Het verdwenen slot
Het verdwenen slot

‘Pssst’, siste Björn naar achteren en op hetzelfde moment gaf hij de anderen een teken. De colonne bleef staan. Acht oren luisterden in het donker. Zes daarvan heel ingespannen. Vooral de drie voorste jongens voelden hun hart in hun keel kloppen. Alleen de laatste in de rij grinnikte wat in zichzelf. De vier jongens waren voor een avontuurlijke nachtexpeditie op pad gegaan. Sinds een halfuur waren de drie broers Markus, Björn en Bennie met hun klasgenoot Dennis onderweg naar de Schlossberg.
Markus, de oudste, was eigenlijk alleen meegegaan, omdat de moeder van Björn daarop had aangedrongen. ‘Jullie struinen ’s nachts niet alleen rond, hoor! Hebben jullie dat begrepen?’, had ze duidelijk gezegd. En zo was Björns oudste broer Markus meegegaan. Gelukkig was Markus geen spelbreker. Hoewel hij met zijn negentien jaar zeker wel andere dingen aan zijn hoofd had dan met drie kleine jongens de Schlossberg onveilig te maken. Eigenlijk was hij een prima vent, vond Björn. Behalve dan dat hij urenlang boven zijn vele boeken gebogen zat, die hij uit de openbare bibliotheek leende. Björn had de colonne laten stoppen, omdat hij iets had horen ritselen. Maar er viel nu niets meer te horen. Door een sluier van wolken schemerde maanlicht, dat door de hoge bomen boven hen, gedimd werd. ‘Kom op, we gaan weer!’, commandeerde Björn.
En de anderen volgden hem. Björn en Dennis kenden de Schlossberg eigenlijk als hun broekzak. Alleen waren ze er nog nooit ’s nachts geweest. En nu in het donker zagen de kasteelruïnes, waarop ze overdag zo graag klommen, er nogal dreigend uit. ‘Voordat jullie onder de Willemstoren in slaap vallen, vertel ik jullie nog het verhaal van het verdwenen slot’, had Markus aangekondigd, voordat ze eropuit getrokken waren.
Hij had daarbij al wel vermoed dat de vrienden de lust om rond te struinen snel zou vergaan. En zo was het ook. Al na een kwartier zaten de vier op een bank, dicht tegen elkaar aan. Ze hoefden niet lang te bedelen of Markus wilde beginnen. Hij ging in kleermakerszit voor zijn vrienden in het gras zitten. Hij kon geweldig goed vertellen. Zelfs Björn moest dat met enige jaloezie toegeven.
Boven hen streek de wind zachtjes door de bladeren van de bomen en de vrienden leunden met hun hoofd achterover en staarden omhoog. Rechts van hen verhief zich de Willemstoren, als één zwart massief blok met een scherpe puntmuts. ‘Die is vast al heel oud’, zei Dennis met een vragende ondertoon en wees naar de toren. ‘Hoe kom je daar zo op?’, wilde Markus weten. ‘Nou, ja, dat dacht ik, als je zo die hele vorm ziet. Zo bouwen ze nu toch niet meer, of wel soms?’ ‘Je hebt gelijk’, antwoordde Markus, ‘maar toch is de toren nog helemaal niet zo oud. Maar ongeveer 125 jaar. Niet ouder. De muren waar we zojuist langsgelopen zijn, zijn veel ouder.’ – Bennie, Dennis en Björn luisterden nu aandachtig en Markus ging door: ‘Denk je eens in: Het is 1760, zondag 13 juli. Op de Schlossberg stond het machtige slot Dillenburg. Al sinds vele dagen bestookten de Franse troepen de stad en het slot met een regen aan kogels. En nog steeds waren ze aan het schieten. Gebulder van kanonnen over Dillenburg. Veel mensen waren al naar dorpen in de buurt gevlucht.
Hoofdman Von Düring had met ongeveer 600 soldaten de moeilijke taak om Dillenburg te verdedigen.’ – ‘Waarom was dat moeilijk?’, onderbrak Dennis hem. ‘Welnu, in die tijd konden kanonnen al tamelijk nauwkeurig hun doel treffen. En de Fransen schoten tegelijkertijd vanuit drie verschillende richtingen. Zien jullie die berg daar achter de kabelbaan? Daarboven in het bos stond een hele rij kanonnen. De soldaten brachten de kanonskogels aan het gloeien, voordat ze afgeschoten werden. Zo probeerden ze de stad en het slot in brand te schieten. Zo rond de middag klonk er in de straten van Dillenburg een luid geschreeuw. Al gauw werd er rondverteld dat het slot in brand stond! De Fransen hadden uitgerekend de hooischuur van het slot geraakt!
Het vuur verbreidde zich in een razend tempo. De vlammen laaiden al gauw hoog op uit het brandende slot, en boven de Schlossberg hing een reusachtige rookwolk. De soldaten in het slot profiteerden van dit moment. Ze braken in in de vorstelijke vertrekken en stalen alles wat ze maar in handen kregen. Twee dagen later moest hoofdman von Düring het slot opgeven, omdat geen enkele soldaat hem nog gehoorzaamde.’ – ‘Hé, Bennie’, Björn gaf zijn kleine broer een stomp, ‘wakker worden!’ Die tilde langzaam zijn hoofd op. Hij was inderdaad in slaap gevallen. ‘Je hebt wat gemist’, beweerde Dennis. Toen vroeg hij aan Markus: ‘Maar waarom is het slot niet weer opgebouwd?’ – ‘Misschien ontbrak het nodige geld’, probeerde Björn te verklaren. ‘Ja’, bevestigde Markus, ‘je zit aardig in de buurt. Omdat de ontstane schade zo groot was, besloot de toenmalige Prins van Oranje het slot te laten ontmantelen.’ ‘Ontmantelen?’

‘Ja, zo noemden ze dat, wanneer een vesting helemaal platgegooid werd, zodat niemand het meer kon gebruiken. De inwoners van Dillenburg waren namelijk bang dat er zich misschien weer soldaten in het slot zouden gaan nestelen en dat de stad bij een aanval betrokken zou raken.’ ‘Laat mij eens raden wat er met de stenen gebeurd is’, speculeerde Björn. Dennis was sneller: ‘Ze hebben daarmee vast alle gaten en gangen opgevuld.’ ‘Precies’, antwoordde Markus, ‘maar dat niet alleen. Met de stenen hebben ze ook hele huizen gebouwd. Bijvoorbeeld in de Wilhelmstrasse.’ Björn en Dennis waren ontzettend verbaasd. De Wilhelmstrasse kenden ze heel goed, want daar gingen ze naar school. ‘Eigenlijk is alleen het tuchthuis (gevangenis) overgebleven’, vulde Markus nog aan en hij stond op van de grond. ‘Wat is dat voor een huis?’ ‘Dat vertel ik jullie een andere keer. Kom, we moeten nu gaan. Bennies ogen vallen alweer bijna dicht. Het wordt de hoogste tijd dat hij eindelijk in zijn slaapzak komt!’ Een beetje mopperend, maar toch ook helemaal tevreden over de nachtelijke excursie zetten de jongens het op een drafje. Björn wierp nog eenmaal een blik over zijn schouder. De wolkensluier was intussen opgetrokken en de maan was helemaal tevoorschijn gekomen. De schamele resten van de muren van de slotruïne wierpen nu duidelijke schaduwen. En daarboven verhief zich een donker silhouet – de Willemstoren.
Het leven in Dillenburg rond 1600
Een geweldige vesting
In de tijd van graaf Willem de Rijke beleefde het slot Dillenburg zijn hoogtijdagen. Het werd uitgebouwd tot een geweldige vesting met verscheidene verdedigingswallen. De aanvallers moesten eerst over een diepe slotgracht heen zien te komen. Daarachter stootten zij op een lange omheining van houten palen, ‘palissaden’ genoemd.
De buitenste ring van het slot was op verscheidene plekken met torens versterkt. Zo konden de muren beter verdedigd worden. Overal langs de muur zaten openingen, waardoor je de vijand in de gaten kon houden. In de tijd van de ridders wierpen de verdedigers hier stenen, brandbaar materiaal (zoals pek en teer) of andere dingen naar beneden. Daarom noemden ze deze muuropeningen ook wel ‘gietgaten’ of ‘pekneuzen’. Maar in de tijd van Willem de Rijke werden er al veel vuurwapens en kanonnen gebruikt om het slot te verdedigen.

De derde verdedigingswal was voor de aanvallers absoluut niet te zien en zat verstopt onder de grond! Want de hele Schlossberg was voorzien van een dicht netwerk van ondergrondse defensieve doorgangen, de zogenaamde ‘kazematten’. Hier konden in tijden van oorlog wel 2000 soldaten ondergebracht worden; zij moesten het slot verdedigen. Voor hen lagen er altijd wapens, geschut, kruit en kogels in het slot opgeslagen. Je kunt de kazematten tegenwoordig bezichtigen. Ze zijn na de verwoesting van het slot volledig afgebroken en later voor een deel opnieuw uitgegraven.
De hoge muur
In de eerste helft van de zestiende eeuw hield de Dillenburger graaf Willem de Rijke vaak rekening met een verrassingsaanval door landgraaf Philipp von Hessen. Daarom liet hij veel nieuwe dammen en bolwerken bouwen. In die tijd werd ook met de bouw van de hoge muur begonnen, die ook nu nog elke bezoeker van de stad Dillenburg fascineert. Het duurde vele jaren totdat deze reusachtige muur met een lengte van 300 meter en een hoogte van 20 meter eindelijk voltooid was.
Graaf Willem vroeg verscheidene keren zijn familie in Nederland om hulp, om de bouw van de muur te betalen. Vanuit Nederland werden aan hem ook soldaten uitgeleend, die het slot tegen een plotselinge aanval moesten verdedigen.
Water om te overleven
Wanneer het slot belegerd werd, hadden de verdedigers voldoende water nodig om te overleven. Daarom groeven waarschijnlijk de eerste bewoners van de Dillenburg al de ‘grote put in de kruitkelder’.
Ambachtslieden en bouwlieden
In alle tijden hebben op het slot van Dillenburg veel handwerkslieden en bouwlieden gewerkt. Er was voortdurend wel iets te verbeteren of uit te bouwen. En zo vonden op het slot veel mensen werk. Zo voorzagen ze in hun levensonderhoud, geheel of gedeeltelijk.
Heb je er enig idee van hoeveel spijkers de timmerlui in Dillenburg 550 jaar geleden gebruikten? Het waren er wel 100.000 per jaar! Het slot kreeg zo’n 535 jaar geleden een nieuwe smederij. Hier maakte de hofsmid Konrad het gereedschap voor de bouw van het kasteel, en vele andere voorwerpen – bijv.: hamers, breekijzers, braadspiezen, roosters voor de haard, emmers, ijzeren sleutels, beslag voor de wagens en paardentuigen, schoppen en koeienkettingen. Bovendien moest hij de vele paarden van de grafelijke familie en van de dienaren met hoefijzers beslaan. En dat waren er in één jaar 578 stuks!
Buksmeester
500 jaar geleden stelde de Dillenburger graaf een nieuwe ‘buksmeester’ aan. Op het kasteel was er voor de buksen (zo heetten de voorlopers van de geweren) een eigen huis, het wapenhuis, dat later ook ‘Zeughaus’ (voor wapenarsenaal) genoemd werd. De buksmeester verzorgde de schietwapens steeds zorgvuldig. Ze moesten bij een aanval op het slot onmiddellijk inzetbaar zijn.
De Willemstoren herinnert aan Willem van Nassau, de meest beroemde Dillenburgse graaf. Later werd hij Willem van Oranje genoemd. Hij werd in 1533 op het slot Dillenburg geboren. Als succesvol legeraanvoerder werd hij de aanvoerder van de Nederlandse adel. Vanaf 1568 bevrijdde hij samen met zijn broers Nederland van de Spaanse overheersing. Maar de Willemstoren heeft ook te maken met de geschiedenis van de stad Dillenburg en met het slot.
De verwoesting van het slot Dillenburg is een treurige geschiedenis. Hoe verschrikkelijk moet het voor de mensen in Dillenburg geweest zijn, toen ze moesten toekijken hoe ‘hun’ slot verwoest werd. Ze woonden in de beschutting van de hoge muren en hadden waarschijnlijk nooit gedacht dat de aanvallers het zouden kunnen veroveren. Ze hadden tevergeefs hun toevlucht achter de dikke muren van Dillenburg gezocht.
De burcht voor vandaag
En hoe zit het nu? – Ook nu nog wonen er veel mensen in Dillenburg. Het slot is verdwenen. De muren ook. En toch zoeken eigenlijk alle mensen ergens bescherming en geborgenheid. Sommigen vertrouwen op hun geld, dat ze voor slechtere tijden gespaard hebben. Anderen beweren dat hun niets zou kunnen overkomen. Weer anderen proberen door allerlei hobby’s en entertainment afleiding te zoeken, zodat ze niet hoeven na te denken over hun toekomst.
Maar in Dillenburg wonen ook veel mensen die een heel veilig slot gevonden hebben, een vesting die nooit verwoest kan worden. Deze vesting is God. David, een koning van Israël, heeft in de Bijbel eens over deze God geschreven: ‘De HEERE is mijn rots en mijn burcht en mijn Bevrijder’ (Psalm 18:3).
Jezus Christus kan dat beloven, omdat Hij de Zoon van God is. Hij werd mens en kwam ongeveer 2000 jaar geleden op de aarde. God stuurde Hem, omdat Hij wist dat mensen zoals jij en ik hulp nodig hebben. Want wij zijn kwijtgeraakt door de slechte dingen die wij doen: liegen, ruziemaken, schelden, stelen en nog heel veel meer. De Zoon van God, Jezus Christus, stierf vrijwillig een vreselijke dood aan het kruis.
Hij was als enige Mens volledig zonder zonde en schuld. En toch bestrafte God Hem. Hij deed dat, omdat Hij ons mensen wilde redden. Omdat Hij jou en mij, om zo te zeggen, ‘in Zijn burcht’ wilde laten schuilen.
En nu? Je moet begrijpen dat jij schuldig voor God bent en je moet Hem dat precies vertellen in het gebed. Zeg tegen Hem dat het je spijt dat je tot nu toe zonder Hem geleefd hebt. Som de slechte dingen op die je gedaan hebt. En geloof dat Jezus Christus voor jou gestorven is. Dank Hem ervoor! Geef Hem de leiding over jouw leven! Doe het vandaag nog! Er zijn veel mensen in Dillenburg die dat gedaan hebben.
Met deze verhalen van de Willemstoren willen wij jou uitnodigen om in ‘Gods burcht’ te komen! Blijf niet buiten, maar ga echts naar binnen.
Anders moet God je eenmaal vragen, waarom je niet gekomen bent. En dan zal het voor jou te laat zijn. Dan kun je niet meer beslissen. Dan ga je verloren! De Bijbel zegt:
‘Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft’ (Johannes 3:16).
Lees de Bijbel – het Woord van God!
Heb je vragen? Dan kun je contact met ons opnemen.