Hij heeft voor ons een stad bereid

Ik ken een stad – zo hemels schoon,
vol pracht en heerlijkheid,
waarin voor ieder die daar woont,
slechts blijdschap is bereid.
Geen tranen blinken daar in ’t oog,
geen zonde vindt men daar;
daar rust men uit van d’ aardse strijd,
verlost uit elk gevaar.

’t Is goud en jaspis wat daar blinkt
en alles is er rein.
De troon van God en van het Lam
zal eeuwig daarin zijn.
Geen duisternis zal daar meer zijn,
want ’t is Gods heerlijkheid
die beter dan de glans der zon
haar hemels licht verspreidt.

Mijn hart verlangt om daar te zijn
in ongestoord genot,
om vrij van zonde, moeit’ en smart
te rusten bij mijn God.
Om daar van aangezicht te zien
mijn trouwe, dierb’re Heer,
Die mij reeds hier met heel Zijn hart
bemint, zo eind’loos teer.

Maar meer nog dan mijn hart verlangt,
verlangt U, Heer, naar mij;
U roept mij toe: ‘Ik kom weldra!
Dan bent u steeds bij Mij’
O, dat vertroost mij op mijn reis;
dat geeft mij kracht en moed.
Al is de strijd dan hier ook zwaar,
die hoop maakt alles goed.