Johannes 3:16

(vraag en antwoord)

‘Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft’.

Vraag:

Waarom staat er in deze tekst ‘God heeft de wereld liefgehad’, dus in de verleden tijdsvorm? Heeft God de wereld niet meer lief? Biedt Hij haar dan geen redding meer aan?
J.G.L. te N.

Antwoord:

Het is van het allergrootste belang vast te houden aan de letterlijke inspiratie van de Bijbel. Dat houdt mede in, dat ook de tijdsvormen van de werkwoorden voor God een grote betekenis hebben. We vinden in deze tekst enkele werkwoorden:

  • ‘Want zo lief heeft God de wereld gehad’ – dat is verleden tijd;
  • ‘dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven’ – dat is eenmaal in het verleden geschied;
  • ‘opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft’ – dat is tegenwoordige tijd.

Vanwaar dit verschil in werkwoordsvorm?
Het is een wonderbaar feit te mogen weten dat de liefde van God niet slechts naar Israël is uitgegaan, maar naar de héle mensenwereld. Dit is een waarheid die voor de Joden een aanstoot was, zoals we herhaaldelijk lezen. De oneindige grootte van deze Goddelijke liefde wordt wel duidelijk uit het feit dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven. Dat mag ons tot diepe dankbaarheid stemmen en tot eerbiedige aanbidding brengen.

Maar er staat uitdrukkelijk: ‘Zo lief heeft God de wereld gehad’ – dit is dus een voltooid tegenwoordige tijd. De reden daarvoor is deze: toen God Zijn Zoon naar de aarde zond, zond Hij Hem naar een verdorven aarde die bewoond werd door verdorven zondaren die een verdorven wereldsysteem hadden opgebouwd. Door Zijn Zoon te zenden, wilde Hij hen redden van het eeuwig oordeel, reinigen van hun zonden en invoeren in Zijn gemeenschap. Hij had al vele malen en op vele wijzen gesproken door de profeten, en op het laatst zond Hij Zijn Zoon tot hen en zei: ‘Zij zullen Mijn Zoon ontzien’ (Mattheüs 21:37). Israël was de uitdrukking van de wereld in haar allergunstigste positie. Gods proefnemingen met de mens en ook met Israël waren nog niet ten einde. Dat Gods Zoon tot Israël kwam, was dan ook het bewijs van het feit dat God de wereld als zodanig nog niet volledig terzijde had gesteld. Gods hart en Gods liefde gingen nog naar haar uit. Maar de mens maakte de maat van zijn zonde vol door de Vorst van het leven, de Zoon van God, aan het kruis te nagelen en te doden. Daarmee heeft de mens het definitieve oordeel van Godswege over zichzelf en over zijn eigen wereldsysteem gebracht. ‘Nu is [het] oordeel van deze wereld’. Bij het kruis bleek uitdrukkelijk dat de hele wereld de Zoon van God verwierp. Het opschrift op het kruis was geschreven in het Hebreeuws (de taal van de godsdienstige wereld), in het Grieks (de taal van de culturele en wetenschappelijke wereld) en in het Latijn (de taal van de politieke wereld). Nu de hele wereld, dus de hele georganiseerde samenleving van mensen, Christus verworpen heeft, is er voor haar als systeem geen genade meer, maar wacht haar alleen nog een verschrikkelijk oordeel (Johannes 12:31-33 en 19:19-20). God richt Zich na het kruis dan ook niet meer tot de wereld als geheel, maar tot individuele zondaren.

Dit zien we ook duidelijk in 2 Korinthe 5. Eerst lezen we in vers 11 dat de apostelen de mensen overreedden – dus niet de wereld als zodanig, maar enkelingen, individuele personen uit deze wereld. Dan zegt vers 19 ons, dat ‘God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenend was, terwijl Hij hun overtredingen hun niet toerekende’. Tot aan de definitieve verwerping van Gods genade en liefde in Christus kon Hij nog genade betonen aan de wereld als geheel, met het oprechte verlangen dat het hele mensengeslacht tot Hem zou terugkeren. Maar nu Hij zo hartgrondig en definitief verworpen is door de hele georganiseerde samenleving van de mensen, geldt voor een ieder persoonlijk de oproep: ‘Laat u met God verzoenen’ (vers 20). Dit is een roepstem van gezanten voor Christus in een Godvijandige wereld, die zich richt tot afzonderlijke personen, niet tot bepaalde volkeren of tot het mensengeslacht in zijn geheel. Maar let wel: Gods genade is zó oneindig groot, dat ‘een ieder die in Hem [de Zoon] gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft’.

Het is goed te bedenken dat het een dwaling is die niet alleen voorbijgaat aan de verleden tijdsvorm in 2 Korinthe 5:19 (‘God was…’), maar die leidt tot de valse leer van de alverzoening, als we zouden veronderstellen dat God de wereld nu nog steeds in Christus met Zichzelf verzoenend zou zijn, zoals sommigen durven beweren.

Nee, nu, na het kruis van Golgotha, geldt: ‘Want al wat in de wereld is … is niet uit de Vader, maar is uit de wereld’ (1 Johannes 2:16), en: ‘Wij weten dat wij uit God zijn en de hele wereld in het boze [of: in de boze] ligt’ (1 Johannes 5:19). En tegelijk gaat nu Gods heerlijk Evangelie nog uit naar iedere verloren zondaar, opdat een ieder zich met oprecht berouw tot Hem bekeert en in de Heer Jezus Christus gelooft om verzoening en eeuwig leven te ontvangen.

Johannes 3:16 (aanvullend antwoord)

Graag willen wij de beantwoording van de vraag op verzoek nog enigszins aanvullen.

  1. De werkwoordsvorm ‘heeft… liefgehad’ is in het Nederlands een voltooid tegenwoordige tijd. Deze werkwoordsvorm is in het Grieks een zogeheten ‘aoristus’, wat aanduidt dat dit een afgesloten handeling in het verleden beschrijft. Voor meer uitgebreide informatie over werkwoordsvormen in het Grieks verwijzen wij de belangstellende lezer graag naar het boek “Grammatik zum Neuen Testament” door Chr. Briem, verkrijgbaar bij de uitgever.
  2. Het is diep ontroerend dat Gods liefde nog steeds uitgaat naar alle mensen op aarde. Hij wil niet dat er iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen (2 Petrus 3:9). “Want de genade van God, heilbrengend voor alle mensen, is verschenen … toen de goedertierenheid en de mensenliefde van God, onze Heiland, verschenen is” (Titus 2:11 en 3:4). God, onze Heiland, wil dat alle mensen behouden worden en tot de volle kennis van de waarheid komen (zie 1 Timotheüs 2:4). Hoe wonderbaar is het evangelie van de heerlijkheid van de gelukkige God!
  3. Uit het antwoord in het juni-nummer 2001 van het maandblad ‘Uit het Woord der Waarheid’ blijkt dat de wereld met de kruisiging van de Heer Jezus de maat van haar boosheid in elk opzicht vol heeft gemaakt! Met het oog daarop zei de Heer Jezus Zelf: “Als Ik niet de werken onder hen had gedaan die niemand anders heeft gedaan, hadden zij geen zonde; maar nu hebben zij zowel gezien als gehaat zowel Mij als Mijn Vader” (Johannes 15:24). Sindsdien ligt deze wereld als geheel in het boze (1 Johannes 5:19), maar richt God via Zijn dienstknechten nog steeds de smeekbede tot ieder mens: “Laat u met Mij (God) verzoenen” (zie 2 Korinthe 5:20).

Heeft elke lezer al gehoor gegeven aan die dringende oproep?