Hoe zijn wij aan de Bijbel gekomen?
Hoe zijn wij aan de Bijbel gekomen?
Iemand die 5000 jaar geleden een brief wilde schrijven, deed dat niet met pen en papier, ook niet met de letters van ons alfabet. Men kende toen alleen het spijkerschrift. Elke lettergreep had een apart teken. Dit werd gebeiteld in steen of gegraveerd in klei, die dan gebakken werd. Lang vergane steden, begraven onder het woestijnzand, zijn opgegraven en zo heeft men duizenden kleitabletten gevonden en ook marmeren zuilen waarin dit schrift gegraveerd was.

De Egyptenaren hadden een beter schrift uitgevonden, het hiërogliefenschrift, dat we o.a. vinden in de inscripties van de piramiden. Het heeft de oudheidkundige geleerden veel moeite gekost, maar eindelijk is het hen gelukt, het schrift van deze oudste talen der mensheid te ontcijferen.
Behalve in klei, op steen en hout schreef men in latere eeuwen ook op papier, dat gemaakt werd uit merg van het papyrusriet. Nog later kwam daarbij het perkament, dat waren bereide dierenhuiden. Eerst werd geschreven op rollen, omdat men nog niet op het idee was gekomen, losse vellen samen te binden tot een boek.
Mozes was de eerste Bijbelschrijver. We lezen enkele malen dat God hem opdracht gaf, de dingen die gebeurd waren op te schrijven in een boek, dat was dan een boekrol. Zo werd Mozes de auteur van de eerste 5 Bijbelboeken. De opvolger van Mozes schreef het boek Jozua. Dan komen de boeken door Samuël geschreven, daarna leefden er koningen, profeten en andere mannen, die een deel van het Goddelijk Boek mochten schrijven.

Het volk Israël ontving het voorrecht de verschillende boeken van de Bijbel die geschreven werden, te verzamelen en zorgvuldig te bewaren. Ongeveer 400 jaar voor de geboorte van Christus was het Oude Testament compleet. Het Oude Testament werd geschreven in het Hebreeuws, de taal van het volk Israël. Enkele korte gedeelten (b.v. een deel van Ezra en Daniël) werden in het Aramees geschreven. Pas na het leven van de Heere Jezus op aarde werden de Boeken en Brieven van het Nieuwe Testament geschreven, en wel in het Grieks, omdat dit toen de wereldtaal was. Ongeveer 100 jaar na Christus waren ze allemaal klaar.
Mozes leefde omstreeks 1500 jaar voor Christus, dus we kunnen zeggen dat de Bijbel in een tijdperk van 1600 jaren is ontstaan.
In al die tijd zijn ook andere boeken geschreven, maar die behoren niet tot Gods Woord.
Hoe weet men dat?
De gelovigen wisten door de leiding van Gods Geest al gauw welke boeken tot de Bijbel behoorden en welke niet. De christenen wisten te onderscheiden wat canonieke (of echte) boeken en wat apocriefe (onechte) boeken waren. Sommige apocriefe boeken zijn wel het lezen waard, maar een oplettend lezer merkt het: ‘Nee, dat is anders dan de Bijbel’: fantastische verhalen, belachelijke dingen en fouten. Zoiets zoekt men in de Heilige Schrift tevergeefs! Gods Woord is dus niet samengesteld door een kerkvergadering of concilie, maar door de besturing van God.
De boekdrukkunst heeft bijna 600 jaar geleden de wereld veranderd. Als vroeger iemand een Bijbel wilde hebben, dan moest hij hem overschrijven. Lang niet iedereen kon schrijven, dus dan moest men het laten doen. Dat kostte veel tijd en veel geld. Men kocht dan een manuscript; dit woord betekent: met de hand geschreven. Dan kwam bij al dat overschrijven van de Bijbelboeken dit bezwaar: men maakte schrijffouten. Iemand die jaren later deze kopie weer overschreef, merkte de fouten niet altijd op, nam ze over en … maakte er per ongeluk nog wat bij. Daarom is het nodig de oudste manuscripten te bezitten, want hoe dichter men bij de oorspronkelijke schrijver is, hoe zekerder het is dat de tekst ongeschonden is.
J. Rouw (uit: Een Brief voor jou)