Lessen die we van de gemeente in Antiochië kunnen leren (Handelingen 11:19-26)

Tussen de Pinksterdag, toen de eerste gemeente gevormd werd in Jeruzalem, en het begin van het getuigenis in Antiochië lag negen jaar. In die tijd reisden, als gevolg van de vervolging die ontstond na de steniging van Stefanus, velen het land door en zo werd de blijde boodschap verbreid. Deze rondreizende predikers – een belangwekkend feit als het gaat om het begin van een getuigenis! – predikten het Woord alleen onder Joden. Maar sommigen van hen die van Cyprus en Cyrene kwamen en dus geschikt waren om ook onder mensen van andere nationaliteiten te prediken, ‘verkondigden de Heere Jezus’ in Antiochië, een kosmopolitische stad die toen een gemengde bevolking had van Romeinen, Grieken, Syriërs en Joden.

De apostel Paulus kon eveneens zeggen: ‘Wij verkondigen Christus’. Zijn Godheid, Zijn Persoon, Zijn leven, dood, opstanding en hemelvaart en bovendien Zijn wederkomst – Hij is de Persoon Die we moeten voorstellen en Zijn werk waardoor alleen redding mogelijk is.

‘En de hand van [de] Heere was met hen; en een groot getal geloofde en bekeerde zich tot de Heere’ (vs. 21). Bekering is echt een werk van de genade. We zien dat er blijkbaar geen tegenstand was in Antiochië en het werk kon dus ongehinderd doorgaan. Goed nieuws is snel bekend. ‘En het gerucht van hen kwam de gemeente te Jeruzalem ter ore’. De Heere had Zijn dienstknecht gereed en Barnabas (zoon der vertroosting) werd naar Antiochië gezonden. Hij had een echte herderlijke gave en was dus in staat om de gelovigen te vermanen en te bemoedigen ‘met een voornemen van het hart bij de Heere te blijven’. Zo’n dienst hebben we ook nu nodig.

We zien ook dat Barnabas ‘een goed man was, vol van de Heilige Geest en van geloof’. Deze drie bijzondere eigenschappen moeten alle ware dienstknechten van de Heere kenmerken. Blijkbaar besefte hij de behoefte aan iemand die kon leren, en zo wordt hij ertoe gebracht om Saulus te zoeken. We lezen dan dat zij ‘een heel jaar in de gemeente samen vergaderden en een grote schare leerden’ (vs. 26). Zo zien we in het begin van het Christelijke getuigenis de drie blijvende gaven, zoals we ze ook in Efeze 4:11 vinden: 

de rondreizende evangelist, de herder en de leraar.

In vers 26 is er voor het eerst sprake van de gemeente in Antiochië. Het schijnt dat er een periode van één tot drie jaar voor nodig was om hen te bevestigen in de waarheid. Antiochië was ook de eerste plaats waar de discipelen van de Heere Christenen (volgelingen van Christus) genoemd werden, een uitdrukking die nog steeds geldt voor alle ware gelovigen. Ten slotte zien we dat de Heere uit deze gemeente, die goed onderwezen, geestelijk krachtig en actief in het evangelie was, Barnabas en Saulus kon uitzenden (Hand. 13) om het evangelie onder de volken te prediken. Zo kunnen we met recht zeggen dat de gemeente in Antiochië een voorbeeld is voor onze gemeenten nu.

A.R. Coleman