Het medegevoel en de genade van de Heer Jezus
(Lees zorgvuldig na: Mattheüs 14:1-21 en Markus 6:30-44)
In deze twee gelijkluidende Schriftplaatsen vinden wij twee geheel verschillende toestanden van het hart, die elk op het medegevoel en de genade van de Heer Jezus kunnen rekenen. Laten wij ze wat nader bekijken, en moge de Heilige Geest ons in staat stellen het kostbare dat erin besloten ligt, in ons op te nemen, te waarderen en ervan te genieten. Ongetwijfeld was het voor de discipelen van Johannes de Doper een moment van diep verdriet, toen het hoofd van hun geliefde meester onder het zwaard van Herodes gevallen was. Toen hij naar wie zij altijd opzagen, op wie zij steunden, door wie zij onderwezen waren, van hen weggenomen werd; en dat nog wel op zó’n verschrikkelijke manier. Inderdaad, wij kunnen het wel vaststellen dat dit een pijnlijk uur, een droevige tijd voor de volgelingen van de Doper was. Maar er was er Eén, tot Wie zij in hun droefheid konden gaan, Wiens oor gewillig naar hun droevige verhaal zou luisteren – Eén, van Wie hun meester gesproken had, op Wie hij gewezen had, van Wie hij gezegd had: ‘Hij moet méér, maar ik minder worden’.
Bij Hem zochten de discipelen, die hun leider kwijt waren, hun toevlucht. ‘Zijn discipelen kwamen en namen het lichaam weg en begroeven het. En zij kwamen het Jezus berichten’ (Mattheüs 14:12). Dit was het beste wat ze konden doen. Er was geen ander hart op aarde waar zij zó’n medegevoel hadden kunnen vinden als bij het tedere, liefhebbende hart van de Heer Jezus. Zijn sympathie was volmaakt. Hij was volkomen van de oorzaak van hun droefheid op de hoogte. Hij kende hun verlies. Hij begreep wat zij voelden. Daarom hadden zij verstandig gehandeld, toen zij het de Heer Jezus waren gaan zeggen. Zijn oor was altijd open; Zijn hart altijd bereid om te verzachten en te troosten. Hij gaf het volmaakte voorbeeld van het voorschrift dat later door de Heilige Geest werd gegeven: ‘Verblijdt u met [de] blijden en weent met [de] wenenden’ (Romeinen 12:15).
Ja, wie kan de waarde schatten van oprecht medegevoel? Wie kan beschrijven wat het betekent iemand te hebben die werkelijk onze vreugde en ons verdriet tot de zijne maakt! God zij dank! Wij hebben zo Iemand in onze dierbare Heer Jezus Christus. En hoewel ons lichamelijk oog Hem niet ziet, kan ons geloof van Hem in al Zijn kostelijkheid en volmaakt medegevoel genieten. Als ons geloof maar zo eenvoudig is als dat van een kind, kunnen wij van het graf waar wij zojuist het dode lichaam van iemand die ons dierbaar is, hebben achtergelaten, naar onze dierbare Heer snellen en aan Zijn voeten ons bedrukte, wanhopige hart uitstorten. Daar zullen wij geen ruwe afwijzing, geen harteloze berisping voor onze verwardheid en zwakheid ontmoeten. Nee, ook geen gedwongen poging om iets passends te zeggen, geen onhandig zoeken naar woorden van deelneming. O nee! de Heer Jezus weet wel hoe Hij moet meevoelen met een verbroken, verslagen en onder het gewicht van het verdriet terneergedrukt hart.
Hij heeft een volmaakt menselijk hart. Wat een gedachte! Wat een voorrecht om te allen tijde, overal en onder alle omstandigheden, tot een volmaakt menselijk hart toegang te hebben! Hier op aarde kunnen wij er tevergeefs naar zoeken. Ja, tevergeefs, niet alleen in de wereld, maar ook in de gemeente. Ook al mag er in veel gevallen een waarachtig verlangen tot medegevoel zijn, hoe dikwijls ontbreekt de mogelijkheid daartoe. Het kan zijn dat ik mij in ogenblikken van droefheid in gezelschap bevind van iemand die niets van mijn verdriet of de oorzaak ervan weet. Hoe zou hij dan medegevoel kunnen hebben? En zelfs als ik hem er iets van meedeelde, zou zijn hart zó met andere dingen vervuld kunnen zijn, dat er geen plaats voor iets anders in is. Dat is niet het geval met de volmaakte Mens, Christus Jezus. Hij heeft én plaats én tijd voor ieder en voor allen. Geen nood – wanneer, hoe of waarmee u komt, het hart van de Heer Jezus staat altijd open. Hij zal u nooit afstoten, u nooit beschamen, u nooit teleurstellen. Als wij dus verdrietig zijn, wat moeten wij dan doen? Hetzelfde als wat de discipelen van Johannes de Doper deden: ‘naar de Heer Jezus gaan en het Hem zeggen’. Dit is het enige wat wij te doen hebben. Laten wij meteen van het geopende graf naar de voeten van de Heer Jezus gaan. Hij zal onze tranen drogen, ons verdriet verzachten, onze wonden helen, onze leegte vullen. Geen smart, geen leed, geen droefheid is zó groot, of de Heer Jezus kan met ons meevoelen!
Laten wij nu onze aandacht richten op een andere gemoedsstemming, zoals we die vinden bij de twaalf apostelen, na hun terugkeer van een welgeslaagde reis. ‘En de apostelen kwamen samen bij Jezus en berichtten Hem alles wat zij gedaan en wat zij geleerd hadden’ (Markus 6:30). Hier betreft het geen geval van droefheid en smartelijk verlies, maar van vreugde en aanmoediging. De twaalf komen tot de Heer Jezus om Hem van de goede afloop te vertellen, juist zoals de discipelen van Johannes de Doper tot Hem waren gekomen om Hem hun verlies te vertellen. Voor beide gevallen was de Heer Jezus bereid. Hij kon het door verdriet neergebogen hart tegemoetkomen, Hij kon ook het door goede resultaten vrolijke gemoed begrijpen. Hij weet hoe Hij beide moet matigen, kalmeren, besturen en leiden. GEZEGEND ZIJ ZIJN VERHEERLIJKTE NAAM!
‘En Hij zei tot hen: Komt uzelf [met Mij] afzonderlijk naar een woeste plaats en rust wat. Want er waren velen die kwamen en gingen, en zij hadden zelfs geen gelegenheid om te eten.’ Hier worden wij tot een standpunt verheven vanwaar de morele schoonheid van de Heer Jezus Christus met ongewone glans op ons schijnt, om zo te proberen de zelfzucht van onze enge harten te veranderen. Hier leren wij duidelijk dat het maken van de Heer Jezus tot Deelgenoot van onze geheime gevoelens en gedachten, nooit een geest zal kweken van trotse zelfgenoegzaamheid, van onafhankelijkheid en van verachting van anderen. Juist het tegendeel. Hoe meer wij ons met de Heer Jezus bezighouden, des te meer zullen onze harten geopend worden om tegemoet te komen aan de verschillende behoeften van de mensen, zoals die zich elke dag aan ons voordoen. Alleen als wij tot de Heer Jezus gaan, Hem ons hele hart openen, Hem van onze vreugde en smart deelgenoot maken, onze hele last aan Zijn voeten werpen, zullen we werkelijk leren om met anderen medegevoel te hebben.
Hoeveel schoonheid en kracht ligt er in die woorden: ‘Komt uzelf [met Mij] afzonderlijk’. Hij zegt niet: ‘Gaat alleen’. Dit zou niets helpen. Het heeft geen zin, alleen te gaan naar een woeste plaats, als de Heer Jezus daar niet is. In de eenzaamheid verder te gaan zonder de Heer Jezus, moet onze koude, enge harten nog kouder en enger maken. Het kan zijn dat ik mij vol verdriet en teleurstelling van mijn omgeving terugtrek, alleen maar om mij te hullen in ondoordringbare zelfgenoegzaamheid. Misschien verbeeld ik mij dat mijn medemensen mij niet genoeg waarderen, en trek ik mij terug om mijzelf te verheffen. Of ik maak mijzelf tot middelpunt van de hele schepping, en word een koud, harteloos, eenzaam, ellendig schepsel.
Maar als de Heer Jezus zegt: ‘Kom’, dan wordt de zaak totaal anders. Bij de Heer Jezus in de eenzaamheid leren wij de mooiste lessen over wat Hem welgevallig is. In de atmosfeer van Zijn tegenwoordigheid kunnen wij niet ademen, zonder dat onze harten wijder worden. Waren de apostelen zonder de Heer Jezus naar de woeste plaats gegaan, dan hadden zij ongetwijfeld zelf de broden en vissen opgegeten, maar in Jezus’ tegenwoordigheid leerden zij heel wat anders te doen. Hij wist hoe Hij de noden van een hongerige menigte, en ook hoe Hij een gezelschap van bedroefde of verheugde discipelen, moest bevredigen. Het medegevoel en de genade van de Heer Jezus zijn volkomen. Hij kan Zich in alles inleven. Is iemand treurig, hij kan tot de Heer Jezus gaan; is hij blij, hij kan tot de Heer Jezus gaan; is hij hongerig, hij kan tot de Heer Jezus gaan. Wij kunnen alles tot de Heer Jezus brengen, want in Hem woont de Volheid, en – geprezen zij Zijn Naam! – Hij stuurt nooit iemand met een leeg hart terug.
Helaas wilden de discipelen dit wél doen. Hoe liefdeloos is hun zelfzucht, bezien in het licht van de wonderbare genade van de Heer Jezus! ‘En toen Hij [uit het schip] ging, zag Hij een grote menigte en werd met ontferming over hen bewogen, want zij waren als schapen die geen herder hebben; en Hij begon hun vele dingen te leren.’
Hij was naar een woeste plaats gegaan om Zijn discipelen te laten rusten, maar zodra de behoeften van de mensen zich aan Hem voordoen, vloeit er een stroom van medelijden uit Zijn tedere hart.
‘En toen het al laat was geworden, kwamen Zijn discipelen tot Hem en zeiden: De plaats is woest en het is al laat; stuur hen weg’.
Wat een woorden van de lippen van mannen die zojuist waren teruggekeerd van het prediken van het evangelie! ‘Stuur hen weg’. O, het is nog wel iets anders naar het evangelie te handelen dan het te prediken. Zeker is prediken goed, maar handelen is ook goed. Prediking zonder daden is zelfs weinig waard. Het is voortreffelijk de onwetenden te onderwijzen, maar het is ook voortreffelijk de hongerigen te voeden. Ja, dat laatste kan soms meer zelfverloochening vereisen dan het eerste. Misschien kost het prediken ons niets; maar het kost wel wat om voedsel te verschaffen. En wij zien niet zo graag dat onze eigen voorraad wordt aangesproken. Het hart heeft zo gauw tienduizend verontschuldigingen klaar. ‘Wat zal ik dan beginnen? Wat zal er van mijn gezin worden? Wij moeten verstandig handelen. Wij kunnen geen onmogelijke dingen doen’. Deze en dergelijke argumenten heeft een zelfzuchtig hart meteen klaar, zodra zich behoeften aandienen.
‘Laat ze van U, zend ze weg’. Waarom zeiden de discipelen dit? Wat was de ware reden voor deze zelfzuchtige woorden? Eenvoudig ongeloof. Hadden zij er maar aan gedacht dat er Eén in hun midden was Die in oude tijden ‘de zeshonderd duizend strijdbare mannen’ veertig jaar lang in de woestijn gevoed had, dan zouden zij geweten hebben dat Hij geen hongerige menigte weg zou zenden. Zeker kon de hand die zó’n leger zó lang verzorgd had, wel een eenvoudige maaltijd voor vijfduizend mensen verschaffen. Zó zou het geloof gedacht hebben; maar het ongeloof verduistert die gedachten en laat het hart eng worden.
Er is niets zo ongerijmd als ongeloof; niets wat het hart voor medelijden zó zeer sluit. Geloof en liefde gaan altijd samen, en naarmate het ene groeit neemt het andere toe. Het geloof opent de poorten van het hart en laat de stromen van de liefde tevoorschijn komen.
Zo kan de apostel tot de Thessalonikers zeggen: ‘omdat uw geloof zich zeer vermeerdert en de liefde van ieder van u allen tot elkaar toeneemt’ (2 Thessalonika 1:3). Dit is de Goddelijke orde. Een hart vol geloof kan liefhebben; een ongelovig hart kan niets. Het geloof brengt het hart in directe gemeenschap met Gods onuitputtelijke schatkamers, en vervult het met liefde en mededogen.
Het ongeloof houdt het hart met zichzelf bezig, en vervult het met zelfzucht en vrees. Geloof voert ons in de atmosfeer van de hemel, en verruimt ons hart. Ongeloof laat ons achter in de verwelkende omgeving van een wereld zonder gevoel. Het geloof stelt ons in staat naar Christus’ liefelijke woorden te luisteren: ‘Geeft u hun te eten’. Het ongeloof fluistert ons de gevoelloze woorden in: ‘Zend de menigte weg’. In één woord, niets verwijdt het hart zozeer als het eenvoudige, kinderlijke geloof; niets is enghartiger dan het ongeloof. O, laat ons geloof toch groeien en bloeien, zodat onze liefde des te overvloediger wordt! Mogen wij veel blijvende zegen genieten, wanneer wij zien op het medegevoel en de genade van de Heer Jezus.
Wat een scherpe tegenstelling tussen de woorden: ‘Zend hen weg’ en ‘Geeft u hun te eten’. Zo is het altijd. Gods wegen zijn niet de onze. Door op Zijn wegen te letten, leren wij onze wegen te oordelen. Door op Hem te zien, leren wij onszelf te beoordelen. In deze liefelijke gebeurtenis wijst de Heer Jezus de zelfzucht van de discipelen terecht; ten eerste door hen tot kanalen te maken waardoor Zijn genade de menigte bereikt, en ten tweede door hen de ‘twaalf korven vol met brokken’ voor henzelf te laten verzamelen.
En dit is nog niet alles. Niet alleen wordt de zelfzucht bestraft, maar het hart wordt op gezegende wijze onderwezen. De natuurlijke mens zou kunnen zeggen: ‘Waartoe waren er eigenlijk vijf broden en twee vissen nodig? Kon Hij, Die zo’n grote menigte kon voeden, dit niet zonder zulke middelen doen?’ Zeker kon Hij dat, maar de Heer Jezus leert ons niet te verachten wat God geschapen heeft. Wij moeten gebruiken wat wij hebben, natuurlijk altijd onder Gods zegen. Dit is een mooie les voor ons hart. ‘Wat hebt u in uw huis?’ is de vraag die tot ons wordt gericht. God wil juist dat, en niets anders, gebruiken. Het is gemakkelijk om vrijgevig te zijn met wat niet van ons is; maar het komt er hier op aan om wat wij hebben in te zetten, en het met Gods hulp voor de bestaande behoeften te gebruiken. Zo is het ook met het verzamelen van de brokken.
‘Verzamelt de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren gaat’ (Johannes 6:12). Het hart zou in zijn dwaasheid kunnen zeggen: ‘Waartoe is het nodig die verspreide brokken te verzamelen? Hij, Die zó’n wonder heeft verricht, heeft die brokken toch zeker niet nodig’. Zeker, maar wij mogen niets van Gods gaven verkwisten. In het gebruik van de broden en vissen wordt ons geleerd om niets te verachten dat God geschapen heeft; in het verzamelen van de brokken worden wij erop gewezen om geen van Gods gaven weg te werpen. Waar er behoefte is, voorzie daarin rijkelijk, maar laat geen enkel brok verkwist worden. Hoe Goddelijk volmaakt! Hoe geheel anders dan wij! Soms zijn wij gierig; dan weer verkwistend. De Heer Jezus was nooit het een of het ander. ‘Geeft u hun te eten’. Maar ‘laat niets verloren gaan’.
Volmaakte genade! Volkomen wijsheid! Wij aanbidden en proberen te leren! Wij verheugen ons in de zekerheid, dat de Gezegende, Die al deze wijsheid, al die genade openbaarde, ons leven is. Christus is ons leven, en de openbaring van dit leven is het ware praktische Christendom. Het bestaat niet uit regels en inzettingen, maar daarin dat Christus door het geloof in onze harten woont – Christus, de bron van volmaakt medegevoel en van volkomen genade!