Het betrouwbaar doorgeven van de waarheid van de Schrift

(Genesis 26:12-25; Johannes 17:16-21; 2 Timotheüs 2:1-3)

Bij het lezen van deze Schriftplaatsen denk ik aan het betrouwbaar doorgeven van de waarheid van de Schrift. Wij leven in dagen waarin vele welbekende verzen verminkt worden. Foute vertalingen en verkeerde toepassingen komen in overvloed voor. We hebben dit onlangs gehoord bij de toepassing die gemaakt werd van Jozua 7:11 en 1 Korinthe 14:34-35. Ik geloof dat het noodzakelijk is dat wij leren te erkennen, te waarderen en hoog te schatten wat ons door onze geestelijke vaders als een geestelijke erfenis is nagelaten.

Genesis 26 gaat over een vader en een zoon – Abraham en Izaäk. Johannes 17 laat ons in die wonderbare samenspraak van de Zoon met de Vader het grote onderwerp zien van de heilige betrekking tussen de Vader en de Zoon. En met deze ware en volmaakte Zoon van de Vader is niemand te vergelijken! Hij wilde waarachtig Mens worden en nam vrijwillig de plaats van onderwerping aan Zijn Vader in. Als waarachtig Mens is Hij tevens een volmaakt voorbeeld voor ons. En 2 Timotheüs 2 spreekt ons over de apostel Paulus en zijn geliefd kind Timotheüs. Uit deze gedeelten leren wij hoe zonen waarderen wat hen door hun vaders gegeven is. Wij zien ook hoe de vaders wensten en ernaar verlangden dat datgene wat aan hun zonen werd toevertrouwd in al zijn zuiverheid en in zijn volle rijkdom, zegen en heerlijkheid zou worden bewaard. Ondanks al de aanvallen van de grote mannen – de Filistijnen, de intellectuele reuzen – is het noodzakelijk om te bewaren wat aan ons gegeven is. Het is belangwekkend om op te merken dat het eerste wat David deed, toen hij voor het eerst zulke mannen ontmoette, was het hoofd van de reus af te houwen en het naar Jeruzalem te brengen (1 Samuel 17:51,54). De ware plaats van de schedel – Golgotha (Johannes 19:17) – werd definitief aangewezen en getoond in de dood van de Heer Jezus.

Genesis 26:12-25

Wanneer wij Izaäk bekijken in Genesis 26, dan leren we dat wij allereerst de geestelijke dingen die wij bezitten naar waarde moeten leren schatten voordat wij ze kunnen bewaren. We moeten ook eerst hun ware karakter leren kennen voordat we hen een naam kunnen geven. Dit kenmerk – in staat te zijn de dingen bij hun juiste naam te kunnen noemen – is er één waaraan onder ons vandaag de dag helaas een groot gebrek bestaat. Wij falen er zo vaak in de dingen hun ware naam te kunnen geven en staan volkomen hulpeloos als het erom gaat te begrijpen of kwesties worden veroorzaakt door onoplettendheid, zwakheid, of eigenzinnigheid. Ik geloof dat wij allen die bekwaamheid behoren te verwerven om de dingen bij hun ware naam te kunnen noemen.

In Genesis 1 vinden wij dat God aan vijf dingen een naam geeft. Hij geeft namen aan de dag, de nacht, de hemelen, de aarde en de zeeën. Dit hoofdstuk geeft wonderbaar onderwijs met betrekking tot ons persoonlijk leven. Wij vinden hierin de volgorde van de geestelijke oefening en groei die we moeten doormaken, voordat wij van de rust van God in Genesis 2 kunnen genieten en met Hem kunnen delen in de indrukwekkende grootsheid en pracht van het werk van Zijn eigen handen. Zo vinden wij in Genesis 1 dat het eerste ding dat van God een naam ontvangt ‘het licht’ is. En hoezeer hebben wij ‘het licht’ nodig!

Zonder licht kan er niets bestaan. In het bijzonder in de tegenwoordige tijd moet er Schriftuurlijk licht voortgebracht worden om door te dringen in onze persoonlijke omstandigheden.

Maar net als bij Abraham kunnen wij nog niet rusten alleen op grond van het licht dat wij bezitten. Stefanus zei: ‘De God der heerlijkheid verscheen aan onze vader Abraham’. Maar dit grote heerlijke licht voerde tot de tweede dag – tot scheiding of afzondering. Het eerste woord aan Abraham is: ‘Ga uit’ (Genesis 12:1). Na de eerste dag van het licht betreden we de tweede dag van de scheiding of afzondering. Vervolgens is er op de derde dag sprake van stabiliteit – de dag waarop het droge, het land, gezien wordt.

Stabiliteit (standvastigheid, bestendigheid) in ons geestelijk leven is een wonderbare blijvende en duurzame toestand, waartoe God wil dat we komen. Sommigen zijn geneigd te denken dat door afzondering niets anders dan een ramp ontstaat. Maar in ons leven als Christen ontdekken we dat geestelijke standvastigheid alleen maar kan volgen na afzondering!

Op de vierde dag gaat het om heerschappij of regering. Vandaag de dag denken velen dat de vergadering een soort democratie is waar zij vrij zijn om te doen wat ze zelf graag willen. Zij voelen zich vrij om besluiten van vergaderingen te betwisten, om het even waar ook ter wereld deze besluiten genomen zijn. Wat een aanmatiging voor welke Christen dan ook om zo’n grondslag in te nemen. Wij weten natuurlijk dat die democratie in Europa en Amerika welig tiert en doorgeslagen is. Vandaag zijn er veel problemen door de weigering van sommigen om zich te onderwerpen aan vergaderingsbesluiten.

Na de vierde dag vinden wij ‘leven’, leven in al haar verscheidenheid van gevarieerde vormen en kenmerken. Vormen van leven waarbij zelfs Petrus in Handelingen 10 moest worden rechtgezet in zijn erkenning van dat wat van God was.

Op de zesde dag leren wij de grote waarde kennen van Christus en de Gemeente, zodat we op de zevende dag met God kunnen rusten in de grootheid en heerlijkheid van alles wat Hij tot stand heeft gebracht.

In Genesis 26 ontmoeten we deze jonge man, Izaäk. Wanneer we zijn geschiedenis lezen, dan merken we op dat er niet veel over hem gezegd wordt dat hem onderscheidt! Het lijkt erop dat hij leeft in de schaduw van zijn vader. Hij begaat dezelfde misstappen als zijn vader, maar – Gode zij dank – hij doet ook dezelfde goede dingen als zijn vader. Hij bezaait het land, hij slaat zijn tent op, hij bouwt een altaar, en hij roept de Naam van de HEERE aan. Een man die leeft in de schaduw van zijn vader, waardeert wat zijn vader aan hem heeft nagelaten. Ik ben benieuwd wat voor waardering er in de harten is van de jonge mensen die vandaag hier zijn. God heeft jullie in de wereld gebracht op de meest gezegende ogenblikken van haar bestaan. Jullie leven in een tijd die koningen, priesters en profeten begeerd hebben te zien!

Denk aan mannen als David en Abraham. David verlangde ernaar de tempel van God te zien en Abraham verlangde ernaar de stad van God te zien. Beide zijn vandaag voor u voorhanden. Het zou het hart van Abraham ontroerd en in vervoering gebracht hebben de stad van God te mogen zien. Hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, waarvan God ontwerper en bouwmeester is. Hij zal haar natuurlijk in een toekomstige dag zien, evenals David al de heerlijkheid van de tempel van God in het vrederijk zal zien. Maar vandaag vormen de Christenen de tempel van God (1 Korinthe 3:16-17 en 2 Korinthe 6:16). En in het vrederijk, ja tot in alle eeuwigheid zal de Gemeente tevens de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem zijn, uit de hemel neerdalend van God, hebbende de heerlijkheid van God (Openbaring 21:2,9-11).

Wij lezen dat Izaäk de waterputten of waterbronnen weer opgroef. Dat moet veel werk vereist hebben. Hoe ijverig moet hij zijn geweest om te bewaren en te genieten van dat wat van zijn vader was geweest. Hij zou gezegd kunnen hebben dat de bronnen ouderwets waren en tot een andere generatie behoorden. Hij zou gevraagd kunnen hebben naar iets dat moderner was, meer eigentijds, met een element van iets nieuws. Iets dat de mensen aantrekt. Maar het hart van deze jonge man werd juist aangetrokken door dat wat zijn vader gedaan had en ondanks het nietig overblijfsel en de verwarring, ondanks al de activiteit van de intellectuele reuzen, wilde hij graag bezitten wat zijn vader hem had nagelaten. Want hij kende en waardeerde immers de onschatbare waarde daarvan! Hij was dan ook vast besloten om de prijs daarvoor te betalen.

En zo lezen wij dat Izaäk niet alleen dezelfde bronnen opgroef, maar dat hij ze noemde met dezelfde namen waarmee zijn vader ze genoemd had (Genesis 26:18). Vandaag veranderen Christenen graag namen. Zij willen hun organisaties en activiteiten meer acceptabel maken voor de wereld en maken gebruik van experts op het gebied van de public relations (het leggen en onderhouden van goede relaties met hen met wie men zo graag contacten wil aanknopen) om hen hierbij te helpen. Maar Izaäk houdt eraan vast dat de namen die zijn vader gebruikt heeft ook voor hem goed genoeg zijn. Izaäk had geen verlangen om de Filistijnse termen over te nemen. De Christelijke waarheid die ons is nagelaten is 2000 jaar oud en er bestaat géén voortgaande ontwikkeling van de waarheid. Natuurlijk is er wel een ontwikkeling in mijn begrip ervan. Maar er is géén verdergaande ontwikkeling van de waarheid zelf. De apostel Paulus zegt: ‘Daarom getuig ik u op de dag van vandaag, dat ik rein ben van het bloed van allen; want ik heb niet nagelaten u de hele raad van God te verkondigen’ (Handelingen 20:26-27).

Zeker, wat goed genoeg was voor de apostel Paulus en voor de Efeziërs, is ook goed genoeg voor ons in deze tijd. Wanneer wij vandaag om ons heen kijken en al de door het intellect en de vernieuwing veroorzaakte verwarring zien, dan huiveren we als we eraan denken waar velen van ons over een paar jaar zullen zijn, als we niet onwrikbaar vasthouden aan een trouw doorgeven van de waarheid van de Schrift. Izaäk is er gelukkig mee dezelfde woorden en uitdrukkingen te gebruiken als zijn vader! (Genesis 26:18). Sommigen mogen misschien zeggen: ‘Wat goed genoeg was voor onze vaders, is verouderd en niet in overeenstemming met onze moderne tijd met al zijn moderne uitdrukkingen.’ Maar zulke gevoelens hebben géén plaats in het hart van Izaäk. De Filistijnen geven hem geen rust, zodat hij in getrouwheid verder gaat in de strijd, maar de dag breekt aan dat God Zelf tussenbeide komt. Hij leert dat de strijd in werkelijkheid die van de HEERE is (Genesis 26:22-25).

Ongetwijfeld zouden velen neutraal willen blijven in zulke conflicten. Wij hoeven slechts het boek Richteren te lezen om de tragische gevolgen van neutraliteit te zien – de vloek van de jaren 1848 en daarna. Tucht is geen aangename zaak en velen weigeren haar ter hand te nemen. Sommigen zouden willen zeggen: ‘Waarom is tucht noodzakelijk? Waarom groeten wij degenen die aan tucht onderworpen zijn niet (2 Johannes 10-11)? Waarom moeten wij ons laten betrekken bij iets dat onaangenaam is?’ In Handelingen 5 zien we de zegen die het gevolg was van een tuchthandeling. Onmiddellijk nadat er tucht uitgeoefend is in deze zaak van leugen en bedrog van Ananias en Saffira lezen we in dat hoofdstuk: ‘En er werden steeds meer gelovigen de Heer toegevoegd, menigten zowel van mannen als van vrouwen’ (Handelingen 5:14).

Johannes 17:16-21

Als we Johannes 17 lezen, realiseren we ons dat de verlangens van de Heer Jezus zich ook uitstrekken tot ons die leven in de twintigste eeuw. De Heer had wonderbaar grote en rijke hemelse dingen van Zijn Vader ontvangen. Hij gaf ze door aan Zijn discipelen. Johannes 13-17 herinnert mij in zeker opzicht aan een notaris die aan familieleden een testament voorleest. Hij maakt hun het legaat of de nalatenschap van de liefde van de Vader voor Zijn Zoon en voor ons bekend. Luister toch naar wat Hij meedeelt:

  • ‘Omdat Ik u alles wat Ik van Mijn Vader heb gehoord, bekendgemaakt heb’ (Johannes 15:15).
  • ‘Want de woorden die U Mij hebt gegeven, heb Ik hun gegeven’ (Johannes 17:8).
  • ‘En de heerlijkheid die U Mij hebt gegeven, heb Ik hun gegeven’ (Johannes 17:22).
  • ‘opdat de liefde waarmee U Mij hebt liefgehad, in hen is en Ik in hen’ (Johannes 17:26).

Wat het hart van deze gezegende Persoon van de mens geworden Zoon uitstort, vindt zijn oorsprong helemaal niet in de wereld met haar instellingen en genootschappen. Alles kwam uit het hart van de Vader, niet aangeraakt door de hand van een mens. Hier was Iemand Die uit de hemel kwam met niets anders dan hemelse voorzieningen om de Zijnen te ondersteunen op een toneel waar alles tegengesteld was aan Zijn belangen.

2 Timotheüs 2:1-3

De grote vraag vandaag is: zijn de dingen die de apostelen ons hebben nagelaten nog een grote schat voor onze harten die we ongeschonden en ongerept willen vasthouden en toepassen? Wanneer wij naar 2 Timotheüs 2 gaan, zegt de apostel Paulus tegen zijn kind Timotheüs: ‘Jij dan, mijn kind, sterk je in de genade die in Christus Jezus is; en wat je van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan trouwe mensen, die bekwaam zullen zijn ook anderen te leren.’ De apostel Paulus is bezig de wonderbare waarheid van zijn bediening – de waarheid van Christus en de Gemeente – na te laten aan een jonge man. De apostel Paulus heeft iemand gevonden die een geestelijke zoon is – iemand die de dingen die apostolisch van karakter zijn (zoals bijvoorbeeld de gezaghebbende leer – en de daaruit voortvloeiende gemeenschap – van de apostelen) onwrikbaar wil vasthouden.

Timotheüs was in een geestelijke atmosfeer opgegroeid. Al op jonge leeftijd leerde hij de Schriften van het Oude Testament hoog te waarderen, zoals de Bereërs dat ook deden. De apostel Paulus kon het geloof van zijn moeder en zijn grootmoeder prijzen (2 Timotheüs 1:5), maar de Schrift gaat totaal voorbij aan de invloed van zijn vader en volstaat met de summiere opmerking dat hij een Griek was (Handelingen 16:3). Sommigen van ons geven hoog op van het bestuderen van het Grieks, alsof de kennis van de taal op zichzelf zou kunnen bijdragen aan onze geestelijke toestand en ons dus meer geestelijk zou kunnen maken. Wanneer we vandaag naar Griekenland kijken, dan worden we er echter aan herinnerd hoe weinig daar nog gevonden wordt van de waarheid van Christus en de Gemeente.

Uit de opvoeding van Timotheüs leren ook wij de Schriften van het Oude Testament te waarderen (2 Timotheüs 3:14-16). Het is betreurenswaardig dat we in een tijd leven waar zoveel Christenen deze Schriften behandelen alsof ze van minder waarde zouden zijn dan die welke in het Nieuwe Testament gevonden worden. Alles wat we in de Schrift bezitten, van Genesis 1 tot en met Openbaring 22, is het Woord van God en moet dienovereenkomstig behandeld worden. Deze Oudtestamentische Schriften werden namelijk speciaal voor de Gemeente geschreven! ‘<Al> deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden en zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, op wie de einden van de eeuwen zijn gekomen’ (1 Korinthe 10:11). Zie ook 1 Petrus 1:12. Wij weten dat ze in de toekomst een wonderbare zegen zullen zijn voor Israël en voor anderen. Denk er eens aan wat het voor het overblijfsel zal betekenen de woorden van de Psalmist in de mond te nemen: ‘Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, ik heb gedaan wat kwaad is in Uw ogen’ (Psalm 51:6). Wat zal Israël een gebruik maken van de Boetepsalmen!

Maar in deze tijd zijn alle Schriften voor de Gemeente gegeven, ja elke tittel en elke jota daarvan.

Wat de apostel Paulus naliet in zijn geestelijke nalatenschap, had hij van de Heer ontvangen. Wat een wonderbare positie voor elke dienstknecht om ook daarin te verkeren. Het doet ons denken aan Maria in Johannes 20. Daar staat: ‘Maria Magdalena ging de discipelen berichten dat zij de Heer gezien en dat Hij haar dit gezegd had.’ (vers 18). Dat zou een wonderbare aanbeveling zijn voor alle dienende broeders! Om alleen maar door te geven wat de Heer Zelf hun uitdrukkelijk gezegd heeft!

De apostel Paulus zoekt geen filosofen, doctors of beroemde geleerden. Hij zoekt trouwe mensen. De apostel Paulus overziet, net als de Heer Jezus, de eeuwen en denkt aan de trouwe mensen die de dingen zoals ze in het begin waren als een grote en kostbare schat zullen bewaren en doorgeven aan anderen. In hoeverre hebben wij ons vandaag de dag met volledige toewijding en enthousiasme eraan overgegeven om de dingen in al hun oorspronkelijke reinheid en zuiverheid te bewaren? Hoe gevaarlijk is het zich tot de Schrift te wenden alleen om uw gewijzigde positie, standpunt of mening te rechtvaardigen. En hoe vaak betrappen wij onszelf erop dat we dit doen. Wat is het daarentegen een zegen om ons tot de Schriften te wenden met een open hart en eenvoudig te zeggen, net als Samuël: ‘Spreek, HEERE, want Uw dienaar luistert.’ We zouden veel van onze huidige problemen kwijtraken als ons enige verlangen zou zijn om te luisteren naar wat de Heer Jezus tot ons wil zeggen. De Schrift zal nooit onze diplomatieke en compromiszoekende posities rechtvaardigen. Posities die we ons aanmatigen om onszelf aanvaardbaar voor anderen te maken.

Moge de Heer onze harten bemoedigen en zegenen en ons vollediger toegewijd en beslist maken om vastberaden de ware apostolische grondslag vast te houden, zodat, als de apostel Paulus vandaag naar onze lokalen zou komen, hij dezelfde geestelijke gesteldheid zou aantreffen die hij zo goed kende in het begin. Wat een schok zou het voor de apostel Paulus zijn als hij vandaag sommige plaatsen bij ons zou bezoeken! De Heer Jezus zal Zijn dag hebben waarin Hij alles de revue laat passeren. Wat zal Zijn waardering en lof zijn van wat onder ons gevonden wordt? Hoe zullen wij tegenover Hem staan en Hem onder ogen komen in die dag? Zullen we door Hem herinnerd worden aan een weg van vernieuwing, een weg van het verdraaien van Schriftplaatsen om die passend te maken voor onszelf? Of zullen we door Hem gerekend worden onder hen die ‘kleine kracht hebben, Zijn Woord bewaard hebben en Zijn Naam niet verloochend hebben’ (Openbaring 3:8)? Moge onze liefde en genegenheid voor Hem ons helpen het getuigenis in al haar eenvoud en zuiverheid in stand te houden.

Neil Short.