Houd de jeugd vast!

Jonge mensen in een klaslokaal

Houd de jeugd vast!

Als er jonge mensen zijn die het gemeenteleven loslaten – en die zijn er in veel gemeenten – wiens fout is dat dan? Is het hun fout? Zijn zij een onverstandig geslacht dat niet naar Goddelijke raad wil luisteren? Of moeten wij, oudere christenen, toch tenminste de schande ervan delen? Zwerven zij weg uit de gemeenten omdat wij er mank aan gaan hen te hoeden en te voeden met geschikt, voedzaam voedsel?

De jeugd vraagt om echtheid. Het is niet tevreden met de duffe genoegzaamheid van het “in de gemeente” zijn. Belijdenis betekent weinig of niets voor hen. Vroom gepraat maakt geen indruk op de jeugd. De jeugd verwacht resultaten. Ze worden er moedeloos van als vragen steeds onbeantwoord blijven en als evangelisatie steeds maar zonder resultaat blijft.

Toen de Heer Jezus aan het kruis Zijn moeder aan de zorg van Johannes toevertrouwde, had Hij ongetwijfeld niet alleen haar welzijn op het oog, maar ook dat van Johannes. Zo is het, als Hij jongeren aan ons toevertrouwt, even goed voor onze eigen geestelijke ontwikkeling als voor die van hen. Hun noden zijn er voor bedoeld om ons geestelijk op onze hoede en levend te laten zijn, om ons voortdurend naar het Woord en op onze knieën te brengen.

Als we onze jonge mensen ervoor willen behoeden dat ze de gemeenten verlaten waar ze opgroeiden en behouden werden, is het allereerst nodig om hen in onze harten te sluiten. We moeten Goddelijke zorg voor hen hebben. We moeten in staat zijn te zeggen wat Paulus tegen de Filippiërs zei: “Ik heb u in mijn hart(1:7). Wij zullen dan met het oog op hen veel in de tegenwoordigheid van de Heer in gebed zijn. Onze houding tegenover hen zal er niet één zijn van vittende kritiek en ruwe heerszucht, maar wij zullen liefhebbende vaders willen zijn.

We moeten ervoor zorgen dat ze steeds onderwijs krijgen. Of ze nu hun gedachten uiten of die voor zichzelf houden, ze zijn voortdurend bezig onze “gemeenteprocedures” te bezien en ze te vergelijken met wat zij van andere gemeenschappen leren. Vervolgens zullen zij zich afvragen wat juist is. We moeten hen daarom in de beginselen van de Schrift onderwijzen. Om dat te doen moeten we natuurlijk voor onszelf volkomen overtuigd zijn van de dingen die we hun willen voorhouden, door studie van en nadenken over het Woord. We moeten er ook zeker van zijn dat de praktijken die we er op na houden Schriftuurlijk zijn en niet alleen maar een traditie. We moeten de jeugd onderwijzen zich aan de Heer te geven, van de Heer te getuigen en de Heer te verwachten, opdat Hij hun levens kan besturen.

Een oudere man legt bemoedigend zijn hand op de schouder van een jongere man

We moeten onze jonge mensen het bewustzijn van verantwoordelijkheid bijbrengen. Wanneer een jongeman volwassen wordt en in het bedrijf van zijn vader gaat meedraaien is het waarschijnlijk dat zijn levensopvatting totaal verandert. Hij is niet langer zonder zorg en aandacht voor bedrijfszaken. Hij gaat leren dat inspanning en hersens en een goede naam vereist zijn om geld in het laatje te krijgen. En zo heeft het ook een rijpend effect als jonge mensen het bewustzijn wordt bijgebracht van hun verantwoordelijkheden om in het gemeenteleven tot een steun te zijn. Zij zullen zich dan realiseren dat zij erover moeten waken wat ze zeggen, dat ze moeten opletten waar ze heen gaan, dat ze hun gedachten en handelingen rein moeten houden, niet alleen voor hun eigen reputatie, maar ook voor die van de gemeente.

We moeten onze jonge mensen bezighouden, en dat niet alleen met sociale activiteiten, hoewel deze hun eigen plaats hebben en een middel kunnen zijn om een christelijk karakter te ontwikkelen. Ik herinner graag aan uitnodigingen om op de koffie te komen bij godvrezende oudere broeders en zusters, aan het vriendschappelijk praten over het Woord, aan de informele Bijbellessen voor de jeugd in de huizen, aan gezellig samenzijn waar God niet tussen het zingen van het openingslied en het slotgebed wordt buitengesloten of vergeten.

We moeten onze jeugd betrekken in de dienst voor de Heer, ieder naar zijn of haar bekwaamheid. Laat ze bezig zijn in zondagsschoolwerk, openlucht prediking, bezoekjes aan ouderen, en vele andere activiteiten en vooral in de bestudering van het Woord en in gebed.

Biddende handen

We moeten hen bemoedigen. We zouden gelegenheden moeten zoeken om een woord van bemoediging tot hen te spreken. We moeten hen laten weten dat we hun dienst voor de Heer opmerken en hen bemoedigen daarin verder te gaan. We moeten onze jonge mensen stimuleren zich te laten horen in de dankzeggingen en de gebeden. Onze God zoekt waarheid. De onsamenhangende maar oprechte smekingen van jonge gelovigen worden gehoord en beantwoord, terwijl gebeden met gezwollen woorden zo van het plafond terugkaatsen. Het hortende en stotende: “Heer Jezus, wij danken U voor het kruis”, is muziek voor Zijn oren, terwijl vaak herhaalde, gevoelloze zinnen een afschuw voor Hem zijn.

Nog één ding. Wij moeten onze tongen bewaren. Geroddel en geklets onder oudere christenen over andere gelovigen heeft er waarschijnlijk meer dan al het andere voor gezorgd dat jonge mensen de gemeente verlieten. De huichelarij waarmee een broeder en zuster elkaar bij het lokaal warm kunnen begroeten en elkaar achter elkaars rug nog warmer aan het spit kunnen roosteren in aanwezigheid van jonge gelovigen, is de doodsoorzaak voor de geest van de gemeente en blust de geest van heel wat jonge gelovigen uit. Als een gulzig mens een mes op zijn keel moet zetten (Spreuken 23:1), dan moet een kletsende oudere christen of christin eerder zijn tong uitrukken dan voor jonge gelovigen een struikelblok te zijn.

William G. McCartney

(Interest magazine; overgenomen uit New Zealand Newsletter)