. Aan het einde van deze overdenking zien we dat God in Zijn genade, als wij gefaald hebben in onze toewijding aan Hem, een weg terug aangeeft.
5. De ondergang van een Nazireeër
In Richteren 16:4-21 lezen we van de ondergang van Simson, de Nazireeër.
In vers 4 zien we dat hij liefde opvatte voor Delila, een vrouw uit het dal Sorek. Deze Delila probeerde, op aandringen van de stadsvorsten van de Filistijnen, achter het geheim van zijn kracht te komen. Zij probeerde hem het geheim van zijn Nazireeërschap te ontfutselen. Maar eigenlijk was het Nazireeërschap van Simson innerlijk al lang verdwenen. Hij leefde niet afgezonderd. Hij was met een dode in aanraking geweest. Immers, hij had het karkas van een leeuw aangeraakt en een verse ezelskinnebak genomen om die als wapen te gebruiken. Nu kwam hij in het dal Sorek. Sorek betekent ‘rode druiven’. Wat heeft een Nazireeër – die niets van de wijnstok mocht nuttigen – te zoeken in het dal van de rode druiven? Niets! Helemaal niets! Maar Simson had in zijn hart het Nazireeërschap al lang opgegeven. Alleen zijn lange haren spraken uiterlijk nog van zijn Nazireeërschap. En ook dat uiterlijke Nazireeërschap raakte hij nu kwijt, door zijn omgang met Delila.
Het lange haar spreekt onder andere van toewijding, van onderworpenheid en van afhankelijkheid. Het spreekt van het erkennen van het hoofdschap van Christus. De Heer Jezus is het Hoofd van het Lichaam, het Hoofd van de Gemeente. Ook op het persoonlijke vlak: Hij is de Heer van mijn leven. Als dat prijsgegeven wordt, is bijvoorbeeld het lange haar bij de zusters alleen maar een vlag die de lading niet meer dekt. De lange haren moeten ‘gedekt’ worden door een werkelijke toewijding, een werkelijk erkennen van het gezag van de Heer Jezus.
Toen bij Simson het lange haar werd weggehaald, werd bij hem uiterlijk weggehaald, wat er innerlijk al lang niet meer was. Innerlijk was Simson al lang geen Nazireeër meer. Het was alleen maar genade van God dat hij nog steeds zijn kracht bezat. Maar toen ook dat laatste weg was, zijn lange haren, toen nam God ook zijn kracht weg. Toen werd ook duidelijk in wat voor slechte geestelijke toestand hij zich bevond. Zijn kracht was weg, maar hij merkte het zelf niet. We lezen dat, toen zijn haren afgesneden waren, de HEERE van hem geweken was, maar dat hij het niet wist (Richteren 16:20). Simson was al lang geestelijk blind, voordat hij letterlijk blind werd. Simson was al lang innerlijk krachteloos, gebonden als hij was door zijn eigen begeerten, voordat hij letterlijk krachteloos werd. Simson werd keer op keer gewaarschuwd, maar hij sloeg er geen acht op.
In Zijn genade waarschuwt God ook ons. De Heer kent u persoonlijk. Hij vraagt: ‘Waar is uw hart?’ Ook zegt Hij heel persoonlijk: ‘Mijn zoon, geef Mij je hart’ (Spreuken 23:26)! De Heer is niet tevreden met onze tijd, met onze kracht, met onze portemonnee, nee, de Heer is alleen tevreden als we ons hart aan Hem willen geven. Hij heeft alles aan het kruis voor ons gegeven en Hij vraagt nu of we uit wederliefde tot Hem ons hart aan Hem willen geven. Of we in deze tijd, waarin de Filistijnen heersen, een Nazireeër willen zijn, of we aan Hem toegewijd willen leven.
Als we gezegd hebben: ‘Ja, Heer, ik wil graag een Nazireeër zijn!’ dan mogen we ons leven aan Hem toewijden. Maar we moeten oppassen voor de gevaren. In het leven van Simson zien we waarschuwingsborden. Zulke borden aan de kant van de weg zijn heel nuttig. Als we in een auto rijden en alle waarschuwingsborden negeren, dan maken we onherroepelijk brokken. Als we als een Nazireeër willen leven, als we het leven van een toegewijd Christen willen leiden en we negeren de waarschuwingsborden, dan gaat het mis in ons leven. 1 Korinthe 10:11 zegt het heel duidelijk: Dit zijn waarschuwingen (‘waarschuwingsborden’), geschreven voor ons op wie de einden van de eeuwen zijn gekomen. Als we deze waarschuwingsborden negeren, moeten we ons niet verwonderen dat we brokken maken in ons geestelijk leven, net als Simson.
6. Er is een weg terug
Gelukkig is er, door de oneindige genade van God, altijd herstel mogelijk als het mis is gegaan. Dat zien we aan het eind van het leven van Simson. Hij kreeg nog één keer zijn kracht terug. God kan en wil, in Zijn onbegrijpelijke genade herstel geven, als wij gefaald hebben.
Hoe is de situatie waarin wij terecht zijn gekomen? Wat wij nog aan goeds hebben, hebben wij niet verdiend. Wij hebben allen gefaald, wij hebben allen gezondigd. Wij hebben het Woord van God losgelaten. Wat de Heer aan ons heeft toevertrouwd, hebben we niet bewaard. Doordat we ermee begonnen zijn innerlijk de dingen los te laten, worden ook de uiterlijke dingen steeds meer losgelaten.
Natuurlijk mogen we ons niet verheffen boven anderen. We willen ons éénmaken met het volk van God, we willen ons buigen onder de tuchtigende hand van de Heer en tegen Hem zeggen: ‘Heer, wij hebben gezondigd, en wilt U in Uw genade, vanwege Uw grote Naam, herstel geven. Niet vanwege onze naam, want wat heeft het te betekenen of de mensen ons smaden of slecht van ons spreken. Het gaat toch om Uw heerlijke Naam die over ons is uitgeroepen’. Doet het ons nog iets als de Naam van de Heer onteerd wordt? De apostel Paulus moet tegen de Joden zeggen, dat door hun gedrag de Naam van God onder de volken gelasterd wordt (Romeinen 2:24). En op grond daarvan mogen we roepen: ‘Heer, wilt U in Uw genade, vanwege Uw grote Naam, herstel geven. Niet vanwege ons, want wij hebben het niet verdiend, maar vanwege Uw heerlijke Naam, vanwege de eer van de Naam van de Heer Jezus’.
Mogen wij in ons leven alleen maar dat éne zoeken, namelijk wat tot eer van de Heer Jezus is en wat dient tot opbouw van Zijn Gemeente. Is dat nog mogelijk in onze tijd? Hoe donker het ook was in de tijd van Simson, bij het volk van God, God had een antwoord: er is een weg terug. Hoe donker het ook is in onze tijd bij het volk van God, God heeft een antwoord: er is een weg terug. Het antwoord van God in een tijd van verval is nog altijd: het Nazireeërschap. Laten we Numeri 6 doorlezen en toepassen op ons eigen hart en leven. Het gaat er niet om dat we precies kunnen vertellen aan welke eisen de Nazireeër moet voldoen, maar dat we in de praktijk van ons leven dit ook werkelijk waarmaken, dat we werkelijk zelf een Nazireeër zijn.
Een ander voorbeeld van een Nazireeër is Samuël. Hij kon door de Heer gebruikt worden. We lezen van hem dat hij elk jaar een rondreis maakte en het volk onderwees in de dingen van de Heer, tot zegen van het volk (1 Samuel 7:15-17). Er kwam een opwekking en toen kon gehéél Israël strijden tegen de Filistijnen en hen verslaan: de beroemde slag bij Eben-Haëzer. Het was toen eigenlijk niet het volk, maar de Heer die de Filistijnen versloeg (1 Samuel 7:2-12). Ook voor Israël gold: niet door kracht en niet door geweld, maar door de Geest van God (vergelijk Zacharia 4:6). Het was alles op grond van genade.
Laten we eindigen met de woorden van Barnabas die de gelovigen in Antiochië allen vermaande om met een voornemen van het hart bij de Heer te blijven (Handelingen 11:23). Deze vermaning hebben wij allen nodig, heel persoonlijk, en ook moeten wij elkaar daarin helpen, vermanen en bemoedigen. Het is niet de bedoeling van God dat wij, net als Simson, als individualisten door het leven gaan. De vermaning van de Heer voor ons is dat we persoonlijk moeten afstaan van ongerechtigheid en jagen naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede met allen die de Heer aanroepen uit een rein hart (2 Timotheüs 2:19-22). De Heer wil niet dat we alleen de weg gaan, net als Simson.
Laat het leven van Simson een waarschuwing voor ons zijn: een gelovige is geen individualist. Ik heb u nodig en u hebt mij nodig, wij hebben elkaar nodig en samen, als wij de Heer aanroepen uit een rein hart, wil de Heer een uitweg geven, in welke situatie wij ons ook bevinden. Het loopt Hem nooit uit de hand, maar voor ons geldt de opdracht:
‘Neem mijn leven, laat het Heer,
toegewijd zijn aan Uw eer’.
(Lied 227:1 uit de oude bundel ‘Geestelijke Liederen’ en 361:1 uit de nieuwe bundel ‘Lofzangen en Geestelijke Liederen’)
U bent voor mij gestorven,
hebt ’t leven mij verworven,
U bent mijn grootste schat.
Nu wil ik heel mijn leven
volkomen aan U geven,
daar U mij ’t eerst hebt liefgehad.
Aan U wil ik slechts denken,
en ’t harte niet meer schenken
aan ’t zichtbaar goed der aard’.
U zult m’ in vette weiden,
aan stille waat’ren leiden,
en voert mij eenmaal hemelwaart.
(Lied 94:3-4 uit ‘Geestelijke Liederen / Lofzangen en Geestelijke Liederen’)