Het grote wonder van het evangelie
Wat zijn we ons weinig bewust van de oneindige genade van God dat Hij een evangelie gegeven heeft en dit bovendien overal laat verkondigen. Dit is verre van vanzelfsprekend, want God is dat in geen enkel opzicht verplicht aan de mens. Wat is immers de mens? Hij is de dood schuldig! En dat is al zo vanaf de zondeval: ‘Op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven’ (Genesis 2:17 HSV). Letterlijk staat hier: ‘… zult u de dood sterven’. ‘Want het loon van de zonde is de dood’ (Romeinen 6:23).
De mens heeft dus totaal geen recht van leven meer op aarde. Niemand van al die miljarden mensen die op de aarde leven, heeft er recht op! Ze lopen allemaal met de dood van het eeuwige oordeel in hun schoenen. Dat ze nog op aarde leven, is op zichzelf al een groot bewijs van Gods genade. God heeft namelijk Zijn rechtvaardige oordeel over de mens – dat heel zeker spoedig zal komen – nu al ruim zesduizend jaar opgeschort, maar het zál onverbiddelijk worden uitgevoerd.
Maar dit is nog lang niet alles. Hoe heeft de godsdienstige mens, die zélf de dood dus allang verdiend had, gehandeld met Gods enige en geliefde Zoon, nadat Hij op aarde alleen maar goed had gedaan? ‘Hem hebben zij ook gedood door Hem te hangen aan een hout’ (Handelingen 10:38-39). Wat moest Gods rechtvaardige antwoord zijn op deze allergrootste zonde van de mens? ‘Hij zal komen en deze landlieden ombrengen’ (Lukas 20:16). Heeft God dit ook gedaan? Heeft God het volk van de Joden omgebracht toen zij Zijn enige en geliefde Zoon gekruisigd en gedood hebben? O, wat een wonder van genade: nee, dat heeft Hij niet gedaan! Gods hart, vol van hemelse liefde, wilde opnieuw genade aanbieden, en dat nog wel aan de verraders en moordenaars van de Rechtvaardige (Handelingen 7:52)!
Opnieuw genade – want dat had God daarvoor al gedaan toen Zijn Zoon, het vleesgeworden Woord, onder hen had gewoond, vol van genade en waarheid (Johannes 1:14,17; Mattheüs 22:3). Maar die rijke genade in de vernederde Christus hadden zij smadelijk verworpen. Nu echter bood God van Handelingen 2 tot en met 7 (dus na de uitstorting van de Heilige Geest) aan deze verdorven verraders en moordenaars van de Rechtvaardige wel een zeer buitengewone genade aan: vergeving van zonden en behoudenis, als zij berouw hadden, zich bekeerden en geloofden in de opgestane, verhoogde en aan Gods rechterhand verheerlijkte Christus (Handelingen 2:36-40; 3:13-15, 19-23; 4:10-12; 5:30-32; 7:55-56; Mattheüs 22:4-6).
Is dit geen wonder van Gods aanbiddelijke genade? Wat deden echter de mensen die in de Joodse raad zaten, in Handelingen 7? Zij doodden Stefanus door steniging en riepen daarmee Gods oordeel over zichzelf af (Mattheüs 22:7; Lukas 19:12,14,27). Zij hadden daarmee niet alleen Gods heerlijke genade-aanbod in de vernederde Christus afgewezen en Hem gekruisigd, maar ze verachtten en verwierpen bovendien ook Gods totaal onverdiende, buitengewone genade-aanbod in de verheerlijkte Christus, dat van Handelingen 2 tot en met 7 tot hen werd gebracht in de volle kracht van de Heilige Geest.
Wat zou God nu doen? Zou Hij het volk van de Joden ogenblikkelijk door Zijn rechtvaardige oordeel verteren? Of zou Hij (wat menselijk gezien ook denkbaar zou zijn) helemaal afzien van een verdere vervulling van Zijn voornemens van genade? Daarmee zou Hij niet alleen de Joden, maar ook alle mensen op aarde aan hun lot overlaten. Zou Hij dus alle volken (ook het volk Israël) laten wandelen in hun zelf gekozen wegen die allemaal zouden eindigen in de hel?
De heidenen waren en zijn niet beter dan de Joden. Ook zij staan schuldig aan de verwerping en de dood van Christus. Daarom kunnen we algemeen samenvattend zeggen: het hart van de mens (van de Joden zowel als de heidenen) heeft zijn vijandschap tegen God volledig bewezen, niet alleen in de verwerping van Christus Zelf, maar ook in de verwerping van het getuigenis van de Heilige Geest. In zoverre markeert de steniging van Stéfanus het eindpunt van de mens die onder verantwoordelijkheid was gesteld, en dus het morele (zedelijke) einde van zijn geschiedenis voor God. God had alles ondernomen om te beproeven of er iets goeds uit de mens kon voortkomen. Maar hoe meer God werkte en Zijn genade openbaarde, hoe duidelijker het werd dat de mens deze genade alleen maar haatte. Wanneer de mens alles verwierp wat van God kwam: de wet, de profeten, de Zoon van God en het getuigenis van de Heilige Geest, Die was uitgestort op aarde, dan was alles tevergeefs gebleken. De mens heeft volkomen bewezen wat hij is, namelijk een vijand van God en een vijand van Zijn liefde.
Tegenover zulke haters en vijanden van Hemzelf openbaart God nu het onbeschrijfelijk grote wonder dat Zijn hemelse genade oneindig is, en juist heel persoonlijk uitgaat naar mensen, Joden zowel als heidenen. Daarom lezen we: ‘God, onze Heiland, wil dat alle mensen behouden worden en tot de kennis van de waarheid komen’ (1 Timotheus 2:4). Met dat doel laat Hij juist ‘het evangelie van God … aangaande Zijn Zoon … Jezus Christus, onze Heer’ verkondigen (Romeinen 1:1-4), of zoals het in 2 Korinthe 4:4 staat: ‘het evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die het beeld van God is’. Met dat doel schijnt de God Die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, ook in de harten van mensen, tot de lichtglans van de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus – als die mensen tenminste geloven. Is dit geen buitengewoon groot, hemels wonder?! Ongetwijfeld! God zij dank, het is het hemelse wonder van ‘het evangelie van de heerlijkheid van de zalige God’ (1 Timotheus 1:11).
Wie is Hem gelijk,
zó mild en zó rijk
aan liefde, genâ en erbarmen?
G.F. Fickert (Geestelijke Liederen 42:4)
Daarom zingen wij ook vol blijdschap:
Dit is het eeuwige erbarmen,
dat al ons denken overtreft:
een God, Die in Zijn vaderarmen
de zondaar aan Zijn hart verheft;
Die hem van schuld en straf bevrijdt,
hem opneemt in Zijn heerlijkheid.
God laat nu allen vriend’lijk noden,
opdat niet één verloren ga;
het leven wordt hun aangeboden,
als vrije gift van Zijn genâ.
Daartoe kwam door de eeuw’ge Zoon
genade-volheid van Gods troon.
Door Jezus’ bloed zijn alle zonden
van die geloven weggedaan;
en Gods gezanten blij verkonden:
God neemt de grootste zondaar aan.
Er is een eeuwig heil bereid:
o wondere genadetijd!
J.A. Rothe (Geestelijke Liederen 164)
‘Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen! Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen’ (Romeinen 11:36).
P.M. Boekling